"Nu beginnen we er goed in te komen," zei Else opgewekt, toen ze
samen over de donkere Breestraat liepen. "Visites, vergaderingen,
colleges--onze dagen zijn heelemaal gevuld."
"Maar dit is iets nieuws en heel bizonders," antwoordde Go, en ze
had weer dat vreemde angstgevoel, hoe het toch gaan zou vanavond. De
vergadering van "Laborando vincimus" was bij 'n meneer Van Neerwinden
op 't eind van 't Rapenburg, om kwart over achten werden ze verwacht;
maar wat zou er dan in vredesnaam verder gebeuren, en hoe zouden zij,
meisjes, die nooit gedebatteerd hadden, 'n woord mee durven zeggen?
Else had veel werk van haar toilet gemaakt, droeg 'n licht-beige voile
japonnetje met mat-groene strikken, maar toen ze op 't punt waren
te gáán, had ze Go, die maar één avondjapon had van fijn laken met
'n kanten kraag, opeens angstig gevraagd, of ze niet "gek-mooi" was,
en of je je eigenlijk voor een dispuut wel zoo zou kleeden. Maar ze
had er toch maar niets meer aan veranderd, ofschoon Go had gezegd,
dat 'n zóó schitterende verschijning niet bevorderlijk kon zijn voor
de aandacht der jonge lieden in de ernstige vergadering-zaken.
Er sprankelde verwachting in Else's oogen, en ze dacht niet aan de
wichtigheid, die Go zoo drukte. Ze voelde, dat ze niet gevraagd kon
zijn, omdat men van haar zooveel wijsheid verwachtte; ze wist haar
meisjes-bekoorlijkheid, en, minder wuft dan vroeger op bals, wanneer
ze altijd iedereen had willen boeien, dacht ze nu aan Henri alleen,
voelde, dat hij haar snoezig vinden moest, en lachte stilletjes bij
die heerlijke gedachte.
Go had aldoor loopen denken, wat ze tegen de juffrouw zeggen
moesten, die open deed, maar die liet ze dadelijk met 'n gezicht van
er-alles-van-weten binnen, nam hoeden en mantels af, en hing ze aan
den al vollen kapstok.
"'t Is net een partijtje," zei Else, haar haar glad-strijkend, maar
Go hoorde 't niet; ze had de deur van een der kamers open zien gaan,
en 'n lange, donkere figuur, die nader kwam, deed haar blozen in
'n vreemde verwarring.
"Mag ik me even voorstellen.... Van Neerwinden.... ik ben bizonder
blij, dat u vanavond gekomen bent; de voorvergadering is nog aan den
gang; zoudt u zoolang even in de achterkamer willen komen?"
Go keek er dadelijk belangstellend en onderzoekend rond; ze
was benieuwd, wat deze man voor kamers zou hebben, en hoe hij ze
ingericht had. Maar haar eerste indruk was teleurstellend; het was
er zoo rommelig en ongezellig, de muren hingen zoo vreeselijk vol;
prenten gescheurd uit tijdschriften, rare karikaturen, waaiers,
wapens, draperieën.
Toen begon ze meer te onderscheiden, vond 'n paar mooie Steinlen's,
'n portret van Zola, 'n Holbein, en in 'n hoek, waar 't opeens héél
stil leek, 'n teer melancolieke Madonna van Botticelli. Ze liep
er heen, bleef er lang vóór staan; er was iets fascineerends in de
starende oogen, die zoo zacht droef-en-gelukkig voor zich uitstaarden,
die, weifelend tusschen opperste smart en hoogste zaligheid, onzeker
glimlachend in tranen, droomden van het kindje en de toekomst. En het
oneindig-teer gebaar van de lange, witte handen, die als stervende
bloemen waren, ontroerde haar wonderlijk, zoodat ze zich afwendde,
bleek van emotie, en recht in Neerwinden's oogen keek, die achter haar
was gaan staan: ze waren diep en zacht, ze was er eventjes heelemaal
weg in; toen schoof hij haar 'n stoeltje aan, begon gewoon met Else
te praten,.... de betoovering was voorbij.
Else was teleurgesteld, dat ze niet dadelijk binnen was gelaten,
praatte nonchalant en verveeld haar makkelijke conversatiezinnetjes
door, zonder zich veel om haar toehoorder te bekommeren. Hij
stond tegen de tafel geleund, half naar Else toe, en Go kon hem zoo
prettig-rustig op zitten nemen, nu hij niet naar haar keek, hem weer
beschouwend als 'n gewone, knappe jongen, die haar wel sympathiek
toescheen. Haar verwarring van zooeven schreef ze op rekening van
haar nerveuze angst, en ze plaagde zichzelf, dat er tot nu toe niets
vreeselijks met haar was gebeurd.
Hij was van meer dan middelmatige lengte, flink maar toch fijn gebouwd,
en droeg z'n hoofd heel rechtop, zoodat 't bijna aanmatigend was. Hij
had zacht, dof-zwart haar, nog al lang, dat hij met 'n schuine
scheiding langs z'n voorhoofd geborsteld droeg. Z'n donker-blauwe
oogen waren sterk en rustig, als hij gewoon praatte, maar ze wist,
dat ze diepe afgronden konden worden; z'n neus was fijn en scherp, z'n
lippen dun, en daar trokken moeë, melancolieke streepen langs, als hij
even zweeg. Z'n tint was bleek, met 'n nerveus blosje onder z'n oogen,
waar de jukbeenderen wat uitstaken, door het magere wangenvleesch,
en de hand, waarmee hij telkens, als 't gesprek hokte, even over
z'n hoog voorhoofd streek, of hij z'n gedachten moest verzamelen,
had die wassig-doorschijnende witheid, van nooit anders dan 'n pen
te hebben aangeraakt.
Z'n kleeren waren modieus en verzorgd, maar hij droeg ze met een zoo
waardige gratie, dat niemand de details er van opmerkte, zonder er
bepaald op te letten; de algemeene indruk was van 'n volkomen harmonie,
waarbij niets hinderlijk op den voorgrond trad, en Go vergeleek
hem onwillekeurig met Han, van wien je altijd dadelijk dacht: wat
'n mooie das heeft hij aan; wat 'n fijn vest.
Nu werden de gordijnen van de suite opengetrokken, en de vergaderkamer
lag als 'n tooneel voor hen open: Go zag dadelijk, dat die kamer kalmer
en ordelijker was, dan die, waarin zij zaten, maar toch ontbrak er
iets: 'n eenheid, 'n richting; ze wist niet precies wat; misschien was
't ook alleen de vrouwelijke gezelligheid.
In het midden van den kring, als praeses, zat Han, den hamer
in de hand, 'n plechtige uitdrukking op z'n gezicht, die echter
vervluchtigde, toen hij Else zag, versmolt in 'n blij-oplichtend
lachen, terwijl hij opstond, om de meisjes te begroeten en voor
te stellen.
Naast hem zat de donkere, kleine Rolands, met z'n glanzend gezichtje,
stil en ernstig, als 'n oostersch afgodsbeeldje, en aan z'n anderen
kant was 'n stoel open voor Van Neerwinden, die ab-actis was, in
't bezit van alle reliquieën en kostbaarheden van het dispuut.
Gerard Leeden, die, zonder functie, dichter bij de deur zat, begroette
Go met groote hartelijkheid, en de dichterlijke Louis Hoefman, wiens
sombere, magere kop vreemd naast Gerard's welgedaanheid afstak, bracht
groote verwarring door al met stoelen te gaan sleepen, terwijl het
voorstellen nog aan den gang was.
Er waren drie jongens, die ze nog niet kenden: Frits Rolands, Wim de
Veer en Otto Beerenstijn; en ook het meisje, Frieda Vervoort, was
Else alleen wel 's tegengekomen in de gang van de universiteit. Ze
was candidaat in de rechten en studeerde ook oude talen, ze had 'n
smal, mannelijk-belijnd, verstandig gezicht, tusschen laag opgemaakt
glad-bruin haar. Go vond, dat ze leek op romeinsche jongenskoppen,
zooals ze in de gang van hun gymnasium hingen, en beantwoordde stevig
haar flinke, openhartige handdruk. Op de vacht voor de glimmend
gepoetste vulkachel lag 'n slanke bruin-zwarte setter, de oogen goedig
half-dicht, de lange ooren naar beneden. Go knielde er dadelijk naast,
streelde hem en vroeg, hoe hij heette, blij, dat hij haar liefkoozingen
toeliet, slechts dralend opstaand, toen Rolands haar 'n stoel bracht.
Het duurde lang, vóór allen weer rustig gezeten waren, en de eigenlijke
vergadering beginnen kon. Han had gezegd, dat ze nu 'n beetje 'n bonte
rij konden maken, en Else naast zich weten te krijgen, tusschen hem
en Rolands, die quaestor was, in, ofschoon de gewoonte was, dat 't
bestuur bij elkaar aan 't hoofdeinde van de kamer zat. Go zat naast
Eduard van Neerwinden, en voortdurend ging die naam in z'n heerlijke
kadans door haar hoofd: wat 'n vreemde naam, wat 'n prachtig-mooie
naam; echt 'n boeken-naam, en toch niet vervelend romantisch. Wat
paste hij goed bij hem; ze had eigenlijk wel kunnen weten, dat hij
zoo heeten moest: Eduard van Neerwinden; natuurlijk.
De juffrouw was in de achterkamer binnengekomen, had thee geschonken
in de lange rij witte kopjes, die klaar stonden. In een oogenblik was
Go op, vroeg, of ze even mocht helpen met ronddienen; Else kwam achter
haar aan met melk en suiker, en de jongens lachten onder elkander,
voelend, hoe met deze meisjes het echt-vrouwelijk element in hun
vergadering was gekomen, met deze kinderen, zóó van huis, waar ze ook
niets dan "meisjes" waren geweest; en ze vonden 't allemaal grappig
en prettig, behalve Otto Beerenstijn, die vóór alles 'n werker was,
donker naar de klok keek, die al bij negen wees, en bromde, dat hij
wel had voorspeld, dat 't kinderspel zou worden, zoodra je er zoo'n
paar weeldeartikelen inhaalde.
"Stil nou, kerel," kalmeerde Han, "'t is immers de eerste keer, er is
nog niets geregeld, en op 'n hospitanten-vergadering wordt nooit hard
gewerkt. Willen de dames nu gaan zitten?" gebood hij, president-deftig,
en Else liep dadelijk gedwee naar haar stoel, maar Go zei: "'k moet
nog even opschenken, Han," tot uitbundige vreugde der vergadering,
"omdat zoo'n meisje geen idee had van subordinatie aan den praeses."
En toen ze terugkwam, vertelde ze nog aan Eduard, "dat ze zelf wel
verder schenken zou, hè, dan hoefde de juffrouw niet meer te komen,
en deed ze toch ook wat," totdat Han, ten einde met z'n geduld,
den hamer kletterend vallen liet, en Gootje opschrok, als 'n op
ondeugendheid betrapt kind, haar angstige oogen naar hem toekeerde,
en zonder bewegen luisterde naar het deftige speechje, waarmee de
meisjes werden welkom geheeten in hun midden.
Eduard keek haar telkens van ter zijde aan, en vond 't een aardig,
gezellig kind. Else was mooier en eleganter, maar veel meer neutraal:
een knap, gevierd meisje, van goeie familie. Go was eenvoudiger,
kinderlijker eigenlijk, en toch niet onbenullig, of onnoozel. Dat
ze zoo dadelijk naar die madonna was toegeloopen, en er toen niets
over had gezegd, zoo maar stil was blijven kijken, was 'm enorm
meegevallen. Je kon 't ook eigenlijk wel zien aan haar gezicht, dat er
kracht en diepte in haar was, al lag ook in de open, eerlijke oogen,
dat ze nog nooit in haar leven iets had "doorgemaakt".
Han had z'n speech uit, en Go had even angstig naar Else gekeken: zouën
ze nu eigenlijk wat moeten antwoorden?--maar dadelijk na 't applaus
was hij weer doorgegaan: "his feliciter peractis, transeamus ad...."
"Dol," zei Go tegen Eduard, "zoo'n wezenlijke vergadering."--en toen
er: "ad theam" was geroepen, ging ze met stralende oogen om de kopjes
rond, vragend aan Gerard: "Wat zal er nu gebeuren?" dan weer tegen Han:
"Ik vind 't heerlijk, en we hoeven niets te zeggen, hè?"
Er was 'n studie over George Moore van Otto Beerenstijn, maar Go
had nooit iets van hem gelezen, zat met stil ontzag te luisteren,
bang, dat ze haar domheid dadelijk zou moeten bekennen. Eduard had
de kritiek, prees warm Beerenstijn's grondig oordeel, en de meisjes
keken eerbiedig naar den plompen jongen met den harden, breeden kop
en de diep-liggende oogen, die ze allebei antipathiek hadden gevonden,
instinctmatig voelend, dat hij niet hun vriend was.
Toen las de kleine indischman verzen voor, met z'n dof, droef
stemmetje, vreemd opklinkend uit zijn altijd-lachend gezicht, en de
regels rolden van z'n lippen, als 'n lang aangehouden klacht, of hij
las over lente en geluk, of over droefenis.
Er kwam 'n levendig debat over, hoe verzen gelezen moeten worden, en
iedereen maakte zich warm met veel gesticuleeren, ze bogen voorover op
hunne stoelen, vielen opgewonden elkaar in de rede, zoodat de praeses
aftikken moest, terwijl het stille ventje weer onbeweeglijk op zijn
stoel zat, de beentjes recht naast elkaar, de fijne bruine handjes
gevouwen, en de stage glimlach op z'n glanzend, bruin gezichtje, als
'n Bouddha-beeldje.
In de pauze verzorgde Go de menschen met bier en limonade. Eduard, als
gastheer, hielp haar en wees haar den weg in z'n kast; ze genoot van
dat huisvrouwelijk doen, lette voortdurend op, of ieder wel had, wat
hij wilde, ging telkens rond met de koekjes, deelde kleine gunsten uit.
"Maar u vergeet uzelf," zei Gerard, die zich bij Han en Else
overcompleet had gevoeld, en zich verveelde bij 't literatuur-gesprek
van de anderen. "Mag ik u wat limonade inschenken?"
"En dan houden we de verdere vergadering de kattetongetjes bij ons. U
houdt toch van koekjes?" vroeg Eduard.
"O, verschrikkelijk," en hij had er plezier in, te zien, hoe ze onder
de vertaling--'n stuk uit Balsac--en later onder de memorisatie over
"den invloed van Hegel op onze literatuur" telkens weer 'r hand naar
de schaal uitstak, en dan, aandachtig luisterend, langzaam het dunne
koekje opknabbelde met haar kleine, witte tanden, of Bruno bij zich
lokte, de lekkernij in de hoogte, 'n glans van moederlijke zachtheid
in haar oogen, en ze hem dan langzaam opeten liet, telkens stukjes
afbrekend, en ze hem voorhoudend in de holte van haar rechterhand,
de andere licht op z'n kop geleund. En als 't op was, legde ze,
voordat ze 'm gáán liet, telkens even haar armen om z'n opgeheven nek,
en drukte haar wang tegen z'n haarvacht.
Om half twaalf werd de vergadering gesloten en met druk geloop en
gezoek naar mantels en jassen begon men afscheid te nemen. Eduard
bleef thuis, omdat bij hem het "nabroodje" was voor de jongens,
en Hoefman bood aan hem te helpen.
"Nee, beste kerel, je meent 't goed, maar ga jij mee, en droom wat
in de maneschijn, want jij loopt me wezenlijk maar in den weg met je
onhandigheid. Als Beerenstijn wil blijven--die geeft toch niet om
de wandeling." Maar toen hij in Louis' oogen zag, dat hij gegriefd
was, legde hij even de hand op z'n schouder: "Zeg, we hebben 'er
gevraagd, hoor, je vriendin... eh... juffrouw Schermer.... maar ze
heeft bedankt."
Go hoorde 't, begreep opeens; maar Beerenstijn viel in: "Maar goed
ook, anders werd 't hier 'n meisjesschool--en die is bovendien
affreus leelijk!"
"Heeft ze bedankt zonder reden?"
"Geen tijd, schreef ze. Nu, dat is geen reden, hè?" En Eduard stak
z'n hand uit naar Go, die al even wachtte.
"Ik hoop u nog dikwijls te zien," zeide hij hartelijk.
"Ik heb 't heerlijk gevonden, maar ik voel me zoo klein, bij al die
geleerdheid."
"Dat komt, omdat we vandaag allemaal ons beste beentje hebben
voorgezet; u zult gauw door het vernisje heen zien."
Hij groette nog na bij de deur, waar ze zich dadelijk in groepjes
verdeelden. De Veer en Hoefman brachten Frieda naar huis, die op
de Jan v. Goyenkade woonde; Han en Else trachtten samen vooruit
te loopen, maar Rolands bleef bij ze, kinderlijk-onbewust van de
minder-wenschelijkheid van z'n gezelschap.
Go liep zalig tusschen Gerard en Hans Elders in; ze was dankbaar,
volkomen voldaan; ze leefde in 't oogenblik, genoot van de stille
straten, van haar sterke beschermers, de vroolijke gesprekken, haar
warm, veilig gevoel. Ze sprak niet veel mee, dacht over de twee jongens
aan haar zij, van wier leven ze nog zoo weinig wist, aan de anderen,
die ze vanavond had leeren kennen, en die misschien eens haar vrienden
zouden zijn.
"Het is zoo heerlijk," zei ze opeens, "hier zooveel menschen te leeren
kennen, en allemaal jong te zijn, en veel voor elkaar te kunnen doen."
Als 'n antwoord klonk het carillon sterk en jubelend door den stillen
nacht; de klanken vielen over hen heen als 'n regen van geluid,
en Go was blijven staan, met geheven hoofd. Ze zag den hemel, de
wolken door maanglans verzilverd, ze voelde den nacht om zich heen,
en sloot even de oogen: het was, of 'n golf van het groote, heerlijke
leven voor 't eerst over haar heen geslagen was.
Na de twaalf plechtige bonzen liepen ze weer door, en harder, om
de voorloopers in te halen; Go dacht aan thuis, en hoe moeder zou
kijken, als ze vertelde, dat ze na middernacht van een vergadering was
gekomen. Haar vroolijkheid zocht 'n uitweg in steeds sneller beweging,
tot ze eindelijk in een huppelenden draf oversloeg. "Stap nu allemaal
op 't midden van de brug," hijgde ze, toen ze bij 't oude ophaalbrugje
gekomen waren, "dan veert 't zoo heerlijk."
Ze véérden; lachten luid; en toen ze er af danste en in 'n vaart de
hol af naar het oude huis toeliep, waarvan Han de deur al met Else's
sleutel had geopend, zei Gerard tegen Hans: "Dat kind lijkt net
'n vogel, in dien wijden, grijzen mantel--'n wilde vogel."
En Hans zei, dat dat 'n beeld was om Louis in verrukking te brengen.