Als je met de veerboot oversteekt van Enkhuizen naar Stavoren, dan komt
zelfs bij niet volkomen helder weer de Friesche kust al spoedig in ’t
gezicht, voor de boeg aan stuurboord. Die woorden stuurboord en
bakboord heb ik al in mijn prille jeugd geleerd, toen ik nog meer dan
honderd kilometer ver van de zee af woonde en ik herinner me nog heel
goed, dat ik het „maatloos rijke” vrouwtje van Stavoren een aardig,
grappig mensch vond, omdat ze dien kapitein zoo leuk ’t bevel gaf, om
het graan, dat hij aan bakboord had ingeladen, aan stuurboord weer
overboord te gooien, omdat de lading naar haar zin niet rijk genoeg
was. Ik voelde wel wat voor dat weeuwtje, ofschoon zij door haar
trotschheid en buitengewone „verweendheid” de stad harer inwoning
letterlijk naar de haaien had geholpen. Want de blauwe en roode
daakjes, die daar voor ons boven den zeedijk komen uitkijken—als je
scherp toeziet, dan is er ook nog een torentje—hebben met de stad van
’t vrouwtje niets te maken. Geen een van die huizen is ouder dan
driehonderd jaar. Haar Stavoren ligt hier onder de golven en onder het
zand, de roode baak, die we juist passeeren, wijst een ondiepte aan,
die wel het „Kerkhof van Stavoren” wordt genoemd en samenhangt met het
groote Vrouwenzand, dat volgens de sage ontstaan is op de plek, waar
die schipper zijn graan overboord moest zetten.
Terwijl we nog over die dingen praten, vaart de boot de haven binnen
tusschen de zware bazalthoofden. We pakken onze fietsen en dringen
langzaam aan wal. Er zijn heel wat passagiers, ik voor mij geloof, dat
er tegenwoordig per dag in ’t nieuwe Stavoren (1) meer reizigers
aankomen dan in de dagen van het Weeuwtje of van de Roos van Dekama.
Maar haast niemand blijft er. Alles stapt meteen in de gereedstaande
treinen, alleen een oude boerin, de Mater en ik stappen over het leege
stationsplein, aangestaard door een stuk of wat mannen, die bezig zijn
met tegen verschillende deelen van een brug te leunen. Ik houd wel van
die landelijke stilte. De Mater vindt ’t stadje nog dooder dan ze zich
had voorgesteld, maar we willen er toch een half uurtje rondkijken en
vinden een paar jongens, die schuitjes laten varen in de zee, een, die
een vlieger oplaat, een paar smalle grachtjes, waarin tamelijk logge,
maar zeer stevig uitziende sloepen liggen. Daarin trekken de
Stavoreezen ter haringvangst, want behalve Poort van Friesland is
Stavoren ook nog een visschersdorp. We koopen ook prentbriefkaarten,
maar ’t souvenir, dat je eigenlijk hier behoort aan te schaffen, is
uitverkocht, n.l. een bouquetje van de looze korenaren, die elk jaar,
ingevolge de vloek van ’t Weeuwtje aan deze stranden opschieten. De
nuchtere plantkundige ziet dadelijk, dat die dingen niets met graan te
maken hebben. ’t Zijn bloempluimen van helmgras of ook wel van
zandhaver, planten, die zonder vloeken of verwenschingen overal langs
de Noordzee en ook op veel plaatsen langs de Zuiderzee in overvloed
groeien. Toch spijt ’t ons, dat we hier ter plaatse ’t niet meer kunnen
krijgen.
Nu stappen we op, want we willen ergens in Gaasterland overnachten,
liefst op Rijs of Kippenburg, waar ’t op ’t oogenblik fiks regent; de
lucht ziet er pikzwart.
Aan ’t eind van de stad moeten we even afstappen; daar is een soort van
barrière met een klaphek, zeker om de schapen uit de stad te houden,
tenminste een zoo’n viervoeter staat met zijn geelgroene oogen
verlangend te kijken naar ’t huis van den burgemeester. Ik klap nog
juist bij tijds het hek voor zijn neus dicht, als hij de veege stad wil
binnendringen en welgemoed trappen we Oostwaarts. Een eindje verder,
weer zoo’n hek en ik peddel al als een razende vooruit, om het voor
mijn lieve vrouw open te maken, want die houdt niet van afstappen. Doch
een paar vriendelijke kinderen hebben het al opengezwaaid. Ik groet
dankend en een oogenblik later hoor ik de Mater ook met haar
vriendelijkste stem zeggen: „dank je wel, lieve kinderen,” maar ’t komt
mij voor, dat de wedergroet van de bereidwillige kleinen niet zoo
hartelijk is, als we dat op Texel gewoon zijn. Een poosje later weer
zoo’n hek, weer kinderen, die het prachtig op tijd voor ons openen,
maar nu hoor ik duidelijk, dat ze ons een verwensching naroepen.
Terwijl ik nog beteuterd zit over die tegenstrijdigheid in het gedrag
der jeugdige Friezen, roept de Mater: „ik weet ’t al, je hadt ze wat
moeten geven—een cent bijvoorbeeld” voegt ze er als een zuinige
huisvrouw bij. En als we nu weer zoo’n hek naderen, dan staat daar een
heel schooltje kinderen, zoodat ik maar een handjevol brons op den weg
gooi. Ditmaal weerklinken weer verwenschingen, maar die gelden niet
ons, doch de grabbelende vlaskoppen onderling. Ik wil van die hekken
weinig meer zeggen. Er zijn er veel langs de Zuidkust van Friesland en
ik heb nog een paar keer moeten afstappen, om dubbeltjes te wisselen.
Die kinderen staan er niet dag en nacht, doch zijn er altijd, wanneer
iets op wielen zich op den weg vertoont. Als je goed oplet, dan zie je
ze uit ver verwijderde huizen naar hun post snellen, soms aangepord
door begeerige moeders. Het zijn geen arme kinderen, wij troffen er
enkele tienjarige boerendochters aan, die ongetwijfeld later goede
partijen zouden worden, ook zonder hun hekkecenten. Maar die hekken
moeten er zijn, anders zwerft het vee over de dijken en ik blijf die
kinderen heel dankbaar. Als ik weer langs die Zuidkust fiets, zal ik
zorgen voor een voldoende voorraad plakken.
Ondertusschen vergaten we niet, ook te zien naar de zee en ’t
landschap. Heel gemakkelijk rolden we tegen het beroemde Roode Klif (2)
op, het hoogste punt van deze streken en welbekend uit de Roos van
Dekama. Het Roode Klif is noch een Klif, noch rood, maar een groene
heuvel, die naar de zeezijde zacht en naar de landzijde nog zachter
glooit. Het eenige rood, dat we te zien krijgen, waren de halmpjes van
een schraal haverakkertje op den top. In vroeger jaren is dat wel
anders geweest, toen de zee nog ongehinderd den voet van den heuvel kon
bespoelen. Toen brokkelde de kust hier steil af en de steile
onbegroeide kant, bestaande uit roodachtig keileem, blonk den zeeman
ver over de baren tegen. Thans echter is er een beschuttende palen- en
plankendam, die de kust voor verderen afslag behoedt.
Het uitzicht is hier heerlijk: naar ’t Noorden eerst ’t lange dorp
Warns, dat ook op een heuvelruggetje ligt en met rood van daken en geel
van graan aardig oprijst uit de groene vlakte. Daarachter blinkt de
watervlakte van De Morra; naar ’t Oosten ligt het mooie Gaasterland met
al zijn bosschen en op den voorgrond het schilderachtig buurtje Laaxum
(3). Naar ’t Zuiden de Zuiderzee, grijs in ’t avondlicht met één geel
plekje, waar de top van ’t Vrouwenzand bij laagwater droog ligt.
Even voorbij Laaxum stap ik af, om twee schetsjes te maken: een van de
bocht (4) tusschen dijk en palenrij en een ander van een zandbank, die
een eindweegs in zee te voorschijn komt, met de Gaasterlandsche
heuvelen tot achtergrond. De bocht en de zandbank krioelen beide van
vogels, steltloopers van allerlei soort, groot en klein, die hier in
den zomeravond bij honderden hun voedsel komen zoeken: klein kriel van
pleviertjes, langbeenige grutto’s, tureluurs, kemphaantjes en ruiters,
en groote, stille blauwe reigers.
Maar de zon gaat onder achter Stavoren, wij moeten verder. Bij Mirns
gaan we landwaarts in en weldra is het wierigzilte Zuiderzeegeurtje
vervangen door den heerlijken herfstgeur van eiken en berkjes. De
regenbui van een paar uur geleden heeft de leemige wegen glibberig
gemaakt, maar dat hindert niet. Volkomen tevreden rijden we langs
boschjes en langs kleine boerenhuisjes, sommige rondom beplant met
lijsterbessen vol roode vruchttrossen, want we zijn hier in ’t land der
lijsterstrikkers. Dan komen hooge boomen: de lanen van Rijs, maar ’t
huis Rijs kan ons niet herbergen. Dan maar verder weer door hooge lanen
naar Kippenburg, voorbij het groote dennenbosch, waar honderden reigers
elkaar hun goeden avond toekolderen. Kippenburg is ook vol—er kan
trouwens niet veel in, evenmin als in Rijs en zoo belanden we dan
eindelijk na een onvergetelijk ritje door den avondnevel in de
hoofdplaats van deze streken, het welvarende Balk, dat ik in geen
vijfentwintig jaar gezien had. Een avondwandelingetje naar het Sloter
Meer, dat hier Balkster Meer heet, besloot onzen eersten reisdag.
Den volgenden morgen zaten we weer vroeg op ’t wiel, want we wilden
weer zoo gauw mogelijk aan de Zuiderzee zijn. Ons plan toch was om in
een paar dagen een kijkje te nemen langs het stuk van de Zuiderzee, dat
wij Hollanders maar zelden te zien krijgen. Vooral naar den
Noord-Oostelijken uithoek waren we bijster benieuwd.
We reden dus over Sondel naar de Mirdums. Eerst krijg je Nije Mirdum
(6) en dan Oude Mirdum. Nije Mirdum lijkt het oudst, daar staat op een
hoogte, door oude iepen omgeven een mooie oude toren (5), die zijn kerk
kwijt is. Hij is alleraardigst opgelapt met roode en gele steenen, ook
’t stompe pannendak, dat eigenlijk blauw moet zijn, is hier en daar met
rood gespikkeld en prachtige roestroode en goudgele korstmossen maken
hem nog kleurrijker en tegelijkertijd rustiger. Een prettig oud ding,
met mooie booggewelven, en de zwarte kerkkauwen vlogen in en uit de
galmgaten en speelden rondom de spits. Wie weet, wat een histories nog
aan dat gebouw verbonden zijn.
Langs weiden en bouwland met naar rechts steeds ’t uitzicht op
eikenkreupelhout en blauwig dennenbosch bereikten we Oude Mirdum dat
aardig in de boomen ligt. Er is ook een klein hotelletje, dat evenals
de meeste Gaasterlandsche hotels „vol” is, zoodra er maar drie gasten
zijn.
Nu is de groote aantrekkelijkheid van Oude Mirdum het Oude Mirdumer
Klif, maar om daar te komen, moet je nog heel wat dolen langs rulle
zandweggetjes en over erven en landerijen. Ik weet niet, of wij wel het
beste pad gekozen hebben, maar wel, dat het mij een paar winkelhaken en
een paar bloedige schrammen heeft gekost, om ’t beloofde land te
bereiken.
Maar ’t was de moeite waard. Dat Oude Mirdumer Klif is nu wel geen
hooge berg—het hoogste punt is misschien een meter of zes boven het
zeevlak,—maar ’t is stellig een van de mooiste en interessantste
plekjes van ons vaderland. Het heeft naar den zeekant een steilen,
loodrechten wand en die is nu werkelijk hier en daar echt rood. De zee
slaat nu den oever niet zoo sterk af als vroeger, want er is ook weer
beschermend paalwerk en op de zandige vlakte tusschen den voet van ’t
Klif en die schoeiïng groeien de mooiste en grootste blauwe zeedistels,
die ik ooit heb gezien. Blauwe zeedistels dicht bij ’t zilte water en
een meter of wat landwaarts een even rijken groei van het broertje van
de blauwe prachtplant, n.l. de grijze kruisdistel. Het was een groot
genot, daar tusschen die planten te zitten en te zien, hoe de blauwe
plant veel meer aantrekkelijkheid voor de bijen en hommels bleek te
bezitten dan de grauwe.
Dozijnen oeverzwaluwen vlogen af en aan, die hadden hun nesten langs
den bovenrand van ’t Klif, eventjes onder de graszoden, en bovenop,
rondom het aardig wit-met-zwarte baak, liepen bonte kalvertjes rustig
te grazen. En ’t zonnetje scheen op de vale zee, al was het ook 1912
met een onrustbarend lagen barometerstand. Het beviel ons daar
opperbest en het Oude Mirdumer Klif met zijn zand en leem en keien,
zijn aardige planten en dieren en versteeningen, is nu een van de vele
plekjes, waar ik stellig en zeker nog eens rustig een paar dagen ga
studeeren.
Wij waren nu echter alleen op verkenning uit en moesten spoedig weer
verder, liefst altijd langs de zee en zoo toerden wij dan weldra verder
over het geheel met gras begroeide dijkje langs den Huitebuurster
Buitenpolder, dat eigenlijk—dat was te zien—niet als verkeersweg
bedoeld is. Er waren dan ook weer veel afscheidingshekken, veel meer
dan ik in ’t eerst vermoed had en daar hier heelemaal geen woningen
staan,—de naaste huizen zijn langs den Mirdumer grintweg, een half uur
ver—ontbraken ook de gedienstige geesten, om de hekken te openen. Die
waren bovendien nog met touwen stevig toegebonden, zoodat we na een
half uur tobbens er den brui van gaven, en door ’t weiland weer den
Sondeler weg zochten. Eerst had ik echter bij den hoek, die op de kaart
„het Hondennest” wordt genoemd, nog een aardig schetsje kunnen maken
van een verlaten scheepje en een half dozijn blauwe reigers, die daar
op hooge beenen en met lang uitgerekten hals in ’t ondiepe water
uitkeken naar kleine botjes en scharretjes.
Van Sondel ging het weer langs een grintweg Zuid-Oostwaarts naar de zee
toe, naar Tacozijl (7). Het weer werd langzamerhand minder mooi, de
lucht ging betrekken en het kleine meertje, de Sondeler Leyen (11),
leek daardoor een heel somber moerwater te midden van donker grasland.
Maar toen we Tacozijl naderden, was ’t weer wat beter en dat doet me
wel plezier, want nu heb ik van de Westzijde (8) van dat plaatsje een
mooie bonte herinnering: een groote boerenplaats aardig in de boomen,
met een reusachtig groot en hoog rood-pannendak en een groen luikje in
’t wolfsend. De groote dubbele inrijdeur groen met geel en daarnaast
een blauw dak van een zijgebouw. En als je nu doorrijdt, den dijk op en
dan linksaf, krijg je dezelfde plaats van de Oostzijde te zien en dat
ziet er heel anders uit, want daar is een sluis, een ophaalbrug en een
lang gebouw, half herberg, half sluiswachterswoning, waarboven heel
eventjes dat roode dak aan den anderen kant komt uitsteken. Tacozijl is
een van de poorten van Friesland: schepen kunnen hier binnenschutten,
langs de Ee naar het Sloter Meer varen en zoo verder.
De voornaamste poort is echter de Lemmer (10), dat een heel druk
scheepvaartverkeer heeft en zich dan ook verheugt in ’t bezit van een
paar lange havendammen van bazaltkeien met op ’t eind een groote
vuurtoren van ijzeren traliewerk, geel geverfd. De plaats is aardig
genoeg, maar ’t was er kermis en daarom gingen we maar gauw verder, ook
al, omdat de wind al harder op ging steken en de wolken er hoe langer
hoe dikker en dreigender gingen uitzien. De weg gaat onderlangs den
zeedijk, maar we klommen van tijd tot tijd naar boven, want ik was nog
al benieuwd naar het Lemster Hop, een soort van lagune, die door een
smalle landstrook van de eigenlijke zee gescheiden is. Zooals te
verwachten was, wemelde het hier van allerlei steltloopers, die al op
den najaarstrek waren.
Landwaarts in was het ook een aardig gezicht. In ’t Noordoosten blonk
het mooiste van al de Friesche Meren, het prachtige Tjeukemeer en daar
rondom lagen welvarende boerderijen en vele aardige dorpen.
’t Zou een lust geweest zijn, daarnaar te kijken, als het daar op dien
dijk maar niet zoo gestoven had van de vliegen. Ik heb van mijn leven
veel vliegen gezien, want dat hoort bij mijn vak, maar zooveel als daar
op dien Lemmer zeedijk hoop ik er nooit meer te ontmoeten. Het waren
kleine zwarte vliegjes, de lucht was er vol van en in minder dan geen
tijd waren wij er geheel mee volgeplakt, net als wanneer je in een
sneeuwbui tegen den wind in fietst. Alle zwaluwen uit de buurt deden
hun best, om er wat van op te ruimen; maar je kon evengoed probeeren,
om de Zuiderzee leeg te scheppen met een paplepel. De Mater had er nog
het minste last van, want ze had een dikke voile voor, maar ik moest
iedere vijftig meter omkeeren, om mijn neus, oogen en ooren leeg te
halen. Ik kende ze niet en ik ken ze nog niet, want wonder boven wonder
heb ik er geen een van meegenomen, om te bestudeeren; kleine vinnige
diertjes, als ze krijgen wat ze verdienen, dan hebben ze zeker een
onuitsprekelijken, langen, Latijnschen naam en ik denk wel, dat hun
larven leven in koemest of anders in veenmodder.
Weldra reden we ook weer te midden van een groote kudde van bonte
koeien, terwijl we het land mijner droomen naderden. Ik heb namelijk
van klein kind af plezier gehad in de riviertjes: de Linde en de
Kuinder (9), vooreerst, omdat het rivieren zijn, die heelemaal op
Nederlandsch grondgebied ontspringen en uitmonden en daar hebben we
geen grooten overvloed van—en ten tweede, omdat het, zooals wij dat
leerden, tweelingrivieren zijn. De eenige andere tweelingrivieren, die
wij destijds kenden, waren de Euphraat en de Tigris en nu konden wij
natuurlijk niet nalaten, om bij die Friesche stroompjes meteen altijd
te denken aan het verre Oosten. De gemeente Weststellingwerf stelden we
gelijk met Mesopotamië en als Wolvega maar vlak aan een van die
riviertjes had gelegen dan was het voor ons Babylon of Ninive geworden.
In ieder geval de stad aan de monding, Kuinre, was voor ons Bagdad of
Balsora; wat precies, dat deed er niet toe, ’t was toch even
geheimzinnig en nu ik mij alles herinner, heb ik in mijn leven nog
eerder menschen ontmoet uit Bagdad, dan lui, die Kuinre gezien hebben.
Nu echter lag dat Friesche Oosten voor ons, en rechts naar ’t Zuiden
zagen we Balsora, ik bedoel Kuinre, (15) heel mooi uit de vlakte
verrijzen, een mooie rechte rij van huisjes achter zwaar geboomte, waar
een kerktorentje boven uit stak. Je zoudt alleen al om de mooie
stadsfiguurtjes die Zuiderzee rondreizen, na Kuinre hebben we er nog
een menigte gezien, de eene al mooier dan de andere.
De samenvloeiing van de twee riviertjes, daar was niet veel van te
bespeuren. Toen we de laatste vliegjes uit de oogen hadden gewischt,
zagen we een klein gehuchtje voor ons liggen, dat was Schoterzijl en
zooals de naam al aanduidt, daar had je een schutsluis, die om zoo te
zeggen opeens een eind maakte aan het riviertje de Kuinder. Dat konden
we stroomopwaarts een heel eind bewonderen, en ik moet zeggen, dat het
er alleraardigst uitzag met zijn rietzoom en kleurige boerderijtjes,
half in de boomen verscholen.
Voorbij de schutsluis verliest de Kuinder zijn naam en dan gaat hij
Bij-Linde heeten maar als die bij Slijkenburg de echte Linde (13)
tegenkomt, dan wil ze er zich volstrekt niet mee vereenigen en de twee
riviertjes loopen dan stuursch en stug naast elkander gelijk op naar
het Zuiden, gescheiden door een hoogen dijk en een straatweg en eerst
vlak bij de zee in de haven van Kuinre leeren de zoogenaamde tweelingen
elkander kennen.
Van Kuinre zelf hebben wij de herinnering dat het bestaat uit één
enkele uiterst zindelijke en doodstille straat. Er was gebrek aan
geriefelijke hotels, daarom besloten we maar verder te rijden, hoewel
wind en weer hoe langer hoe ongunstiger werden.
De straatweg leidde over den hoogen zeedijk naar Blokzijl (16). Van
tijd tot tijd moesten we afstappen, want ’t woei er geweldig en dan
hadden we gelegenheid, om eens rustig naar ’t Oosten te kijken en ons
er over te verwonderen dat dit stuk van Overijsel—bij Kuinre waren we
de grenspaal gepasseerd, de Linde is grensrivier—is kunnen blijven
bestaan, toen door verschillende overstroomingen de Zuiderzee is
gevormd. Het is, om zoo te zeggen door den waterwolf over ’t hoofd
gezien. Vlak bij den dijk liggen de boerderijen, de school en ’t kerkje
van Blankenham en daar loopen ook runderen in weilanden, maar verder
binnenwaarts blinkt overal water, water van veenderijen, water van
weteringen, water van plassen en meren (14). ’t Is hier wel net zoo
waterig als in Waterland en ’t verwondert ons ook in ’t geheel niet,
dat de kaart voor een paar buurten de namen vermeldt van Kikkerij en
Muggenbeet. De dijk zelf bewijst, dat de waterwolf nog wel eens
geprobeerd heeft om dit stukje er bij te happen, want op menige plaats
wijzen kleine diepe meertjes de plaats aan, waar hij vroeger is
doorgebroken. Hier en daar zijn ze aardig omplant met wilgen en
populieren en vormen dan mooie vijvertjes bij de boerenplaatsen. Alles
met elkaar was het een aardig stukje weg en ik ga er ook stellig nog
wel weer eens heen en ook naar ’t aardig stadje Blokzijl, waar we nog
veel eerder aankwamen dan we gedacht hadden.
Dit Blokzijl is nog al een belangrijke plaats, de zeehaven voor
Steenwijk en het omliggend gebied. Wij bevonden tot onze blijde
verbazing, dat het zich niet alleen in de lengte uitstrekte, zooals
Kuinre, maar ook in de breedte. Ook zijn er een paar werven en
fabrieken en het gezicht op de binnenhaven was zoo aardig, dat ik mij
waagde aan een pastelschetsje: de haven met aardige kleurrijke
tjalkschepen, de kaaimuur met een hekje, roodgedakte huisjes half
verscholen in hoogopgaand geboomte en boven alles uit de hooge grijze
kerk met zijn sierlijke klokketoren. Aan den dijk tusschen Blankenham
en Blokzijl staan een paar kanonnetjes (12), om noodseinen te geven bij
dreigenden waterstand. In ’t eerst herinnerden ze ons aan de dagen van
Renneberg, want tijdens het beleg van Steenwijk is Blokzijl (17) ook
nog belangrijk geweest als de haven, waar de Geuzen versterking uit
Holland kregen. Er is daar in de buurt toen heel wat gebrand en
gemoord. Wij brachten er een gezellig uurtje door en aten er op twee na
de lekkerste gebakken bot, die ik ooit in mijn leven geproefd heb. Maar
de dag was toch nog niet ver genoeg heen, om hier te blijven en we
stapten daarom weer op ons wiel, nadat we elkaar hadden wijsgemaakt,
dat de wind een weinig was bedaard. Het werd nog een heel aardig ritje.
Rechts van den dijk was een vrij breed buitenland, daarachter lag de
zee, maar die is hier zeer ondiep en vol eilandjes, begroeid met
biezen, waar veel wilde eenden schuilden. De jagers ontbraken dan ook
niet, kleine platte schuitjes slopen rond tusschen de rietlanen, af en
toe weerklonken een paar schoten. Vollenhove lag voor ons, ietwat
indrukwekkender dan Blokzijl en wij besloten daar onze tenten op te
slaan.
’t Was een aardige tocht geweest: van de Kliffen van Gaasterland tot de
Voorst van Vollenhove.