Rijstoogst

De velden staan rijp. Het landvolk gaat aan 't oogsten. Nu is de arbeid

vreugd. Tot dit hoogtepunt van het landbouwersjaar heeft een geheele

reeks van verrichtingen en godsdienstige plechtigheden het akkervolk

opgevoerd. Elke nieuwe toestand van den akker en van de plant, van

de eerste bereiding van den grond, en van het strooien van het zaad

af, is gewijd geworden met een "slametan," een offer aan geesten,

goden, voorouders, aan Moeder Aarde en Vader Hemel, een eerbetoon

aan de seizoenen, aan zon, maan en sterren, een inzegening van het

landbouwgereedschap, een bezwering van schadelijk gedierte. Als

twaalfde komt nu het schoonste van al de feesten, de oogst der rijpe

aren, en de groote Slametan, de "Sedekah Boemi," het offermaal van

den oogst dat straks de geheele dessa vieren zal in de woning van den

loerah. En het feest-zelf is niet feestelijker voor den boer en zijn

gezin dan het blijde werk, het oogsten.

Vroeg in den morgen--de zon is nog achter den nevelenden en wolkenden

Keloet-berg--komen zij er aan, op weg naar het veld, de vrouwen,

die hun dolkvormig rijstmesje als een sieraad achter in den kraag der

kabaya hebben steken, om te plukken, de mans, met draagstok of juk,

om de bossen te torsen, naar waar de eigenaar van het veld ze zal

tellen om ieder zijn loon uit te keeren. Voor het vroolijke werk zijn

ze vroolijk gekleed, licht en kleurig. Alleen oude menschen dragen

het stemmige effen blauw, en even-geschakeerd bruin. Al wat jong

is verheldert dat met geel, rood, rose, paars, helgroen. De mannen

hebben witte, gele, blauwe zonnehoeden op. Van de meisjes dragen er

vele bloemen in het haar, en sieradiën in de ooren en om den hals. Het

tanige rijstveld--want het bruin en grauw der verdorde halmen verdoft

het zuivere aren-goud--wordt zoo fleurig als een bloemtuin waar zij

er in gaan.

En of ze bloemen plukten ook, zoo licht en sierlijk bewegen die

oogstende vrouwen. Zij hebben een mesje in den vorm van een dolk:

aan houten gevest een houten kling waaraan een smal ijzer scherpte

geeft. Dit dolkje houden zij in de rechterhand, met twee vingers aan

weerskanten van de greep, en den duim vrij, om den halm, dien zij

met de linkerhand omvatten, tegen het lemmet aan te drukken. Zóó,

alsof zij een ruiker zochten, die zij bloem voor bloem garen en

bijeenhouden in den gebogen linkerarm, gaan zij langzaam door het

veld. Boven het schurende geruisch van de dorre halmen waarlangs zij

heen strijken, klinken hun stemmen in een zacht-vroolijk gegons. Zoo

bont als vlinders zijn zij om te zien in hun kleurige kleedij, zoo

tevreden-druk als bijen. Het is hun eigen voedsel dat zij halen. Want

zij worden betaald, straks, niet in geld, maar in rijst. Van elke

vijftien bossen in de eene dessa, van elke tien in de andere is

één voor den oogster. De gezinnen van de pluksters brengen hun

bossen samen ieder op zijn eigen plek; men moet zien hoe zij ze

daar behandelen en schikken. Zij komen er aan, den arm vol aren;

zuiver-geel, zwaar, zacht-ineengezegen hangt de volle schoof. Met

een handige beweging grijpen zij haar wringend aan, terwijl zij een

koord van halmen er om heen slaan; en zoo sierlijk als hadden zij

een ruiker in de hand, kappen zij de korte stelen gelijk, geven er

nog een paar lichte slagen tegen aan, met de vlakke hand, en zetten

het schootje op een rij bij de andere, die daar staan te blinken,

in het midden dun, boven en beneden breed van schuins uitspreidende

aren en stengeleinden. Hun heele gedrag is dat van menschen die met

liefde iets doen wat zij heel pleizierig vinden. Van de spanning

die zoo sterk te voorschijn komt in den oogst van het Westen, onder

de sikkel-zwaaiende mannen, en diep naar den grond bukkende vrouwen,

is hier niets te zien. Er is gezegd, dat tijd gewonnen zou worden als

de Javaan ook de sikkel gebruikte, en men heeft zich met afkeuring er

over verbaasd dat hij het niet wilde. Maar een goede reden voor dien

onwil is duidelijk. Dit met de hand plukken eischt een menigte handen,

en elk van die handen beurt loon. Het gebruik van een sikkel zou de

overgroote menigte buiten werk en loon stellen. Een bijkomstige reden

is, dat de Javaan het stroo laat staan, omdat hij er geen gebruik voor

heeft. Met de hand kan de halm korter onder de aar afgesneden worden

dan met een sikkel zou kunnen. Aan zulke practische redenen geeft de

"adat" de wijding van traditie en godsdienstig gevoel: en daarmee is

de gewoonte onaantastbaar geworden.

Naarmate de vrouwen hun bossen aanbrengen dragen de mannen die naar

den berm van den weg. Daar komt straks de eigenaar om ze te tellen. Al

dunner en bleeker wordt het veld, al blinkender de berm. De oogsters

gaan zitten tusschen hun bossen. Een sukkeldravende marskramer, die uit

de verte al de drukte ontwaard heeft, komt er bij met zijn schommelende

kastje vol vruchtenstroop en rijstkoekjes. Een paar buffelkarren

wachten op hun vracht van schooven. Eenige "sadoo's"--dos-à-dos heette

oorspronkelijk het tweewielige door een hit getrokken voertuigje--staan

te wachten op mogelijke klanten, de boomen op den grond, het hitje

los, en grazend hier of daar in de schaduw. Het is een vertier als

op een pasar, langs den kant van het veld, tot de eigenaar bezien en

nageteld heeft, en ieder van de oogsters met zijn deel rijst naar huis

gaat. De mannen dragen de bossen twee aan twee over een stok hangend,

of opgestapeld in een soort aan het juk hangende kooien, zoo hoog

en breed, dat de drager verdwijnt tusschen de schommelende gouden

schelven. De vrouwen tassen ze op in de breed-uitgehaalde slendang, en

torsen tusschen arm en heup. Thuis gekomen spreiden zij de bossen uit

om te drogen. En in de middagzon is het een geschitter van fijnstralig

en rondfonkelend goud, waarheen men ziet. De voorerven van alle huisjes

liggen overspreid met halmen. Wie aan zijn erf geen ruimte genoeg had,

is op het dak van zijn huis geklommen en heeft de aren gestrooid over

het in de zon blakerende riet. En een ander weer heeft zijn rijst

naar den grooten weg gedragen. De prachtige rijkdomskleur verguldt

de bermen, den kant van de waterleiding, de bruggen, en tot zelfs

de baan tusschen de rails van de stoomtram toe. Naakte, rondbuikige

kinders houden er de wacht bij, spelend onderwijl met vlieger-oplaten.

Het is een bekoorlijk gezicht, al dat jonge goedje midden in het

blinkend voedsel. En moeilijk zich te verweren tegen de betooverende

voorstelling, dat daar voor onze oogen het Leven groeit, korrels uit de

aarde, menschjes uit de korrels, in een overvloed die, onuitputtelijk,

altijd-door zich vernieuwen zal. De schijn is zoo schoon! Maar de

werkelijkheid ligt geheel anders, er naast. Rondom de afgeoogste

velden staan er andere nog hoog in het gewas. Daar staan de halmen dun

tusschen woekerend onkruid. Plekken vaal groen, in het geel, voren en

kuilen van laag-gebleven groeisel tusschen het hoog-opgeschotene toonen

waar de grond verarmd is, waar het voedende water niet is gekomen,

waar na de verstopping een plotselinge overstrooming van de leidingen

het verderfelijke vulcaanzand heeft uitgestort, dat sedert de groote

uitbarsting van 1902 onstelpbaar afvloeit van den Kloet. Hier en

daar komen ook de fouten aan den dag, door den boer bij de bewerking

begaan. Het land is ondiep geploegd; hij heeft, om den lagen prijs,

slechte rijst genomen om uit te zaaien; de jonge planten zijn te lang

op de kweekbedding gelaten en bij het overplanten op het rijstveld niet

ingekort. Aan parallel loopende strepen van donkerder groen is te zien

waar de mest nagewerkt heeft, die de suikerplanter het vorige jaar,

toen hij den akker in huur had, aanbracht in de plantgeulen van het

riet, een verrijking van den grond, waar de boer zijn rijst op teren

laat, zonder er verder iets bij te voegen. Niet anders dan een magere

oogst kan hier gehaald. En zullen de boeren zelfs dat weinige in de

schuur bergen? Van den eersten oogstdag af al hebben de karren der

Chineesche opkoopers zwaar geladen langs den weg gereden. Wat daar

op lag was de oogst van zóo en zóo veel kleine boeren, de dubbele en

driedubbele waarde van het "voorschot" dat de woekeraar hun aanbood,

drie maanden geleden, toen zij geld noodig hadden voor de belasting,

voor zaai-rijst, voor den slamettan ter wijding van het werkbegin,

voor de afdoening van schuld van verleden jaar, voor de honderd en

een dingen waarvoor een Javaan altijd in geldnood zit. En die oogst

gaat naar de stad, wachtend op den tijd van schaarschte en hooge

prijzen. Er zal niet veel van terugkomen in kleine boerenhuisjes.

Hoeveel komt daar eigenlijk? hoeveel Javaansche rijst? Is het

overvloedig? Is het zelfs maar genoeg? Op geen millioenen pikols

na. Invoer in Java en Madoera, over 1907, aan gepelde rijst voor een

waarde van bijna tien millioen gulden. [1] Invoer in het achterland

van Soerabaja alleen, gedurende 1909, aan rijst uit Saigon en

Rangoon voornamelijk, een hoeveelheid van ruim 2 millioen pikols;

invoer in 1910, toen de oogst bijzonder slecht was, omtrent 4 1/2

millioen pikols, voor een bedrag van tusschen 22 en 25 millioen,

[2] voor deze streek alleen. Inplaats van den schijnbaren overvloed

is er een verschrikkelijk tekort.

Hoe zal dat te beteren zijn?

Van Karel Holle, "den vriend van den landman" wordt, onder vele andere

verhalen, dit gedaan: de boeren zijner streek, gewoon hem in alles

om hulp en raad te vragen, kwamen op een goeden dag bij hem met de

bede hun toch het machtige toovermiddel te openbaren, waardoor zijn

velden zooveel rijker oogst droegen dan de hunne. Toen toonde hij

hun een zilverstuk.

Zilver voor landbouw-onderwijs, zilver voor landbouw-crediet, zilver

voor irrigatie vooral, zilver genoeg, met dat toovermiddel ware de

schoone schijn van Java's rijkdom wel te hertooveren in een schooner

werkelijkheid.

Maar totdat die talisman wordt aangewend....

Natuur en Menschen in Indië · 第 11 / 71 题