De voornaamste stad aan de Zuiderzee is sinds eeuwen Amsterdam. Wel
heeft het zich in den laatsten tijd een achterdeurtje naar de Noordzee
verschaft en is die achterdeur zelfs hoofdportaal geworden, maar dat
neemt niet weg, dat toen Amsterdam de belangrijkste handelsstad van de
wereld was, de weg leidde over Pampus.
Tegenwoordig echter zijn er Amsterdammers genoeg, of liever te veel,
die niet eens den weg naar de Zuiderzee kennen en ’t moet erkend
worden, dat daar wel eenige reden voor bestaat, want vroeger leidde die
weg langs een ondragelijke vuilnisbelt en thans tusschen een abattoir
en een kerkhof. Binnenkort komt daarin verbetering, dan komt er een
mooi park vlak bij de zee en dan stroomt het er heen van wandelaars.
Jongens, jongens, wat heb ik aan de Amsterdamsche kust al een pleizier
beleefd en wat heb ik er veel geleerd. In onze jonge jaren zwierven we
daar altijd rond. Je had er een paar rustige hoekjes, waar je prettig
kon baden en zwemmen. Oude Amsterdammers spreken dan ook nog altijd met
genoegen van het Zuidersopje, een kleine baai tusschen twee
vooruitstekende groenlandjes. De bodem was er tamelijk vast en er waren
plekjes, waar een jongen van een jaar of veertien werkelijk tot aan
zijn hals in ’t water stond, of zelfs kopje onder ging. Dat sopje is nu
verdwenen door den aanleg van het ververschingskanaal en het
Rijnkanaal; de syphonduikers staan er om zoo te zeggen bovenop. De naam
Zuidersopje is echter blijven voortleven en geschonken aan andere
verboden zwemgelegenheden, hetzij aan de Zuiderzee zelf, hetzij aan Y
en Noordzeekanaal.
Behalve als speelterrein is de Zuiderzeedijk ook van belang voor ons
geworden als studieveld en nog altijd vinden de Amsterdamsche jongelui
hun mooiste planten en dieren tusschen Amsterdam en Muiden, of als je
’t ruimer wilt nemen tusschen Amsterdam en Huizen, een tocht, die wij
dikwijls genoeg op één dag hebben volbracht en die ik van tijd tot tijd
nog wel eens onderneem. Ik kan u sterk aanraden, dat ook eens te doen,
onverschillig in welk jaargetijde. De afstand langs de zee is in ’t
geheel 15 K.M. We rekenen er 4 uren voor. Wie ’t onderweg te machtig
wordt, kan altijd hier of daar een trammetje pakken: aan de Papenlaan
in Muiden, in Muiderberg, in Naarden en van uit Huizen zelf ga je met
de tram naar Bussum en van daar per spoor weer naar Mokum.
Als je den rechten Zeeburgerdijk hebt afgewandeld en de
Rijnkanaalbruggen gepasseerd, dan ligt de Zuiderzee ineens open voor
je. Aan den overkant lokken Durgerdam en Ransdorp met zijn dikken toren
tot nieuwe wandelingen en onze tocht kunnen we haast in zijn geheel
overzien: ’t Gemeenlandshuis, Zomerlust, Diemerdam, de Krijgsman,
Muiden, het Muiderslot, ’t Dijkhuisje, Muiderberg en het blauwe Gooi.
Bij warm zomerweer is er vaak een mooie luchtspiegeling op het water,
dan blinkt het tooverachtig onder de verre kusten. Pampus ligt als een
reuzenschildpad midden in zee, de vuurtoren van IJdoorn aan den hoek
van ’t IJ (92) op zijn ijzeren spillebeenen kijkt over alles heen en de
watervlakte is bezaaid met scheepjes van allerlei soort. Maar van de
scheepvaart op de Zuiderzee vertel ik in een apart kapittel.
Wij zijn nog geen tien minuten onderweg, of we staan al vol bewondering
en verwondering te kijken naar een deftig zeventiende-eeuwsch
heerenhuis, dat we eerder verwacht zouden hebben op de Heeren- of
Keizersgracht dan hier aan Zee. De breede zijpoorten maken het echter
tot een echt buitenhuis en boven een daarvan vinden we een steen,
waarin onder meer de wapens zijn gebeiteld van Amsterdam, Leiden en
Utrecht met het onderschrift ’t Gemeenlandshuis 1609 (83). Je denkt
daarbij: begin van ’t twaalfjarig bestand, vrede en droogmakerijen in
Noord-Holland en toen is ook dit huis gebouwd als bestuurszetel voor de
waterschappen, die Holland bezuiden het Y moesten verdedigen tegen den
waterwolf. Dit wordt nog duidelijk aangegeven door de Latijnsche spreuk
boven den Hoofdingang: Hic de Freti Batavi—Furore Arcendo—Agris tuendis
agitur, met sommige letters verschillend gezet van de andere en als je
die dan als Romeinsche cijfers beschouwt en op de een of andere manier
optelt, dan moet er 1609 uitkomen. Zoo iets heet een „tijdvers” en ik
krijg er meestal getallen uit, die kant noch wal raken.
Wat de spreuk zelf beteekende, daar hadden wij in onzen jeugdigen
eenvoud niet het minste besef van en wij noemden het huis onder ons
altijd maar kortweg: het huis van ik vreet Batavieren. Later hebben wij
ons laten uitleggen dat de beteekenis is: „Hier handelen de Bataven er
over, hoe zij hun velden zullen beschermen tegen het woeden der baren”,
of iets dergelijks.
In ieder geval is het een mooi huis en zijn tuinen en boomgaarden en
stallingen mogen ook gezien worden; bovendien groeit tusschen de voegen
van het metselwerk jaar in jaar uit het kleine muurvarentje, dat we ook
in Vollenhove zooveel gezien hebben.
Een eindje verder komen we aan een zeer leelijk geel houten gebouwtje,
waar de teekenaars van ons album wanhopig omheen hebben gedanst, om er
een mooi kantje aan te ontdekken, want ik wou er een plaatje van
hebben. Het bleek echter vierkant onmogelijk. ’t Is het
Iepeslootersluisje, dat vanzelf opengaat, als het water in het Nieuwe
Diep hooger is dan in de Zuiderzee en in het tegenovergestelde geval is
het zoo dicht als een pot. Bovendien is dit sluisje belangrijk, doordat
ieder wandelaar zijn naam schrijft op de houten betimmering en daar kun
je dan zien, wie van je vrienden en kennissen een frissche neus is
wezen halen aan de Zuiderzee. Eens in ’t jaar gaat natuurlijk de kwast
er over.
Een eindje verder maakt de dijk opeens een rechten hoek, die punt heet
Immetjeshorn en daar hebben de Watergeuzen tijdens het beleg van
Haarlem een poosje een schans gehad tot de Amsterdammers, die ’t met
Spanje hielden, hen verjaagden. Bij die gelegenheid heeft Jan Haring
zoo mooi gevochten, maar dat was aan den overkant bij Durgerdam, toen
hij den aftocht dekte; daar vertel ik in ’t volgend hoofdstuk misschien
van.
Nu komen we aan een nieuwerwetsch, maar zeer vervallen buitentje en
daar begint meteen het buitenland, een kleiïge kwelder, die zich een
kilometer of twee ver uitstrekt en langs een smal kleidijkje kun je nu
wandelen naar zijn noordelijkste punt De Battery. Daar ligt een lage
wal, waar in Napoleon’s tijd een kleine versterking was en daar heb ik
dagen lang gebivakkeerd, om lekker buiten te zijn en meteen veel vogels
te zien. Want zomer en winter trekken hier de vogels langs: meeuwen en
sterns, grutto’s, tureluurs, kemphanen, kievitten, wulpen, eenden van
allerlei soort, leeuwerikken, piepers, vinken, ijsvogeltjes, valken,
sperwers, koekoeken, alles heb ik daar bij tijd en wijle te zien
gekregen. Heel mooi is het er op warme Juli-avonden, dan trekt al het
jonge goed in scharen van honderden voorbij.
Maar ook ’s winters is het hier prachtig, doch je moet niet opzien
tegen een beetje guurheid of modder. Liefst ga ik dan naar die Batterij
(81), wanneer het na een paar vorstweekjes is gaan dooien en waaien.
Als dan onder den invloed van den Zuidwestenwind het ijs opbreekt en
opkruit tegen de Oostelijke en Noordelijke kust, dan komen al de
watervogels, die op de Zuiderzee overwinteren, hierheen. En dat zijn er
geen klein beetje. Heele risten van zwarte zeeëenden dobberen op de
baren; een zwarte streep op het vale zeetje en als ze opvliegen lijkt
het, of er een groote zwarte slang over het water kruipt. Dan zijn er
ook ontelbare kuifeendjes en ook genoeg van die aardige brilduikers,
die hun naam danken aan de groote witte vlek vlak voor hun oog. Dan
scharrelen er ook grootere, bont gekleurde vogels met smalle roode
snavels, dat zijn de zaagbekken en als we al een eindje in Februari
zijn, dan zien we die in troepjes bijeen allerlei zotte grimassen en
capriolen maken, een teeken, dat de broedtijd nadert. Zelfs eidereenden
komen zich hier van tijd tot tijd vertoonen, ja, eigenlijk is hier
alles te verwachten van wat er in den winter aan onze stranden en
zeegaten van vogels te zien is. Ik zou dat buitenlandje niet graag
willen missen en verheug er mij zeer over, dat dit heele stuk van
Amsterdam tot Muiderberg toe onveranderd zal blijven, wanneer binnen
korter of langer tijd de Zuiderzee wordt drooggemaakt.
De kade komt weer aan den hoofddijk bij een binnenplasje, dat heet de
Akkerswade en daar tref je weer allerlei aardige dieren aan:
ringslangen en hagedissen en in de wilgenroosjes langs den oever de
dikke rupsen van den avondroodvlinder.
Den dijk houdende hebben we nu links de zee en rechts de breede Diem
(79) met mooie huizengroepjes langs den oever. Diemerdam (80) zelf is
altijd een soort van fort geweest en vooral in de laatste vijfentwintig
jaren zeer versterkt. Wij wandelen er omheen en komen dan in een
streek, die het Uilenbosch heet, maar boomen heb je er niet veel, wel
binnendijks een ontoegankelijk moeras en buitendijks weer zoo’n kwelder
en dan komen we aan de Papenlaan, waar ik, zooals ik in ’t laatste
hoofdstuk zal vertellen, een van de onaangenaamste kwartiertjes van
mijn leven heb doorgemaakt. Nu achter de buskruitfabriek langs naar
Muiden (74), dat we zoodoende door een achterdeurtje bereiken.
Muiden (75) is tegenwoordig zoowat net, wat Amsterdam zeshonderd jaar
geleden was: twee straten aan weerszijden van de rivier, een slot aan
’t eind en wallen er omheen. Toch zijn er belangrijke zaken te zien
n.l. de buskruitfabriek, die dertig jaar geleden in de lucht is
gevlogen, de werven en de zoutziederij, de geweldig groote sluizen, van
belang in vrede en oorlog en eindelijk het Slot (73) zelf, de stichting
en gevangenis van Floris V en later de verblijfplaats van Pieter
Corneliszoon Hooft.
Als je mij vraagt, wie van die twee ik ’t belangrijkst vind, dan zeg ik
dadelijk „Hooft” en ik ben er zeer mee in mijn schik, dat het inwendige
van ’t kasteel meer in overeenstemming wordt gebracht met de
zeventiende dan met de veertiende eeuw. Uit Hooft zijn brieven kun je
merken, dat hij veel hield van het Gooi en hij haalde zijn
Amsterdamsche vrienden en vriendinnen meer naar hem toe, naar de Vecht,
dan dat hij ze zelf ging opzoeken aan den Amstel. Als ik eventjes tijd
heb in Muiden, dan loop ik altijd gauw naar ’t voorplaatsje van ’t
kasteel, om daar te genieten van ’t mooie gebouw, de historische
herinnering en de stilte.
’t Is eigenlijk zonde en jammer, dat je niet langs het slot op den
Zuiderzeedijk kunt komen. Wellicht is de doorgang afgesloten om redenen
van krijgskundigen aard, waar ik echter geen goed begrip van heb. Nu
moet je, om weer verder langs den Zeedijk te wandelen eerst de
Oostpoort uit en dan kom je door een landwegje ten slotte uit bij ’t
mooie witte Dijkhuisje (72), dat al van mijlen ver een van de meest in
’t oog vallende bijzonderheden van den Gooischen oever is. Van dezen
kant gezien is het Muiderslot op zijn mooist en ’t loont de moeite wel,
om van hier nog weer even terug te wandelen, want langs den Zuidkant
van den dijk vindt je hier een prachtig plekje, waar, als er de
Meidoorns bloeien, al de bloemenpracht van Holland vereenigd is, vooral
als je over het smalle slootje heen kunt komen, dat een drassig landje
omgeeft, waar wat berken en waterwilgen groeien en nog veel meer moois
van planten en dieren.
Misschien prijs ik dezen hoek te veel, maar ik kan ook niet vergeten,
hoe ik als aankomende jongen hier altijd ronddwaalde en ook, hoe
heerlijk het was, om als je uren had gedwaald door moerassen en langs
dijken, dan aan te komen op den vasten heuvel van Muiderberg. Waar de
dijk aan den heuvel aansluit, kon ’t in Mei aan den binnenkant wit zien
van de akkerhoornbloemen en de steenen van den dijk gingen schuil onder
de paarse bloempjes van de muurleeuwenbek, die er thans nog al
schaarsch is, maar die ik gelukkig op een paar andere plaatsen van den
Zuiderzeedijk weer heb gevonden.
Muiderberg (71) zelf is een van de mooiste landschappen in Holland,
vooral uit de verte, want de heuvel met zijn hooge boomen en de kerk
met den stompen toren rijzen alleraardigst omhoog uit de zee en uit de
vlakte en vormen een prachtig en indrukwekkend silhouet. Er zijn wel
een paar hinderlijke dingen, mislukte villatjes en ’t vervallen
badhuis, maar die zullen nog wel eens verdwijnen of verbeterd worden.
Erger is het misschien, dat er thans aan de Oostzijde een groot fort
wordt gebouwd en aan den Zeekant komt de Waterstaat den boel opknappen.
Wie op een kalmen zomerdag wel eens geprobeerd heeft, om in de zee bij
Muiderberg te gaan zwemmen en dat voornemen moest opgeven, toen hij na
een paar honderd meter geloopen te hebben het water nog niet hooger
had, dan tot aan de knieën, moet zich erover verwonderen, dat diezelfde
suffe en ondiepe zee hier toch zoo de kust heeft kunnen verwoesten.
Maar als je er eens een ferme bries bijwoont uit het Noorden, die een
paar dagen aanhoudt, dan zie je, hoe hier een flinke branding wordt
gevormd, die het steile strand ondermijnt, zoodat heele brokken met
struikgewas en al omlaag storten. Zoo is in den loop der jaren de
strandlijn hier al verscheidene meters achteruit gegaan. Op de
neergeplofte brokken blijven de struiken nog groeien en ’t is heel
aardig om te zien, hoe die omgetuimelde eikjes gaandeweg weer overeind
komen te staan. Tegelijk zijn er nog een menigte kleine plantjes, die
probeeren het losgewoelde zand weer saam te binden. Zoo zien wij dan
hier voor het eerst het vernielen en het weder opbouwen, zooals dat
langs de heele Gooische kust gebeurt.
Muiderberg is voor de Amsterdammers ook het bosch, dat zij al wandelend
het vlugst kunnen bereiken. Groot is het niet, maar je vindt er zeer
mooie en rijke plekjes met naaldhout en loofhout met de bloemenheesters
en de slingerplanten en op den grond varens en mossen, viooltjes en
lelietjes van dalen. De groene en de bonte specht komen er allebei en
in ’t laatst van April galmt het hier van de nachtegalen.
Roodstaartjes, meezen, winterkoninkjes, boomkruipertjes,
vliegenvangertjes, allerlei vogeltjes kan je hier te zien krijgen en
zelfs ontbreekt de wielewaal niet. Zonder twijfel is deze rijkdom aan
vogels voor een groot deel te danken aan het stille kerkhof en het
Echo-bosch.
Alles met alles is en blijft Muiderberg zeer de moeite waard, om er
heen te wandelen en het grintwegje dat daar vandaan leidt naar het
Hakkelaarshek aan den Muiderstraatweg is ook niet te versmaden, vooral
wanneer in ’t vaartje er naast al de oeverplanten en waterplanten volop
bloeien.
Van Muiderberg wandel je heel prettig verder langs de zee, eerst langs
een paar plasjes en dan over een nog hoog, zandig buitenland—want hier
ligt weer een dijk. Den laatsten keer, dat ik daar wandelde was het 1
Mei en mooi zonnig weer, ik kan mij niet herinneren, dat ik ooit van
mijn leven ergens zooveel madeliefjes heb zien bloeien als daar in die
Maatlanden. Van tijd tot tijd moet je den dijk eens overwippen. Hij
heet den Krommen Westdijk en zit vol bochten en achter de meeste
daarvan ligt weer zoo’n doorbraakkolkje, sommige half omgeven door den
dijk en daar kun je dan heel rustig zitten uitkijken naar al het mooie
leven ver en nabij.
Als wij willen, kunnen wij nu, steeds den oever houdende, de stad
Naarden (70) heel gewoontjes rechts laten liggen. We wandelen dan langs
de vestingwallen heen en kunnen in ’t voorbijgaan den grooten steenen
beer bewonderen, die ’t water in de grachten moet houden.
Intusschen is Naarden heelemaal geen stad, om zoo maar ongezien te
passeeren. Vooreerst vergeet geen een Nederlander wat daar op 4
December 1572 is gebeurd. Naarden is om zoo te zeggen de keerzijde van
de medaille, waarvan Brielle de schitterende voorkant is. Als ik eens
tijd heb, dan ga ik eens uitvisschen, hoe de uitgemoorde en
platgebrande stad weer is hersteld. Dat moet nog al vlug in zijn werk
zijn gegaan want al spoedig wordt er alweer gewoonweg melding van
gemaakt en in 1672 was het alweer een even belangrijke vesting als
thans.
Ik ben als kind opgegroeid in vestingen en onder de soldaten en zoo
komt het, dat ik ondanks mijn zeer vreedzamen aard en terwijl ik oorlog
beschouw als de grootst mogelijke ramp, die een volk kan overkomen,
toch altijd de wallen en grachten, poorten en kazematten van Naarden
met groote belangstelling bekijk. Hier hebben we werkelijk „geweld van
wallen, dubbele gracht” en bochtige poorten, waar niet rechtdoor
doorheengeschoten kan worden, maar waar je wel ’t plezier kunt hebben
van met je fiets geheel onverwacht voor een auto of voor een stoomtram
te staan; voorzichtigheid is er dus geraden. Gelukkig wordt er éen
afgebroken.
De stad zelf is heel gewoon ouderwetsch, de meeste straten geplaveid
met kinderhoofdjes en zooals in zoovele steden de kerk en het stadhuis
zijn zoo mooi, als je maar kunt verlangen. Er is ook een gedenkteeken
voor Comenius, den man, die tweehonderd jaar geleden precies verteld
heeft, hoe men de kinderen het best kan onderwijzen en we doen het nog
altijd anders. Zoo is de wereld.
Wij loopen nu echter maar voort langs den Zanddijk. Een openbare weg is
dat eigenlijk niet, maar dat is des te rustiger. Ook moeten we een paar
keer onder afsluitdraden door en zoo komen we dan eindelijk aan ’t
strand van Oud-Valkeveen. Op die manier ontduiken we de schatting, die
je anders moet betalen, als je van de bekende uitspanning over de
boerderij naar zee wil. ’t Kost, meen ik, een cent en die is wel
besteed, want je nadert dan de zee door een smal laantje in ’t
kreupelhout, wat de eerste aanblik buitengewoon mooi maakt, vooral als
er een paar scheepjes in zicht zijn: een mooi zee-schilderijtje in een
omlijsting van eikegroen.
Het strand zelf is als bij Muiderberg (76), alleen wat modderiger. Naar
den Naarderkant is een bultje dat stevig bij elkaar wordt gehouden door
helm en strandhaver en zeepostelein, dit laatste een stijf plantje met
harde blaadjes, haast heelemaal door ’t zand bedolven; maar ’t bloeit
toch in Mei met geelgroene bloempjes.
Als je hier door de droge sloot binnenwaarts doordringt, dan kom je op
een open plekje in ’t bosch, heelemaal begroeid met een plant, die je
elders in Holland haast nergens ziet: de groote Kaarde. Prachtige, meer
dan manshooge planten, stekelig van top tot teen. De onderste bladeren
zijn twee aan twee met elkaar verbonden en vormen zoo reservoirs waar
’t regenwater dagen lang in blijft staan. Hoog in de toppen zitten de
bloemhoofdjes van bleeke lila bloemen, die bloeien in de zomervacantie.
Er staan nog vele andere aardige planten op dit plekje, ook vind je er
soms heel wat wilde aardbeitjes, zeer lekker.
Van Valkeveen (69) naar de haven van Huizen (68) is weer geen weg, maar
je kunt wel langs ’t strand erheen scharrelen. Het dennebosch komt hier
vlak aan zee, wat heel mooi is. Voortdurend kunnen we achter ons
Muiderberg zien, dat zich van hier voordoet als een lang schiereiland.
’t Is hier ook nog al altijd druk van vogels. Vooral is er kans, dat ge
hoog in de lucht een lange rij van lepelaars ziet voorttrekken, vogels
uit ’t Naardermeer, die garnalen gaan visschen in de Zuiderzee.
Huizen (67) is het visschersdorp, dat in de hei ligt, evenals
Bunschoten (63) het visschersdorp is in de wei. Allebei hebben ze hun
haven, die van Bunschoten heeft nog een aparte naam en heet Spakenburg.
(64) Wie Huizen op zijn mooist wil zien, moet niet een van de Gooische
bergen beklimmen, maar afdalen naar de Meent en ondernemende menschen
kunnen langs den zoogenaamden Betuinden Oever, een smalle kade, een
ontdekkingstocht ondernemen naar den mond van de rivier de Eem. Dan kun
je langs het Eemdijkje, dat ook alweer geen weg is, opwandelen naar het
gehuchtje Eemdijk, daar overvaren en dan langs den Veen-en-Veldedijk
(je zoudt het alleen al om dien naam doen) doorwandelen naar Spakenburg
(64). Dat is een van mijn wat ik noem „wilde wandelingen”, maar daarbij
krijg je dikwijls de aardigste dingen te zien en ze geven de
aangenaamste herinneringen.