Sabang op Poeloe-Weh

Dit rotsige eilandje dan, is de uiterste spits van Indië, de

ver-vooruitspringende kaap van die wereld van bergen, te allen kant

door zee omgolfd. Bij het flauwe wisselvallige schijnsel dat van maan

en sterren uit een lucht vol drijvende wolken valt, zien wij het

zwart en steil opstaan uit zee, een duister berggevaarte dichtbij,

daarachter in wijden zwaai de verte in wijkend een baai, waarvan

de heuvelige kust als een lager gezonkene, dichtere, donkerdere

wolk tegen den hemel ligt. Een enkel groot licht schijnt uit die

duisternissen. Is het een ster? is het een sein?

Het schip streeft recht op de wijde baai toe. Van de brug af, waar

ik sta, is het zonderling om te zien, die smalle wig van planken

met de dunne lijnen van de reeling er om heen, en daarboven het als

spinneweb zoo teer toonende takelwerk, dat licht op en neer beweegt

tegen de sterrelucht; zoo smal, zoo broos, zoo fijn alles, midden door

die geweldig golvende zee zijn eigen onnaspeurlijken weg houdend,

recht op dien zwarten muur van rotsen aan, waartegen een enkele van

die onafzienbaar lange golven het wel te pletter lijkt te kunnen

slaan. En wat is dat ster-achtige licht nu, daar zoo ver?

Plotseling vlamt een purperen gloed over de plecht, de brug, tegen

mast en schoorsteenen omhoog. Twee matrozen zwaaien fakkels rood

Bengaalsch licht, een op het dek, de ander hoog op den schuins

omhoogstrevenden tentbalk, op de uiterste hoogste spits van het

schip. In zijn beide, steil opgestrekte handen zwaait hij de fakkels

hoog boven zijn hoofd. Wolken purperen licht en rook waaien uit die

wervelende vlammenbronnen. Vuurrood staat de halfnaakte fakkelzwaaier

met zijn steile armen en achterover geworpen hoofd, vuurrood de

dicht opeengedrongen drom mannen, haastig uit het donkere diep van

het schip naar boven gerend om den eersten blik op de Indische kust,

vuurrood aan weerszij van die smalle wig menschen de zee, waar het

schuim, in lange lijnen schuins wegstrevend van den boeg, bloost als

een strooisel rozen. En, meteen, flikkeren, ontelbaar, lichtjes op uit

die bergachtige duisternis vooruit en veranderen het gesteente in een

woonplaats van menschen. Het Bengaalsche licht is het sein geweest,

dat het naderende schip de mail aan boord heeft; nu haast alles in

Sabang het tegemoet. Als wij aankomen staat de pier vol menschen. In

het electrische licht schitteren de witgekleede Hollanders fel uit

de bonte menigte van inlanders en Chineezen te voorschijn.

Wij gaan aan wal om de haven-inrichtingen te zien, waarheen de

waarnemende administrateur van de maatschappij Sabang ons vriendelijk

zijn geleide heeft aangeboden.

Sabang is trotsch op die inrichtingen--vijf electrisch gedreven

kolentips, en uitmuntend ingerichte loodsen langs een verre lengte

van de prachtige haven. De natuurlijke voordelen van de diepe, tegen

zeegang en wind van alle zijden beschermde baai zijn door zulk gerief

zoozeer verhoogd, dat Sabang nu voor de beste en best-ingerichte

haven van het geheele Oosten wordt geroemd, en dat door de zeelui

van allerlei landaard die hier komen kolen innemen. De Engelschen

maken geen uitzondering. Zij spreken met de daad de meening tegen,

indertijd door de naar Poeloe-Weh afgevaardigde deskundigen tegenover

de Engelsche regeering geuit: dat de baai voor een haven niet geschikt

was: Veel Engelsche schepen vallen hier binnen.

Een groote handelshaven zal Sabang echter eerst kunnen worden

wanneer haar achterland Atjeh, en met name de peper-cultuur aldaar,

zich ontwikkelt.

Het werkvolk dat de haven, de electrische centrale en de gasfabriek

bedient--ijs wordt hier met behulp van uit Europa geïmporteerd

zwavelig zuur gemaakt van het water uit het meertje, waaraan Poeloeh

Weh (zoetwater-eiland) zijn naam ontleent--het werkvolk bestaat niet

uit eilanders, maar uit Javanen van Midden-Java en Chineezen, enkele

Arabieren ook. Sabang is alweer een van de vele sluizen waardoor Java

en China hun te veel aan hongerige menschen spuien. De Chineezen zag

ik bij mijn aankomst aan het werk, in de kolenloods, waar zij den tip

bedienden--bij zestien tegelijk hingen zij de volle zware kolenmanden

aan de sterk-gehaakte kettingstreng, die ze de hoogte in trok of ze

de slurf geweest ware van het olifantachtige monster dat daar zoo

zwart en geweldig omhoog stond, den kop uitgerekt over het schip.

De groote hoed, dien zij als bescherming tegen het neerstuivende

kolengruis droegen, hield hun gezicht in de schaduw: maar aan hun

bouw--zij liepen half-naakt--en meer nog aan de vlugheid en veerkracht

van hun bewegingen was te zien dat zij jong waren, welgevoed en

gezond. Ik hoorde hen prijzen verre boven de Javanen, om hun ijver

en werklust. Bij den bouw van de haven, zeide men mij, toen de zware

blokken koraalsteen opgestapeld moesten tegen de zee, arbeidden de

Chineezen met een voortvarendheid, of zij, om het loon niet enkel,

maar om het werk zelf ook, met pleizier in wat zij tot stand brachten,

zich inspanden: zij lachten, als een moeilijk te verplaatsen blok ten

laatste goed lag en vast. Terwijl de Javanen onverschillig en loom

waren. Hun minderheid in spierkracht en algeheele vitaliteit bij de

Chineezen vergeleken, schijnt mij een bijna voldoende verklaring voor

die minderheid van hun werk. Zoowel Chineezen als Javanen schuiven

en rooken opium.

Ik zag den volgenden ochtend de wijk van het werkvolk, waar inlanders

en Chineezen van elkander gescheiden wonen in op het oog zindelijke,

ruime, wèl-gebouwde huizen, aan weerskanten van een goed-gerioleerden

weg. De Chineezen zijn hier--volgens hun gewoonte--zonder gezinnen. Van

de Javanen hebben sommigen hun vrouw bij zich. Een aantal vrouwen zag

ik in een groote koele schuur aan het malen van de rijst, volgens

een methode, die de korrel het binnenste vliesje, het zoogenaamde

zilvervlies, laat behouden. Het dieet van rijst met het zilvervlies is

een afdoend voorbehoedmiddel gebleken tegen de beri-beri, waaronder

het volk vroeger zwaar te lijden had. De korrel is echter minder

oogelijk dan de gepelde blanke rijst. Vandaar een vooroordeel ertegen,

dat nog altijd niet geheel overwonnen is. In zake uitbetaling van het

loon, voedselverstrekking en feestdagen worden Javanen en Chineezen

behandeld elk volgens zijn nationale gewoonten. Die ik zag waren allen

welvarend van voorkomen, en de vrouwen ordentelijk, zelfs min of meer

sierlijk, in de kleeren. Voor enkele huizen stonden bloemen: de kleine

jasmijnstruik, die hier melatih heet, een roosje, een Canna, in een

oud petroleumblik op de trap, een oleander of een citroenboompje in den

vollen grond ervoor. Er groeiden vruchtboomen in de ruimte tusschen de

huizen, bananen, kokospalmen, brood-boomen, die met hun breed spreidend

gebladerte het zinken dak der huizenrij koel hielden. In de groote,

gemeenschappelijke keuken voor de Javanen waren vrouwen bezig met het

morgen-maal. Er lag iets opgewekts in het voorkomen van het geheele

koelie-dorpje, menschen en dingen. Ik nam mezelve stellig voor terug

te komen om de al te vluchtige indrukken te verdiepen, en tevens, na

de menschen ook de natuur van Poeloe-Weh te leeren kennen. Zij moet

zeer schoon zijn: van de kust af is dat al wel te zien; en ik hoorde

wonderen van de "zeetuinen"--de banken en zandplaten met allerlei bont

en zonderling zeegewas begroeid, waarboven, in het lucht-klare water,

de prachtig-gekleurde visschen spelen.

Over de reeling der Willem II geleund, zag ik nog lang naar de

schoone welig-groene bergen en den wijd-uitgegoten glans der baai,

waar een vloot van spiegelende schepen dreef. Strak en zwart stonden

de reikhalzende kolentips tegen den vroeg-ochtendhemel. Daar ginder was

de ijsfabriek--een stukje door menschen gemaakten winter, onaantastbaar

onder den gloed der tropische zon; en de electrische centrale ernaast,

die een elementaire kracht temt tot drager van lasten en stoker van

vuren, in dienst van meesters, duizenden mijlen ver weg. De koelies,

Chineezen, Javanen, Arabieren, aan het lossen van alweer een ander

schip, waren te zien als een bonte wemelende hoop, waar hier en ginder,

in bevelende houding, een witgekleede Westerling tusschen stond: een

"Europeaan," als men hier, kenteekenend, zegt voor Hollander.

Een overstelpend rijke en schoone natuur, bijna ongerept nog, en te

midden daarvan, zonder eenigen overgang of geleidelijkheid, toegepaste

wetenschap en modern grootbedrijf; een heterogene groep Westerlingen

als vertegenwoordigers van een enkel blank heerschers-ras staande

tegenover een heterogenen drom Oosterlingen, samengesmolten tot éen

enkel bruin ras van overheerschten; en over alles heen dat tijdelijke,

voorloopige, het altijddoor komen om weer weg te gaan: het waren de

elementen van het leven in Indië, die daar, op het rots-eilandje,

zichtbaar, naast elkander lagen.

Terwijl Sabang weggleed achter de ronding van den gezichtseinder,

dacht ik: "Dit is dan de inleiding geweest."

Natuur en Menschen in Indië · 第 7 / 71 题