IV

Grensregeling tusschen Perzië en Beloetsjistan.--Van Kirman

naar de grensstad Koeak--De grensregelingscommissie.--Vraag

naar den voorrang.--Het werk der commissie.--Van Koeak

naar Kelat.

Ik was in Kirman in December 1895. Sinds eenige maanden hadden

onderhandelingen plaats met de perzische regeering ter zake van

de grenslijn tusschen Malik Sia en Koeak, die nog niet juist was

afgebakend, maar de winter was begonnen, zonder dat men tot een

beslissing was gekomen. Toen reisde in de laatste dagen van December

de perzische commissaris Ali Achraf Khan door Kirman, en enkele

dagen na zijn vertrek werd mij uit Teheran getelegrafeerd, dat ik

benoemd was tot de post van assistent-commissaris. Mijn zuster gaf

er de voorkeur aan, mijn reis, die vermoeiend en oncomfortabel was,

met mij mee te maken, liever dan de vriendelijke aanbieding van lady

Durand aan te nemen, bij haar te komen logeeren.

De toebereidselen voor den tocht waren nog al omslachtig, het was

een lange reis en wij moesten vooraf zorgen, hier en daar proviand

te vinden en daarbij hulpkameelen, als de andere vermoeid waren;

onderzoeken, waar water te krijgen was enz. enz. Bovendien waren

onze bedienden niet ingenomen met het denkbeeld van de reis door

Beloetsjistan en moesten telkens aangemoedigd worden.

Het was reeds zeer koud te Mahoen, onze pleisterplaats; te Hanaka,

waar de karavanseraï op een hoogte van bij de 2400 M. ligt, was

het werkelijk arctisch koud, maar te Rain, op de zuidelijke helling

van den Djoeparketen, werd het weêr gelukkig minder ijzig. Langs de

rivier, de Sandoe, ging het naar Abarik een moeilijk eindweegs door

het geaccidenteerde terrein. In de warmere streken gekomen, voelden

wij ons vermoeid en niet in staat tot eenige inspanning. Wij waren

in het district Fehroed, en Abarik en Fehroed zijn in Perzië berucht

om den hevigen wind die er veelal heerscht. In een gedicht heet het

dat, den wind wordt gevraagd, waar hij woont en dat hij antwoordt:

"Mijn armzalige woning is in Fehroed en ik bezoek dikwijls Abarik en

Sarbistan." Dit laatste dorp ligt aan den rechteroever van de rivier,

waar ik in 1894 bij hevigen storm kampeerde.

Een nog al vervelende rit langs de droge rivierbedding bracht ons te

Darzin. Het dorp is bekend om zijn vroegeren rijkdom. In de 12de eeuw

zegt een schrijver: "Wij stonden op het dak van het paleis te Darzin,

en wij zagen een groot aantal dorpen, die bijna elkander raakten

en heerlijke geuren verspreidden. Zein ed Din maakte de opmerking,

dat Fars een groot en vruchtbaar land was en dat hij het geheel had

doorreisd, maar dat hij zweren kon in heel Fars niet zulk een mooi

plekje te hebben gezien."

Helaas, hoe is alles veranderd! Darzin ligt in een ellendige

woestijn. Toch is er eenige vooruitgang, want een der oude kanats of

putten is hersteld, en daardoor zal het bebouwbare land toenemen.

Te Bam vonden wij een onderkomen in een nieuw gebouwd huis, dat uitzag

op een schaduwrijken tuin vol palmen. Bam is al sinds de oudste tijden

in Perzië een beroemde stad; een mijl van het tegenwoordige fort,

liggen de ruïnen van de oude stad. Ten tijde van de verovering door de

Arabieren was de stad zeer belangrijk en hoofdplaats der provincie. Bam

is herhaaldelijk belegerd en de moderne stad dateert van den jongsten

tijd. Het is nu het middelpunt van een rijk district, ligt op een

hoogte van 1100 M, heeft een bevolking van 13.000 inwoners, een

vruchtbaren bodem en een klimaat, dat even gunstig is voor de cultuur

van palmboomen als voor die van de producten der hoogere streken.

De zomerwarmte is er gematigd, want er waait dan een koele wind uit

het Noorden, en de belangrijkheid der stad wordt nog grooter door

het feit, dat zij in Oost-Perzië het laatste handelscentrum is vóór

Quettah. De bloei der plaats vloeit voort uit de productie van henneh,

want bijna de geheele opbrengst van die kostbare verfstof wordt in dat

district verkregen. De garnizoenen in Beloetsjistan bestaan gewoonlijk

uit soldaten uit die provincie, en de gouverneur is meestal een Bami.

Een reiziger verhaalt, dat Bam op een indische stad gelijkt. Die

opmerking heb ik niet gemaakt. Misschien zag men er dertig jaar geleden

op het tijdstip van die reis nog geen palmen, en zoo zou dan die indruk

zijn te verklaren. Ingevolge een bijzondere uitnoodiging bezochten wij

het beroemde fort, en wij constateerden, dat de oude stad nog stond,

omgeven door een hoogen muur en een gracht. Boven was de woning

van den gouverneur. Men heeft er een prachtig uitzicht. Achter ons

werden onze blikken getrokken door den Koeh-i-Hazar met zijn mantel

van versch gevallen sneeuw, en aan beide kanten van het dal teekenden

de bergen zich scherp af op den turkooizen hemel. Boven ons wuifden

de bouquetten van de dadelpalmen van Bam, en wij konden de rivier

van dien naam naar het Noordoosten volgen.

Vier mijlen van Bam verwijderd, bracht een steile daling ons tusschen

de gehuchten, die het dorp Bora samenstellen; er is een bevolking

van 5000 inwoners en het voert jaarlijks 120,000 pond henneh uit,

behalve granen en dadels.

Te Vakilabad, waar wij aankwamen, na langs een mooi, beschaduwd

riviertje te zijn gegaan, hadden wij het district Narmasjir

bereikt. Met zijn sierlijke tamarinden en mimosa's schijnt het land

een losgeraakt stukje van Sind. Het is er veel warmer dan in Bam. Tot

in het midden der 19_de_ eeuw was het in 't bezit van de Afghanen,

en tegenwoordig begint het eerst weer een weinig vooruit te gaan.

Ook verder bleef de streek goed besproeid, en er groeiden echte boomen,

tot we bij een reuzenuitgestrektheid jungle kwamen en van daar in

de woestijn, die weer door jungle gevolgd werd, te midden waarvan

het dorp Rigan is gelegen. Het lijkt nog al wat op de kaart, maar

het bestaat in werkelijkheid slechts uit een fort van gebakken leem,

waar een garnizoen ligt van tien soldaten, en uit eenige huizen voor

een bevolking van niet meer dan tweehonderd zielen. Te Rigan vonden

wij een wanhoopsboodschap van den perzischen commissaris, dien wij

bijna overvallen hadden, met verzoek onze komst uit te stellen. Wij

hielden met die smeekbede geen rekening.

Tusschen ons en Bampoer strekken zich 250 K.M. van de Loetwoestijn

uit. Maar daar het de beide vorige dagen zwaar geregend had, konden

wij over meer en beter water beschikken dan meestal de reizigers kunnen

doen, en wij legden den weg in negen dagen, bijna zonder ophouden, af.

Te Grazak, ongeveer op twee derden van den weg, verbaasde het ons,

eenige tenten van nomaden te zien en een boschje van palmen. Ten slotte

bereikten wij de rivier Bampoer bij Koesjgardan, waar ik reeds geweest

was. Daar ontmoetten wij eene afdeeling gewapende kameeldrijvers, en

ik heb zelden een woester en ongeregelder troep aanschouwd. Beschermd

door dat escorte en door onze cavalerie van kleine pony's, bereikten

wij Bampoer en van daar Fahradsj.

Op die plaats werden wij met groote staatsie ontvangen; het garnizoen

stond langs den weg geschaard, en de muziek speelde het volkslied. De

commissaris kwam kort na ons aan.

Wij huurden hier dertig beloetsjistansche kameelen, en kwamen overeen,

dat ik een dagreis vooruit zou gaan, om aan de grens tegenwoordig te

zijn, als de Perzen kwamen. De dagen begonnen zeer warm te worden. Te

Soran meldde een bericht van kolonel Holdich mij, dat zij Pandsjgoer

naderde, en dat hij de grens in het midden van Februari hoopte te

bereiken.

Te Isfandak vonden wij een bekoorlijk bosch van dadelpalmen, een

rivier met kristalhelder water, maar geen bewoners. Het dorpshoofd

had zich niet op zijn gemak gevoeld bij het idee, den commissaris

te ontmoeten, want hij was in verschillende plunderingen en andere

wandaden betrokken geweest. Bij gevolg bivouakkeerden hij en zijn

dorpelingen nu in de bergen, afwachtend, wat er zou gebeuren, en

ongetwijfeld der Commissie de schuld gevend van hun ballingschap.

Wij waren nu op den linkeroever van de rivier Mesjked of Mesjkil. Men

kan nog aan haar breede bedding en steile oevers zien, dat het vroeger

een groote waterloop geweest is, terwijl men nu, zelfs in den tijd van

hoog water, er gemakkelijk door kan waden. De wateren van de rivier

worden door de woestijn ingedronken, en ten oosten van Djalsk voeden

zij een gedeelte van de dadelboschjes.

Wij waren slechts twee uren nog verwijderd van ons doel, toen een

boodschapper ons kwam berichten, dat de britsche commissie aangekomen

was, en weldra konden wij de hand van landgenooten drukken na een

reis van meer dan 1000 KM., voor 't meerendeel door woestijnen, met

zeer weinig comfort te onzer beschikking, hetgeen wel een heldenstuk

mag heeten voor een per karavaan reizende dame.

Ik wil hier eenige bijzonderheden meedeelen over de grenscommissie,

die tusschen Perzië en Beloetsjistan werkte, of zooals zij wel genoemd

wordt, de perzisch-kelatsche commissie.

Het is nu meer dan dertig jaar geleden, dat toen er sprake was van een

telegraaflijn van Britsch-Indië over land, Sir Frederick Goldsmith dat

afgelegen gebied bereisde, en het eindresultaat was toen, dat er een

grenslijn getraceerd werd van Koeak naar de zee. Koeak, dat toen als

een sterke vesting werd beschouwd, was te dien tijde onafhankelijk en

bleef dat ook. In het Noorden tot Seïstan was het land nog onbekend,

en men wist eigenlijk niet, aan wien het behoorde, zoodat men daar geen

moeite deed voor de vaststelling der grens. Perzië had toen het geluk,

er een uitmuntende gouverneur te hebben in den persoon van Ibrahim

Khan. Hij deed al wat hij kon, opdat men zich van de vaststelling

der grens zou onthouden; maar toen hij het niet kon verhinderen,

maakte hij zich van Koeak meester, zoodra de engelsche commissaris

vertrokken was. Die daad werd niet erkend door onzen minister van

Buitenlandsche Zaken; maar daar wij nog tien jaren lang geen notitie

namen van ons protectoraat over Kelat, bleef alles bij het oude.

Maar toen wij troepen te Pandsjgoer hadden liggen, en de razzia's

ondragelijk werden, gaven wij Zijner Majesteit Nasr ed Din in

overweging, het nog onbepaalde gedeelte der grens definitief vast

te stellen, terwijl wij terzelfdertijd de quaestie van Koeak zouden

oplossen. Er had op die punten een drukke briefwisseling plaats; een

oogenblik dreigden de onderhandelingen te zullen worden afgebroken,

daar de shah er tegen opzag, zich de kosten te getroosten voor een

commissie, die niet ten doel had, zijn inkomsten te vergrooten,

toen plotseling Naoroz, khan van Kharan, de palmboschjes van Mesjkil

bezette. Dit nieuws bereikte Kirman, waarna de gouverneur mij een

officiëelen brief schreef, om mij te verzoeken, de indringers van

den perzischen bodem te verdrijven. In mijn antwoord deed ik hem

opmerken, dat dergelijke incidenten onvermijdelijk waren, zoolang de

grens niet vastgesteld was, en dat het mij onmogelijk was, in dien

tusschentijd handelend op te treden. Een copie van dien brief werd

door den gouverneur naar Teheran gezonden, en Zijne Majesteit kon zich

dus rekenschap geven van de gevaren zijner onverschilligheid. Toen

besloot de shah toe te geven en de commissie te benoemen, die op het

einde van Februari te Koeah bijeenkwam.

Onze commissie was niet zeer talrijk; voorzitter was kolonel, thans

Sir Thomas Holdich, de commissieleden waren kapitein A.C. Kemball

en mijn persoon. Luitenant-kolonel R. Wahab leidde de topografische

expeditie, en luitenant C.V. Price voerde het bevel over het escorte,

dat uit twee compagnieën fuseliers en eenige sowars bestond.

Wij waren te Koeak aangekomen vier dagen na de engelsche commissie

en het perzische commissielid kwam den volgenden dag, doch als wij

geen haast hadden gemaakt, zouden we ons werk niet voltooid hebben

in het koude seizoen. Zelfs op dat oogenblik was de zon om ruim tien

uur reeds te brandend heet, om niet gevaarlijk te zijn, en de tijd

van helderen hemel, zoo noodig voor topografische opnemingen, duurt

slechts tot einde Maart en wordt gevolgd door zes maanden nevel.

Toen allen bijeen waren, deed zich de moeilijke vraag voor, wie het

eerste bezoek moest brengen. Onze meening was, dat omdat wij het

eerst waren aangekomen, het de Perzen waren; maar dezen, zich op

hun etiquette beroepend, hielden een redeneering in tegengestelden

zin. Kolonel Holdich, beweerden ze, was slechts een afgevaardigde

van den onderkoning van Indië, terwijl de perzische afgevaardigde

den koning der koningen zelven vertegenwoordigde. Het debat zou zich

dagen aaneen hebben kunnen voortzetten; het liep hierop uit, dat,

daar de perzische commissaris en de gouverneur van Beloetsjistan mij

te Kirman een bezoek hadden gebracht en te Fahradsj, zij niet konden

nalaten, nu hun opwachting bij mijn superieur te maken.

Toen de Perzen kwamen, bewezen wij hun alle mogelijke eer. Maar wij

hadden samen slechts een zeer kort gesprek, wat voor een deel het

gevolg was van het feit, dat het Perzisch, 't welk in Indië wordt

gesproken en dat van Iran twee geheel verschillende talen zijn. Men

had in Indië niet genoeg met dat verschil rekening gehouden, zoodat

onze tolk, die voor zijn bemoeiïngen een zeer hoog salaris kreeg,

zelfs niet in staat was een brief te vertalen, en dat de geheele taak

der vertolking op mij neerkwam.

Het uitgangspunt voor het werk der commissie lag aan de Mesjkil

tegenover Koeak; een kunstmatige heuvel werd op den linkeroever

opgericht, niet zonder eenigen tegenstand. Maar voor de plaatsing

van den tweeden grenspaal was langere discussie noodig. Als mijn

zuster den heuvel niet beklommen had, waar wij den hoop steenen

opstapelden, zou nooit de dikke gouverneur van Beloetsjistan in de

beklimming hebben toegestemd. Eenmaal boven, werd hij, na op adem te

zijn gekomen, weerspannig en verklaarde, dat wij hem een kostelijke en

vruchtbare provincie afnamen; feitelijk was het een lapje van twintig

aren. Het feit, dat de grenzen reeds zóó te Teheran waren getraceerd,

beteekende voor hem niets; wij lieten zijn vrienden hem kalmeeren.

De onvermoeide kolonel Wahab verliet ons hier, om de Siaharketen te

bestijgen, en wij gaven hem het denkbeeld aan de hand, zich te doen

vergezellen door Soliman Mirza, vertegenwoordiger van den gouverneur

van Kirman. Deze stemde daar slechts noode in toe; maar hij besteeg

toch piek na piek met zijn engelschen collega, die een volleerd

bergbestijger was.

De beide commissies begaven zich toen in twee étapes naar Isfandak

en van daar naar Djalsk over den Bonsazpas, aan welks begin

wij kampeerden. Daar deed zich een nieuw incident voor, want de

perzische commissaris had laten rondstrooien, dat een grenspaal ten

westen van den pas was geplaatst, hetgeen de gemoederen ten hoogste

verontrustte. Wij gingen ons overtuigen, dat het niets anders was dan

een paal voor de triangulatie, en wij drukten er onze spijt over uit,

dat men ons van zulk een daad verdacht had, waarover de Perzen zich

op hun beurt teleurgesteld toonden.

De beide commissies waren uit de meest verschillende elementen

samengesteld, Engelschen, Perzen, Beloetsjen, soldaten der geregelde

en ongeregelde troepen. Wij hadden veel kameelen bij ons en ezels en

muildieren, alsook een kudde schapen en geiten.

Wij bleven veertien dagen te Djalsk, gedurende welken tijd men de

grenspalen zette, die de palmboschjes van Mesjkil bij Kelat voegden,

zooals te Teheran was afgesproken. Het meer noordelijk gelegen

district was slechts woestijn, en kolonel Holdich stelde, om een

nieuwe wintercampagne te vermijden, voor, als grens de ketenen aan

te nemen, die naar 't Zuidoosten liepen van den Koeh-i-Malik-Sia af

en dan alleen een vliegende colonne uit te zenden voor de exploratie.

Toen de Pers dat goed had gevonden, bleef er niet anders te doen dan

te beschikken over enkele niet belangrijke palmbosschen. Daar ik er

in 1893 in Sarhad over had hooren spreken en ik enkele aanteekeningen

over die quaestie had gemaakt, ging de zaak gemakkelijk.

De oase van Djalsk is zeer groot, zij beslaat een tiental vierkante

kilometers. Men vindt er overal dadelpalmen, waaronder gerst en

tarwe en boonen groeien, en in de tuinen treft men granaatappelen,

vijgenboomen en wijnstokken aan. Een moerassige plas ligt midden in

de oase, die acht verspreid liggende dorpen telt.

In de oase zijn een zeker aantal bouwwerken in het bezit van koepels;

zij bevatten de graven van een oud vorstengeslacht, dat over

Beloetsjistan heeft geregeerd.

Op het perzische Nieuwjaar 21 Maart, even vóór wij uiteen zouden

gaan, onstonden nog weer quaesties over den voorrang tusschen den

gouverneur van Beloetsjistan en den vertegenwoordiger van den Shah,

maar door wat schikken en plooien liep alles goed af.

Den volgenden dag vertrokken wij vroeg van Koeak na een

allerhartelijkst afscheid. Zoo eindigde het werk van de

perzisch-beloetsjistansche commissie.

Wij moesten nu tot Quettah door Britsch Beloetsjistan reizen. Dat

land heeft nog geen historieschrijver gevonden tot heden, ofschoon het

materiaal voor zijn historie gereed ligt. Aardrijkskundig breidt het

westelijk deel zich als woestijn naar het Noorden uit tot de woestijn

Helmand en bestaat in het midden en het Zuiden uit lange, smalle dalen,

die met de grootste regelmaat van het Noordoosten naar het Zuidwesten

loopen. Meer oostwaarts komt men in de beloetsjistansche bergen,

takken van den machtigen Hindoekoesj en op die groote hoogvlakte

liggen Kelat en Quettah. Zooals men kan begrijpen, is het klimaat

van het westelijk deel des lands bijna gelijk aan dat van perzisch

Beloetsjistan, en men vindt te Pandsjgoer dadels, die tot de beste der

wereld behooren; maar tusschen Kelat en Quettah is de koude soms vrij

hevig, en ik herinner mij, dat de kolonel Wahab mij een plek wees,

waar zijn expeditie door een storm was overvallen. In de duisternis

hadden zij hun tenten geplaatst achter een heuvel, naar zij meenden,

en den volgenden dag bleek het, dat het een hoop ossen waren, die

door de vorst waren omgekomen.

De bevolking van britsch Beloetsjistan is zeer gemengd, en zij is

nog in 't geheel niet gewend aan de beperkingen die het leven in de

beschaafde maatschappij meebrengt. Men vergeet echter wel eens, dat

de eerste vertegenwoordiger van Groot-Brittannië pas voor nog geen

twintig jaar te Pandsjgoer verscheen in den persoon van Sir Robert

Sandeman. Daar de Indische regeering niet graag noodeloos groote

uitgaven wilde doen, begon zij gedurende vele winters alleen een

officier op expeditie naar het land te zenden. De Beloetsjen wachtten

dan slechts op zijn vertrek, om hun onderlinge twisten te hervatten.

In 1891 beval majoor Muir, die de rechtspraak in handen had, de

gevangenneming van Mir Sjahdad, een bekend roover. Deze verzette

zich met zijn aanhangers; een ongewapende bediende werd gedood, en de

majoor zelf ernstig gewond, terwijl Shahdad er in slaagde, zich uit de

voeten te maken. Toen hij daarna op de hoogte was gebracht van mijne

aanwezigheid te Kirman, gaf hij zich ten laatste over aan Kemball,

toen deze zijn reis ondernam in 1894 en 1895. Er werd toen een paar

jaar lang een klein garnizoen te Pandsjgoer onderhouden; maar dat

werd in 1896 ingetrokken, daar het land tot rust gebracht scheen.

Eenige kilometers van Koeak verwijderd, werd de eentonigheid van de

reis op aangename wijze verbroken door de verschijning van twee beren,

de eerste, die ik in Beloetsjistan onder de oogen kreeg; zij joegen

Tumbull, die hen had ontmoet, op de vlucht. Wij gingen ze achtervolgen,

maar konden ze niet onder schot krijgen. Beren moeten er zeer zeldzaam

zijn, en ik heb buiten dezen eenen keer nog slechts een enkele maal

hun sporen gezien.

Wij gingen over de Mesjkil, die ongeveer een voet diep was en

koffiekleurig water had en betraden toen het Raksjandal. Die rivier

is breed en ondiep, maar had ziltig water, dat ook de minst verwende

onzer soldaten ondrinkbaar vonden, en het speet ons zeer, dat wij

een vat bier aan onze perzische collega's hadden afgestaan en dat

ons meel beschimmeld en oneetbaar was.

Wij stegen intusschen aanhoudend, zooals ook onze aneroïde barometers

aanwezen. De tochten waren uiterst eentonig; de eene dag volgde

den anderen, zonder dat men ergens een teeken van leven te zien

kreeg. Intusschen waagden wij ons aan gissingen omtrent de oorzaken,

die de bevolking uit het dal hadden doen vluchten. Wij zagen op

de terrasvormige hellingen hier en daar nog hoopen aardewerk

en gereedschap. Natuurlijk had de krijg velen verdreven; maar

buitendien had in dit district, zoowel als in de naburige provincies,

de vernieling der bosschen een vermindering in de hoeveelheid regen,

die er viel, teweeggebracht, had de bronnen doen opdrogen en had ten

laatste de bevolking op de vlucht gedreven.

Toch kan men zich hier wel water verschaffen, en artesische

putten zouden zeker uitstekende diensten kunnen bewijzen; maar wat

mij vooral trof, was de geschiktheid van het land voor de teelt

van kameelen. Overal was de grond dicht bedekt met kreupelhout,

terwijl het klimaat deed denken aan dat van een groot deel van

Afghanistan. Kameelen, die daar werden grootgebracht, zouden zeker

den dienst over de grenzen kunnen waarnemen, wat niet het geval is

met de kameelen uit de vlakte. Zelfs in den jongsten afghaanschen

oorlog heeft, zegt men, de miskenning van deze waarheid den dood van

zes-en-dertig duizend kameelen veroorzaakt, en niet alleen bracht dat

verlies den geheelen transportdienst in de war, maar het veroorzaakte

ook veel ziekten. Het blijft in elk geval te betreuren, dat men geen

gebruik maakt van deze woeste streek, waar wij 320 K.M. ver geen

teeken van leven zagen.

Te Nagha Kelat, waar wij twee dagen bleven, om onze kameelen te laten

uitrusten, maakten wij van het oponthoud gebruik, om de reusachtige

ruïnen, die er zich bevinden, te gaan zien; vooral die van groote

waterréservoirs of _gobasta's_ waren interessant.

Het werd einde April, toen we Kelat bereikten, de hoofdstad van

Beloetsjistan, op de aanzienlijke hoogte van 2100 M. gelegen. De

stad heeft een bevolking van bij de 50,000 inwoners, die in aantal

wisselt met de seizoenen; midden in den winter is de stad zoo goed als

verlaten. De bazars zijn zeer middelmatig, en men ziet aan alles, dat

de hier wonende menschen ver beneden de Perzen staan in de vorderingen

der beschaving.

In 1838, in den eersten oorlog met Afghanistan, werden britsche

officieren naar Kelat gezonden, om de medewerking van den khan te

krijgen bij het noodzakelijk reizen door zijn land op den tocht

naar Kandahar. Men kreeg eenig wantrouwen, dacht aan verraad, en in

November 1839 viel een britsche krijgsmacht Kelat aan en maakte er

zich bij verrassing van meester.

In 1877 kochten de Engelschen Quettah, en in den volgenden oorlog met

Afghanistan bewees Khoedabad, khan van Kelat, ons groote diensten. Zijn

zoon Mahmoed Khan is hem opgevolgd en regeert thans over Kelat.

Maar om mijn verhaal te vervolgen. Wij trokken over een niet zeer

hoogen pas in de bergen en kwamen tegenover een schilderachtig gelegen

fort, waar zich de broeder van den khan bij de britsche commissarissen

aansloot met eenige juist aangeworven lansiers. Ons bivak werd dichtbij

de armoedige gebouwen opgeslagen, waar de politieke agent woont; maar

wij hadden geen reden tot klagen, want de tuin leverde ons de beste

groenten, die wij sinds we te Djalsk waren, hadden geproefd. Daar

had men ons een heerlijken schotel linzen voorgezet. Wij waren nu

weer aan de telegraaflijn, die wij te Kharan hadden verlaten, en

twee étapes verder, na door het heerlijke Mastangdal te zijn gegaan,

bereikten wij den weg van Kelat, die toen in aanleg was en die nooit

geheel voltooid is geworden.

In ons laatste kamp konden we den spoorweg zien over den Bolanpas,

zoo goed als geheel voltooid. Onze perzische bedienden kwamen zeggen,

wat het was, blij dat ze ons wat nieuws konden vertellen. Onze

paarden namen hier met niet veel genoegen de noodige rust en gingen

bijna op hol, toen ze eerst een spoorwaggon en toen het station

zagen. Wijzelven waren verrukt van de frischgroene omgeving en de

mooie lanen, en toen wij eindelijk het consulaat van Quettah hadden

bereikt, voelden wij neiging, om uit te roepen: "Hier moet werkelijk

het paradijs zijn geweest!"

De vriendelijke ontvangst van Sir James Brown, zijn mooi huis met

het echt engelsche aanzien en vol van smaakvolle weelde, besloten

op aangename wijze deze reis, en mijn zuster kon voortaan aanspraak

maken op de eer, de eerste vrouw te zijn geweest, die te paard van de

Kaspische Zee naar Indië reed over een afstand van meer dan 3000 K.M.

V

Seïstan.--Zijn geschiedenis.--De delta van de

Helmand.--Vergelijking van Seïstan met Egypte.--Uitstapjes

in Helmand.--Terugkeer van Yezd naar Kirman.

Een nieuwe tocht ter grensvaststelling was noodig, om het werk te

voltooien van de engelsch-perzische commissie, tusschen Afghanistan,

Beloetsjistan en Perzië. Op 2 Januari 1899 waren wij te Robat-Kelat

aangekomen, dichtbij den zuidwesthoek van Afghanistan, en we zouden

Seïstan binnentreden. Zonder weer het werk der grensregeling te

beschrijven, wil ik een en ander meedeelen over de aardrijkskundige

gesteldheid van dit land, dat tot nu toe zoo onvoldoende bestudeerd is.

Seïstan is het land der roemrijke geslachten van krijgers, waar Rustem

uit is voortgekomen, de held van Firdoesi's heldendicht, die nu nog,

als vóór duizend jaren, de nationale held der Perzen is. Al wat men

niet begrijpt, wordt aan hem toegeschreven, zelfs bij voorbeeld de

sassanidische beeldhouwwerken op de rotsen te Persepolis.

De tijd der dynastieën van Parthen en Sassaniden wordt in die

provincie door geen merkwaardige gebeurtenissen gekenmerkt; maar

de arabische veroveraars zijn er misschien verantwoordelijk voor,

dat de zeer oude steden Keikobad en Garsjap totaal verwoest zijn,

en dat op die plekken arabische steden zijn verrezen.

In 1363 maakte hij, die later de beroemde Timoer worden zou, zich van

verscheiden dorpen meester; maar hij werd verslagen en moest zich in

Makran terugtrekken. In dezen veldtocht deed hij de wonde op aan den

voet, die hem den bijnaam _lang_, den kreupele, bezorgde, waardoor hij

Timoerlang of Tamerlan werd. Hij verscheen weer één-en-twintig jaren

later, maar als veroveraar en moordenaar en maakte zich van Zirra,

daarna van Zalidan meester, dat toen waarschijnlijk de hoofdstad der

provincie was. Het garnizoen der stad werd aan zijn degen geregen, en

de ruïnen bleven aan de jakhalzen overgelaten, die er nog leven. Tot

overmaat van ramp vernielde Timoer het groote afdammingswerk, dat

den naam van _Band-i-Rustem_ droeg.

Door zulke rampen veranderde geheel het voorkomen der

provincie. Seïstan, bestaande uit het meer en de delta, door de

Helmand gevormd, was op dat oogenblik door aanslibbing der rivieren

aan de noordzij van het meer ontstaan, terwijl het latere bewoonde

Seïstan op de plaats lag van het verdwenen en uitgedroogde meer.

Dat Alexander de Groote op zijn tocht deze streken passeerde, bewijst,

dat zij toen niet zoo droog waren als tegenwoordig, en op een groot

deel van Azië is ditzelfde van toepassing.

Het tegenwoordige Seïstan heeft de Helmand of Hilmend tot oostgrens,

terwijl zich in het Noorden en Westen de hamoen uitstrekt, de

lagune. In het Zuidoosten van het bewoonde Seïstan bevindt zich de

_Gand i Zirra_ of het Zirrahol, waarin het water der lagune gebracht

wordt door den Sjelag, een waterloop van 350 M. breedte met 15 M. hooge

oevers, waar ik er overheen trok. Het groote bekken zelf is minstens

160 KM. lang en 50 KM. breed; het heeft zeker al het water opgenomen,

dat men nu in het meer vindt, of ten minste al het overvloedige

van de hooge waterstanden, anders kan men zich onmogelijk de groote

uitgestrektheid verklaren. Als het meer veel water heeft, is de Sjelag

een rivier met zout water, die met de Helmand evenwijdig loopt maar

in tegengestelde richting en daarvan gescheiden is door zandduinen. In

't algemeen is er niet anders dan een moeras in de laagste inzinking,

en zelfs in het voorjaar bedekken de wateren geen tiende deel van

zijn oppervlakte. Volgens Istakhri liep de Helmand uit in het meer

Zirra. Vóór de aankomst van Tamerlan was de rivier afgedamd en van

dien dam, de Band-i-Aok of Akoa ging een breed kanaal uit, dat diep

was en waaruit het district in het Zuiden werd besproeid. Men vindt

er nu niet anders dan de resten van groote steden. De grootste was

Hauzdar, waar volgens de legende de zoon van Rustem gedood werd.

De hoofdarm van de delta vloeide toen naar het Noordwesten, maar toen

na den inval der Tartaren en de verwoesting der kanalen Hauzdar zijn

toevoer van water verloor, werd Sekoeba de hoofdstad van Seïstan.

Voor zoo ver wij weten, hadden er geen groote veranderingen plaats,

tot een zestigtal jaren geleden volgens Conolly, die er kort daarna

een reis ondernam, de nieuwe afdammingen door het water weggesleurd

werden en Seïstan tot droogte veroordeelden. Tusschen 1840 en 1850

heeft men weer nieuwe leidingen aangelegd.

Toen Sir Frederick Goldsmith als scheidsrechter was benoemd tusschen

Perzië en Afghanistan, plaatste hij de grens aan de rivier, waarvan

de loop niet was veranderd. Maar acht jaren geleden baande zij zich,

door de alluviale aanslibbingen waarschijnlijk, een doorgang naar

het Westen, en op den tijd van ons bezoek stroomde de hoofdarm van de

Helmand onder den naam van Roed Perian naar het Oosten en evenwijdig

met de Roed Nasroe, die Djahanabad, Ibrahimbad en Djalalabad had

verwoest, de wieg der kejanische dynastie. Men begrijpt, dat de rivier,

die geen tegenstand meer ontmoette, haar oorspronkelijken loop hernam,

en van toen af konden de Afghanen zich terecht beklagen, dat zij op

een droogje werden gelaten, daar de arm de Nad-i-Ali slechts weinig

water had.

Om op de geschiedenis terug te komen, het land werd na Tamerlan

bestuurd door den stam der Kejaniërs, die voorgeeft, af te stammen

van de koninklijke familie der Achemeniden. Het hoofd was nu en dan

onafhankelijk, maar toen de dynastie der Saffaren haar hoogtepunt

van macht had bereikt, moest hij zich onderwerpen en erkende het

oppergezag van Perzië.

Toen Isfahan belegerd was geworden door de Afghanen, kwam Malik

Mahmoed, de regeerende vorst, te hulp met 10,000 soldaten, maar daar

de overweldigers hem het bezit van Khorassan hadden beloofd, liet hij

de koningsstad aan haar lot over. Kort daarna werd hij te Mesjed door

Nadir gevangen genomen, die zich op de eerste plaats begon te dringen,

en zijn erfgenamen, twee broeders, hielden een beleg van zeven jaren

uit op den Koeh-i-Khoya; maar zij verzoenden zich ten laatste met

den overheerscher en onderwierpen zich.

Bij den dood van Nadir Sjah werd het koninkrijk Afghanistan gesticht

door shah Ahmed, die geheel Oost-Perzië in bezit had, met Kain

en Seïstan erin begrepen, provincies, die van Herat uit bestuurd

werden. De stam van de Kejani's verdween langzamerhand; op het eind der

18de eeuw werd de stam der Nahrveï's uit Beloetsjistan uitgenoodigd,

zich in Seïstan te vestigen, om een tegenwicht te vormen tegen de

Sjahreki's en Sarbandi's.

Tegen 1850 werd Ali khan, het hoofd der Sarbandi's, schatplichtig

aan Perzië en verkreeg de hand der dochter van Bahram Mirza, een

bloedverwant van den shah. Doch deze werd overwonnen en gedood door

een van zijn neven Tadsj Mohammed, die eerst erkend werd, doch later

in de gevangenis geworpen, toen ontsnapte en verder een zwervend

leven leidde, dat hij te Quettah eindigde.

Daarna nam de perzische regeering geleidelijk Seïstan in bezit en

begon de forten aan de overzij van de Helmand weer te bezetten. Maar

Sjïr Ali, de beheerscher van Afghanistan trachtte dat te beletten,

en om een oorlog tusschen Perzië en Afghanistan te voorkomen, stemde

de britsche regeering erin toe, scheidsrechterlijk op te treden,

volgens het tractaat van Parijs.

Het was een moeilijk geval. De scheidsrechter had niet alleen

tusschen tegenstrijdige eischen te kiezen, maar moest ook den waren

_status quo_ vaststellen. Toen generaal Goldsmith echter inzag, dat

een volledige enquête onmogelijk was, kwam hij naar Teheran terug en

liet van daar zijn beslissing vallen, waardoor de Helmand de grens

werd, en Perzië het geheele gedeelte kreeg, waar eenige opbrengst

van was te verwachten. Toch kwamen beide partijen in hooger beroep,

en de beslissing werd uitgesteld.

Seïstan werd een weinig uit het oog verloren. Maar de openstelling

van den weg Quettah-Noesjki-Khorassan, een der resultaten van de

perzisch-afghaansche onderneming tot vaststelling der grens, vestigde

er weer de aandacht op, en kapitein Webb Ware bracht er een bezoek

aan in 1897. Er werd een russische vice-consul benoemd in den herfst

van 1898, en in datzelfde jaar kreeg ik de opdracht, er een britsch

consulaat te vestigen.

Intusschen waren wij aangekomen bij de zwarte, lage bergketen

Koeh-i-Malik-Sia, die alleen belangrijk is, omdat daar de drie rijken,

Groot-Brittannië, Perzië en Afghanistan aan elkander grenzen.

Ik ontmoette Wood en zijn expeditie bij het station Hoermak, het

laatste waar wij vóór Helmand nog versch water zouden vinden. Dan zou

een eindelooze, dorre vlakte volgen, die een troosteloozen aanblik

opleverde.

Den volgenden morgen kwamen wij aan den oever der Sjelag, die groote

zoutwaterplassen vormde, waar eenige eenden in rondzwommen. In een

diagonaal passeerden wij de breede, diepe bedding der rivier, en na den

linkeroever te hebben bereikt, zagen wij de eerste ruïnen. Wij sloegen

ons kamp op te Girdi-Sjah, waar ik mijn post moest vestigen niet ver

van de Ramroed-ruïnen, waar de huizen, van leem opgetrokken en reeds

zoo lang verlaten, nog zoo goed als bewoonbaar waren. Girdi-Sjah,

de eenige plaats, die mijlen ver in 't rond drinkbaar water had aan

te bieden, wordt altijd aangedaan door de karavanen, die uit Perzië

of uit Afghanistan komen. Mijn sowars hebben er wat koren gezaaid en

hebben de putten en bronnen schoon gemaakt, zoodat daar later een dorp

zal kunnen ontstaan, wat een groote weldaad voor de karavanen zal zijn.

De volgende etape bracht ons door een gebied van verlaten steden

en dorpen. We passeerden de ruïnen van Koendar en Hauzdar, en we

kampeerden te Asak-Sjah, waar wij eenige bronnen met vrij goed water

aantroffen, in de buurt waarvan groote kudden schapen graasden. We

waren nu dicht bij het bewoonde Seïstan.

Over een grasvlakte rijdend, kregen wij weldra het eerste

besproeiïngskanaal te zien, dat wel 5 M. diep was. Onze paarden waren

overgelukkig, en zij dronken zoo begeerig, dat wij hen wel tot hun

eigen heil moesten weghalen. Langs door het water afgesleten rotsen

kwamen we bij Varmal, een groot dorp, bevolkt met een duizendtal

inwoners. In ons kamp aangekomen, genoten we van de verrassing, daar

zakken met gerst en meel te vinden; we waren nu weer in een land

van overvloed.

Ik ben getroffen geworden door de overeenkomst, die er bestaat tusschen

Seïstan en Egypte aan den eenen kant, en Sarhad en Palestina aan

den anderen. Seïstan is even afhankelijk van de rivier de Helmand

of Hilmend als Egypte van den Nijl, en de beide districten zijn de

korenschuren voor de omringende gebieden. Eveneens maakt de droogte

juist als in Palestina het land in Sarhad onbewoonbaar; de kudden

schapen en geiten sterven door gebrek aan voedsel. Als ik in Sarhad

onderzoek deed naar een stam, die er vroeger had gewoond, luidde

onveranderlijk het antwoord, dat hij naar Seïstan was gegaan.

Zooals Abraham en Jacob genoodzaakt waren naar Egypte te gaan, om

het bestaan van hun gezinnen te verzekeren, zoo vereenigen de nomaden

zich in Seïstan en in de buurt. Om de vergelijking te voltooien nog

dit, dat, zooals de reiziger in Egypte door de arabische woestijn

trok met het oog gericht op de Middellandsche Zee, zoo sleepen zich

de herders, die van hongersnood te lijden hebben, met moeite door de

woestijn naar Seïstan en zien daar de breede Helmand en de moerassen,

het vochtige land, dat herders en kudden van den dood zal redden.

Ons eerste bezoek aan het meer vertoonde ons een groote uitgestrektheid

water, volkomen open en bedekt met myriaden wilde vogels. Als ze

opvlogen maakte dat hetzelfde geluid als de zee kan maken, als de

golven breken op de kust. Zij waren buiten het bereik van onze geweren,

en wij hadden geen boot om erbij te komen.

In het kamp teruggekeerd, vonden wij er een ambtenaar, dien

de gouverneur gezonden had, om ons naar zijn residentie te

geleiden. Gedurende den tocht naar Nasratabad vielen velen onzer

kameelen met hun lasten neer, soms in de irrigatie-kanalen. Er is

geen treuriger aanblik, dan zoo'n arm schip der woestijn in het water

te zien.

Op zes kilometer afstands van Nasratabad voegde zich de gouverneur,

Mir Masoem Khan, bij ons. Maar na enkele begroetingen en wat muziek

ter eere van den avond, die aan den Ramadan voorafgaat, liet men ons

in ons kamp met rust.

Het fort van Nasratabad, vroeger Nasirabad, is gebouwd door den emir

van Kain, nu zoowat dertig jaar geleden, in den tijd toen Perzië zich

in Seïstan vestigde, in de onmiddellijke nabijheid van Husseinabad,

een belangrijk dorp van twintig duizend zielen. Het bestaat in een

omsloten ruimte van een weinig meer dan 50 HA. oppervlakte, omringd

door negen meter hooge muren van aanzienlijke dikte, waar torens op

zijn geplaatst dicht bij elkaâr. Daaromheen een overdekte weg met

schietgaten en een diepe gracht, die soms vol water is.

In het inwendige ziet men van vijftig tot honderd winkels, waar

soldaten zich met den handel bezig houden tijdens hun verblijf in

Seïstan. Ook treft men hier en daar enkele kleine, bebouwde velden

aan en overal ontmoet men ezels als rij- en lastdieren. Het garnizoen

van Nasratabad bestaat uit twee regimenten.

Mir Masoen Khan, de gouverneur, is een jonge man van negentien jaren,

wien ik op 't eerste gezicht vijf-en-twintig zou hebben gegeven,

misschien gedeeltelijk omdat hij een blauwen bril droeg. Wij brachten

hem den dag na onze aankomst een bezoek. Hij had een bleeke, ongezonde

tint, en ik vond hem zeer onwetend en lichtelijk ijdel, wat in die

omgeving van perzische hovelingen niet te verwonderen was.

Van Nasratabad keerden wij naar Varmal terug, waar ik samen zou komen

met de expeditie Webb Ware. Twee dagen later verliet zij ons, en om

het gevoel van eenzaamheid te overwinnen, besloot ik den Koeh-i-Khoya

te gaan bezoeken.

Het is de eenige berg van Seïstan, en hij speelt een groote rol in

de oude heldengeschiedenis van het land. De berg is niet hoog en

vlak, en men zou hem zeker den Tafelberg hebben genoemd, als de

Perzen tafels hadden. Alleen van het zuiden en zuidoosten was de

berg toegankelijk. De geheele oppervlakte was overdekt met openingen,

resten van mijnen en grachten, van waterleidingen en réservoirs van het

regenwater, of men vond er gesloten graven, waar ruw opeengestapelde

steenblokken op lagen of een koepeltje van leem was gebouwd.

Van den Koeh-i-Khoya ging ik naar Band-i-Seïstan aan de Helmand. Te

Dolatabad, stond de omgeving onder water en het dorp was een eiland

geworden. De huizen zijn ellendige leemen hutten met modderpoelen

ervoor en een ezel ernaast. Zoo is het heel Seïstan, ook te Sehkoeba,

het volgende dorp, dat doorgaat voor de hoofdstad van Seïstan.

Wij brachten meer dan één bezoek aan de Helmand, de Etymander uit

de oude aardrijkskunde. Het is een mooie rivier, even breed als de

Theems vóór den Tower van Londen, en na vele maanden reizens door de

woestijnen, was voor ons de aanblik bijzonder verkwikkend.

De dam bij Band-i-Seïstan scheen zeer weinig soliede. Maar misschien

ligt zijn kracht in zijn zwakheid, want hij kan gemakkelijk hersteld

worden, terwijl een steenen dam, op die plek aangelegd, een verandering

zou kunnen teweegbrengen in den loop der rivier.

Ten tijde van de expeditie naar Seïstan had hij de volgende

afmetingen. De totale lengte was 220 M. de grootste breedte 33 M.,

de hoogte 5 1/2 M. Op den tijd van mijn bezoek waren breedte en hoogte

van den dam sterk verminderd, en ofschoon het laag water was, vloeide

de stroom erdoor of er overheen. Het eenige hout, dat erbij gebruikt

was geworden, was dat der tamarinde; palen van geringe dikte waren

in de bedding der rivier geslagen en dunne takken waren er doorheen

gevlochten. Om de constructie steviger te maken, worden er takkebossen

aan toegevoegd, die ieder jaar vernieuwd moeten worden. Zoo is Seïstan

feitelijk zonder water, als de toevloed, teweeggebracht door het

smelten der sneeuw op de Berberbergen opgehouden heeft, en duizenden

dorpelingen moeten dan aan het werk gaan, om den dam te herstellen.

Er wordt beweerd, dat de Helmand uitstekende visch levert; maar die

wij vingen, was altijd flauw en smakeloos. De oevers van het kanaal,

dat Madar Ab of Moeder der wateren wordt genoemd, zijn bedekt met

een dichten plantengroei van lage tamarinde, een der weinige jungles,

die ik in Perzië heb gezien.

Wij gingen in den omtrek op snippen en eenden jagen. Het was geen

kwaad jachtterrein; maar wij liepen onophoudelijk door het water,

en zoo werd het zwaar werk. Al dit land, dat nu met tamarindestruiken

en hoog riet bedekt is, was nog slechts enkele jaren bebouwd.

Men vindt er ook nog ruïnen van oude steden, als Sjahristan en

Zahidan. De belangwekkendste waren die van een toren van gebakken

steen, omstreeks twintig meter hoog. Een breede bres aan de zuidzijde

bedreigt hem met verval en instorting, welke ramp niet lang meer kan

uitblijven. De toren, waarop koefische opschriften zijn te lezen,

was blijkbaar de minaret van een verdwenen moskee.

Nadat wij weer eenige dagen in het kamp te Nasratabad hadden

doorgebracht, toog ik er op uit voor eene nieuwe excursie, waarbij

ik mij voorstelde, de lagune te bezoeken. Rondom het dorp Haldimi

woont aan de oevers der lagune de stam der Sajaden, die mij belang

inboezemden, omdat ze waarschijnlijk tot de oorspronkelijke bevolking

van het land behoorden. Dat beweren ze ten minste, en hun uiterlijk

schijnt het te bevestigen.

Dichtbij hen wonen de Gaudars, wier kudden zich te goed doen aan

het jonge riet van de lagune. De koeien van Seïstan genieten een

goede reputatie.

De Sajaden zijn volgens hun zeggen de eenige echte Seïstani's,

en dat is mogelijk, want zij alleen hebben kunnen ontkomen aan de

mongoolsche horden, door voorraden mee te nemen aan boord van de

groote vlotten en zich ermee in het riet te verbergen. De stam telt

ongeveer vierhonderd gezinnen.

Wij gingen door Djalalabad, vroegere bezitting van den stam der Kejans,

nu een onbeteekenend plaatsje. De nieuwe loop van de rivier heeft het

dorp gespaard, maar 't bouwland vernield. Wij bezochten de ruïnen aan

de Roed Nasroe. Men vindt daar overblijfselen van steenen huizen, die

op een beteren bouwtrant wijzen dan de gewone leemen verblijven. Zeker

hebben Timoer en shah Roek aan de perzische beschaving een zwaren

slag toegebracht, waardoor de loop der geschiedenis een wijziging

heeft ondergaan.

Mian Kangi bleek een dichte jungle van tamarindestruiken tusschen die

Roed Persian en de Helmand, waar op de open plekken dorpen lagen. De

rivier, de Helmand, is er zeer ondiep; de bedding was bijna droog,

toen wij erdoor trokken. Daar wij niet door de dichte struiken konden

marcheeren, moesten wij wel de rivier volgen, en in de weinige dorpen

hoorden wij telkens verhalen over de onderdrukking door de Afghanen.

De uit Europa gekomen schrijvers zijn naar mijn bescheiden meening veel

te streng, als zij over toestanden in Perzië oordeelen. Om alleen maar

over deze provincie Seïstan te spreken, vóór de perzische regeering

er bezit van nam, was het leven van geen enkel reiziger er veilig. En

ten tijde van de eerste zending naar Seïstan was daarin reeds veel

verbetering gekomen, terwijl men nu in het district even veilig is

als in de meeste landen van Europa. Een geregelde immigratie heeft

er plaats uit Afghanistan, en zoo neemt het bebouwde deel van het

land steeds toe; het is wel verviervoudigd onder de regeering van

Nasr ed Din.

Mijn beide excursies hadden mij Seïstan goed doen zien, en ik kan er nu

met kennis van zaken over oordeelen. Het wordt, zooals ik heb gezegd,

in twee deelen verdeeld, de boomlooze streek en de jungle. In beide is

de grond dezelfde en bestaat in hoofdzaak uit een lichte leemsoort. Op

sommige einden treft men veel vierkante kilometers van zandheuvels, die

toch wel voor bebouwing geschikt zouden zijn. Rondom Nasratabad bevat

de grond veel zout en men vindt er veel gaten en kuilen en ondiepe

plassen, die een opperbeste kweekplaats opleveren voor schadelijke

muskieten. Gelukkig dat er van April tot Juni in Seïstan een nog al

krachtige wind waait, die het district bewoonbaar maakt en, hoewel

warm en niet aangenaam, toch de malariadampen wegvoert.

Lord Curzon behandelt in zijn boek over Perzië uitvoerig de quaestie

van Seïstan uit politiek oogpunt. Ik heb haar slechts beschouwd met het

oog van den geograaf. Er is reeds opgemerkt, dat het een klein Egypte

was, een korenschuur voor de omliggende streken. Dat karakter wordt nog

meer in het oog vallend door de ligging van het land halfweg tusschen

de russische bezittingen en de Perzische Golf, met aan beide zijden

zeer weinig bevolkte landstreken. Daarbij is het 't eenige bebouwde

district tusschen Quettah en de provincie Kirman. Aan den anderen kant

bestaat het bebouwbare Seïstan met een bevolking van nauwelijks 100,000

inwoners, 7000 nomaden daaronder begrepen, uit niet veel meer dan de

delta der Helmand. Ik geloof niet, dat de groote hoeveelheden water,

die tegenwoordig ongebruikt worden gelaten door een andere mogendheid

dan die, welke den bovenloop der rivier in haar bezit heeft, kunnen

worden gebruikt, en in die omstandigheden kan men niet verwachten,

dat de bebouwde gronden sterk zullen toenemen in den eersten tijd.

Door Oost-Perzië De Aarde en haar Volken, 1906 · 第 4 / 5 题