Suikerland

Telkens rijst voor oogen, die zoeken wat de gedachte weet dat te

vinden is, de verbergende wand op van heuvelklingen en steilen

berg. Wie daar boven uit kon stijgen! Wie neer kon kijken op Djokja

van de ruime hoogten uit, waar de sperwer spiedend drijft! Hij

zou het land zien liggen als van donkere berg-eilanden doorbroken,

een prachtig-blauwgroene zee, waar her en der, meeuwen gelijk, die

rustend drijven op een golf, verblindend witte stippen blinken. En

begon het te donkeren, dan zou hij de zwartgeworden zee overgloord

zien van veruitstralende blanke helderheden, zoo vele als hij eerst

witte stippen had geteld, en overal tusschen die blanke en gestadige

glanzen in, rood geflakker, rosse rook, een mist, een dunnen nevel van

vuur, dien de wind verdicht tot vlammen of uiteendrijft in smeulenden

rook; en glimmende vonken zou hij, als levende wezens zeker van hun

weg, door brand en duisternis heen zien bewegen op de groote blanke

licht-eilanden toe. Dan had hij Djokja gezien als suikerland met de

witte fabrieksschoorsteenen te midden van de blauwgroene riet-tuinen,

en, door de duisternis glimmend, de locomotieven van de lange treinen,

die langs afgeoogste velden, waar heuvels verbranden van dor blad,

riet naar de stampende molens dragen. En die schijnbaar zoo van

zelf sprekende vereeniging van industrie en landbouw, die complexen

van fabriek en suikerrietveld ziende, die een heel land innemen,

had hij voor eigen oogen gehad een ding zóó zonderling, dat het

wel éénig mag heeten: de vereeniging, zooals zij waarschijnlijk

nergens elders op de wereld te vinden is, van twintigste-eeuwsche

arbeidsmethode en middeleeuwsche heerschappij over grond en

menschen. Het wonderlijk samengroeisel staat op het punt van een

gescheiden te worden. Binnenkort zal het levende deel tot krachtiger

ontwikkeling gekomen, het afstervende in ontbinding verdwenen zijn. En

dan zal wie het niet met eigen oogen zag moeite hebben te gelooven dat

het ooit bestond, dat ooit een industrie in samenwerking vereenigd

heeft gehouden de nieuwste machines uit Hengelo, Amsterdam, Halle,

Brunswijk, Glasgow, de methodes van het groot-kapitalisme, en het

wetenschappelijk onderzoek aan den eenen kant, met, aan den anderen,

feodaal landbezit en de arbeidskracht van een volk, dat met huis,

erf en veld te zamen voor zoo en zooveel jaar tegen zoo en zooveel

geld gepacht wordt van den vorst als van zijn bezitter.

De zonderlinge toestand is een gevolg van overoude oorzaken, en zelf

al oud.

Overal op Java gold vroeger de vorst als de eigenaar van den grond:

maar zijn eigendomsrecht werd beperkt door dat van den ontginner. Wie

woesten grond maakte tot vruchtbaren, verkreeg daardoor dien grond

in eigendom. In de streek die later de Vorstenlanden zou heeten,

veranderde die toestand ten voordeele van den vorst. Wanneer en door

welke oorzaken schijnt niet bekend; maar bij hun komst in de streek

vonden de Hollanders dien veranderden toestand als een gevestigden

en klaarblijkelijk sedert zeer lang reeds heerschenden. In het

toen geldende stelsel was de vorst onbeperkt eigenaar van den grond

en feitelijk onbeperkt eigenaar van de krachten der bewoners. Zij

konden niet anders bezitten dan wat hij hun gaf, en in ruil daarvoor

moesten zij betalen wat hij van hen eischte. Dat was niet minder dan

de helft van al het gewas en diensten tot aan de alleruiterste grens

van hun krachten. Uit dat bezit aan grond en krachten onderhield de

vorst zijn dienaren. De leden van zijn familie, de machtige edelen,

de legeraanvoerders, de bestuurders van gewesten, kortom allen, die,

onder welken titel dan ook, een deel van zijn gezag uitoefenden,

ontvingen een overeenkomstig deel van zijn bezit: land en menschen,

waarvan zij echter weer, evenals het volk, schatting in oogst en

diensten aan hem moesten opbrengen. Van den Soenan af tot op den

laagst in rang staanden edelman of ambtenaar toe, was er als een

trap waarlangs verplichtingen daalden, rechten opklommen. De Sultan

had alle rechten en geen verplichtingen; zijn laagste vazal enkele

rechten en vele verplichtingen; het gemeene volk geene rechten en

alle verplichtingen. De Oost-Indische Compagnie trad geleidelijk in

des Sultans plaats en besnoeide zijn macht ten voordeele van hare

eigene, doch liet in de hoofdzaak het oude stelsel voortbestaan:

van het geheele land, na aftrek van een bepaald gedeelte (1/5) als

betaling van toezicht houdende hoofden, was de helft voor het volk,

de helft voor den vorst. Opeenvolgende wijzigingen, waarvan de diepst

ingrijpende door Daendels en later door Raffles werden aangebracht,

lieten altijd nog dit stelsel ongerept. En het bleef bestaan toen in de

19de eeuw eindelijk de Hollandsche ondernemer optrad en in de plaats

kwam van den Javaanschen edelman of ambtenaar, den vorstenvazal. Als

aan dezen werd nu aan hem de helft toegewezen van den oogst, door

de bevolking geteeld, en als deze had nu hij het recht op arbeid en

diensten van den boer; als deze ook betaalde hij voor het een en het

ander schatting aan den vorst.

Het groote onderscheid echter was dit: dat de Hollandsche ondernemer

geen rijst behoefde als de Javaansche apanage-houder, maar wel

arbeid om een voordeeliger product dan rijst te telen. Hij trof

daarom een schikking met de boeren. Inplaats van rijst zouden zij

hem, onbetaald, zooveel arbeid leveren als voldoende zou wezen

om de verschuldigde hoeveelheid rijst te telen, doch dien arbeid

besteden aan de cultuur van suikerriet. Wat daarvoor meer noodig

was dan voor rijst, zou hij hun betalen; de cultuur van het riet

namelijk eischt veel meer arbeid dan die van de rijst. Daar, verder,

op tijd en kracht van den boer de velerlei diensten die hij onder

allerlei benamingen aan den Sultan bewijzen moest, zwaar drukten,

kocht de Hollandsche ondernemer voor zooveel mogelijk die diensten

af. De Sultan nam genoegen met het geld instee van den dienst. En

zoo werd de rijstbouwer van den Sultan rietbouwer van den fabrikant,

verhoudingen uit den tijd van de Hindoevorsten overgebracht op de

moderne industrie, en de Djokjasche sawahs veranderd in wimpelende

riettuinen, waar in de plaats van het wachtershuisje, speelplaats van

op rijstdiefjes passende kinderen, de fabriek verrees, dreunend van den

slag der door een beek gedreven machine. Die fabrieken uit het begin

der jaren achttienhonderd, klein nog en eenvoudig ingericht, waren

het eigendom van één man, den oprichter. Gewoonlijk was het iemand

op goed geluk naar Java gegaan--een koloniaal soms, of een matroos,

een enkele maal een Franschman, langs allerlei wonderlijke wegen uit

de legers van Napoleon zoo ver weg gedwaald; mannen die kwamen zonder

een rooden duit op zak; maar vol goeden moed en durf en inzicht

in toestanden en karakters. Zij vonden hun weg naar het hof, en,

dikwijls, naar de gunst van den Sultan. Er waren er die met dochters

uit den Kraton trouwden, en bij wijze van bruidschat land in leen

kregen: groote fortuinen werden op zulk een grondslag opgebouwd. De

teelt van het riet, het maken van de suiker kon op een primitieve,

weinig-kostbare wijze geschieden; er was nog geen ziekte in het riet,

nog geen concurrentie op de markt, nog geen dwang van welken aard ook

tot vermeerdering van productie en vermindering van uitgaven. Maar

ook dat veranderde. De slechte jaren kwamen. Wat nu niet mee kon met

den nieuwen tijd moest voorgoed achterblijven en ging ten onder.

Van de kleine met waterkracht gedreven fabriekjes verdween het

laatste. De rijkdom van één man was niet voldoende voor den bouw en

de inrichting van de groote nieuwe fabrieken, voor het aanschaffen

van de dure nieuwe machines, voor het pachten van de groote complexen

land. Geheele families werden gezamenlijk eigenaar, vennootschappen,

maatschappijen. De aandeelen kwamen aan de markt. En wie vandaag

deze of gene van de achttien groote fabrieken in Djokja ziet, wier

schoorsteenen uit het blauwig blinkende rietveld opsteken als uit

een zomersche zee een vuurtoren, kan zich vermaken met de gedachte,

dat op hetzelfde oogenblik misschien de een of andere couponknipper

in Amsterdam of Den Haag of Harleveen in den vorm van een strookje

papier de hem competeerende portie naar zich toe haalt van de

schatten, onder dien blinkenden schoorsteen uit dat wimpelende riet

te voorschijn geperst; en dat de orde-, vrede- en menschlievende

Nederlander, zachtzinniglijk aldus knippende, metterdaad zich

verklaart voor afstammeling-naar-den-gelde en politiek erfgenaam

van oude Djokjasche Sultans en Soenans van Mataram, de verdrukkers,

uitzuigers en keelbeulen van hun volk.

Wel wonderlijk hangen in deze wonderlijke wereld de dingen aan

elkaar....

Wie in dezen tijd langs Djokjasche wegen gaat, beweegt zich te

midden van een gestadig stroomende rivier van riet. Het is riet op

de lange vrachttreinen, riet op tram-wagons, riet op lorriereeksen,

riet op buffelkarren. Het lijkt of de velden zelf zijn opgestaan

en bewegen. De lucht is vol van den zachten geur, die uit de snede

der afgekapte halmen opstijgt. Op de kale akkers loopen buffels het

lichtgroene kruid af te weiden, dat in den schemerdonker tusschen de

hooge stengels is opgegroeid, mannen laden een kar vol met afgestroopt

blad, waarmee zij het dak van hun huisje in de dessa nieuw gaan dekken,

om een brandenden hoop afval speelt een bende spiernaakte jongens met

het triomfante pleizier dat jongens de heele wereld over in een vuurtje

hebben. En naast dat afgeoogste veld staan rechts en links andere

nog in vollen rijkdom, blinkend en wimpelend; en verderop glanzen,

laag bij den grond, de akkers, waar het jonge riet, in het begin

van het jaar aan stekken in den grond gezet, al forsch en bladerrijk

staat; en verre weg, tegen de wijkende bruine en roodachtig-paarse

hellingen aan, wazen hier en ginder, vegen van teeder groen, dat

alweer suikerriet is, in de koelte gezaaid en opgekweekt tot het,

telkens van een hooger naar een lager gelegen veld gebracht, rijp

zal wezen voor het planten in de vlakte. En verder weg nog, niet

voor het oog zichtbaar meer, maar duidelijk genoeg staat het voor de

gedachte, groeit het riet van de proefstations, de zorgelijk behoede,

beschutte, begoten en gekoesterde eerstelingen van nieuwe soorten,

uit verre streken hierheen gebracht, of gekweekt uit de vermenging

van de beste der inheemsche rietsoorten. Van zoo ver af begint het

al,--dat bewegen van het riet naar de fabriek toe: heel langzaam eerst,

met kweeken en stekken; telkens komen de stekken ván stekken uit hun

verte en hun hoogte wat dichter bij de fabriek--het proefstation, de

"grootmoeder-tuin," de "moeder-tuin," de bibit-tuin; dan plotseling

omlaag de vlakte in, naar het veld, waar de stekken zullen opgroeien

tot rijpe planten; dan, na een jaar of veertien maanden, de oogst en

de snelle stroom naar de fabriek toe.

De dagen door golft die stroom, de nachten door. De zon schijnt er op,

de maan en de nachtgloor der sterren. Over zijn monding in de fabriek

gaat het felle electrische licht op, wanneer de zon is ondergegaan

over zijn bronnen op de heuvels.

Rondom is de zwarte tropische nacht, de zwarte hemel staat vol

sterrengeflikker, immense boomkruinen maken een donkerte midden

in donkerheid. En te midden van die duisternis, die als een wal

ondoordringbaar staat, schittert, als de klaarlichte dag zoo wit,

de fabriek met haar reeks van stralende ramen en hoog in de lucht

zwevende groepen blanke lampen. De passar aan beide zijden van den

grooten weg en midden op een door boomen omgeven pleintje, waar

dozijnen vrouwtjes zitten met uitstallingen van allerlei eetwaar; de

groepen koelies, op hun hielen gehurkt, die onder praten en gelach

en met het rooken van een strootje zich verpoozen; de lange rechte

straat, aan weerskanten waarvan de witgekalkte employés-huizen staan,

elk in zijn bloeiend tuintje: dat alles komt met zoo vele en scherpe

bijzonderheden uit, als zelfs in den zonneschijn niet. En door die

felle klaarheid beweegt nu de lange trein rietwagens, zwarte wagens,

bevracht met achter en voor in een boog afhangende halmen-bundels,

groene, bruine, paarsige; de grauwe buffels en de roodbonte ossen

trekken bedaard stappend. De karrevoerders zitten half in slaap: hun

beesten kennen den draai van den weg naar de weegbrug. Op het plein bij

het pakhuis loopen al buffels los: zij grazen nog wat langs den berm,

terwijl zij naar stal gaan. Voor de groote fabriekspoort, waar de

rails van Decauville-lijnen en spoorwegen, elkander kruisend, ruiten

van een reusachtig dambord maken, loopen, schijnbaar vanzelf, wagens

de fabriek in en weer uit, hooggeladen naar binnen, hol en hoekig

naar buiten. Koelies loopen duwend en roepend mee. Ze zijn anders dan

anders, hier en nu. Het meestal onhoorbare volk is luidruchtig. Zij

joelen als er een zijn bundel riet onhandig van den wagen gooit,

als er een uitglijdt op den glibberigen vloer, als een karredrijver

zijn ossen niet bijtijds uit den weg kan krijgen. Het felle licht,

de snelle beweging, het dreunende geluid uit de fabriek, die sterke

menschelijke wil die zich doet gelden tegenover de donker-stille

natuur, heeft hun eigen levenswil gaande gemaakt.

In de fabriek staat de molen te zingen met een geweldige stem. Prachtig

gaat de klank op uit het ijzer-zwarte en staal-blanke gevaarte dat

daar staat te draaien met zijn pletterende rol en te dreunen met al

zijn platen, krukken, hefboomen, een klank als van een orgel waar

verschillende registers tegelijk in uitgetrokken zijn, zoo dat de

vox humana zingt en ook de bazuinen, en een fijne, klare, hooge toon

drijft op een dreunende wolk van donkere galmen. De grond-zelf geeft

mee met het harmonische gedaver. En die menigte van machines, waaraan

blinkende dingen bewegen, stangen en krukken opgaan en neer, wielen

wentelen, riemen trillen, lijken te bewegen alle op de maat van dat

geweldige gezang, het gezang van den pletterenden, malenden molen,

die, als een reusachtige werkman, overvol van kracht uit volle borst

zingt bij zijn werk.

De molen zingt, de machines draaien en dansen. Het riet komt naar

binnen gestroomd, of ook het riet luisterde naar die muziek. Hier is de

lange groene stroom, op de verre heuvels ontsprongen, aan zijn monding

gekomen. Met golven schiet de vloed van stengels den "carrier" langs

en, de wentelende brug over, den molen in. Een vormelooze massa komt

er uit aan den eenen kant, een troebele beek aan den anderen. En door

gemetselde kanalen en vijvers heen stroomt onophoudelijk het vuile,

met taai geel wit schuim bedekte sap, dat vermengd met zuiverende

kalk en zwaveldampen, verhit in reusachtige ketels, bezonken,

gefilterd, verdampt, gekookt, ten laatste uit de centrifuges door

bukkende vrouwen wordt losgemaakt als sneeuwwitte suiker. Bergen

gelige suiker liggen in een anderen hoek van de fabriek: daar staan

de half-naakte koelies, tot aan de knieën ingezonken, met groote

houten spaden in te scheppen. Ontelbaar in de rij, staan de zakken

vol bruine melasse, uitpuilend onder den druk van de zware stroop,

die na enkele oogenblikken zoo hard is geworden als steen. Door goten,

die, als duizend-pooten, op ontelbare, bewegelijke stangen staan, al

maar heen en weer schuddend, loopt gelige en blanke en bruine suiker

met schokken voort. Suiker, als zwarte modder, borrelt in een diepen

bak. Suiker wordt met lange bezems bijeengeveegd als stof van den

grond. En in het laboratorium staat, precieus in kleine stopfleschjes

geborgen, suiker, die van vlakke kristalletjes flikkert als de sneeuw,

als sneeuw zoo smetteloos, zoo fel wit.

Straks stroomt al dat product de fabriek uit. De kostbare witte

suiker naar de haven, waar de schepen al wachten op den last voor

Britsch-Indië, Japan, Australië, Amerika; de gele en bruinige naar

de booten op Amsterdam, waar de raffinaderijen stampen en stoomen,

de melasse naar de arakbranderijen en de fabrieken van vee-voeder. En

de lange treinen, die de suiker dus veranderd en nog altijd verder

te veranderen wegdragen, komen de lange treinen tegen, die de suiker

aandragen in haar oorspronkelijke gedaante, als lang, zwaar-buigend,

groen en bruin en paarsig riet.

Natuur en Menschen in Indië · 第 13 / 71 题