Singaradja

De boot die van Soerabaja uit de buurt ingaat der kleine

Soenda-Eilanden komt in den ochtend voor Boeleleng aan. Met het

aanlichten van den dag al is de Balische kust in zicht gekomen. Twee

doorschijnend blauwe toppen rijzen, zachtaan, omhoog aan de Oosterkim,

spits de eene, de andere als een lange golf geleidelijk op zich

heffende. Zij groeien de breedte en de diepte in, tot een groep van

schoone bergen, tot een lange keten dan, donker langs de hellingen

van woud. Langs den voet in wijde slingers van kaap en inham,

loopt naar het Zuiden toe een zacht-glooiend strand weg; breedten

flonker-blauwe zee, waar fel in de al klaarder schijnende zon witte

zeilen blinken, liggen tusschen bosch en verren bergwand. In de

diepte van een wijd-uitgebogen baai kleuren stippels helder rood;

dat zijn de daken van Boeleleng. Zoo haast ligt het schip niet stil,

of in een zwerm van bootjes, kano's, prauwen, komt, met den oogst

van het land het volk er aangevaren; het is of het eiland zelf het

aangestevende schip tegemoet komt. De schuitjes liggen opgehoopt met

vruchten, allerlei daaronder dat nieuw is in vorm en kleur. Op breede

prauwen, bij dertig en veertig tegelijk, komt goudgeel vee aangedreven,

zoo sierlijk van bouw, dat de groep denken doet aan een in 't nauw

gedreven en samenschuilende kudde herten. En de mannen, die uit de

dobberende vaartuigjes in de doorzichtig blauwe slagschaduw onder het

schip naar het dek komen opklimmen, zijn rank en krachtig tegelijk

van lijf, en hebben lichte gezichten, waarin de oogen lachend staan.

Boeleleng, dat met zijn uiterste huizen tot vlak aan het water

reikt, is een drukke handelsplaats. Altijd liggen aan weerszij van

de pier schepen en schuiten; de booten van de Paketvaart, Chineesche

zeilers, Makassaarsche prauwen, die als een oud-Hollandsch galjoen

van voor naar achter steil oploopen, prachtig als met opgespreide

wieken zwemmende zwanen op het water; bij twintig tegelijk dobberen

geankerd de Inlanderbootjes langs het strand, de zeilen tusschen

schuins hangende kokospalmen. Naast den vervallenden dooden-tempel,

vlak aan het water, waarvan de schoone, rijk gebeeldhouwde poorten

nog staan, ligt een groot pakhuis, onder het afdak waarvan troepen

vrouwen koffie verlezen. Verderop zijn houtstapelplaatsen en schuren

waar bergen huiden liggen opgestapeld. En de lange winkelstraat is

vol van allerlei Chineesch en Britsch-Indisch goed. Als overal in

aan zee gelegen handelsplaatsen heeft ook hier het drukke verkeer

het lands-eigene weggesleten. In die lange, nauwe straat, waar de

winkeltjes tegen elkander aangedrongen staan, is niets te zien dat niet

in een Soerabajasche of Semarangsche winkelbuurt van het mindere slag

ook gevonden kan worden. Het is er Oostersch-internationaal. In de

schaduwige diepte van de openstaande koophuizen komen, donker tegen

een achtergrond van bonte sarongs en stukken sits, haviksprofielen

van magere Arabieren te zien en paffig-witte vollemaansgezichten

van Britsch-Indiërs wien een met goud geborduurd kapje schuin op het

haar staat. Armeniërs, zwart gebaard, met tapir-gezichten, een en al

neus en vooruitstekende bovenlip, wandelen gewichtig, zelf-bewust als

mannen van geld. Overal zijn Chineezen, en Chineezen van alle slag,

gezeten handelsmannen, marskramers, die hun staart in een vettigen

krans om het hoofd gebonden hebben, koelies. Zij bewonen een geheele

buurt, rechthoekig op de zeestraat aangebouwd. Het is goed te zien

hoe overwegend hun aandeel in het handelsleven van het eiland al

sedert oudsher is: de pasmunt is Chineesch. De bronzen duiten, met

een gat in het midden voor het aanrijgen, hangen den marktgangers

aan snoeren over den schouder.

Van Boeleleng naar Singaradja, de hoofdplaats van Bali, loopt

een lange, breede, rechte weg, sedert kort pas aangelegd, met

jonge tamarindeboompjes aan weerszij, gemetselde kanalen voor het

afvloeiende sawah-water en een leiding, die uit de bronnen van het

gebergte--hoog en blauw in het verschiet--het zuivere drinkwater

de vlakte in brengt. Ten halve maar verborgen achter die westersche

regelmatigheid en orde begint hier het echte Bali, het Bali van de

Baliërs. Een muur langs de heuvelhooge bermen van den weg beneemt het

gezicht op de Inlander-huizen; maar de daken, dicht opeen, zonder

ergens een groenen boom ertusschen, de gevels van grauwen steen of

klei, een rijstschuurtje, door als pauwen gevleugelde leeuwenbeelden

bewaakt, een godenhuisje, versierd en bebloemd, komen hier en ginder

er boven uit. De pasar ligt op een viersprong, en daarnaast, tusschen

geboomte, het aan vier zijden open feest-gebouw, door een vervaarlijk

gevlerkt, geklauwd en geslagtand monster boven den hoofdingang bewaakt;

wat verderop de ommuurde badplaats der aanzienlijken; en daar, waar

de weg begint te klimmen naar de heuvel-gehuchten, de dorpstempel

met zijn prachtig getooide poorten, aan weerszij waarvan, de knots

op de knie, boloogde reuzen de wacht houden.

Op dezen weg is het van het aanlichten van den dag tot schemeravond

druk van volk.

Wat mooi slag van menschen! Groot, rank, rechtop. Het mooist zijn de

vrouwen. Zij dragen zware lasten--zoo zwaar, dat zij zonder hulp die

niet op kunnen tillen--op het hoofd, en de voortdurende spanning

heeft de spieren van hals, borst en rug tot volkomen schoonheid

ontwikkeld. Een arm opgerekt naar den in evenwicht zwevenden last, met

de andere hand een tip van de donkere boven-sarong sierlijk optillend,

waaronder een bont onderkleed te voorschijn komt, het tot den gordel

naakte bovenlijf omfladderd van een dunne, kleurige slendang, purper,

oranjegeel, fel-groen, viool-paars, gaan zij daarheen met wiegende

passen, een weinig draaiend. Het is een lust hen aan te zien komen,

een lust hen na te zien. Hun haar zit in een dikke wrong schuins tegen

den linkerkant van het hoofd geschikt. Allen hebben zij er bloemen

in gestoken, tjempaka's meest, of roode en witte oleanders. Zij zien

er uit, niettegenstaande dien zwaren last op hun hoofd, of zij naar

een feest gaan.

De mannen zijn over het algemeen groot van stuk, met forsche

ledematen. Zij bewegen zich met een zelfbewuste waardigheid. Van de

Hollanders, die zij groeten, ontvangen zij een wedergroet. Zelfs

armelijk-gekleeden, ja zelfs koelies, hebben hun sarong op een

doordacht-sierlijke wijze geschikt, met een van voren tot op den

grond afhangende slip, die, men begrijpt niet recht hoe, wegwuift voor

elke schrede die zij neerzetten. Het kastenstelsel heerscht op Bali,

sedert, haast vijfhonderd jaar geleden, de Javaansche Hindoes, in

volksverhuizing vluchtend voor den Islam, het hier invoerden. [11]

Maar van de scherpe afscheiding die de echte Hindoe-zede eischt,

is, uiterlijk, zoo min iets aan hen te bemerken als van Javaansche

gedweeheid en gedempte vormelijkheid. Wel moet het een krachtig ras

zijn geweest, dat oorspronkelijke Baliërvolk, dat trekken van zijn

wezen zich hebben kunnen handhaven tot in een zoo ver nageslacht toe,

tegen zooveel en zoo sterke vreemde invloeden in.

Of de hedendaagsche Baliërs daarvan iets gevoelen? Men moet aannemen

van niet. Want zij plachten vanouds op de Baliërs van het binnenland,

de Bali-aga, die zich met de Javanen niet hadden vermengd en hun

oud-Heidensche gebruiken in eere hielden, met minachting neer te

zien als op "boschmenschen." En met trots noemen zij zichzelven

Javanen-afstammelingen, "lieden van Madjapahit." Maar de herinnering

heeft wel veiliger en dieper schuilhoeken dan in het brein. En een

herinnering die niet in de hersens zit maar in het bloed, onbewust

en onverdringbaar, zulk een herinnering aan die verre voorouders, die

"boschmenschen," zou datgene wel eens kunnen wezen wat den Baliër van

vandaag juist als Baliër kenmerkt: zijn waardigheid, zijn vrijheidszin,

zijn levenslust.

Natuur en Menschen in Indië · 第 18 / 71 题