Makassar

Van Soerabaja naar Makassar is het nog geen twee etmalen stoomens;

de laatste indrukken van de afvaart zijn nog levendig in de

herinnering als de eerste van de aankomst al weer met de kracht van

het tegenwoordige oogenblik hen overmachtigen. Eergisterenmiddag

was het de drukte van het Oedjong-kwartier te Soerabaja: de nauwe

straten en de schuifelende menschenvolte van de Chineesche wijk;

de rivier, bont van beschilderde prauwen, waarlangs aan de eene

zijde, pakhuizen, magazijnen, loodsen voorbij, de tram stoomt, aan

de andere de spoortrein; dan de wijde zee, miskleurd een eind ver,

door het uitspoelende grauw, goor en bruin der rivier, maar aan

gene zij van een scherp getrokken grens, die met de golving op- en

neergaat, doch nergens wijkt, plotseling fonkelend blauw; en her en

der verspreid over dat tintelende watervlak, dat de donkere rompen

spiegelt, en de schaduw en schittering der rookpluimen, een vloot

van statige schepen, waar doorheen de haastende stoombarkas haar

weg zoekt naar de boot der Paketvaart. Schemering daarna en nacht,

een dag van enkel zee en lucht, weer donker; en dan, met zonsopgang,

de naderende kust van Celebes, waar, als een wacht en voorpost, een

klein lichtgeel eiland voor ligt, maar juist ruim genoeg voor een

half dozijn bruine hutjes, tusschen laag geboomte verstoken, en een

dunnen hoogen seinpaal. Recht vooruit, tegen den al feller wordenden

zonneglans in, dommelt tusschen nevelig-groen geboomte met spitse

donkere daken Makassar. Ontelbare visschersprauwen liggen op de ree,

blinkende met hun vierkante schuins gestelde zeilen, die wachten

op den wind. Reusachtig daartusschen steken groote stoomschepen

op. Verscheiden liggen er al gemeerd aan de kade, een Engelsche

stoomer naast een Chinees. De scherpe fluiten gillen, de machines

bonzen en ratelen, van zwaaiend uitgerekte kranen-armen af dalen

geweldige bonken van in kettingen saamgesnoerde balen en kisten naar

de volgehoopte kade, waar de donkere koeliedrommen warrend dooreen

bewegen tusschen de rij der schepen en de rij der loodsen, gapende

open aan weerszij. Dat alles geeft een indruk van sterken groei, zoo

plotseling begonnen, dat de gewende verhoudingen opeens en overal te

klein zijn geworden. De schepen moeten vaak op elkander wachten om

er een plaats aan de kade te krijgen, wordt mij verteld. Kooplieden

en zeevolk wachten verlangend op de nieuwe haven.

Achter de aanlegplaats loopt een lange straat, die ook al ruimte

te kort komt voor het gedrang. Dat gaat naar de kade links af: en

recht uit naar de Chineesche wijk verderop, die met een rij smalle,

diep inloopende huizen, half winkel, half pakhuis, gedrongen staat

langs het strand. In het voorbijgaan ziet men door open achterpoorten

den fellen glans van de zee en het rechtlijnig gewar van masten en

takeltuig als achtergrond van een kantoor vol schrijvende klerken, een

donkere ruimte, waar balen en kisten opgehoopt staan, een winkel, waar

de menschen in- en uitloopen, of een naar de straat open huiskamer met

spelende kinders op den vloer, rondom de moeder, die op- en neergaat

met een kleintje op den arm.

De Maleische buurt ligt als een wederpart van de Chineesche aan gene

zij van een ruim open plein ten westen van de aanlegplaats. Ook hier

loopen huizen en erven tot vlak aan zee. 's Morgens in de vroegte

kan men de naakte kinders zóo uit de huisdeur, half in slaap nog,

het water in zien loopen. De wijk is zorgvuldig aangelegd met

een rechtlijnig rooster van straten en dwarssteegjes. En telkens,

tusschen bruin van huisjes en groen van geboomte door, komt weer

het zee-blauw blinken, en een groot schuins gestreken zeil scheert

voorbij, of een prauwtje dat met zijn wijduitgeslagen vlerken en de

reppende riemen der roeiers een wonderlijk waterdier lijkt, driftig

op weg naar meer ruimte. De inlandsche wijk is veel minder vol, veel

minder druk dan de Chineesche; maar bedrijvig toch ook, en verrassend

door den zweem van orde, zindelijkheid en welvaren die over menschen

en dingen ligt. Zij gaat van lieverlede langs een breede straat,

aan het uiteinde waarvan, alweer, de zee blinkt, over in de buurt

waar de Hollanders wonen: zoodat aan de ééne zijde nette inlandsche

huizen staan met gevlochten wanden en bladeren dak, en aan de andere

kalkwitte steenen Hollanderhuizen op ommuurde erven.

De Hollandsche stad van Makassar verschilt weinig van die van zooveel

andere steden op Java of Sumatra; witte huizen, elk in zijn eigen

tuin, aan weerskanten van wegen met zwaar geboomte beplant. Twee wijde

pleinen geven iets ruims en luchtigs aan den aanleg. Het eene gaat

tot aan het strand en heeft de fonkelingen en wijde verschieten van

de reede tusschen de stammen van de oude tamarinde- en kanariboomen,

die breed hun schaduwen spreiden. Aan de westelijke zijde van dit

plein ligt het fort.

Het is de oude sterkte van de zeventiend' eeuwsche kolonisten,

die haar ouden naam nog draagt: Rotterdam. De geweldige muur staat

ongeschonden. En daarboven uit komen spitse roode daken tusschen veel

geboomte. Het is als een brokje van een oude Hollandsche stad midden

in dit tropische landschap, onder dezen fellen tropischen hemel. In

den hoogen breeden muur is een poort, die niet recht doorgaat, maar

zoo is gebouwd, dat de weg een hoek maakt: om den toegang te beter

te kunnen verdedigen, was dat. En die poort door komt men als in een

afzonderlijk stadje. Rondom staan huizen: één groot en aanzienlijk,

op zichzelf alleen; het huis van den commandant nu, het huis van den

"koopman" vroeger; de anderen in een rij, met gelijke ramen en daar

boven, gelijke kleine venstertjes onder het dak. In het midden staat

de kerk. Het gebouw is nu kleeding-magazijn; maar de oude bouwtrant,

de hooge vensters, de trap naar de poort, en tot zelfs het antieke

smeedwerk van scharnieren en slot toe, doen het, alle verandering

en nieuwigheid ten spijt, een kerk blijven. En die indruk blijft,

zelfs als men binnengaat, en in plaats van bankenrijen, kasten ziet,

en militairen inplaats van koster en kerkgangers.

Rondom, tusschen kerk en huizen, is een groene hof, vol schaduw,

gras, aardige paadjes en gebloemte. Hier kan men wandelen, en, naar

de oude muren en spitse daken opkijkende, een oogenblik gelooven in

Haarlem te zijn, of in Naarden, ergens, tusschen de wallen en de stad.

Er is sprake van geweest de oude gebouwen af te breken: dat is

gelukkig voorkomen. Al te mooi, en, in Indië althans, al te zeldzaam

is zoo iets ouds. Al te zeldzaam en mooi vooral in zijn tegenstelling

met die andere schoonheid van het nieuwe, in jonge kracht opkomend,

dat hier gaat bloeien aan de haven. Nu pas beginnend zal het over een

jaar of wat in volle fleur staan. En dan zullen Verleden en Heden te

schooner zijn, het eene door het andere.

Natuur en Menschen in Indië · 第 42 / 71 题