LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 399 EEN GEVAARLIJK AVONTUUR.
EEN GEVAARLIJK AVONTUUR.
HOOFDSTUK I.
ONVEILIG NEW-YORK.
Een oogenblik had het den New-Yorkers toegeschenen, alsof in zeker
opzicht de criminaliteit in hun stad een weinig aan het minderen was,
speciaal wat betreft beroovingen op den openbaren weg, scheen er eenige
verbetering te zijn waar te nemen, al was die dan ook waarlijk zeer
gering te noemen.
Het had den schijn, alsof de leidende hand ontbrak, die al deze
beroovingen, of althans een groot gedeelte daarvan, scheen te regelen,
en als het ware als de regisseur optrad van deze naargeestige komedies
of om juister te zijn als de regisseuse.
Want de politie wist, en een groot gedeelte van het publiek wist het
eveneens, dat de persoon, die aan het hoofd stond van de bende, welke
zich speciaal toelegde op beroovingen, een vrouw was, en nog wel een
zeer jonge, een kind nog bijna, aan wie zelfs haar slachtoffers den
bijnaam hadden gegeven van het “Meisje met de Madonna-Oogen”.
Langzamerhand was reeds meer uitgelekt aangaande deze geheimzinnige
persoon, en afgaande op de mededeelingen van de goedgeloovige
slachtoffers der sluwe bedriegster, had de politie een soort
signalement van haar kunnen samenstellen: schoon, onschuldig gezichtje,
een weinig olijfkleurig, zooals de vrouwen in sommige Noordelijke
provincies van Italië zijn, prachtige blauwe oogen, als twee
vergeet-mij-nietjes, en weelderig blond haar.
Wat haar naam betreft, die was alleen bekend bij de politie en bij zeer
weinig andere personen, die in dit verhaal een rol zullen spelen.
Zij heette Canny Macleod, zoo was de naam van haar vader, een braaf en
oppassend werkman, die verteerde van verdriet wegens het misdadig leven
van zijn eenig kind, dat reeds op haar veertiende jaar het ouderlijk
huis was ontloopen, maar reeds was zij onder minstens een half dozijn
andere namen opgetreden, om met des te meer succes haar bedriegerijen
in praktijk te kunnen brengen, door zich bijvoorbeeld voor te doen als
kamenier of dienstmeisje, het vertrouwen van haar meesteres te winnen,
hun gewoonten nauwkeurig te bespioneeren en dan later van die kennis
gebruik te maken, om hen, alleen of in samenwerking van haar
medeplichtigen, des te beter te kunnen berooven.
Het spreekt van zelf dat de New-Yorksche politie aanstonds den strijd
had aangebonden tegen de bende van Canny Macleod, die de minnares bleek
te zijn van een zekeren Black Pete, een zeer gevaarlijken bandiet, die
eveneens ijverig door de politie werd gezocht, wegens minstens een half
dozijn zware misdaden.
En in dien strijd werd zij sedert eenige weken bijgestaan door een
geheimzinnigen helper, dien zij slechts zeer even en dan nog onder een
vermomming, te zien had gekregen.
Wie die helper was—de politie had er een sterk vermoeden van,—een
vermoeden dat wel bijna zekerheid mocht heeten, maar zekerheid had zij
dienaangaande nog altijd niet.
En ofschoon die hulp reeds eenige malen was gebleken van onschatbare
waarde te zijn, zoo kon de politie haar toch slechts schoorvoetend en
als met tegenzin aanvaarden, want de man, die haar bood, moest eveneens
onder haar vijanden worden gerekend—het was de Londensche
Gentleman-Inbreker, John Raffles.
Alleen het noemen van dien naam reeds was voor alle
politie-autoriteiten in Engeland, en in mindere mate ook voor de
Amerikaansche, ruimschoots voldoende, om hen in groote opwinding te
brengen.
En de Amerikaansche bladen zouden niet geweest zijn, wat zij inderdaad
waren, als zij zich niet aanstonds met ware woede op dit prachtige
onderwerp hadden gestort: “De Gentleman-Inbreker, de langjarige vijand
van Scotland Yard, op de zijde van de New-Yorksche politie in den
strijd tegen het geboefte.”
Het was een gegeven, dat nooit uitgeput raakte, omdat er telkens nieuwe
verrassende wendingen ontstonden, en er aan het vernuft van John
Raffles waarlijk geen einde scheen te komen—evenmin trouwens als aan de
sluwheid van de bandieten.
Het was een strijd, zooals men zelfs in New-York nog nooit had
aanschouwd.
Maar zooals gezegd—er scheen een geringe kentering te zijn ingetreden
en het was alsof vooral de beroovingen te New-York minder werden.
Helaas—het zou slechts een tijdelijke verbetering van zeer korten duur
blijken te zijn.
En het publiek zou ook al vrij spoedig vernemen, waaraan deze geringe
verbetering was toe te schrijven.
De bladen brachten namelijk het bericht, dat Canny Macleod, het “Meisje
met de Madonna-Oogen”, door toedoen van Raffles eenigen tijd in de
onmogelijkheid was gesteld, haar misdadige praktijk uit te voeren, en
daarenboven eenige dagen in de stad Saint Louis moest hebben
doorgebracht, waarheen zij gereisd was in gezelschap met een
eerwaardigen professor, den befaamden Asyroloog Jerôme Daring, die haar
bewusteloos en half verhongerd op de straat had gevonden, en zich haar
lot had willen aantrekken.
Natuurlijk had Canny slechts een lage rol gespeeld, en was het er haar
slechts om te doen geweest, in het huis van den zeer rijken geleerde te
Saint Louis te worden opgenomen.
Maar wie schetst de verbazing van het krantenlezend publiek, vooral dat
van Saint Louis, toen het vernam, dat niemand anders dan John Raffles
de rol van Jerôme Daring had gespeeld, en nog wel met toestemming van
den ouden heer zelf, die weliswaar niet had geweten, dat hij met den
Grooten Onbekende te doen had gehad—dat vernam hij pas later uit de
bladen.
Het had dien keer slechts weinig gescheeld, of Raffles was er op
geniale wijze in geslaagd, niet alleen het meisje met de
“Madonna-Oogen”, maar ook haar medeplichtigen, die slechts wachtten op
haar sein, om den rijken geleerde van zijn geld en kostbaarheden te
berooven, in handen van de politie kunnen overleven.
Door een kleine onvoorzichtigheid evenwel, werd de argwaan gaande
gemaakt van Canny Macleod, en het sluwe schepsel doorzag ontijdig den
geheelen toeleg, en herkende John Raffles onder het mom van Jerôme
Daring.
Zij wist de politie te waarschuwen, die juist in aantocht was om haar
te arresteeren, en slechts op het uiterste oogenblik, door de hulp van
zijn trouwen chauffeur, James Henderson, wist Raffles te ontvluchten,
in gezelschap van Charly Brand, zijn onafscheidelijken vriend, die er
op gestaan had, zijn gevaarlijke avonturen te New-York te deelen.
Met dat al was het “Meisje met de Madonna-Oogen” weder op vrije
voeten, dat zou den New-Yorkers maar al te spoedig weer duidelijk
worden.
Want in den nacht van denzelfden dag, waarop de ochtendbladen van Saint
Louis het opzienbarend bericht bevatten van de persoonsverwisseling van
professor Daring en John Raffles, hadden er te New-York in een
tijdsverloop van slechts weinige uren niet minder dan drie beroovingen
op den openbaren weg plaats, waarbij telkenmale de slachtoffers
bedwelmd werden gevonden, en waarin de hand van het “Meisje met de
Madonna-Oogen” onmiskenbaar was.
Men had letterlijk niets wat eenige waarde had, op den persoon van de
beroofden achter gelaten, hun beurs, hun ringen, hun dasspelden,
portefeuilles, gouden manchetknoopen, overhemdknoopjes—alles was
verdwenen, tot zelfs de vulpenhouders—want de pennen waren immers van
goud.
Dat was waarlijk een zeer onaangenaam nieuws, en het werd er niet beter
op, toen er reeds den nacht daarop opnieuw twee beroovingen plaats
hadden.
De lichamen van de beide bewustelooze slachtoffers werden nauwelijks
een kwartier uur gaans van elkaar gevonden.
Opnieuw sloeg de schrik den New-Yorkers om het hart.
Men moest zich thans niet alleen verdedigen tegen de autobandieten, die
met de revolver in de vuist banken, juweliers- en andere gebouwen
binnendrongen, tegen de dieven en inbrekers, kortom tegen al het
gespuis, dat de wereldstad onveilig maakte—men moest zich nu ook
verwegen tegen kinderen nog haast.
De werkwijze van Canny Macleod scheen zeer eenvoudig te zijn.
Alle slachtoffers waren het daaromtrent met elkander eens, dat zij op
straat, laat in den nacht, en meestal op een afgelegen plek werden
aangesproken door een zeer bevallig, weenend jong meisje, in havelooze
kleeren, en somtijds blootsvoets, dat hen tegemoet trad, en hen smeekte
om een weinig geld, teneinde een onderdak te gaan zoeken.
En niemand was er, die weerstand scheen te kunnen bieden aan den
smeekenden blik in de groote, onschuldige, blauwe oogen, de
vergeet-mij-niet-oogen.
En terwijl men de hand naar den zak bracht, om de beurs er uit te
halen, en een paar woorden van medelijden sprak, haalde het sluwe
creatuur een met zeer bedwelmende stof gedrenkten zakdoek te
voorschijn, en drukte dien bliksemsnel op neus en mond van het
slachtoffer, terwijl zij zich zelf met de vrije hand den neus dicht
hield.
Het verraderlijke goed was zóó bedwelmend, dat zijn uitwerking zich
onmiddellijk deed gelden—een enkele ademhaling was voldoende om zijn
invloed te ondergaan, en in de meeste gevallen hadden de slachtoffers
niet het besef, dat zij op den grond vielen.
Wat er verder met hen gebeurde, bleef natuurlijk een diep geheim voor
hen, zij zagen noch hoorden het, maar de politie nam aan, dat Canny
Macleod met minstens twee, en waarschijnlijk drie medeplichtigen
“werkte”, die ieder een zeker deel der kleedingstukken voor hun
rekening namen, zoodat de berooving in een zeer korten tijd kon worden
uitgevoerd.
De één hield zich alleen met den pantalon bezig, de tweede met het
vest, de derde met den rok of jas, terwijl Canny zelve de overjas, de
pels of regenjas onderzocht.
Onveranderlijk waren de slachtoffers leden van de betere standen, en in
de meeste gevallen waren zij rijk, waaruit met zekerheid mocht worden
afgeleid, dat zij reeds eenigen tijd van te voren waren nagegaan door
spionnen van de bende.
Men kon hier van een voortreffelijke organisatie spreken, want men kon
er niet aan twijfelen, of de bende van Canny Macleod bezat een rijken
schat van gegevens omtrent een zeer groot gedeelte der bewoners van
Broadway, Fifth Avenue, Central Park en die van de Eerste tot de
Twintigste straat.
Maar menigmaal ook lieten zij het toeval handelend optreden, en
beroofden den eersten den beste—mits hij slechts het uiterlijk
vertoonde van een rijk man, en de gelegenheid gunstig was.
Deze methode was hun eens bijna noodlottig geworden, toen zij toevallig
een zeer krachtig en vastberaden man tot slachtoffer uitkozen.
Deze zag juist bijtijds den gevaarlijken zakdoek aankomen, wist hem te
ontwijken, en greep onder het uitstooten van een vloek naar Canny, die
hem echter vlug als water ontglipte, en dadelijk een waarschuwingskreet
liet hooren, waarop een drietal kerels kwam toestormen, allen met
messen bewapend.
De aangevallene bleek echter niet voor een klein geruchtje vervaard te
zijn, want binnen enkele seconden had hij twee aanvallers neergeslagen
waarop de derde het verstandiger vond, het hazenpad te kiezen.
Wat Canny betreft—zij had zich uit de voeten gemaakt, zoodra zij
bemerkte, dat de strijd ten nadeele van haar partij zou worden beslist.
De twee bandieten konden worden gearresteerd door eenige agenten, die
op het geschreeuw waren komen toeloopen, maar men wist maar al te goed,
dat hiermede de zaak niet uit was, wat beteekenden twee bandieten op
een bende, die op zijn minst wel twee honderd leden telde.
Zoo stonden dus de zaken, toen John Raffles, Charly Brand en James
Henderson opnieuw het Astor-Hotel betraden, dat zij slechts weinige
dagen te voren verlaten hadden, om zich naar Saint Louis te begeven.
Het spreekt vanzelf, dat zij hun uiterlijk een volkomen verandering
hadden moeten laten ondergaan, want het was nu reeds bekend, op welke
wijze professor Jerôme Daring zijn identiteit tijdelijk had afgestaan
aan een heer, die zich als graaf Grasham in het vreemdelingenregister
had laten noteeren.
Henderson, de reus, had het zich moeten laten welgevallen, in een neger
te worden herschapen, niet zulk een nikker, als men wel eens op het
tooneel ziet, en die op een kwartier uur gaans verraadt, dat hij zijn
gelaat met potloodzwart of met gebrande kurk heeft bewerkt, maar een
man die men zelfs op een voet afstands voor een echten neger zou
houden, daar de kleurstof, door Raffles aangewend, de zwarte huidskleur
volkomen natuurgetrouw imiteerde.
Misschien waren de oogen van Henderson wel wat te licht voor een neger,
maar dat was dan ook de eenige aanmerking, die men op de gelijkenis zou
kunnen maken.
Wat Raffles betreft, hij had zich veranderd tot een tamelijk
onbeschaafden Californiër, met een groote sombrero op, een lange sik,
borstelige wenkbrauwen, een landbouwer, zoo achter den ploeg
weggeloopen, en die alleen naar de groote stad kwam, omdat het niet
anders ging, en hij er voor zijn zaken noodzakelijk moest zijn.
Charly Brand ging door voor zijn zoon, en hij was een vlasharig
jongmensch met een niet al te snugger gezicht, en die zich zeer onthuis
scheen te gevoelen te midden van al die welgekleede, deftige dames en
heeren, die zich zoo ongedwongen wisten te bewegen.
Aan Henderson was de rol van den negerbediende toevertrouwd, en hij
verdween aanstonds naar de beide logeerkamers van vader en zoon, om
daar de bagage te ontpakken.
De “office clerk”, die Raffles nog slechts weinige dagen herhaaldelijk
gezien had, bleek niet de minste achterdocht te koesteren, en van een
herkenning was ook geenszins sprake.
Raffles liet zich zelf en Charly inschrijven als “Hannibal en Nepomuk
Sloan” en daarop trok hij onmiddellijk met den jongen man naar de
eetzaal, waar de kellners hem tersluiks met spottende en minachtende
blikken opnamen, zij wisten maar al te goed, dat de Californische
landbouwers, hoe rijk ook, niet uitblinken in het geven van fooien.
Raffles bestelde iets, en toen de kellner zich weder verwijderd had,
keek hij Charly met een glimlach om de dunne lippen aan, en zeide:
“Daar zitten wij weer.”
“Ja, een belangwekkende ervaring, maar dan ook niets rijker.”
“Wij waren niet uitgetrokken naar Saint Louis om rijk te worden,
Charly, wij waren slechts heengegaan om te pogen het “Meisje met de
Madonna-Oogen” onschadelijk te maken, het afschuwelijke schepsel, dat
getuige heeft willen zijn van mijn doodstrijd, toen ik tot mijn ongeluk
in de macht van haar medeplichtige was geraakt.”
“Ik moet erkennen, dat wij met een bijzonder sterke tegenpartij te
maken hebben, Raffles,” hernam Charly op zachten toon.
“Wij hebben het aan onze eigen onvoorzichtigheid te wijten, dat zij ons
ontkomen is, en eerlijk gezegd hadden wij niets beters verdiend, dan
dat de politie ons gearresteerd had, misschien zal het ons een les
zijn, voortaan een weinig beter acht te geven, als wij te doen hebben
met een schepsel als Canny Macleod.”
“Intusschen schijnt het, Raffles, dat zij alweder in New-York terug is,
sedert een paar dagen, tenminste wanneer de bladen het bij het rechte
eind hebben, die schrijven, dat zij niemand anders is dan de
bedrijfster van de nachtelijke beroovingen, die thans opnieuw in aantal
toenemen.”
“Zij is het zeker, Charly,” hernam Raffles kortaf. “Het is haar methode
van werken. En waarom zou zij hier niet kunnen zijn? Zij is natuurlijk
eergisteren onmiddellijk met haar medeplichtigen weder uit Saint Louis
vertrokken, om naar New-York terug te keeren, toen zij bemerkte, dat de
grond haar daar te heet onder de voeten zou worden. New-York is heel
wat grooter dan Saint Louis, en zij heeft hier veel meer gelegenheid om
zich te verbergen bij een van haar vele vrienden.”
“Mag ik je een vraag stellen, Raffles?” vroeg Charly na eenigen tijd,
nadat de kellner, die de gevraagde gerechten had gebracht, zich weder
verwijderd had.
“Laat eens hooren.”
“Wat doen wij hier nu eigenlijk nog, en waarom keeren wij niet zoo
spoedig mogelijk naar Londen terug?”
“Omdat wij het doel nog niet bereikt hebben, dat wij ons hadden
gesteld,” antwoordde Raffles kalm. “Je weet, dat het oorspronkelijk
alleen mijn plan was geweest, eens kennis te maken met het “Meisje met
de Madonna-Oogen”. Door van mijn vliegmachine gebruik te maken, die in
tien uren den afstand van Londen naar New-York kan afleggen, maakten
wij een soort pleizierreisje. Ik meende dat Canny Macleod een
belangwekkende persoonlijkheid zou zijn; in zekeren zin is zij dat ook,
maar naar ik meen vooral voor psychiaters en geneeskundigen. Ik wist
dat zij een dievegge was, en een sluwe comediante, maar ik heb niet
kunnen vermoeden, dat er zulk een lage, tijgerachtige ziel zou huizen
in dat schoone omhulsel. En nu mijn verblijf hier mij de overtuiging
heeft geschonken, dat ik er een goed werk aan doe, wanneer ik de
samenleving van dit schepsel bevrijd, dat wreedheid aan bloeddorst
paart, nu zal ik niet rusten, eer ik mijn doel bereikt heb.”
“Ik vrees dat de bereiking van je doeleinden er niet gemakkelijker op
is geworden, Raffles, nu Canny Macleod op haar hoede is, en weet dat
zij zich in acht voor je moet nemen.”
“Des te belangwekkender zal de strijd zijn, mijn waarde,” hernam
Raffles. “Vergeet niet, dat thans mijn ijdelheid er mee gemoeid is.
Tweemaal heeft het schepsel mij verslagen, eenmaal zelfs bijna ten
koste van mijn leven, en ik sta er bepaald op, dat de derde zet voor
mij zal zijn. Verveel je je hier soms?”
“Beware, Raffles,” kwam Charly, met een zacht lachje. “Wat een vraag.
Hoe kan men zich vervelen onder deze omstandigheden, en terwijl zelfs
ons leven gevaar loopt, dat is mij niet recht duidelijk.”
“Welnu, als dat zoo is, dan kan ik ook niet inzien, waarom wij niet
hier zouden blijven, totdat ik mijn plannen verwezenlijkt heb. Ik heb
het er nu eenmaal op gezet, die duivelsche vrouw ten onder te brengen
en ook haar minnaar, Black Pete.”
HOOFDSTUK II.
EEN ONTDEKKING.
Dienzelfden avond bezochten “Hannibal Sloan” en zijn spruit een der
vele theaters van New-York.
Zij hadden aan den portier te kennen gegeven, dat zij waarschijnlijk
zeer laat zouden terug keeren, daar zij New-York des nachts ook eens
wilden bezichtigen, en toen zij den man den rug toekeerden, had deze
eens voor zich heen gegrinnikt, de schouders opgehaald, en bij zich
zelf de opmerking gemaakt, dat het nachtelijke New-York voor twee zulke
“grasnegers” groote gevaren verborg.
Maar als zij zich daaraan bloot willen stellen, dan moesten zij het
zelf maar weten.
De voorstelling was omstreeks elf uur geëindigd, en Raffles en Charly
bereikten met den stroom bezoekers de straat.
De schouwburg was in de Twintigste straat gelegen, en slechts honderd
passen verder schitterden oogverblindend de lichten van Broadway, de
tallooze schitterende reclames, die gemeentelijke verlichting bijna
overbodig maakte.
Een oogenblik stond Raffles besluiteloos stil, en toen zeide hij:
“Het is voor den tijd van het jaar buitengewoon fraai weder—heb je er
iets tegen een kleine wandeling te maken?”
“Niet het minst,” antwoordde Charly haastig. “Het was wat benauwd in
den schouwburg, en ik heb er een weinig hoofdpijn gekregen. Een
wandeling in de frissche avondlucht zal mij goed doen. Waar wil je
heengaan?”
“Het doet er niet toe. Wij zijn hier niet ver van het Central Park,
daar kunnen wij mijnentwege heengaan.”
Langzaam liepen de beide mannen de breede, helder verlichte straat ten
einde.
Reeds zagen zij op eenigen afstand de toppen van de hooge boomen in het
reusachtige Central Park.
Het was hier tamelijk stil, maar ook hier was een zee van licht,
voornamelijk afkomstig van de geweldige groote lichtreclames op de
daken of tegen de voorgevels der huizen.
Het genoemde park wordt door een aantal breede, fraaie lanen
doorsneden, en het is dag en nacht geopend.
Langzaam richtten de beide vrienden, die niet veel gesproken hadden,
hun schreden daarheen, en een oogenblik later wandelden zij in het
schoone park.
Het was een verrukkelijke lente, zooals men er in jaren geen had
genoten, en allerwege stonden struiken en planten reeds in bloei.
Het was hier tamelijk stil, want het park dient alleen als doorgangsweg
voor degenen, die in de huizen er omheen wonen.
Hier en daar verlichtten de electrische bollen het struikgewas, en de
breede laan, waarin de vrienden zich thans bevonden.
Enkele malen waren zij een politieagent gepasseerd, die evenals zij
scheen te genieten van den heerlijken avond, en rustig voorbij
wandelde, de handen op den rug gevouwen, het koordje van den
gummiknuppel om den pols bevestigd.
Van afstand tot afstand waren gemakkelijke banken geplaatst, en op een
daarvan ongeveer in het midden van het park namen de beide vrienden
plaats.
Zij staken hun pijpen op, met geurige Virginia-tabak gevuld, daar een
sigaret in hun mond wel wat zonderling zou hebben gestaan, en lieten
hun blikken in het rond waren.
En daarbij bleven de oogen van Charly gevestigd op een schijnbaar
vormelooze massa, die aan het begin van een breede zijlaan op den grond
lag, het leek wel een hoop zand, maar daarvoor was het toch wel wat te
donker.
“Wat is dat daar toch?” vroeg de jongeman op zachten toon, met zijn
doornenstok in de richting van het vormelooze ding wijzend. “Daarginds,
dichtbij den voet van dien grooten eik, tusschen den boom en de bank.”
Raffles tuurde scherp in de duisternis, met half dichtgeknepen oogen,
en eensklaps stond hij op, en zeide kortaf op gedempten toon:
“Ga eens mede, wat ziet dat voorwerp er zonderling uit.”
Van hun bank af moesten de beide vrienden de grintlaan schuin
oversteken om het begin te bereiken van de zijlaan.
Die plek was vrijwel in duisternis gehuld, want de eerstvolgende
lantaarn bevond zich op tamelijk grooten afstand, en het loof van
boomen en struikgewas was reeds tamelijk moeilijk voor de lichtstralen
doordringbaar.
En reeds toen de beide vrienden de laan halverwege hadden overgestoken
zagen zij, wat het schijnbaar levenlooze ding was, een man, die met het
gelaat voor over op den grond lag uitgestrekt, een weinig terzijde van
de zijlaan, en half onder een boschje rhododendronstruiken verborgen.
Aanstonds versnelden zij hun passen, en het volgend oogenblik stonden
zij over den man heengebogen en wentelden hem om.
Zij keken in een bleek, strak gelaat van een nog jongen man, zeker niet
ouder dan dertig jaar, elegant gekleed, en die blijkbaar tot de hoogste
standen behoorde.
De oogen waren half gesloten, en door de oogleden zag men alleen het
wit schemeren.
De overjas, het rokvest waren opengeknoopt, de broekzakken puilden naar
buiten, het slachtoffer was totaal uitgeschud.
Want dat men hier te doen had met een beroofde bleek maar al te
duidelijk.
Raffles knielde naast den bewustelooze neder, bukte zich over het
bleeke gelaat, rook even aan den halfgeopenden mond, en zeide op
zachten toon:
“Chloroform en nog iets anders. Wel Charly, dit is al een zeer
bijzonder toeval.”
“Wij hebben natuurlijk te doen met een slachtoffer van Canny Macleod.”
“Dat is ten minste zeer waarschijnlijk. Maar stil eens, wat is dat
daar?”
Zijn blik was op een der krampachtig gesloten vuisten van den beroofde
gevallen.
De vingers waren stijf gesloten om een stukje goed, een flard van een
vrouwenrok of iets dergelijks.
Slechts met groote moeite slaagde Raffles er in, de stijve vingers open
te maken, en het flard te bevrijden.
Hij bekeek het nauwkeurig bij het licht van zijn zaklantaarn, en bromde
toen voor zich heen:
“Ik kan mij niet herinneren, dat Canny een japon droeg van deze stof,
toen wij haar de laatste maal zagen, maar het is waar ook, de professor
had haar nieuwe kleederen gekocht. Nu, in ieder geval is het wel de
moeite waard dunkt mij gebruik te maken van dit stukje goed.”
“Op welke wijze?” vroeg Charly nieuwsgierig.
“Natuurlijk door een hond, een goeden speurder lucht te geven aan dit
kleine voorwerp.”
“En denk je dat dat succes heeft in een stad als New-York?” hernam
Charly op ongeloovigen toon.
“Wanneer de omstandigheden gunstig zijn, ja. En dat zijn zij in
tweeërlei opzichten. Ten eerste kan de berooving niet langer dan
hoogstens een uur geleden hebben plaats gehad, want daarvoor was het
zelfs hier in het park te druk. Het spoor is dus nog versch, warm,
zooals de vakterm luidt. Ten tweede is het reeds laat, en het verkeer
is, vooral in deze buurt, zeer verminderd. Een goede hond zal dus niet
al te veel moeite hebben, het spoor te volgen, natuurlijk
verondersteld, dat de bandieten niet van een automobiel gebruik hebben
gemaakt, want dan wordt de zaak wel wat moeilijker.”
“En wat is de slotsom van dat alles?”
“Dat wij zoo spoedig mogelijk nut zullen trachten te trekken uit dit
kleine flardje, hetwelk door den aangevallen man waarschijnlijk op het
laatste oogenblik uit den versleten rok van het “Meisje met de
Madonna-Oogen” is gescheurd, toen hij zich in zijn val onwillekeurig
ergens aan trachtte vast te houden.”
“Maar hoe kom je zoo spoedig aan een hond?”
“Er zijn nog genoeg koffiehuizen open, waar wij een adresboek kunnen
inzien. Wij moeten naar den dichtstbijzijnden hondenkoopman gaan, in de
hoop, dat wij daar een dier vinden, dat voor ons doel geschikt is.”
“En deze bewustelooze man?”
“Wij zullen wel een agent waarschuwen, opdat hij naar een gasthuis kan
worden overgebracht, of naar een politiepost, om daar in behandeling te
worden genomen.”
“Had hij geen kaartje in zijn zak, een adres?”
“Niets van dien aard, anders kon men hem natuurlijk aanstonds naar zijn
huis overbrengen. Maar stil, daar komt al een ordebewaarder aan, wij
zullen hem er bij roepen.”
Inderdaad kwam er op dat oogenblik een agent van politie voorbij
slenteren, met den blik op den sterrenhemel gericht, en die zeker reeds
tienmaal deze plek was gepasseerd, zonder het lichaam van den
bewustelooze te hebben opgemerkt.
Raffles schreeuwde iets, en dadelijk kwam de man verschrikt toeloopen.
“Wat is er aan de hand? Waarom schreeuwt gij zoo?” vroeg hij, terwijl
hij van Raffles naar Charly keek.
“Ik schreeuwde, goede vriend, om u opmerkzaam te maken,” antwoordde
Raffles lakoniek. “Zie eens hier, wat wij op den grond hebben
gevonden.”
Hij trad een weinig terzijde, en wees op het lichaam van den jongen
man, die nu op den rug lag, en levenloos leek.
“Een doode!” riep de agent van politie ontzet uit.
“Niet dood, slechts bewusteloos,” hernam Raffles. “En van alles wat hij
bezat beroofd, zooals gij bij een onderzoek van zijn zakken zult kunnen
zien.”
De agent bukte zich, legde zijn hand op het warme lichaam, keek
beurtelings Raffles en Charly onderzoekend en streng aan, en zeide
toen, terwijl hij zijn gummiknuppel vaster omklemde:
“Daar zult gij beiden wel meer van weten?”
“Niet meer dan gij, goede vriend,” zeide Raffles bedaard. “Bespaar u de
moeite onzinnige gevolgtrekkingen te maken, omdat gij ons toevallig in
de nabijheid van het lichaam aantreft. Denkt gij soms dat wij u
geroepen zouden hebben, als wij zelf schuldig zouden zijn aan de
berooving?”
De agent scheen in te zien, dat dit inderdaad wel een weinig zonderling
zou zijn, maar zijn wantrouwen was gaande gemaakt, en daarom hernam hij
op barschen toon:
“Uw naam en woonplaats?”
“Hannibal en Nepomuk Sloan, uit Kentishville.”
“Gij zult zoo goed zijn, mij naar het bureau van politie te
vergezellen,” hernam de agent van politie streng.
“Het spijt mij waarlijk, mijnheer de agent, maar daartoe ontbreekt mij
de tijd en de lust,” gaf Raffles schouderophalend te kennen. “Ik ben
een vreemdeling en ik moet niets hebben van onaangenaamheden met de
politie. Wij hebben hier dezen man gevonden in bewusteloozen toestand,
en van al zijn sieraden en geld beroofd, wij hebben er u dadelijk bij
geroepen en meer kunt gij onmogelijk van ons vergen. Op het
politiebureau evenmin als hier zouden wij u kunnen zeggen, wie die man
is, om de eenvoudige afdoende reden, dat wij het niet weten. Wij hebben
niets van de roovers gezien, wij weten dus ook niet in welke richting
zij gevlucht zijn, en dat is alles.”
“Daarmede heb ik niets te maken,” hernam de agent met stemverheffing.
“Volg mij naar het politiebureau, dan kunt gij uw verklaring aan den
commissaris afleggen. En ik zou u aanraden om aanstonds mijn bevel op
te volgen, want ik verzeker u, dat ik niet van gekscheren houd.”
“Wat dat betreft, ik evenmin,” kwam Raffles kalm.
Hij stak snel de rechterhand uit, en het volgende oogenblik rolde de
politieagent, tegen de kin geraakt, als een aangeschoten konijn om en
om, en bleef stil liggen.
“Voor vijf minuten heeft hij zijn bekomst wel,” zeide Raffles lakoniek.
“Het is zijn eigen schuld, waarom was de man ook zoo lastig. Wij hebben
nu waarlijk wel wat anders te doen, dan geheel nutteloos bezoeken te
brengen op bureaux van politie. Het zal hem misschien een les zijn, bij
een volgende gelegenheid niet zulke dwaze vragen te stellen. En kom nu
spoedig mede, voor hij zich van den slag hersteld heeft.”
Raffles had Charly bij den arm genomen, en voerde hem haastig weg van
de plek waar de politieagent tot zijn schade zooeven ervaren had, dat
men niet ongestraft den Gentleman-Inbreker kon afhouden van zijn plan.
Een paar minuten later hadden zij een der uitgangen van het park
bereikt, en gingen het eerste het beste koffiehuis binnen, waar zij
zich een adresboek lieten geven, en daaruit de adressen noteerden van
een aantal hondenkooplieden, scheerders en kennelhouders.
Met het kleine lijstje gewapend, verlieten zij weder het koffiehuis, en
richtten hun schreden naar het eerste adres, dat op hun lijstje
voorkwam, en dat het dichtst in de buurt was.
Het was bijna halfeen in den nacht, toen zij in een smalle steeg
stilstonden voor een klein en tamelijk morsig uitziend huis, waar zich,
naast de vervelooze deur, een winkelkast bevond, waarin een soort kooi
was neergezet, voor de helft bevolkt door konijntjes, voor de andere
helft door een nest jonge katten.
Op de deur was een houten plankje bevestigd, hetwelk het opschrift
droeg:
“Derrick Hunter, in honden, konijnen, katten en vogels.”
Het geheele huis was in duisternis gedompeld, en de winkeldeur was op
slot, maar dit was voor Raffles geen beletsel, om zoo hard hij kon aan
de winkelschel te trekken.
Het holle geluid van de ouderwetsche bel was duidelijk tot op straat
hoorbaar, maar daar binnen bleef het stil.
Dit duurde slechts eenige seconden, want daarna barstte een woedend
concert van jankende, blaffende, snauwende en blazende kreten los,
hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door de pensionnaires van den heer
Hunter, die aldus onverwachts in hun nachtrust werden gestoord.
Een oogenblik later werd er op de eerste verdieping een raam
opengeworpen, en er verscheen een ruig mannenhoofd, beplant met een bos
verward haar, en uit den mond van dat hoofd klonk het woedend:
“Wilt gij dat ik u een baksteen op de hersens gooi, of zal ik een paar
van mijn honden op u afsturen. Gij hebt het maar voor het kiezen.”
“Wij wenschen noch het een, noch het ander, mijnheer Hunter, wij
wenschen u slechts twintig dollar te laten verdienen, zonder eenige
moeite, dan ons vijf minuten te woord te staan.”
Dit antwoord scheen den hondenkoopman glanzende vooruitzichten te
beloven, want hij bromde nog iets, trok zijn warrig hoofd terug, sloot
het raam, en even later hoorden de beide mannen hem nijdig uitvaren
tegen de honden, die onmiddellijk zwegen.
Toen klonk het terugschuiven van een paar grendels, de winkeldeur werd
op een kier geopend, en nu hadden Raffles en Charly het uitzicht op een
zeer groote revolver, en op een kleine dievenlantaarn, waarmede de heer
des huizes achtereenvolgens hun gelaat belichtte.
Het onderzoek scheen hem te bevredigen, want hij deed brommend den
ketting van de deur, liet de bezoekers binnen, stak zijn revolver weer
weg, en zeide na de deur zorgvuldig te hebben gesloten:
“Neem mij niet kwalijk, dat ik eenige voorzorgsmaatregelen genomen heb.
Gij zult mij begrijpen als ik u zeg, dat de politie al menigmaal een
van mijn honden heeft gebruikt bij de arrestatie van een misdadiger, en
dat nemen de bandieten mij kwalijk. Zij hebben mij al eens gedreigd, en
daarom ben ik ook altijd gewapend. En zeg mij nu wat gij wenscht.”
“Niets anders, mijnheer Hunter, dan dat gij ons zegt, of gij ons voor
dezen nacht uw besten speurhond kunt leenen. Zooals ik u reeds zeide,
heb ik er twintig dollars voor over.”
Hunter scheen een oogenblik na te denken, en zeide toen een weinig
weifelend:
“Het is een aardige prijs, maar.... gij moet mij behoorlijk staangeld
betalen, en ik moet weten waarvoor gij den hond noodig hebt.”
“Wat het eerste betreft, die voorwaarde is reeds ingewilligd. Wat het
tweede aangaat, wij hebben aanstonds een goeden hond noodig, om een
spoor te kunnen volgen van.... een groot misdadiger, die deze stad heel
onveilig maakte.”
“Dan wil ik mij niet verder met uw zaken bemoeien, mijnheer, ik denk
dat gij particuliere detectives zijt.”
“Zoo is het. Wij hebben niet ver hier vandaan een misdaad ontdekt, het
spoor van de vluchtelingen is nog warm, en ik weet zeker, dat een hond
met een goeden neus het zal terugvinden.”
“Dan geloof ik dat ik wel heb, wat gij noodig hebt, mijnheer. Wees zoo
goed mij even te volgen.”
Hunter ging de beide mannen voor.
Hij liep de gang ten einde, en trad daarop een tamelijk groot vertrek
binnen waar in het midden slechts een kleine ruimte open was gelaten;
de drie van de vier wanden, en zelfs de wand waarin zich de schuifdeur
bevond, waren met groote en kleine kooien bezet, die bijna allen
bewoond waren.
Dadelijk hieven alle honden een luid geblaf aan, waarschijnlijk om hun
blijdschap te kennen te geven, maar Hunter gebood hen weder stilte en
opende toen een der hokken, waaruit dadelijk een bastaard-terrier te
voorschijn sprong, een kruising tusschen een schippertje en een
Airdale-terrier.
De hond was vrij groot, ruigharig en blijkbaar zoo gezond als een visch
en zeer sterk, in staat om mijlen en mijlen achtereen naast een rijwiel
mee te loopen, over hooge schuttingen te klauteren, en als het moest
een verdrinkende uit het water te helpen.
Het beest was onmiddellijk naar zijn meester toegeloopen en ging op het
eerste bevel voor hem zitten.
Raffles keek een oogenblik naar den schranderen kop, met de
glinsterende zwarte oogen, het grof-gebeende lichaam, de stevige
pooten, de verstandige uitdrukking van het gelaat, met zijn aan
weerszijden uitstekende snorren, en den wantrouwenden blik in de
donkere oogen.
“Denkt gij dat de hond een spoor zal kunnen volgen, dat hoogstens een
paar uren oud kan zijn?” vroeg Raffles.
“Ik overdrijf niet graag, mijnheer, en daarom zeg ik alleen maar tot
aan het einde van de wereld! Er is geen tweede hond zoo in geheel
New-York, dat durf ik op een briefje geven! Als iedere andere hond het
moet opgeven, dan weet King er nog altijd wat van te maken.”
“Kan ik het beest voor dezen nacht meekrijgen?”
“Ja, voor twintig dollar—en gij betaalt er twee honderd als staangeld,
en dat is eigenlijk nog te weinig, want eigenlijk gezegd is de hond
onbetaalbaar!”
“Hier hebt gij er drie honderd—een kwitantie als ik u verzoeken mag!”
zei Raffles droogjes.
De man ging haastig een kwitantie invullen, waartoe hij de schuifdeuren
moest openen, om in den eigenlijken winkel te treden, en al dien tijd
bleef King de beide vreemdelingen wantrouwend van onder zijn ruige
wenkbrauwen opnemen.
Hunter keerde binnen enkele oogenblikken terug met het papier, maar
alvorens Raffles hem de drie honderd dollar ter hand stelde, vroeg hij:
“Voor ik den hond meeneem—gelooft gij, dat hij mij zal willen volgen?”
“Ja, maar alleen als ik het hem beveel, mijnheer,” antwoordde de man.
“Hij is tamelijk wantrouwend moet gij weten!”
Hunter ging naast Raffles staan, terwijl hij den hond aan een dun touw
vasthield, streek zachtjes over den schouder van Raffles, sprak daarna
den hond vriendelijk toe, en bracht hem zoo aan het verstand, dat hij
met een vriend te doen had.
De hond scheen dit volkomen te begrijpen, en eenige minuten later liet
hij toe dat Raffles hem vasthield bij den ring van den wurgriem, dien
het beest om den hals had.
Hunter deelde nu nog mede, naar welke bevelen de hond gewend was te
luisteren en daarop verlieten de beide mannen met hun aanwinst de zaak
van Derrick Hunter weder, met de belofte, dat zij den hond bij het
krieken van den dag weder zouden terugbezorgen.
HOOFDSTUK III.
OP WEG.
Allereerst begaven de beide vrienden, thans vergezeld door den terrier,
zich weder naar het Central Park, hetwelk nu nog stiller en donkerder
leek dan zooeven, en zoodra zij er weder waren binnengetreden, richtten
zij hun schreden naar de plek, waar zij het bewustelooze lichaam van
den beroofde hadden ontdekt.
Zij hadden de plaats goed onthouden, en toen zij haar tot op honderd
meter afstands waren genaderd, stonden zij stil, teneinde zich te
overtuigen, dat alles veilig was, en zij zonder gevaar konden naderen.
Niets liet zich hooren, en eindelijk waagden zij het erop, langzaam
naderbij te komen, daarbij zorgdragend, zooveel mogelijk in de schaduw
der groote boomen en van het dichte struikgewas te blijven, en den hond
zoo kort mogelijk aan het eind touw te houden, hetwelk Hunter den hond
bij wijze van lijn had aangeknoopt.
Zij spitsten de ooren, om ieder verdacht geluid op te vangen, maar
alles was stil, en slechts heel in de verte hoorden zij nog het geraas
van het groote stadsleven.
Het was ook, alles welbeschouwd, niet aan te nemen, dat de agent van
politie dien Raffles zoo hardhandig had moeten behandelen, ook maar een
oogenblik rekening zou hebben gehouden met de mogelijkheid, dat de
beide mannen die hij nu wel voor boosdoeners moest aanzien, nog eens
naar dezelfde plek zouden terugkeeren.
Zoo bereikten zij het begin van de zijlaan weder, voorzichtig om zich
heen spiedend, maar er was volstrekt niets te bespeuren—noch van den
agent, noch van den bewustelooze—hij was zeker reeds weggehaald met de
auto-brancard, en naar het dichtst bijzijnde gasthuis vervoerd.
Nu pas haalde Raffles het japonflard, dat hij met opzet in een stuk
papier had gewikkeld, uit zijn zak te voorschijn, bracht den hond tot
bedaren, door hem liefkoozend over den kop te streelen, en liet hem
vervolgens aan het stukje doek ruiken.
Zelfs zonder dat Raffles iets behoefde te zeggen, scheen King
onmiddellijk te begrijpen, wat er van hem verlangd werd.
Hij wendde den kop van het stukje doek af, en begon dadelijk, met den
snuit naar den grond gebogen, overal rond te snuffelen.
Binnen enkele minuten had de hond het goede spoor gevonden—en hij liep
zoo snel weg, dat het touw bijna uit de vingers van Raffles geglipt
was, die moeite had den hond in zijn vaart bij te houden.
Zonder ook maar een oogenblik te aarzelen, zette King zijn tocht voort,
liep het park uit, sloeg de Twintigste straat in, liep ook deze geheel
ten einde, en bereikte op deze wijze de kade van den Hudson, die hier
door New-York stroomt.
De tocht had ongeveer een half uur geduurd, en gedurende al dien tijd
had King voortdurend met den snuit boven den grond geloopen, slechts
zeer zelden even stilstaande, waarop Raffles hem dan opnieuw liet
ruiken aan het stukje goed.
Op de kade gekomen scheen de hond slechts zeer even te weifelen, maar
daarop stak hij haar in haar volle breedte over, en begaf zich naar den
kant van het water.
Op deze plek lag het niveau van de kade een paar meter boven den
waterspiegel.
De kademuur was bekroond door een steenen balustrade van ruim een meter
hoogte en als men daar overheen keek, dan zag men een tweede, lager
gelegen kade, waar kleine schuitjes konden meren, die groenten
aanvoerden van de boerderijen, welke een eind buiten de stad, dichtbij
de rivier gelegen waren, en voor wie het vervoer te water, hoewel het
iets langer duurde, verreweg de goedkoopste was.
Op geregelde afstanden waren steenen trappen in den kademuur
uitgespaard, die toegang gaven tot de aanlegplaatsen.
King zette zijn tocht onverdroten voort, tot hij, bij een dezer trappen
gekomen, haar zonder aarzelen afliep, en zoo de smalle aanlegkade
bereikte, waar zich een groot aantal kleine houten steigers bevond,
bestemd voor het meren van roeibooten, kleine lichters, motor- en
stoombootjes van niet te grooten diepgang.
En hier scheen de hond eensklaps het spoor bijster te zijn geworden.
Hij was tot vlak bij een dezer steigers geloopen, en draaide hier
onrustig in het rond, met den staart tusschen de beenen geklemd, en nu
en dan zachtjes jankend als een zelfbeklag.
Toen stond hij stil, keek over het donkere water, waar slechts nu en
dan de duistere schaduw van een schip voorbijgleed, wendde zich toen
tot Raffles, ging op zijn achterste zitten, en keek zijn tijdelijken
meester aan, alsof hij wilde zeggen:
“Het spijt mij—ik kan er niets aan doen—maar ik kan niet verder. Sla
mij er niet voor—ik heb mijn best gedaan!”
Maar Raffles dacht er niet aan, het dier te slaan.
Integendeel, hij haalde een expresselijk voor dit doel in het
koffiehuis gekochte worst te voorschijn, sneed er een flink brok af, en
gaf het aan den hond, terwijl hij hem prijzend toesprak.
Hij had natuurlijk aanstonds begrepen, dat Canny Macleod
waarschijnlijk, vergezeld van haar medeplichtigen, zich op deze plek
had ingescheept aan boord van een motorbootje, die haar verderop had
gebracht—denkelijk was de eigenaar van die boot eveneens in het
complot, en lid van de gevaarlijke bende.
De beide mannen keken elkaar teleurgesteld aan, want zij begrepen maar
al te goed, dat het volstrekt nutteloos was, onder deze omstandigheden
de achtervolging voort te zetten.
Zeker, er lagen links en rechts van den verlaten steiger eenige
tamelijk groote schepen gemeerd, waarvan de bemanning misschien had
kunnen zeggen, in welke richting het bootje met Canny aan boord zich
verwijderd had—maar daaraan hadden zij al bitter weinig, want of dit nu
al stroomopwaarts of stroomafwaarts was geweest—het was ondoenlijk met
deze magere gegevens de achtervolging voort te zetten.
Maar juist toen de twee mannen zich wilden verwijderen, begon King
zachtjes te grommen, en loerde, onbewegelijk als een beeld, over de
nauwelijks rimpelende oppervlakte van de breede rivier, waarop zich
hier en daar roode en groene lichten langzaam voortbewogen.
Het schrandere dier scheen iets bespeurd te hebben, hetgeen tot
dusverre aan de aandacht van de beide mannen ontging—zijn instinct zou
hem dienaangaande niet bedriegen.
En het duurde dan ook niet lang, of Raffles en Charly ontwaarde een
klein vaartuig, dat op dit oogenblik de rivier kwam oversteken, en
recht op den steiger scheen aan te houden.
Zelfs op dien afstand was het te zien, dat het geen schoorsteen had,
het was dus klaarblijkelijk een motorboot.
Ieder oogenblik scheen de hond in blaffen te willen uitbarsten, maar
Raffles bracht hem met een bevelend woord tot zwijgen, en wendde zich
daarop tot Charly.
“Laten wij ons zoo spoedig mogelijk verschuilen—ik geloof, dat het
toeval ons gunstig is—daar komt een boot aan, en het zou mij volstrekt
niet verwonderen, als het dezelfde is, die Canny en haar metgezellen
gebruikt hebben om zich te verwijderen!”
“Ik zie daar op den lagen wal een paar groote pakkisten—vandaar hebben
wij juist de trap in het oog, voor het geval de eigenaar van de boot
zich mocht verwijderen!” zeide Charly fluisterend.
“Een goed idee!” hernam Raffles. “Kom dan maar spoedig mede!”
In gebukte houding ijlden de beide mannen over de smalle, duistere
aanlegkade en bereikten de zware, groote kisten, waarvan er eenigen op
elkander waren gestapeld, die een voortreffelijke schuilplaats
opleverden.
De kisten sloten niet volkomen tegen elkaar aan, en door de
opengebleven reten konden de twee mannen een gedeelte van de rivier,
den aanlegsteiger en de trap overzien.
De motorboot had haar vaart nog aanzienlijk vertraagd, en gleed nu
zachtjes langs den aanlegsteiger, waarop zij onbewegelijk stil lag.
De schroef sloeg nog even achteruit, een gedaante aan boord, die aan
het stuurwiel had gestaan, sloeg een dunnen tros om den aanlegpaal,
zette de motor af, verrichtte nog eenige werkzaamheden, waarvan de aard
op dien afstand niet was vast te stellen, en stapte toen van den rand
van het bootje op den steiger.
Daar stond hij een oogenblik stil, om een sigaar aan te steken
blijkbaar, want het schijnsel van een lucifer, in de holte van zijn
beide handen tegen den wind beschermd, verlichtte gedurende eenige
oogenblikken een glad geschoren, geel gelaat, met breede kaken en dicht
ineengedrongen, rossige wenkbrauwen.
Het duurde maar een kort oogenblik, en het schijnsel van de lucifer,
zoo dicht bij het gezicht gehouden, werkte bedriegelijk, maar toch
meenden Raffles en Charly deze trekken al eens meer gezien te
hebben—zij behoorden toe aan een lid van de bende, waarvan Black Pete
en zijn minnares Canny aanvoerders waren.
Raffles die den man geen oogenblik uit het oog had verloren, boog zich
naar Charly over, en fluisterde hem toe:
“Volg dien man, mijn jongen! Het kan voor ons van groot gewicht zijn,
om te weten waar hij woont! Hij schijnt de eigenaar van dat bootje te
zijn, waarmede hij zooeven Canny naar een veilige plek heeft
overgebracht, waarschijnlijk ver van de plek, waar de berooving plaats
vond, en door hem zullen wij haar misschien terug vinden!”
“Goed! En wat doe jij in dien tijd?”
“Ik blijf hier op je wachten!”
“Zouden wij Henderson er niet bij halen?”
“Ik geloof niet dat wij het op dit oogenblik behoeven te doen—het is
vannacht toch onmogelijk, het spoor van die vrouw verder te volgen—op
het water kan onze brave King helaas geen spoor volgen!”
“Maar misschien moet ik dien man wel uren volgen!”
“Volg hem dan uren—als je maar weet waar hij verblijft!” hernam Raffles
kortaf. “Haast je wat, want daar zie ik hem de trap reeds opgaan! Je
zult mij hier op dezelfde plek terugvinden!”
Inderdaad, de man van de motorboot beklom op dit oogenblik de trap,
keek, bovengekomen, een oogenblik om zich heen, en liep toen haastig de
kade af.
Charly drukte Raffles de hand, verliet zijn schuilplaats, ijlde de trap
op en begon de achtervolging van den man.
Raffles hoorde nog een oogenblik hun beider voetstappen, en toen werd
het stil—hij vernam weinig anders dan het zachte geklots van het water
tegen den kademuur, en het geluid van de aanlegkettingen langs de
houten palen.
Hij wachtte omstreeks een kwartier, en al dien tijd had zich in de
buurt volstrekt niets bewogen.
Wat King betreft, de hond scheen al volkomen aan Raffles gewend te
zijn, en had zich voor hem uitgestrekt, den schranderen kop op de
voorpooten gelegd, waarop hij rustig was ingeslapen, dankbaar voor het
lekkere hapje, dat zijn fijne neus hem had opgeleverd.
En toen alles stil bleef, nam Raffles het besluit, de motorboot eens
aan een onderzoek te onderwerpen, wellicht leverde dit iets van waarde
op.
Hij nam een stukje houtskool op, dat hij onder het bereik van zijn hand
vond liggen, en schreef met duidelijke letters op het witte hout van
een der kisten:
“Je kunt mij op de boot vinden!”
Vervolgens stond hij op uit zijn gebukte houding, liep snel op den
steiger toe, door den hond gevolgd, die dadelijk weer klaar wakker was,
en een oogenblik later bevond hij zich aan boord.
De motorboot was een fraai, maar niet al te goed onderhouden scheepje,
met ranke lijnen, en dat zeker een groote snelheid kon ontwikkelen,
want de motor was van een voortreffelijk fabricaat, en zeer krachtig,
zooals Raffles bleek, toen hij voorzichtig de kap oplichtte, die het
werktuig bedekte.
De boot kon gemakkelijk twintig personen vervoeren, en toch zonder
bezwaar door een enkel persoon bestuurd worden, die, achter het kleine
rad staande, alle hefboomen onder het bereik van zijn hand had.
Er was een kleine voorplecht, dan kwam de kajuit, vervolgens een kleine
kombuis, en dan de ruime cockpit, terwijl achterin de stuurinrichting
geplaatst was.
De motor was zoodanig ingebouwd, dat hij in het geheel geen last kon
veroorzaken, en te weerszijden van de kajuit bevond zich een smal
gangpad, zoodat men zich, als men tenminste over eenige lenigheid
beschikte, van de voor- naar de achterplecht kon begeven.
Het bleek Raffles al dadelijk, dat Canny inderdaad met dit scheepje
vervoerd was, want dienaangaande liet het gedrag van King geen twijfel
over.
Niet zoodra was de hond aan boord gekomen, of hij was weder begonnen te
snuffelen, in alle hoekjes en gaatjes, en Raffles wist zeker, dat hij
hier het spoor van de misdadigster hervonden had.
Hij doorzocht zorgvuldig de kajuit, maar hij kon er niets bijzonders
vinden, bereikte toen de kleine voorplecht, waar ongeveer zes personen
konden zitten, drie op iedere zijbank, en zette zijn onderzoek voort.