Beoosten Kaap d'Urville

Kaap d'Urville is de Oostelijke grens van de Geelvink-baai: hier begint

de oceaan. Het water lijkt effen. En toch schommelt het schip. Het

voelt de groote golvingen van de Stille Zuidzee.

Langs deze kust en op de eilandjes, die in een ver vooruitgeschoven

rij erlangs liggen, wonen de Papoea telandjang, de naakte Papoea's.

Toen wij Wakdé naderden, kwam een geheele zwerm ons in prauwen

tegemoet. Ze droegen niets dan, van het snoer rond hun middel

afhangend, een lapje bont katoen, en aan hals en armen een aantal

ringen, banden en kettingen van kralen en schelpen. In hun armbanden

hadden sommigen een bundel dracaena-bladeren gestoken. Zij waren

getatoueerd, sommigen met een teekening van donkerblauwe lijnen,

stippels en plekken, die een mooi patroon vormden over borst, buik

en dijen, aan de polsen ook en op den rug; anderen met een dergelijk

patroon, waarvan de lijnen bestonden uit litteekens van breedingekorven

sneden. Zij hadden roode klei in hun haar gekneed, zoodat het in een

krans van strakke rosachtige pieken om hun voorhoofd heen stond. En

hun gezicht was met zwarte verf zóó beschilderd, dat het leek of zij

een masker droegen. De meesten hadden het zitten tot over den neus,

maar er waren er, die het scheef over één oog droegen--het voorhoofd

zwart, den neuswortel en één oog zwart, één jukbeen zwart, de rest

van het gezicht natuurlijk-bruin. En sommigen hadden, wat bijna nòg

zonderlinger stond, als het ware een sluier van zwart halverwege

over het gezicht laten zakken, enkel maar lijnen, recht en gegolfd,

met zwarte stippeltjes er tusschen. (Of die soms dames met voiles van

gemoesde tulle gezien hadden?) Sommigen hadden een hoed op, hoewel zij

overigens zorgvuldig naakt waren gebleven. Zij kwamen er aanroeien in

prauwen, die uitgeholde boomstammen waren, met een opening zoo nauw,

dat de roeier tusschen de naar binnen gebogen randen alleen tot de

knieën toe de beenen kon passen, en zàt boven op de prauw. De bootjes

waren vroolijk beschilderd met roode en zwarte sterren en versierd

met beeldhouwwerk, forsch gefatsoeneerde koppen van kakatoes of van

schildpadden, vooruitstekende op den steven. Van het strand van Wakdé

af kwamen zij in zulke menigten, dat de zee tusschen het schip en

den wal een wemelend plein geleek.

Het dorp ligt tegen een achtergrond van woud en van

palmen-aanplanting. Langs het strand, als een aanspoelsel uit de

branding der wereldzee van verre beschavingen, loopt een ordelijke

straat, waarlangs nieuwe huizen staan, in aanbouw nog vele, genummerd

in de rij. Daarachter, met hutjes van gaba-gaba en atap, begint het

eigenlijke Wakdé, het Papoea-dorp.

Middelpunt er van is een tempel; aan de geesten en de voorouders

toegewijd. Het is een gaba-gaba gebouw van het allereenvoudigste

fatsoen onder een hoog en puntig met bladeren bespreid dak. De geheele

gevel is beschilderd, reep voor reep, met doorloopende patronen van

rood en zwart, elke reep weer anders, zoodat het geheel een samenstel

wordt van verticale strepen. Een trapje, met gebeeldhouwde leuningen

en op de posten twee hurkende figuren, klimt naar de deuropening,

waardoorheen een inkijk is van ledige schemering. De tempel moet nog

maar kort geleden opgericht zijn, het rood en zwart is versch op de

sagopalm-stengels der wanden. Maar toch begint hij al te vervallen;

het bladerenspreidsel van het dak hangt in flarden, de trap leunt

scheef tegen den ingang. En rondom is een wildernis van breed-bladerige

planten opgeschoten, waartegen gewaarschuwd wordt als tegen een nest

van slangen. Er is geen zendingspost op Wakdé. Vanzelf moeten dus

onder deze Papoea's de voorstellingen in verval zijn geraakt, die

kort geleden nog krachtig genoeg waren om zich te uiten in tempelbouw.

Rondom, en naar het strand van den achterwal heen, liggen, onregelmatig

verspreid, de hutten van het dorp: bruine paalwoninkjes, met ladders

naar den ingang, die opgetrokken kunnen worden. De bouw van alle

is dezelfde, dezelfde ook als die van den tempel, recht op en neer,

wanden van sagopalm-stengels en een dak van sagopalm-blad. Precies

in het midden van den gevel is de hoogste van drie openingen, deuren

en vensters tegelijk, op gelijke afstanden waarvan de twee andere

zijn aangebracht. De verdeeling van het binnenhuis komt te zien:

een vrij groote middenruimte, doorloopend van voor- naar achtergevel,

en aan weerszij, afgeschoten, donker, veilig, kleinere ruimten, waar,

onduidelijk, een rommel van voorraad gereedschap, rijs en vischnetten

te ontwaren is, en waaruit gezichten te voorschijn kijken van

vrouwen en kinders. De vrouwen zijn, met een goren lap om de lenden,

maar weinig meer bekleed dan de mannen, en, als zij, met snoeren van

kralen en schelpen omhangen, houten pennen door een warrigen haarbos

gestoken. Allen, jonge als oude, hebben lippen vuurrood van de sirih,

en een pruim achter de kiezen, waar de wang in een scheeven bult over

uitstaat; de kalk voor de sirih-pruim dragen zij bij zich in een soort

fleschjes, die kleine uitgeholde pompoenen zijn, alleraardigst met een

zwarte teekening versierd. Een enkele heeft een dergelijke teekening op

de borst getatoueerd. In vergelijking met de mannen zijn het schrale,

armelijke wezens, wien ontbering aan is te zien en arbeid vèr boven

hun krachten. Zelfs de jongsten, die een kind aan de borst houden,

zien er oud uit. Klaarblijkelijk zijn zij het, die al het akkerwerk

doen, terwijl de mannen zwerven en jagen.

Het station dat op Wakdé volgt is het laatste in de rij. Hollandia, aan

de Humboldtsbaai, eindpunt der Noord-Nieuw-Guinea reis. De boot laat

het anker vallen voor een drukke kleine handelsplaats aan de monding

van een rivier. Dicht gerijd staan langs beide oevers de huisjes,

de stroom is als een dobberende markt. Bij de aanlegplaats staan

loodsen en een pakhuis; Chineezen met gouden ketting van knoopsgat

naar borstzak van hun khaki jas controleeren het binnenbrengen uit

de laadprauw van kisten, waarop namen van Europeesche steden en

fabrikanten staan.

Aan de overzij van de baai, enkele minuten roeiens ver, ligt het oude

Papoea-gehucht op een zandbank maar juist boven het water uit. Er

staan hutten op als hooge, hoekige bijenkorven, op palen, dicht

aaneengedrongen op de smalle plek. Reusachtige schildpadschalen, aan

palen gehangen, drogen in de zon; de stank slaat den naderende over

het water tegen. De gezichten van de naakte, war-harige, vervuilde

wezens, die in een zwijgenden troep hem tegemoet zien, zijn een afweer,

nog erger haast dan de stank. Denkende aan wat verhaald wordt van hun

stompzinnige wreedheid, dingen die ongeloofelijk lijken en onmogelijk,

begint hij nú te gelooven daaraan.

Natuur en Menschen in Indië · 第 52 / 71 题