Van Boeroe tot Ternate

De eigenlijke Molukken, historisch gesproken, zijn de eilanden,

in een keten langs de Westkust van Halmaheira gelegen: Ternate,

Tidore, Batjan, Makjan, Motir: de zee van deze streek heet nòg de

Molukken-zee. Dat Ambon en de eilanden daaromheen later dien naam

kregen, houdt misschien wel verband met het overbrengen van het

voornaamste Molukken-product, den kruidnagel, van de Molukken naar

Ambon, en met de daaropvolgende beperking van dien boom tot Ambon

alléén door het extirpatiestelsel; in de taal van den handel en dus

van de wijde wereld kwam daardoor Ambon in de plaats van de eigenlijke

Moluksche eilanden.

Het is overheerlijk mooi varen in deze streek. Het eene rotsige en

wuivend-groene eiland na het andere duikt op uit het flikkerende

blauw van de zee. In een statige rij rijzen de vulkanen, vèr-blauw,

met een blink van wit gewolkte om den kruin. Al-door verschieten,

in opglans en wegdonkering, klare kleuren: het azuur van de zee waar

de zonneschijn overheen huppelt in zwermen van stippelvonkjes, wordt

fijn groen over ondiepten, pauwe-glanzig boven de fel-witte zandstrook

die langs den voet van de eilandjes opschijnt. De weerspiegeling van de

toppen en van de groote gloeiend-witte wolken, hoog rondom den horizon,

door den golfslag gebroken tot een lange reeks van glansbeeldjes, ligt

in rechte banen van wit en van groen over het blauw. Wazig in de verte,

dommelblauw, of naar het paarse zweemend soms, worden de eilandbergen

al klaarder en krachtiger, naarmate zij het schip tegemoet varen,

tot zij, dichtbij, geweldig hoog, staan als een steil woud of als

een naakte bruine vulkaankegel. In dageraad en zonsondergang vlamt

alles van purper.

Uit de Ceram-streek komende, vaart het schip eerst naar Boeroe. Daar

voor is het water bijwijlen licht-groen, als boven een rif, boven

de menigte van kwallen, millioenen en millioenen doorschijnige

schijven van beesten, vademen hoog boven elkander drijvend, een

halve mijl ver. De oever en de recht opgaande heuvelwand schemeren,

grijzig-gestreept van kajoepoetih stammen: op de hoogte staan de magere

boomen, met hun als berken blanke, ranke stammen en hun héél hoog

gedragen ijle kruin, scherp geteekend tegen het luchteblauw. Als het

koel wordt, strijkt de wind een kruidige geur af van het gebladerte. De

haven, waar het schip binnenvalt, is een schoone, wijde baai, waar

twee dorpjes tegenover elkander liggen, Kajeli en Namalea. Achter

de huisjes van Kajeli om gaat een steil brokkelpad naar de kruin van

den heuvel, dun begroeid met knie-hoog kajoepoetih-gewas, waar hier

en ginder, mager, recht de hoogte in met zijn doorzichtige kruin,

een volwassen boom tusschen staat. Van den top af is de geheele baai

te zien, met Namalea, kleintjes bruin, aan den voet van bleek-groene

heuvels. De twee groote bergspitsen tegen de lucht, een hoogere,

een lagere, zijn de Moeder en de Dochter.

Na Boeroe is een tijd lang open zee. En dan, Obi voorbij, komt het

eerste Molukken-eiland Batjan, dat een en al klapperbosch is. En dan

begint de trotsche reeks van de vulkanen: Makjan met zijn geknotten

top; Motir, zuiver toegespitst als een pyramide. Mareh, dat lager ligt,

met een afdruilenden slier van wolken langs zijn diep-geribde flanken,

en dan prachtigst van allen, de trotsche piek van Tidoor. Daarachter

komt, flauw en fijn, de piek van Ternate te zien.

De stad ligt op den Oostelijken oever van het eilandje tegen den voet

van den altijd rookenden vulkaan aangebouwd, de huizen maar even te

zien in dicht boomengroen. De straat langs de haven heeft maar een

enkele rij huizen, en aan de overzij een reeks prachtige boomen tegen

den glans van de baai met de zeilende schepen; zij is altijd druk

van volk. Op boot-dagen rijden de karretjes, met hun kleine ruige

hitten, in een onafgebroken reeks, propvol Chineezen en kleurige

Arabieren, en het gewoel rondom de goederenloods en over de pier

duurt van dagworden tot donker. Achter dien rand van rumoer ligt de

binnenstad stil met wijde wegen, waarlangs de erven vol bloemen zijn

en de ouderwetsch-lage huizen orchideeën hebben hangen tusschen de

pilarenrij. De straten hebben namen die aan oude tijden doen denken:

Fiscaal-straat, Weeshuisstraat, Lijnbaanstraat. Aan de Noordelijke

grens staat het vroeg zeventiend'eeuwsche Fort Oranje, dat Cornelis

Matelieff de Jonge bouwde tegen den Spanjool.

De Sultan van Ternate, die de Hollanders er in haalde om hem

tegen Portugeezen en Spanjaarden te helpen, was een machtig-rijke

potentaat. Francis Drake, die, een goede twintig jaar voor de komst

van Van Waerwijck hem bezocht, stond versteld van de pracht die

hij ten toon spreidde. "De koning," schreef hij in zijn bericht

(Wallace heeft het voor zijn Malay Archipelago overgenomen uit

de verzameling van Hakluyt), "de koning liet boven zijn hoofd een

prachtigen troonhemel dragen met gedreven gouden sieraden, en had

een wacht van twaalf speerdragers. Van het middel tot de voeten was

hij in de kostbaarste gouden kleederen gehuld. In zijn kapsel waren

onderscheiden ringen van gouddraad, ongeveer een duim breed, keurig

ingevlochten, zoodat zij een fraaie en vorstelijke vertooning maakten,

eenigermate gelijkende op een kroon. Hij had een keten van goud met

zeer groote schalmen tweemaal om den hals gewonden, zijn linkerhand

was getooid met een diamant, een smaragd, een robijn en een turkoois,

en aan zijn rechterhand droeg hij twee ringen, waarvan de eene met

een zeer grooten en zuiveren turkoois, de ander met een aantal kleine

diamanten prijkte. [24]

Al die rijkdom kwam enkel en alleen van de kruidnagelen. De Heeren

Zeventien wisten wèl waarom zij in hun instructie aan J. P. Koen

schreven: "de eilanden van Banda ende Molucques zijn het principale

wit waarnaar wij schieten." Dat schieten heeft Ternate, althans zijn

vorsten, ànders getroffen dan het ongelukkige Banda en anders dan

Ambon ook. Banda werd uitgemoord, omdat het volk van den handel in

notemuskaat ook met anderen dan de zuinig-betalende Compagnie niet

verkoos af te laten. De Ambonneezen, hoofden als kampong-volk, werden

uit hun bergen naar het strand gehaald, aan het teelen gezet van

den nieuw-ingevoerden kruidnagelboom en met slagen naar de prauwen

gedreven, die zij roeien moesten op de verfoeide extirpatietochten

langs de eilanden. De Ternataansche Sultan, hun oppermachtig gebieder

echter kreeg zoóveel geld, dat hij zonder spijt zijn monopolie

overgaf aan de Compagnie: twaalfduizend rijksdaalders in het jaar

wat wel met acht of tien vermenigvuldigd mag, om overeen te komen

met de tegenwoordige waarde van geld. Hij profiteerde trouwens

ook nog op andere manieren van de Compagnie. Hij was Heer van de

Papoesche eilanden en van groote streken op de kust van Nieuw Guinea,

waar een artikel gehaald werd, al even voordeelig in den handel als

de kruidnagel: slaven. En het was juist de Compagnie, die door de

gestadige vraag naar slaven, met wie zij op het uitgemoorde Banda

de notenperken bewerkte en op Ambon het ontbrekende kwartsvolk

aanvulde, de prijs van slaven uit de Papoe deed stijgen. Zoo wiesch

de Compagnie's hand de Sultan's hand en beide werden schoon--zoo niet

in den zin van rein, dan toch in dien van fraai: blinkend van het goud!

Hoezeer de Sultans gesteld waren op de vriendschap met de heeren van

de Compagnie, blijkt wel hieruit, dat er troonopvolgers vernoemd zijn

naar gouverneurs-generaal: Prins Zwaardekroon: het klinkt!--al is

misschien de fraaiigheid van "Prins Mossel" en "Prins van der Parra"

een gedwongene geweest, later. En voor bewijs daarvoor dat, van den

weeromstuit, het volk de Hollanders al evenzeer ging bewonderen, mag

de overlevering gelden die de Sultans van Ternate, Tidore, Djilolo en

Batjan tot afstammelingen maakt van een hemelnimf en een Hollander. Het

aardige verhaal, dat door allerlei bijzonderheden aan de sage van

den Nibelungenheld en de Zwanen-jonkvrouwen doet denken, is in het

oud-Ternataansche gebied verspreid tot op de Noordkust van Nieuw-Guinea

toe, waar de Papoea's het elkander vertellen in het Noefoorsch. [25]

Het oude fort staat nog op Ternate, met zijn dikke wallen,

die de kruidnagelhaalders en hun schatten beschermden tegen

Spanjaard en Portugees. Maar wat op dezen dag de welvaart zoo vol

de Ternatanenhuizen doet binnenvloeien, dat is niet de kruidnagel

meer: dat is het gevederte van den Paradijsvogel. De booten die naar

Nieuw-Guinea varen, zijn elk jaar in Maart en weer in Augustus, vol

Ternatanen, die als "jagers" gaan en met een riem vol geld terugkeeren.

Om betere redenen dan in den Compagniestijd naar den uitslag van nagel-

en notenoogst, wordt nu in Ternataansche streken gewacht naar wat de

vogeljacht opbrengt: de pacht, door het gouvernement geheven, is méér

dan noodig om het gewest eindelijk en ten laatste--na vierhonderd

jaar van onverschilligheid eerst en onmacht later--eenigermate op

orde te brengen. Ternate is wel een welvarende en welgeregelde stad:

maar in de binnenlanden van het groote eiland, aan den rand waarvan

zij drijft, in het binnenland van Halmaheira is de toestand een

àndere. Het is pas drie jaar geleden, dat officieel werd geconstateerd

hoe het alleen in naam georganiseerd was, en genomen maatregelen niet

anders waren noch kónden zijn dan halve, voor voorloopig gebruik

zelfs onvoldoende. Op het groote eiland--zonder Ternate en Hiri

is het te besturen gebied grooter dan de Padangsche Bovenlanden,

of Bali en Lombok te zamen, of Bantam, Batavia en Krawang bij

elkaar,--zijn maar enkele Hollandsche ambtenaren geplaatst met

eenige Indo's en Ambonneezen als bestuursassistenten tot hulp. Het

prestige van den Ternataanschen Sultan is er nog overweldigend. De

middelen van verkeer zijn uitermate gebrekkig voor zoover ze niet

geheel en al ontbreken. Wat dat zeggen wil zal een ieder begrijpen,

die bedenkt wat, in het algemeen, de aard van absolute vorsten en

de lijdzaamheid van weinig-ontwikkelde volkeren is, en hóe absoluut

en lang-gevestigd al het gezag van de Ternataansche sultans. Een

voorbeeld, hoe het kort geleden nog maar,--in de jaren '80--toeging

op Sanana. Sanana is de hoofdplaats van Soela Besi, een eilandje dat

(op den weg der Paketvaartbooten), tusschen Boeroe en de Obi-groep

ligt. Het hoort onder het sultanaat Ternate en is dicht bevolkt.

Het eiland is vruchtbaar: er groeit (op droge velden) rijst, er zijn

klapperboomen in menigte en rijk dragende sago-palm, het mooie roode

lingoa-hout komt voor in de bosschen, en ebbenhout, kostbaarste van

alle Indische houtsoorten, wordt ook gekapt; er is rotan te halen

uit het woud, en was van wilde bijen; en uit de zee wordt schildpad

opgediept; en bijwijlen drijft in de omringende engten amber, dat

zijn dubbel gewicht aan zilver waard is: een stuk van de beste soort,

de donkerbruine, van 3 à 4 pond, brengt omtrent f 4000 op. Van dit

alles wordt schatting opgebracht aan den Sultan, wat in de praktijk

wil zeggen: aan de gemachtigden, etc. etc. van den Sultan.

Sedert de dagen van den grootvader van den tegenwoordigen Sultan nu,

waren de Arabieren de handelaars, en, als zoodanig, de eigenlijke

heerschers op Soela Besi. Zij kwamen er al die kostelijke producten

halen en betaalden wel eens met duiten en anders met katoen. Voor een

vrouwenkabaja is de maat 3 el, en de waarde daarvan f O.75. Nu. De

Arabieren kwamen hout, was, rijst, copra, klapperolie, schildpad en

lola-schelpen koopen voor kabaja-stukken, geprijsd op f 3.

Met de rotan kwamen duiten er bij te pas, want de rotan wordt niet

anders aangebracht dan door volk uit het wilde bosch-binnenland en

dat heeft voor zich of zijn vrouwen zoo geen kabaja's noodig. Saïd

Alhadar,--dat was de Arabier die contract voor rotan had met den

Sultan,--ging daarom koperen duiten op den grond uittellen, tegenover

de neergelegde stengels rotan. De stengels moesten hem, natuurlijk,

aan het strand, waar de prauwen ze maar voor het inladen hadden,

geleverd worden. En, natuurlijk moesten ze ook behoorlijk geschild en

schoongemaakt zijn, want dat te doen is een heele arbeid, die tijd,

moeite en krachten kost. En dan moesten de stengels goed dik zijn, en

afgekapt op een maat van drie vadem. Voor zulk een stengel wou hij dan

1 duit geven, of voor een pikol van zulke stengels 100 duiten, dat is

f O.83 in Nederlandsche munt berekend. En zulk een pikol verkocht Saïd

Alhadar voor f 4.50 of ook wel eens f 5. Wat Saïd Alhadar bijzonder

goed beviel en ook wel bekwam; maar der bevolking minder. En als Saïd

Alhadar met den rotan, deden andere zonen van Hadramaut met de was, of

het schildpad, of het ebbenhout, of de rijst. En ook dién edelen van

Hadramaut beviel dit goed en bekwam het wèl; maar ook der bevolking,

die met hèn handelde, bekwam en beviel het maar slecht. Hoe echter

zou iemand gewaagd hebben zich tegen de Arabieren te verzetten, die

gemachtigden en lasthebbers en vrienden immers waren van den Heer,

die glanst gelijk de Zon, den Sultan van Ternate?

Dat duurde, totdat in 1909 een resident van Ternate op dienstreis Soela

Besi bezocht, en een onderhoud had met Arabieren op Sanana en met den

Sultan in zijn hoofdstad. Waarna kabaja-stukken van f 3 verdwenen zijn,

en rotan-stengels van drie vaam lengte met 1 1/2 cent betaald worden

en door den kooper uit het bosch gehaald en schoongemaakt door hem. In

vele andere dingen ook is velerlei veranderd, en de veranderingen

zijn den Arabieren maar zeer matig bevallen en bekomen, maar der

bevolking daarentegen uitstekend. Wat Saïd Alhadar aangaat, die is,

eenigen tijd later, plotseling weggeroeid van Sanana, en sedert nooit

weer aan komen roeien. Van het waarom weet de toenmalige posthouder

het nadere misschien wel.

Er zijn vele Saïd Alhadars op Halmaheira. Er moesten ook vele

posthouders zijn, om van civiel-gezaghebbers en controleurs, en

eigenlijk misschien zelfs wel, assistent-residenten niet te spreken,

wanneer overal op Halmaheira het zoo goed zou gaan als het nu op

Sanana gaat. Maar het geld (volgens Heinrich Heine, het vervloekte

geld), dat men niet heeft?

Daaraan nu zal, onder andere, de pacht op de paradijsvogels

helpen. Verleden jaar was de binnenkomende som bijna een

halve ton--precies gezegd f 45.000. Daarvoor kan heel wat

binnenlandsch-bestuurd worden. En er wordt voor de toekomst nog meer

gehoopt. Want Ternataansche jagers vermeerderen en dames worden al

doller en doller op paradijsvogelveeren voor hun hoed.

Er is gewaarschuwd, dat paradijsvogels spoedig in allen ernst

paradijs-bewoners zullen zijn als het zoo voortgaat. Maar die het

weten kunnen, stellen gerust. De Paradijshaan--de hennen zijn maar

stemmig-bruine diertjes--krijgt zijn siervederen pas op zijn vierde

jaar, terwijl hij verder na het eerste al in alle opzichten volwassen

is. Dus kan het nooit meer dan een, betrekkelijk gering, gedeelte van

de menigte zijn, waarop elk seizoen geschoten wordt. En de landstreek,

waar de jagers op buit uitgaan, is een nog veel geringer deel van

het ontzaglijke Nederlandsch Nieuw-Guinea-gebied.

Een standpunt van humaniteit--en dat tegenover zóó prachtige

diertjes!--zou gemakkelijker te verdedigen wezen, als het niet

zoo ernstige belangen van menschen gold. Er zijn ook Engelschen,

die verklaren, dat het Britsche gouvernement zich daarop heeft

geplaatst met het verbod van jacht op paradijsvogels in Britsch

Nieuw-Guinea. Maar daarentegen zijn er weer niet-Engelschen, die een

heel andere reden aannemen voor het verbod dan dierenliefde. Op

paradijsvogels moet geschoten met geweren en geweren ziet de

Britsche regeering nu eenmaal niet graag in de handen van haar

Papoesche beschermelingen--wezenlijk, niet dan uiterst ongaarne. Dus

dan kunnen er, vanzelf, geen paradijsvogels (onder andere) worden

geschoten. Zoodat het veel eenvoudiger is bij het einde te beginnen

en te zeggen: In Britsch Nieuw-Guinea is de vogeljacht verboden:

zooals ook is geschied.

Die de zaak zoo uitleggen, doen tegelijk opmerken dat van de in

Nederlandsch Guinea geschoten vogels een overgroot deel den weg naar

Engeland opgaat, naar de groote Londensche markt.

En zoo is dan de hoed van een Londensche elegante de laatste

nestelplaats van een vogel, die anders allicht terecht zou komen in

den schelpen bovenarmband of in den takkebos-breeden stijfgekroesden

ragebol van een spiernakenden Papoea, als hij met zijn beste paar

wildezwijn-slagtanden door de doorboorde neusvleugels geschoven,

gaat dansen op een koppensnellersfeest.

Natuur en Menschen in Indië · 第 49 / 71 题