Van Tandjong Priok naar Djombang

Neen, ik geloof niet dat het ergens op deze schoone wereld schooner

is dan hier op Java! Zooveel schoons heb ik toch al gezien; maar

zoo veel en zoo velerlei allerschoonst als nú, hier, nooit nog,

nergens. Bijna zeven uur lang onderweg van Tandjong Priok naar

Bandoeng in de Preanger: na de rustpooze van den nacht, 's ochtends

om 6 uur verder tot 's avonds 7, toen de trein stilhield aan het

Djombangsche station: in die haast twintig uur, en op dien afstand

van het uiterste Westen tot den Oosthoek van Java zag ik, altijddoor,

ontelbaar, in de bontste verscheidenheid, en onophoudelijk veranderend,

alle schoonheden van hemel, licht, atmosfeer, van velden en tintelende

heuvels, stroomende wateren, bergen blauw tegen de blauwe lucht, een

vlakte wijd uitgegoten als de zee zelve; van jaargetij en klimaat,

anders in de vlakte, anders in de hoogte, stroomend van regen hier,

dor en heet nog elders; en van menschelijk werk en bedrijf ook,

dat, het schoonst van alles, met al die schoone verandering van

uur en grond en seizoen mede veranderde. Het was zulk een feest,

zoo overvloedig, dat de oogen en de gedachte niet dan een duizelend

deel van den rijkdom grijpen of vasthouden konden.

Van Tandjong Priok naar Batavia loopt de weg door een moeras-streek,

ruig van een haast-verbijsterend rijken groei van onnoembaar-vele

soorten heester-gewas met varens en palmen vermengd, waar hier

en ginder boomgroepen uit opsteken, en, overal, bij duizenden de

wijd-open lichtpaarse bloemkelken van een weelderig slingerkruid

overheen gestippeld liggen. Dan komen, even, de vóorstations van de

stad: Weltevreden en Meester-Cornelis. Tusschen witgekleede Hollanders

staan Chineezen gestaart, maar verder op zijn Europeesch gekleed: en

daar wachten sierlijk gekleede Javaansche vrouwtjes op den "vuurwagen"

die hen naar stad zal brengen; een venter van vruchten en zoetigheidjes

zit op den grond gehurkt, tusschen zijn volle manden; door open

deuren heen komt een breedte van het stationsplein te zien, en een

reeks tweewielige rijtuigen met heel kleine hitjes bespannen. Dan

verdwijnt dat alles weer. Een inlandsche wijk komt te zien langs de

lijn. Daar staan, ieder op zijn eigen, door een bloeiende haag omsloten

erf, aardige huisjes, met het karakteristieke dak; het lijkt op een

zittenden vogel, hals opgerekt, vleugels uitgespreid--dat zelfs aan het

armelijkste Javaansche hutje zulk een sierlijk voorkomen geeft. Veel

van die erfjes zijn met vruchtboomen beplant, als moestuin aangelegd;

en de tuiniers zijn er aan het werk, terwijl hier en ginder, onder

een afdakje, een vrouw te voorschijn komt om den trein na te kijken,

en een paar naakte kinderen die met jonge geitjes sollend, op een

draf naar de heg geloopen komen, krijschend van pret. Nu verdwijnt het

gehuchtje, het laatste eenzame hutje verdwijnt. Het landschap begint

te golven, de weg stijgt, aan weerskanten komen heuvels op. Overal,

uit het pluimige groen van bamboeboschjes te voorschijn, die luchtig

aan de hellingen hangen, wuivend op den lichten wind, breken beekjes

te voorschijn en wit-beschuimde kleine watervallen. De heuvels worden

steiler, de spoorweg loopt nu vlak langs de hellingen, halfweg er

tegen op nu en dan, door een kleine tunnel dan weer, een eind verder

over een brug, die de bocht van het tracé mede-makend over een ravijn

heen is gebouwd. Telkens als de heuvelwand uiteen wijkt verschijnt

een prachtiger vergezicht, over een voorgrond van rijstvelden, in

trage glooiïngen klimmend, heen, naar al hooger en steiler stijgende

hoogten in de verte. Met zonsondergang is de hoogvlakte van Bandoeng

bereikt, flonkergroen binnen een hemelwijden kring van bergen.

Den volgenden dag om 6 uur begon de reis van Bandoeng naar Djombang. Nu

was het nog veel heerlijker! Daar lag de prachtige vlakte, floersig

nog van fijnen nevel, die overal boven de blankstaande rijstvelden

hing te gloren in het morgenrood. De bergen waren blauw als de blauwe

hemel zelf, de eene toppenreeks van de andere, nog hoogere, gescheiden

door lange witte wolkensleepen, die al helderder blonken in het al

verhelderende licht. Een overheerlijk kleurenspel begon over het

geheele wijde landschap. De roode dageraadswolken kleurden de sawah

dat de jonge rijsthalmen leken te staan in een purperen meer. Onder

het optrekkende nevelwit werden ontelbare tinten van groen levendig,

van dat allerteerste, der pas uitgeplante rijst, dat nog haast geel is,

tot het zware blauw-groen van her en der verspreide dorpsboschjes. De

gedaante van de verre bergen verscheen als kleur, blauwig-zwarte

diepten naast purper-bruine en fel-groene hoogten. De verre ketenen

waren zoo fijn, zoo ijl, zoo doorzichtig als de lucht. Veel louterder

en luchtiger dan wolken leken zij een deining van azuren hemelzee

zelve, onafzienbaar lange rijen luchtgolven, flonkerend getopt. Een

onuitsprekelijk gevoel van vreugde en verlangende kracht sprong

overeind in het hart, antwoordend op al die schoonheid van land,

en zon en die veerkrachtige golving naar telkens alweer zulk een

blinkend hoogen top van de klare bergen door de klare lucht.

Op de rijstvelden was het landvolk al aan den arbeid; het was

verwonderlijk om te zien op hoe velerlei wijs. De bouw van de rijst

is afhankelijk van water; en de ligging, hooger of lager tegen een

heuveltje aan, of in de vlakte, de richting van een kloof in het verre

gebergte misschien, die den regenbrengenden westenwind doorliet of

keerde, maakten zooveel verschil hier, dat op dicht bijeen gelegen

velden al de verschillende stadiën van bewerking van den grond en van

groei van het gewas vielen waar te nemen. Ik zag de bruine kluiten

ploegen, en een weinig verder het blankstaande veld eggen, waar

het buffelspan plonsend door het water waadde, tot over de knieën

toe. Vrouwen--alleen vrouwen, niet een enkele man was er bij--waren

bezig met het uitzetten van de gelig-groene bossen zaailingen, die

een drager, behoedzaam over het smalle dijkje loopend, haar bracht,

bij twintigtallen tegelijk aan beide uiteinden van zijn zwiepend

juk gehangen. Er werd gewied. Er werd water in- en uitgelaten op de

velden. En op éen plek zag ik zelfs den oogst beginnen: feestelijk

gekleede vrouwen die hun gladden zwarten haarwrong met een bloem

hadden versierd, plukten, vlak langs den spoorweg, een voor een de

zwaar-knikkende halmen af, die zij, tot een schoof bijeen vlijden in

hun armen. Niet dan gebrekkig kan het gezegd worden hoe overschoon

het alles was, hoe wonderlijk de pracht van dat landschap, waar de

velden meeren waren en heuvels stonden als torens van groen kristal,

van spits tot grondvesten kabbelig overvloten van klaar water dat

trapsgewijs afdalende rijstakkertjes doorschijnend maakte, en hoe

de glorie van den duizelhoogen hemel, en hoe het loutere blauw der

bergen zoo volkomen overeenstemde met het geruste bewegen van die

fijne bloembont gekleede menschen op den akker. De grootsche rijkdom

der natuur overweldigde niet maar dróeg den mensch.

Op die flonkergroene hoogvlakten van Bandoeng en Lelès volgde het

lage land langs de Zuiderkust; het lag vlak als een golflooze,

dofgroene zee, waar de nog donkerder groene boschjes die van binnen

dorpen zijn, als klippen steil en plotseling uit opstaken. Aan

de kleine stationnetjes was het druk van inlanders, marktgangers

klaarblijkelijk. De dracht der vrouwen was weer eenigszins anders

dan in het hoogland. Maar ook déze droegen die lange sjerp, de van

rechterschouder naar linkerheup geslagen slendang, die tegelijk sieraad

is en gereedschap, om het zoo uit te drukken; want zij dragen er al hun

lasten in, van een kind af, schrijlings op hun heup gezeten met den

kleinen rug tegen de slendang geleund, tot hun sirih-doos, portietje

rijst voor den tocht en bos vruchten voor de markt toe. Bijzonder

veel en prachtig ooft zag ik hier. Mijn medereizigers vertelden mij

dat er inderdaad in Djokjakarta beter ooft wordt geteeld dan ergens

elders op Java.

De dag ging ten einde. Van de moerasvelden, purperig in

wolkenspiegeling, keerde het landbouwersvolk naar huis, den lichten

houten ploeg over den schouder. Bedaard stapten de groote grijze

buffels, grazend langs den weg. Boven de dorps-boschjes stegen de

dunne blauwe rookwolkjes uit van het rijs-vuur waarop de huisvrouwen

de rijst kookten voor het gezin. Weinige minuten later was het overal

stil. Bij het minderende licht zag ik de bergen weer verschijnen in

het Westen eerst, dan in het Oosten. De geweldige massa die zoo zwart

doemde tegen de klaarheid der opengaande sterrelucht was de Kloet,

aan den voet waarvan Djombang ligt.

Wij bereikten het station een uur over den tijd. De trein had langzaam

moeten rijden, hoorde ik, over een aanzienlijk gedeelte van den weg

waar verzakking dreigde. De ingenieurskunst heeft wonderen gedaan

bij den bouw van deze lijn: maar de altijdwerkende aardkorst van de

vulcanenstreek vastleggen kan geen menschenkunst.

De volle maan bescheen den weg naar het gastvrije huis waar ik gewacht

werd. Ik zag rietvelden blauw-blank glinsteren, en fel-wit een steilen

fabrieksschoorsteen. Overdag, ik wist het wel, zou dit alles arbeid

zijn: maar nu mocht ik het zien als schoonheid, na de schoonheid van

morgen en middag en avond, de schoonheid van den nacht.

Natuur en Menschen in Indië · 第 9 / 71 题