Een centrum van inlandschen handel

Zooals Negara een middelpunt van inlandsche nijverheid is voor het

zuiden van Borneo, zoo is Kendangan een middelpunt van inlandschen

handel. Het dorp ligt aan een zijrivier van de Negara, ten Oosten

van het dorp Negara. Inlanders gaan heen en weer langs den waterweg,

die door de bochtige rivier en een geheel stelsel van dien afstand

bekortende kanaaltjes loopt. Den landweg, veel korter nog, kunnen

zij niet benutten, omdat die over zeker twintig van zijn goed veertig

K. M. lengte geen bevrachte kar verdraagt. Het is niet anders dan een

smalle dijk, tusschen een moeras aan den eenen kant, en een kanaal

aan den anderen, uit opgebaggerde modder, vermengd met van elders

aangevoerd zand, gebouwd. Waar nu het kanaal is, was vroeger de weg. En

voortdurende arbeid is noodig om te voorkomen dat die nieuwe weg, uit

de opgevischte bestanddeelen van den vroegeren gebouwd, niet weer op

zijn beurt een kanaal worde. Elke regenbui--en het regent maar altijd

door over dit dampende waterland--doorsopt hem, dat de aarde in bruine

scheuten weglekt uit het netwerk van wortels, vezels en rafelende

stengels, dat zijn eigenlijke consistentie uitmaakt. Terwijl wij er

over heen rijden--ook al weer in een regenbui--in een allerlichtst

Amerikaansch karretje van het model zooals tegenwoordig in Negara

nagevolgd wordt door inlandsche wagenbouwers--zwalpt de grond of

hij zoo dadelijk zich wou begeven onder de kletsend neervallende

hoefslagen van het paardje.

Vlak als de zee en als de zee onafzienbaar, ligt rondom het

moeras. Zelfs onder het glasachtig-doorschijnende grijs van de

dichte regenstralen en het sluierende rook-grijs der neerdruilende

wolken-lucht blinkt het fel-groen, als van eigen licht. Het is de

water-hyacint, die er die glanzige krachtige kleur aan geeft. Dicht

als grashalmen in de wei staan over het wijde waterveld haar groote

ronde bladers, rechtop op sappig-gezwollen stengel. [14] Het moeras

groeit er langzamerhand dicht van. Als na zware buien het water wast

en begint te stroomen, sleurt het er lange strooken van mee, die,

als vlottende eilanden, de prauwenvaart op de Negara stremmen, en

van den oever tot in het midden van den stroom de breede Barito groen

maken. Maar bij millioenen van millioenen nieuw ontspruitend, heeft

de weelderende plant in enkele etmalen de ledige plaatsen hernomen

met haar sterke, rond-uitspreidende pollen. Tot aan den horizon

toe maakt zij alles fel-groen. Hier en ginder donkert er een veeg

bruin overheen van met lange pluimen bloeiend riet. Blank glanzen

plassen op en kleine meren. En op een enkele plaats, plotseling

en hel als zwevende vlammetjes, zuiverrood, zuiverwit schitteren,

vér heen over een de diepten van het landschap in loopend veld,

duizenden lotusbloemen, rond stralend op hun hooge stelen. Daarna

is het eeuwige groen nog eentoniger en triester geworden. Het is

of juist de felheid van zijn tint, onnatuurlijk onder dat dempende

grijs van wolken en regenstralen, het te somberder maakt. Er is iets

onheilspellends in. Verderfelijke koortsen, lijkt het, moeten opwalmen

uit dat giftige groen. Een zoo ellendig land zag ik nog nergens. Het

is niet alleen verlaten van alle bewust leven, maar het ziet er uit,

of geen leven er ooit zou kunnen komen, laat staan dan blijven.

Het is er, niettemin. Geheel alleen op de ledige vlakte staan twee

visschershutten, het dak aan rafels, de wanden gescheurd, scheef

voorover op verzakkende palen. De mannen verschijnen een eind verder,

aan den rand van een blinkenden plas, waar zij hun net in gespreid

hebben. Zij hebben hun gore lompen over het hoofd getrokken, tegen

den killen regen en tegen de wolken venijnig-stekende muskieten, die,

door den rook van het smeulende vuur niet te verdrijven, zoemend hen

omzwermen. Als grauwe, ruige, door wind en weer verhavende vogels staan

zij daar op hun magere beenen. De ellende van hun bestaan is uit de

verte hun aan te zien. Het stoomertje van de Koninklijke Paketvaart,

dat om de veertien dagen te Negara komt, wordt dikwijls aangeklampt

door arm volk uit deze streek, uren roeiens ver gekomen in hun sampans

om wat kinine en medicijn tegen de kwaadaardige huidziekten, die over

hun heele lichaam in walgelijke wonden uitbreken. De watervogels zijn

er beter aan toe, die tenminste tegen het water kunnen. En die er ook

genoeg eten uit ophalen, wat de visschers niet alle dag doen. Dikwijls

schuilt de visch weg in de ondiepe plekken van het moeras, onbereikbaar

voor hengel of net. Dan nemen de visschers een zonderling middel te

baat: zij steken het moeras in brand. Voor de smeulende hitte vlucht

de visch naar de meertjes, waar fuiken en netten al gespreid staan.

Als de zon eenigen tijd achtereen onafgebroken heeft geschenen en

riethalmen en verdorde bladeren van watergewas heeft gedroogd, wordt

de smeulende gloed wel eens een vlam, die overwaait op den weg en

zijn turfachtigen grond in brand zet. Het komt voor dat mijlenver

die smalle strook aarde in rook en bleekgele kruipende vlammetjes

verandert. Een neergudsende regenbui bluscht den brand weer. Kort

voor onze komst moest dat hier en ginder gebeurd zijn: op plekken

zagen wij den weg zwart verkoold.

De tijd leek eindeloos dat wij al maar over dien smallen zwalpenden

weg door de water-hyacint reden, doorweekt van regen, en aangezicht en

handen brandend van de giftige steken der muskieten, die als een dunne

nevel om ons heen dreven. Maar ten laatste kwam een verandering. De

grond begon een weinig te rijzen. Inlanderhutten stonden in groepen

bijeen, naast elk huisje eenige kleine terpen waarop klapperboomen

groeiden. Toen werd het riet dichter, de waterhyacint verdween voor

struikgewas, allengs hooger staken boomen er uit op, de weg klom over

bruggen, en werd hard en breed, eindelijk was het vast land rondom. En

daar verscheen al het eerste teeken van westersche beschaving: een

telegraaf-leiding. Even voor den middag bereikten wij Kendangan.

Het dorp gaat geheel en al schuil onder de klappers. Zoo dicht staan

de hooge, smalle stammen, dat men, langs den dorpsweg rijdend, den

indruk krijgt van te bewegen door een reusachtig halmenveld. Van

links en rechts komen de huizen te zien tusschen die zwartige

strepen. Ze zijn gebouwd volgens het bekende model, hoog op palen,

en met trapsgewijs oploopende verdiepinkjes, als klommen zij uit de

rivier naar den hoog-en-drogen oeverkant op. Stevig en wel-verzorgd,

vele zelfs versierd met gebeeldhouwde pijlertjes en Negaraasch

snijwerk langs balustrade en dak, staan zij midden op ruime erven,

waar hier en daar, in de rond-plekkende schaduw van de palmkruinen,

aardig heestergewas bloeit. Van diezelfde palmen komt de welvaart,

die hier over alles haar aangenamen schijn heeft gespreid. Kendangan

leeft van de copra. Op de wekelijksche markt, waarheen het volk uit

den geheelen omtrek geroeid, gereden en geloopen komt, is copra de

voornaamste waar.

De bereiding gaat op primitieve wijze. Als de vruchten rijp zijn,

worden zij van den boom geplukt (de Kendanganner, die véél liever

lui is dan moe, heeft soms een aap dien hij daarop africht) en op

een puntig ijzer in tweeën gespleten. Ontdaan van de houtige schil,

worden dan de kern-helften in de zon gedroogd. Op het voorgalerijtje

van ieder huis in het dorp liggen ze bij hoopen opgetast. Opkoopers

rijden rond met een ossenkar om, wat voor den verkoop gereed is,

mee te nemen naar de markt. Op pasar-dagen is de grond van het ruime

plein er mee bespreid, zoodat er niet dan smalle paadjes tusschen

over blijven, die de politie werk heeft om open te houden; en de heele

lucht is vervuld van den eigenaardigen, onaangenamen, zurigen reuk. De

hoeveelheid copra hangt, overigens, af van het weer. Drie dagen regen

maken de markt flauw. Want de zon is het die de copra moet drogen. Doet

zij het niet, dan doet het niemand anders. De Bandjareezen hebben wel

naar de vraag van de Westersche markt zich geschikt, maar willen nog

aan geen Westersche methodes van productie. Het gaat ook wel op zijn

inlandsch, vinden zij. Zij verdienen toch genoeg.

De export-cijfers van Bandjermasin toonen hoezeer de copra-handel

toegenomen is in den allerlaatsten tijd. In 1909 was de uitvoer ruim

twee millioen pikol: in 1911 was het ruim vier millioen. Dat komt alles

door inlandsche kooplui van inlandsche planters. Zóo als Kendangan

zijn er een menigte dorpen in de Zuidooster-afdeeling van Borneo,

die geheel en al van deze teelt en dezen handel leven. De inlander

heeft daarmee, blijkbaar, een groot voordeel gewonnen. Maar dat

voordeel heeft zijn nadeel, en geen gering nadeel ook. De loonende

en geen werk hoegenaamd eischende klapperteelt heeft den rijstbouw

overbodig gemaakt en tegelijk daarmede de inspanning, de orde en het

gemeenschappelijk overleg van het landbouwersleven. De luiheid van den

natuurlijken mensch heeft zich in den Bandjarees--niet in de vrouwen,

wel te verstaan, maar in de mannen--ontwikkeld tot wat werkelijk een

zedelijke ziekte mag heeten. Het is hem een genot den geheelen dag

en zijn geheele leven lang absoluut niets te doen. De aap plukt de

klappers; de vrouw splijt ze; de zon droogt ze; de voerman haalt ze

op; hij zelf ligt op zijn mat en neemt het geld er voor aan. En dan

gaat hij pleizier maken. Dat wil zeggen: drinken, dobbelen en wedden

bij hanengevechten. Het eind van de pret is gewoonlijk vechten. Daar

heeft hij zijn "parang" voor--zijn gesmeed mes uit Negara, dat bij

het handvat smal is en aan het uiteinde breed, en waarvan de slag

door dik hout en door vleesch en been al even gemakkelijk gaat. Een

geschil over een paar duiten bij het dobbelen, een slok palmwijn of

bier uit den toko van den Chinees te veel, een extra venijnige slag

door den eenen vechthaan den anderen toegebracht--en het mes wordt

uit den riem getrokken. Naar ik hoor hebben de vechtersbazen langer

tijd noodig voor hun genezing tegenwoordig dan vroeger: het bier

en de met allerlei chemicaliën geurig en kleurig gemaakte foezel,

waarop zij zich onthalen, beginnen hun werking te doen gevoelen,

zelfs op deze ijzersterke gestellen.

Om het verleden te treuren geeft niet veel--maar men zou aan de

verleiding toegeven, tegenover zulke toestanden, en wenschen, dat

men de noodzakelijke ontwikkeling der feiten kon tegenhouden en den

Bandjarees weer maken tot wat hij was, voor de Westerling in zijn

land kwam.

Pasar-dag op het groote plein van Kendangan, dat geheel vol ligt met

uitgespreide copra, [15] waar de opkoopers, met hun scherp kijkende

oogen, keurend doorheen gaan; terwijl langs den landweg op lange rijen

de volgeladen ossenkarren er aan komen en op de rivier de prauwen

zoo dicht naast elkaar vastgemeerd liggen, dat zij een breeden vloer

vormen over het water: dat ziende, krijgt men pas een voorstelling van

de rijkdommen van dit land en van de beginnende ontwikkeling onder dat

deel van het volk, dat aan de oude trage sleur van het inlanderleven

zich heeft onttrokken, om met dien natuurlijken rijkdom zijn voordeel

te doen. Op Java ziet men zoo iets niet. De rijkdom van het land is,

misschien, grooter nog. Maar die er van profiteert is de Hollander

en de vreemde Oosterling.

Hier zijn geen, of bijna geen Arabieren; maar weinig Chineezen;

handeldrijvende Hollanders of andere Westerlingen evenmin. (Eén

enkele, hoor ik, woont te Kendangan). Handelsman is de Bandjarees

zelf.--Men kan, geloof ik, wel zeggen, dat hij dat geworden is in

den omgang met Arabieren in hun eigen land. Komt men op den pasar,

dan ziet men het plein als in tweeën gescheiden: de eene helft is

voor den kleinhandel, echt-Inlandsch, zooals men het precies zoo op

Java of op Bali zou zien: etenswaar, medicijnen, bloemen, stukgoed,

snuisterijen; daar krielt het van vrouwen en van slenterende,

sigaretten rooken de, koekjes etende en "stroop" drinkende mannen;

ook al weer precies als op Java. Maar de andere helft, dat is het

terrein van den groothandel. Het is er leeg, in vergelijk met de

stampvolle klein-markt haast verlaten. Maar ieder van die mannen, die

hier met een opschrijfboekje en een linnen geldzak rondgaan tusschen

de met copra volgeladen ossenkarren, verhandelt alléén zooveel als

een paar honderd van die klein-venters en koopers. En het treft dat

bijna allen den hadji-tulband dragen. De tocht naar Mekka is hun

studie-tijd in de wetenschap van den handel geweest.

Niettemin dient gezegd dat Mekkagangers gevonden worden ook onder

gering en arm-gebleven volk. Zelfs vrouwen ziet men met den om de

slapen gevouwen sluier der hadji's die zwaar werk doen. Maar over

het algemeen kan gezegd, dat de èchte Maleier, de niets-doener,

de dobbelaar en liefhebber van hanengevechten, die naar den pasar

gaat als naar een feest, terwijl zijn vrouw naast hem zwoegt met

een mand op den rug, die zij aan een zeel over het voorhoofd spannend

draagt,--dat die de thuis-blijver is. Terwijl de Maleier van het nieuwe

slag, die naar den pasar gaat om geld te verdienen, die copra opkoopt

en boschproducten, en in zijn eigen prauw naar Bandjermasin brengt,

en die daarvandaan terugkeert met rijst uit Rangoon en winkelwaar

uit Europa,--dat die de Mekka-ganger is. Op de markt te Kendangan

ziet men de twee typen naast elkander.

Natuur en Menschen in Indië · 第 29 / 71 题