Tusschen de woestelingen van de Hollandia Baai en het zieke volk van
Merauke staan de Geelvinkbaaiers als een ander slag menschen. Bij
de oppervlakkigste beschouwing valt het op. Of zij minder geleden
hebben van slavenjagers in een oud, of van handelaars in vogelhuiden
en copra-ruilers in een jonger verleden; of zij oorspronkelijk van
beter ras zijn of met beter zich hebben vermengd; of zij meer voordeel
hebben gehad van Westerschen invloed--welke de oorzaken ook mogen
wezen, de toestand is zóó, dat zij in alle opzichten het beste er
aan toe zijn van al de kustbewonende Papoea's in het Nederlandsch
gebied. Sommige onderzoekers houden het er voor, dat zij vroeger
op een veel hoogeren trap van beschaving gestaan hebben. Materieele
overblijfselen van die beschaving zijn wel is waar tot nog toe niet
gevonden: maar zij gelooven er geestelijke te kunnen aantoonen in
hun taal en hun godsdienst. [26] De taal, het Noefoorsch, dat van
de Oostkust van Halmaheira tot het eiland Japen in de Geelvink-Baai
wordt gesproken, kent woordvorming door een soort reduplicatie; de
godsdienst heeft nog een verdwijnend spoor van monotheïsme; een gebed
tot een oppersten God wordt nog hier en daar uitgesproken.--Overigens
zijn de Geelvinkbaaiers zoo goed als Marindineezen en "Naakte Papoea's"
echte wilden, die van letter- en cijferschrift noch munt weten, geen
eigenlijke werktuigen kennen en maar bitter weinig van landbouw, en
leven van jacht en visscherij; terwijl zij, even goed als die anderen,
koppensnellers zijn. Het onderscheid zit meer in een toch zachtere
zede, een frisscher lichaamsgesteldheid en een vroolijker karakter.
Het voorvaderlijke bedrijf, waar ook de Noefoor nog met hart en
ziel aan is gehecht, is de jacht; zijn visscherij is eigenlijk óók
jacht. Zooals hij met een speer naar een kangoeroe of naar een wild
zwijn werpt, zoo werpt hij ook met een speer naar schildpadden of
naar visschen. Geen van allen zijn het gevaarlijke dieren, waarop
hij jaagt; er zijn er geen in Nieuw-Guinea met uitzondering alleen
van het wilde zwijn, dat hij ook dikwijls probeert te dooden met een
springlans: een scherp gepunte stok, door een strik zóó gebogen, dat
als het dier in den strik geraakt, de lans, uitschietend, hem in het
lichaam treft. Het komt misschien door die afwezigheid van gevaar en
van de noodzaak bijgevolg, om vastberadenheid en moed te ontwikkelen,
dat de Papoea nogal laf is. Zijn vechten gaat meest met den mond. En
de koppensneller valt van achteren aan.
Aan landbouw is hij moeilijk te krijgen, niettegenstaande alle
pogingen van de zending op Zuid- en Noordkust en van het binnenlandsch
bestuur. Hij doet, als het niet anders kan, het allergrofste werk
in de tuinen: het kappen van een boom, het uithalen van wortels of
steenbrokken; voor het overige laat hij zijn vrouw zorgen als, nog
niet zoo lang geleden, zijn slaaf.
Tot voor korten tijd hield de geheele kust slaven. Dikwijls waren
dat gevangenen uit de oorlogjes, die ieder dorp altijd door tegen
zijn buur-dorpen voerde; dikwijls ook waren zij als kinderen van hun
bloedverwanten voor slaaf gekocht; met weezen was zulk een verkoop
en aankoop iets algemeens. Bij den dood van den vader ontlastte de
familie zich op die wijze van de kinderen, voor wie zij anders had
moeten zorgen.
Op de hoofdplaats zelf van het district, den zetel van het bestuur,
is zoo iets pas gebeurd, wat eerst na lang onderzoek aan het licht
kwam. Een Papoea was 's nachts op koeskoes [27] gaan jagen. In het
donker zijn speer werpend naar de plek waar hij iets hoorde ritselen,
trof hij doodelijk een kind. De familie was een machtige, die een jaar
of wat geleden zeker leven voor leven genomen zou hebben. Zij voegde
zich nu naar de nieuwe wet en verklaarde genoegen te willen nemen met
een geldboete. Er werd niets meer van de zaak gehoord en zij scheen
geschikt, toen het uitkwam, dat de boete die inderdaad was betaald,
niet geld was, maar een kind, dat aan de familie van het vermoorde
was gegeven voor slaaf. Het bleek uit een bergdorp gehaald en het
kind van een weduwe. Om den last van de opvoeding niet te dragen
(men hoort hier véél van dien last, maar ziet er niets en begrijpt er
nog minder van), hadden de bloedverwanten van den overleden vader het
jongetje toen maar voor slaaf verkocht, terwijl zij de moeder opnieuw
uithuwelijkten. Het bevel om het kind terug te geven aan de moeder en
in zijn plaats geld aan te nemen, verwekte een hevige ontevredenheid
en bedreiging met opstand. Ten slotte echter schikte de beleedigde
familie zich, en het kind kwam bij de moeder terug.
Overigens, de slavernij was van oudsher al geen harde hier. De slaven
werden als leden van het gezin beschouwd, in den dagelijkschen
omgang. Daarvandaan dat de taak van hun bevrijding een zoo te
eenenmale ondankbare was. In de Noefoorsche sprookjes, door Van
Hasselt verzameld en vertaald, heeft men een aardig spiegelbeeld van
het leven, dat heeren en slaven te zamen leidden. Altijd, als een
kleine jongen gaat visschen in zijn prauw, is zijn slaafje bij hem,
als zijn vrindje en kameraad. Ernstige vragen bespreekt een meester
met zijn ouden slaaf en neemt zijn raad wel aan ook. Een vrouw zit
bekommerd over het lange wegblijven van haar man, die op een verre
reis is; haar slavin komt binnenloopen. "Wees niet langer bedroefd,
hij is terug, onze heer! Ik heb zijn prauw gezien in de verte!" Aan
alle feesten van het gezin hebben de slaven deel. En met zijn meester
gaat de slaaf op jacht, als een paar vroolijke makkers.
Het is aan het dorp van den Noefoor goed te zien, dat hij een jager is,
een zwerver, een eenzelvig mensch die geen nòg zoo geringen dwang of
regel kan velen: er is geen muur of greppel of haag of wat voor soort
omheining dan ook om zulk een gehucht. De hutten staan her en der, zoo
en wáar als de bouwer heeft goed gevonden ze te zetten. Niet anders is
het met zijn bestuur. Eigenlijk is er geen, behalve daar waar invloeden
van buiten af hebben ingewerkt. Alléen aan zijn familiehoofd bewijst
hij een zekere mate van eerbied en volgzaamheid. Hij houdt zich ook bij
dat hoofd wanneer hij in het dorp van een ander geslacht gaat wonen. De
familie-organisatie, de oudste, is de alleén sterke, die door latere,
zwakkere, (uitheemsch van oorsprong), heenbreekt. Het volk is nog niet
gekomen tot een meer omvattend verband; het heeft de soort arbeid die
daartoe opvoedt, nog niet verricht. Aan zijn familie-hoofd brengt de
Noefoor ook nu en dan schatting: niet dikwijls en niet veel; maar toch:
schatting. Aan het "vreemde" dorpshoofd niet. Toen de nieuw-ingevoerde
belastingen geïnd zouden worden door de dorpshoofden, die het bestuur
bij de organisatie van Noord-Nieuw-Guinea had aangesteld, bleek dàt
de moeielijkheid. "Wij willen ons zweet niet aan vreemden geven!" Wie
ooit een Papoea in zijn doen en laten,--in zijn láten vooral,--heeft
waargenomen, zal dat Papoeasche "ons zweet" verhollandschen met
"het zweet van onze vrouwen." Maar de bedoeling is duidelijk genoeg:
zij willen dat het zweet in de familie blijft.
De familie zoo hoog waardeerend, is de Papoea natuurlijk ook zeer
trotsch op geboorte en bloedverwantschap. Zijn hoogste roem is te
behooren tot een geslacht van vrijen, die van ouder tot ouder vrijen
geweest zijn en met slaven noch hun afstammelingen zich vermengd
hebben. Fier zal een "edelman" zeggen: "Ik heb geen droppel lood
in mijn bloed, het is alles puur zilver en goud!" Een familiehoofd
wordt enkel uit zulk een geslacht gekozen. Een oudste zoon--daaraan
verandert de meest vriendschappelijke verhouding niets--mag nooit
met een slavin trouwen.
In dorpsvergaderingen zal een man, die "lood in zijn bloed heeft,"
bescheiden moeten zijn. Bij een op den voorgrond plaatsen van zijn
opinie krijgt hij allicht te hooren, dat meepraten aan een afstammeling
van slaven niet betaamt. Eén uitzondering alleen is op dien regel:
wanneer een kinderloos paar een slavenkind aanneemt voor eigen. Dat
gebeurt met een curieuze ceremonie, die zweemt naar het ritueel van
den Christelijken doop: uit een schaal, waarin een of ander gouden
voorwerp ligt, wordt "goudwater" over het slavenkind gesprenkeld,
terwijl het een nieuwen naam krijgt. Zoo wordt de smet van zijn
lage afkomst van hem afgewasschen en hij opgenomen in de nieuwe
familie-gemeenschap. Niemand durft hem later slaafsche geboorte
verwijten: hij is de erfgenaam van den "adel" zijner pleegouders. [28]
Er is, officieel, geen slavernij meer tegenwoordig; maar met de
instelling kunnen niet tegelijk de gevoelens, die uit haar zijn
opgegroeid, afgeschaft worden. De vrije Papoea, die de zoon van vrijen
is, minacht den vrijen Papoea, die de zoon is van onvrijen. Dat is
op een verbijsterende wijze aan den dag gekomen bij de invoering van
het onderwijs. Op de scholen gingen de pleegkinderen van de zending,
weesjes, geroofde kinderen, slaven-kinderen ook. En dat maakte,
dat de hoofden de hunne er van weghielden in het begin. "Waar het
kind van een slaaf onderwezen wordt, daar kunnen ònze kinderen niet
onderwezen worden."
Klassegevoel als een belemmering voor de beschaving onder wilden,
dat is iets waar men, als Europeaan, niet vanzelf op verdacht zou zijn.
Bij het zwervende leven dat van oudsher de Papoea geleid heeft,
komt de verzorging van het gezin geheel en al, de kostwinning bijna
geheel en al neder op de thuis blijvende, op de vrouw. Zij is het die
den last draagt waarover hij zoo kan klagen. Zij werkt in de tuinen,
ze plant de groenten en de maïs, ze draagt op haar rug de zware vracht
van den oogst naar huis; langs het strand en op de koraalriffen zoekt
zij schelpdieren en krabben, 's avonds kan men haar tegenkomen met een
walmig bamboe-toortsje, bukkend langs den rand van het strandbosch om
de slakken te zoeken waarmee als aas gehengeld wordt. Te Fakfak gaat
zij met de prauw de zee in, en schiet met pijl en boog op de visch. De
verkenningstroepen, die het binnenland achter de Humboldtsbaai in
gingen, zagen in het Sentani-meer vrouwen naar visch duiken, als
watervogels drijvend met de armen over een bamboe, dien ze loslieten
als zij in de diepte een visch zagen. Is er damar te halen in de
streek, fossiele, die opgegraven wordt uit den alouden woudgrond, of
levende die van de stammen kan geschraapt, dan zijn het de vrouwen die
hem gaan halen, in prauwen die zij zelven roeien. Natuurlijk zorgen zij
voor het eten, en voor het vuur waarop het gekookt wordt, en voor de
brandstof voor dat vuur. In Fakfak zorgen zij zelfs voor den bouw van
het huis: dak-dekken is daar vrouwenwerk. Als vanzelf spreekt is ook de
verzorging van de kinderen haar taak; zooals de Papoea het uitdrukt:
"Zij zijn er om voor onze kinderen te zorgen." En waar kleeren van
boombast gedragen worden zijn zij het die den bast moeten weeken en
dun kloppen. (Weven echter doen zij niet. Zij hebben den stap nog niet
gedaan die van knoopen tot weven leidt: de uitvinding van het werktuig,
om den arbeid te verrichten, voor de menschelijke hand te fijn. De
geweven kleeren die de Papoea's beginnen te dragen, zijn import,
meest Europeesche, door de vogelhuiden-opkoopers het land ingebracht.)
Voor den Papoea is het dus zaak te trouwen, dat er behoorlijk voor hem
gezorgd en gewerkt wordt wanneer hij er op uitgaat, de kangoeroe's en
de wilde varkens achterna, of de Paradijsvogels of de visschen. En
omdat vrouwen schaarsch zijn--alle berichten stemmen overeen op dit
punt van de groote minderheid in getallen van de vrouwen onder de
Papoea's--moet hij, of zijn familie, bij de pinken zijn om er bijtijds
een te krijgen.
Allerwonderlijkst komen hier de verwarde dooreengroeisels te zien van
ouder en nieuwer in het volksbestaan van den Papoea; overblijfsels
uit den tijd dat hij nog in een stamverband geleefd moet hebben,
en de jongelingen van den eenen stam hun vrouw gingen rooven uit
den anderen, zitten dooreengestrengeld en verknoopt met manieren en
berekeningen, zooals hij er geleerd kan hebben van de huidenhandelaars
uit den ouden tijd, uitgeslapen Ternataansch en Ceramsch volk. De
voorvaderlijke wijs van huwelijksluiting is de schaking; en zij geldt
nòg. Maar de algemeen-gebruikelijke is een schikking tusschen twee
families, die wèl beschouwd niet anders is dan een koop en verkoop
van de wederzijdsche kinderen, waarbij de voorwaarden van betaling
en levering allernauwkeurigst zijn bepaald. Daar vrouwen een artikel
zijn, meer gevraagd dan aangeboden, zorgt de bruigoms-familie vroeg
er bij te zijn. Kinderverlovingen komen véel voor. "We leggen de
prauw maar vast voor anker, anders mocht ze eens wegdrijven," zegt
de voorzienige bruigoms-familie dan. Van het oogenblik af dat de
twee gezinnen het éens zijn geworden, wat niet gebeurt dan na een
schijnvertooning van onwil door de familie der "bruid," beginnen zij
over en weer met het bijeenbrengen van den bruidschat, die voor een
gedeelte later aan het jonge paar komt om er hun huishouden mee op te
zetten en voor de rest een wederzijdsch geschenk van de twee families
aan elkander is. De giften gaan van de eene familie naar de andere
gelijk op, en er wordt met de grootste zorg door elk der twee gewaakt
dat niets meer gegeven worde dan terugontvangen. Het boekhouden gaat
bij middel van stokjes, die in bundeltjes bijeen worden gebonden. Dìt
beteekent: een visch gegeven; dàt: een bos pisang; dit andere weer:
geholpen met sagokloppen, of meegeroeid in de boot; want ook diensten
en handreikingen worden beschouwd als betaling, toegebracht aan den
bruidschat. Vandaar groote moeilijkheden, als de zaak ten slotte
toch niet doorgaat, omdat een der twee, volwassen, plotseling een
eigen wil toont en een ander kiest, als in den laatsten tijd nog al
eens, en zelfs hoe langer hoe meer, voorkomt. In dat geval moet de
gecompliceerde rekening uiteengehaald met vergelijking van stokjes
en bundeltjes, en een "schande-prijs" betaald worden--want ook de
aangedane beleediging kan in materieele waarde worden omgezet--aan
de teleurgestelde familie.
Dit is alles zoo zakelijk mogelijk. Maar door de handelsgewoonte
heen komt plotseling de oude zede weer te voorschijn in het verbod
aan verloofden, hoe jong ook, om elkander te ontmoeten; in het gebod
aan den jongen, om zich voor alle leden van zijn meisjes familie te
verschuilen, wáár hij er ook een tegenkomt; en in de wijze waarop
het trouwen van het aan-elkander-gekochte paar wordt gevierd, met de
dramatische vertooning van een roof en daarvoor genomen weerwraak. Als
had de bruidegom hun bloedverwante geroofd, gaan de jonge mannen uit de
familie van het meisje in een dreigende bende naar zijn huis--of wat
op dien dag daarvoor geldt--en breken het uit weerwraak tot den grond
toe af, door met stokken ernaar te gooien, dat geen spaander aan den
anderen blijft. De bruigom verschijnt op den splinterhoop en biedt,
als boete, aan ieder der beleedigden een geschenk, dat tegenwoordig
bestaat uit een mes--een gewoon Hollandsch keukenmes met rood houten
heft is het gewilde soort. Die uitgave moet de bruigomsfamilie zich
getroosten, en zij loopt dikwijls hoog genoeg op. Het gebeurt wel, dat
een paar honderd wrekers van maagdenroof een huis komen afbreken. Maar
de kosten van wederopbouw heeft de familie althans niet. Het huis is
ook maar een voorstelling, een theaterhuis, om het zoo uit te drukken,
geheel waardeloos en van te voren voor de vernieling aangewezen. Het
is dan, òf een geheel vervallen krot, òf een huis, verlaten omdat
daarin iemand gestorven is (wanneer een huis verlaten móet worden);
òf, ook wel, een nieuw, dat niet betrokken mocht om dat er, in den
eersten nacht toen de bouwer er voor proef ging slapen, gekraak in is
vernomen, wat de aanwezigheid kenbaar maakt van een boozen geest. Van
zulke waardelooze huizen zijn er altijd genoeg in elk dorp. Zoo wordt
de schade, die de wildeman zou willen aanrichten, vernuftiglijk door
den koopman ondervangen. En 't is eere gewaard en kosten gespaard
bij het bruilofts-drama.
De affaire wordt voortgezet: het jonge paar betrekt met het toegewezene
deel van den familiebruidschat een kamertje in het huis van de
bruidegoms-ouders. Van nu af is alle voordeel aan den kant van deze
laatsten. Zij hebben een zoo goed als niet betaalde werkkracht in huis
gekregen. Zij wordt behoorlijk uitgebuit. Zelfs het moederschap wordt
beschouwd als een dienst aan den man en zijn familie. De moeder-zelve
heeft geen rechten op haar kinderen: enkel plichten tegenover hen als
tegenover het eigendom van haar man en zijn familie, wier eigendom zij
zelve is. "Wij trouwen om kinderen te hebben, en de vrouwen zijn er
om voor onze kinderen te zorgen." Zoo neemt de Papoea de verhouding
op. Als het ongeluk wil dat tijdens afwezigheid van den vader een
kind ziek wordt en sterft, dan zal hij dat zeker met een mishandeling
wreken aan de schuldige moeder die zijn eigendom heeft verwaarloosd.
Dit belet hem niet het recht van den eigenaar uit te oefenen, om
zich van een bezit, dat hem bezwaarlijk valt, te ontdoen. Wanneer hij
vindt, dat het huisgezin te talrijk wordt, zoodat hij wel eens voor
de noodzaak kon komen te staan "hard te moeten werken om allen te
voeden," en wanneer "de last van het kinderen grootbrengen" hem dan
te zwaar lijkt voor zijn zwakke krachten, mag hij een kind ter dood
brengen. In de Hollandiabaai moet dit véél voorkomen. En er wordt
zelfs gezegd, dat uit angst voor den toorn van den man, rampzalige
moeders zelven hun pas-geborenen vermoorden. Langs de Geelvinkbaai,
waar de toestanden in alles gunstiger zijn en de zeden ook zachter,
hoort men niet dan zelden van kindermoord.
Bij de nieuwe huwelijkswetgeving voor Christenen afgekondigd, worden
de vrije keuze van jongen man en jong meisje tegenover familie-dwang,
en de rechten van de moeder op haar kind gevrijwaard. Om dit laatste
is zij door de mannen met grooten onwil vernomen. Maar al mokkende
en dreigende schikken zij zich toch, zooals zij mokkend en dreigend
zich geschikt hebben in het verbod van slaven halen en het verbod
van koppensnellen. En misschien hebben de verstandigsten het al
ingezien, dat ook deze nieuwe beperking van hun "rechten" ten slotte
een bevordering van hun welzijn is.
In den strijd dien koopman en wildeman, voeren om het hart van den
Papoea, is de koopman aan de winnende hand; hoezéér, dat komt te zien
in de Papoeasche opvattingen omtrent recht en rechtvaardigheid. De
wildeman laat zijn schorren schreeuw nog hooren: wond voor wond, bloed
voor bloed, leven voor leven! Maar de koopman dringt al verder door met
zijn nuchtere beschouwing, dat ten slotte toch niemand veel heeft aan
bloed en dat eigen bate beter is dan vijands schâ, en een ronde boete
wèl zoo veel goed maakt als een afgezaagd hoofd. Hij heeft het gedaan
gekregen dat het denkbeeld: geleden onrecht om te zetten in voordeel,
werd toegepast op een heele reeks vergrijpen, van de ernstigste tot de
lichtste. Voor het verbreken van trouw, hetzij voor het huwelijk of er
na: boete. Voor een wond in drift geslagen: boete. Voor een leeggeroofd
veld: boete. Voor een onbeleefdheid: boete. Van "vergeten en vergeven"
geen quaestie; er wordt niets doorgehaald in de rekeningcourant die
iedereen met iedereen anders heeft, de vriend met den vriend zelfs,
de broeder met den broeder, de man met de vrouw. Maar van "nadragen"
ook geen quaestie: er wordt niets dubbel opgeschreven. Aan den eenen
kant van het kasboek de beleediging; aan den anderen de boete; en
volgens vast tarief--een tarief zonder veel vijven en zessen,--waarop
niets wordt afgedongen en waarbij ook niets wordt overvraagd. Wie
ruzie heeft gemaakt en weer vrede wil hebben, komt aandragen met zijn
boete. Nu, dan krijgt hij ook vrede. Alles is in orde.
Tot deze eerste halte op den weg uit het oerwoud naar de stad nog
in verten achter den horizont verborgen, de halte waar al zoovele
volkeren, als nu in de steden wonen, hun legerplaats gehad hebben,
is de Papoea uit eigen krachten gekomen. Maar daar staat hij nu en
kan niet verder, omdat de wildeman hem met zijn rooddruipende vuisten
vastgegrepen houdt, schreeuwend om "leven voor leven." Voor doodslag
neemt hij nog geen boete aan, wanneer hij niet gedwongen wordt.
Pas nu, hier aan de Geelvink-baai, dicht bij de hoofdplaats Manokwarie,
zijn twee voorvallen gebeurd waaruit ook de buitenstaander, wiens
waarneming niet anders dan oppervlakkig zijn kan, een begrip kan
winnen omtrent de kracht die dat idee nog in den Papoea heeft. De
gevallen zijn te merkwaardiger om de rol die het geestelijke er
in speelt. Dit is het eerste. Een man van Andy wenscht te trouwen
met een weduwe uit zijn dorp. Het familiehoofd geeft toestemming,
onder voorwaarde dat de geest van den overleden echtgenoot verzoend
wordt door een menschenoffer. Gewillig gaat de vrijer heen, ziet
een vrouw aan het strand die schelpen zoekt en slaat haar dood. Haar
familie eischt leven voor leven. Maar daar Andy een dorp is, sterker
dan het hunne, verzinnen zij een list tegen een ander waarmee zij
bevriend zijn, lokken acht mannen in een hinderlaag en vermoorden
hen. Nu is het de zaak van dat dorp om het met Andy uit te vechten:
en de reeks van sluipmoorden uit wraak en weerwraak kon tot in het
oneindige voortgezet worden als "de Kompenie" het niet stuitte. Het
oorspronkelijk-beleedigde dorp kan daar buiten blijven: aan zijn
verplichting is voldaan, het heeft leven voor leven genomen. Het
waren onschuldige levens. Dat doet er niet toe.
Dit is het tweede geval. Een deputatie mannen uit een kustdorp komt
bij het bestuurshoofd behoorlijk verlof vragen tot doodslag. Er is
een man in hun dorp gestorven die toch nog niet oud was: dus is hij
gedood door toovenarij. Een droom, door den vriend van den doode
gedroomd terwijl hij in het open graf naast het lijk sliep, heeft
den moordenaar kenbaar gemaakt. Nu komen de bloedverwanten om zijn
hoofd. De verbittering was groot, toen zij in plaats van het gevraagde
verlof den raad kregen op hun beurt den toovenaar te betooveren tot
de dood er op volgde. (Wat in 't voorbijgaan opgemerkt, wel lijkt
te bewijzen dat zij toch zoo steevast niet meer waren in het geloof
aan de kracht der toovenarij; en voor alle zekerheid maar liever een
aangescherpte bamboe-lat namen.) Zonder de vrees voor "de Kompenie"
hadden de bloedwrekers triomfen gevierd langs de Geelvink-baai. Zooals
het nu is hebben zij het bij morren moeten laten. Misschien duurt
het morren niet eens lang. Er zijn er altijd wel enkele onder de
malcontenten die, niettegenstaande alle tegenstribbelen, ten slotte
toch eigenlijk wel geholpen willen worden om los te komen uit den
greep van den wildeman. Anders zouden wij het niet zoo dikwijls hooren
en zien, dat Papoea's hulp en raad komen vragen bij den Westerling
en dat ambtenaren, zendelingen van beide gezindten en leiders van
verkenningstroepen die het wilde binnenland ingaan, met vreugde worden
binnengehaald in de dorpen.
De sombere fantasie waaruit het geloof aan toovenarij is opgegroeid,
het koppensnellen om aan een kind een naam te kunnen geven, en de
verwordingsellende op de Zuidwestkust, heeft een tegenhanger in een
allerliefelijkste: tegenover den zwarten schrik van het oerwoud, zijn
geuren, zijn vogelgezang en zijn schijnsel van zon en maan. Veel er
van is al--helaas, maar hoe kan het anders?--verdwijnende. Alleen
bij overlevering weten wij nog van den maneschijndans der vrouwen
en hun gezang als de mannen verre zijn op hun reis. "Deze maan die
wij zien is dezelfde die onze mannen zien, ginder in de verte." [29]
En hoeveel moet er al verloren zijn gegaan waarvan wij niets weten!
Maar veel is toch nog over. Op dezen dag nog halen de Noefooren
van de Geelvink-baai den jongeling die zijn eerste reis naar "het
Buitenland" heeft gedaan, naar het eiland in het Rijk der Vier Radja's,
Salwatti, bij zijn terugkomst in met het aloude gezang van den held,
terugkeerende met het takje thijm in de hand, de plant die enkel op
Salwatti groeit; en zij hangen aan de triomfbogen waardoor zij hem
heen leiden, afbeeldingen van de maan, vriendelijke gezellin der
zwervenden. Nog dansen de vroolijke jonge meisjes den bamboe-dans,
waarbij jonge mannen twee op den grond liggende bamboestangen op
de maat van koorgezang tegen elkander slaan, en de danseres haar
vlugge voeten rept daartusschen en daarnaast, dat niet een enkele
slag haar enkels treft. Nog worden de oude sprookjes verhaald van
den reus Uri, den oolijken bedrieger, lievelingsheld van den Papoea,
van den stoutmoedigen Boeginees die in het onderaardsche hol den
monsterlijken duizendpoot aandurfde om zijn twee oogen van louter
goud; van de blondlokkige schoone in de Tritonschelp, en den jongen
held die haar vond, en won voor vrouw; van den verwachten Leider
van alle Papoea's, die toovermacht verkreeg van de Avondster toen
hij haar ving in zijn klapperboom waar zij aan den koker vol zoet
bloemensap nipte. [30] Op dezen eigen dag nog viert de stam der
Marindineezen het Majo-feest, in dans, gebaar en plechtigheid de
geschiedenis voorstellend van het volk, zoo als het in nog dierlijke
gedaante aan de groote moeder van alle leven, de Zee, ontstegen,
van dieren, elementen en geesten vriendschap en hulpbetoon ontving
ter mensch-wording. [31] Nog zingen op feestnachten de mannen van
de Zuidkust vierstemmige gezangen in koren van honderden, te zamen
gezeten aan het strand van de ster-lichte zee. De eilanders die te
Wakdee aan boord van ons schip kwamen en er een tifa vonden staan,
grepen de groote trom en begonnen op de maat van haar diep-dreunende
slagen een dans van de jacht, met de buiging naar den grond die het
spoor zoekt van den kasuaris, en met den snellen armzwaai die den
vluchtenden vogel vèr heen de speer na zendt.
Dans, feestelijk koorgezang, sprookje dat natuurmacht herschept tot
mensch, ons eigen ras kende ze in dien verren tijd toen het nog een
kind was zooals nu het Papoea-ras een kind is. Wij waren eens wat
zij nu zijn.
Op vele plaatsen in Indië komt den Westerling die gedachte tegen,
bij de waarneming van veler rassen gebruiken en gedragingen. En het
wordt hem dan te moede soms of hij in stede van ruimten te doorreizen,
tijd heeft doorreisd, voor mijlen, eeuwen. En of verschil in leeftijd
de verklaring ware van alle ander verschil tusschen blanke rassen
en bruine.
Het broederlijk gevoel verwelkomt die gedachte, Zij brengt zulke
zekerheid van, over alle tegenwoordige dingen heen, in de toekomst,
een allerschoonst geluk.