[1] Het Eiland Marken en zijne bewoners; met 2 kaartjes, te Amsterdam,
bij Weijtingh & Van der Haart, 1854.
[2] Aanvankelijk hadden wij het plan gevormd, om een afzonderlijk
kaartje van de Texelsche Zeegaten bij het werkje te voegen.--Dan,
opmerkzaam gemaakt zijnde, dat het, met betrekking tot het eiland
zelf, doelmatiger zijn zoude, zoo beide kaarten (die van het Eiland
en die van de Zeegaten) op ééne kaart werden overgebragt, hebben wij
ons volgaarne de moeite getroost, om, in het belang van het werkje,
beide kaarten op eene grootere schaal over te brengen, en tot één
geheel te vereenigen.
[3] "Noorder-Haaks, zandbank in de Noordzee, vóór het Marsdiep,
Zuidwest van het eiland Texel, thans het Noordelijke gedeelte van de
Haaks uitmakende. Ten Noord-Oosten loopt het Noordergat, dat haar
van de Horst, of de Zuid-Westelijke punt van Texel, scheidt, ten
Zuiden werd zij vroeger door de Breede-Wei en het Zuidwestergat van de
Zuider-Haaks gescheiden; thans daarmede verbonden, wordt zij nog door
eene geul of sleuf, het Duikersgat geheeten, in tweeën gescheiden,
van welke het Zuidelijke gedeelte den Middenrug genoemd wordt."
"Zuider-Haaks, zandbank in de Noordzee, ten westen van den Helder,
waarvan zij door het Schulpegat gescheiden is, terwijl zij ten Noorden
thans met de Noorder-Haaks is vereenigd."
(Van der Aa. Aardr. Woordenboek, V deel, bl: 11.)
[4] De kleuren van Texel's vlag zijn ons verschillend opgegeven. Men
deelde mij onlangs mede dat dezelve oudtijds groen en rood zouden
geweest zijn.
[5] Naar men mij verhaalde, had zich de sterfte onder het hoornvee,
vóór 1789, slechts éénmaal op Texel vertoond. Een boer, die, naar
huis reizende, in het Zijperschuitje zich nedergezet had op een hoop
rundervellen, afkomstig van dezulken, die aan de besmetting gestorven
waren, en, zoodra hij te huis kwam, naar het veld gegaan was om
zijne beesten te melken, bragt de ziekte over, met dat gevolg, dat
niet alleen zijn' stal, maar ook vele andere stallen aan den Hoorn,
geheel uitstierven, zonder dat de ziekte zich evenwel verder over
het eiland verspreidde.
[6] Een groot verschil voorwaar met het jaar 1383, toen er op Texel
geene merriën mogten gehouden worden; zijnde men toen verpligt,
zich daarvan vóór Kersavond te ontdoen.--
[7] In 1854 werden er 1.400.000 oesters gevangen, die gemiddeld à f
10 per 1000 werden verkocht.
[8] De wiermaaijerij leverde hier in 1850: 170,000 lb wier, ter waarde
van f 10,000; in 1851: 120,000 lb, ter waarde van f 4,200; in 1852:
150,000 lb, ter waarde van f 8,250; en in 1853: 300,000 lb ter waarde
van f 19,000.
[9] Vooral levert de Schelpbank in het Eijerlandsche Gat eene gunstige
opbrengst.
leverde in 1853 In 1854
kub. el schelpen. kub. el schelpen.
Het Oude Schild 250 400
Oosterend en Oost 3500 2500
De Cocksdorp 7600 6000
[10] Zie de achter dit Werk gevoegde Staat van de veranderingen aan
het Strand en de Duinen, enz., overgenomen uit het Provinciaal Verslag
van Noord-Holland, over 1854.
[11] Sturiërs...... Zij hadden van voren tot grenspalen de Noordzee,
van achteren en aan beide zijden waren zij besloten door rivieren,
namelijk de Sala of IJsselstroom, die, eer Drusus den Rijn daarin
bragt, zich bij het eiland Texel ontlastte, en de Vliestroom. Verder
waren zij omringd van het Meer, hetwelk tusschen het eiland Flevo en
het verdere strand der Friezen lag, alsook door denzelfden Vliestroom,
wederom smaller geworden zijnde: zoodat het voornoemde eiland binnen
die palen begrepen was. Enz. (Van der Aa, Aardr. Woordenb.)
[12] Zie voorts Aanteekening, in het laatste Hoofdstuk van dit Werk.
[13] Zie ook: Het Eiland Wieringen en zijne Bewoners, geschetst door
F. Allan. Amsterdam, Weijtingh en van der Haart, 1856.
[14] Zie ook: Het Eiland Schiermonnikoog en zijne Bewoners, geschetst
door F. Allan. Amsterdam, Weijtingh en van der Haart, 1856.
[15] Volgens Dr. Acker-Stratingh, beter de Rekere. Zie 's mans beroemd
werk: Aloude Staat en Geschiedenis des Vaderlands.
[16] Kerkelijke Oudheden van Noord-Holland, bl. 399, in de
aanteekeningen.
[17] Wanneer die landstreek, den naam van Graafschap hebbe aangenomen,
en welke personen het bestuur daarvoor in oude tijden (vóór Graaf Dirk
II) mogen gehad hebben, daarvan is mij, ondanks vele nasporingen tot
nog toe niets voorgekomen.
[18] Drechterland, is eene landstreek in Noord-Holland, in de nabijheid
en omgeving van Enkhuizen.
[19] Kennemerland, gedeelte der provincie Noord-Holland, tusschen de
Noordzee, Kalandsoog, het oude Westfriesland, benevens Amstelland en
Rijnland, gelegen.
[20] In 1422 komt voor eene quitantie van den pacht der windmolen
ad. 100 gouden Vrancrixe Kroonen.--
[21] Mr. Balthazar Huijdekoper, Schepen der stad Amsterdam, en bekend
door zijne dicht- en taalkundige werken, is mede Schout of Baljuw
van Texel geweest.
[22] Naar sommigen willen, behoorden bij de genoemde tienden ook de
koorntienden; de lammertienden gingen in op den 1en Mei.--
[23] Van die teruggave, zegt zeker schrijver, is nog een spreekwoord
op Texel afkomstig. "Nog heden," beweert hij, "zegt men op Texel,
wanneer een jongeling aan een meisje eene eeuwige liefde zweert,
als het maar geene Saxische eeuwigheid is, van drie jaren; omdat
de Hertog van Saxen de Privilegiën, enz. der Texelaars, die hij
voor eeuwig verbeurd verklaard had, reeds 3 jaren later terug
gaf.--Geloofwaardige Texelaars hebben mij echter verklaard, genoemd
spreekwoord nooit gehoord te hebben."--
[24] In 1562 bestond op Texel nog het gebruik, dat de Eigenaars en
Bruikers geen langer eigendom aan de landen hadden, dan van 1 Mei
tot den laatsten Julij, wordende na dien tijd alles gemeene weide.
[25] In 1779 liep de Amerikaansche Kaperkapitein Paul Jones met
twee Engelsche prijzen in Texel binnen. De prijzen werden, hoewel te
vergeefs, teruggevorderd; alleen gaf men den bevelvoerenden officier
ter reede van Texel in last, om zich met den kaper zoo min mogelijk in
te laten. Deze stoorde zich hieraan echter niet, maar bezocht zelfs
den schouwburg te Amsterdam, hetgeen zooveel opziens baarde, dat men
een straatliedje op hem maakte. Het bekende: "Dáár komt Pauwel Jones
aan," enz., ontleende daarvan zijnen oorsprong.
[26] Volgens algemeen gevoelen is het dorp Den Burg, weleer (1346)
door drie poorten afgesloten geweest, welke zouden gestaan hebben:
ééne in den Binnenburg bij het pijpje;--ééne tegen over het Weeshuis,
bij het huisje op de breg (brug); en ééne bij het logement de Zwaan.
[27] "Ada," dus lezen wij in een oud handschrift, "was de eenige
dochter van Dirk, volgens de groote Kronijk, de VIIde van dien naam;
de 14de Graaf van Holland; zij dan in rang de 15de Gravinne van
Holland. Zij trouwde tegen den zin van sommige Staten, en van haren
oom Willem, die, na haar, Graaf wierd. Zij werd door hem gevangen
genomen, en op Texel in eene onbeslotene gevangenis bewaard, alwaar
zij, na een jaar aldaar geweest te zijn, en nog geen 18 jaar oud,
overleed in den jare 1204: haar lijk werd naar Middelburg gebragt."
Terwijl wij in eene andere aanteekening vermeld vinden: "De Moeder
van Gravinne Ada, was de Gravinne Aleid. Deze had hare dochter
uitgehuwelijkt aan Lodewijk, Grave van Loon; zij werd op den Burgt te
Leiden, overwonnen en gevangen genomen, en viel haren Neef Willem van
Teijlingen in handen. Haar oom Willem, overwinnaar zijnde, zond zijne
nicht (Ada) naar Texel; doch deze gevangenis haar ondragelijk vallende,
zocht zij te ontkomen, waarom hij het besluit nam, haar naar Engeland
te zenden. Dit werd Graaf Willem I van vele Edelen en Landzaten,
kwalijk genomen, dat hij de Landsvrouwe in handen van vreemden stelde."
[28] In 1855 waren 42 personen in die Kamers opgenomen, aan welken,
behalve vrije woning, eene som van f 1200 voor onderstand is verstrekt,
geheel uit inkomsten van bezittingen verkregen.
[29] Tegenwoordig houden de bewoners van Oost zich ook met de
wiermaaijerij bezig.
[30] Zie bl. 41.
[31] Thans Hoofd-Ingenieur in de Provincie Utrecht.
[32] "Ongelooflijk," zegt zeker schrijver, die in het laatste gedeelte
der voorgaande eeuw dit gedeelte van Texel bezocht, "ongelooflijk
is het onnoemelijk getal van nesten en eijeren van allerlei soort,
welke men hier aantreft; men kan zich aan geene zijde wenden, zonder,
om zoo te spreken, twee of drie nesten onder de hand te hebben; maar
men vindt zich bijna in het geval van Don Quichot, bij het hol van
Montesinos; want men dient schier slag te leveren tegen de vogels,
zoodanig koomen die dieren aanstrijken op de roovers van hunne
eigendommen, en van de hoop van hun toekoomend geslagt."
[33] Eyerlandshuis is het noordelijkste der perceelen, waarin het
Eijerland vóór de bedijking verpacht werd.
[34] De eigenlijke uitsluitende duinmaaijerij was, bij besluit van
1 Augustus 1825, afgeschaft.
[35] Het kompas heeft hier eene miswijzing van 22°30' N. W. Nieuwe
en Volle maan, 9 uren hoog water.--
[36] Deze kwaal was eigenlijk eene soort van leverziekte, waarbij
zeker insect, als kleine botjes, zich in de lever zette. Elders
heerscht die ziekte ook, en meermalen hoorde ik die de bot noemen.
[37] Zoodanige kraag, behoort thans nog tot het zoogenaamde
Marker-Trouwpak.--
[38] Ook op het eiland Marken bestond deze gewoonte; als een
overblijfsel daarvan kunnen beschouwd worden, de eigendomsmerken die
de Markers nog heden op hunne klompen en op andere zaken snijden.--Ook
van de voorschreven kleederdragt vindt men op dit eiland nog vele
overblijfselen.
[39] Aangaande het zoogenaamde Abtskoorn, deelde men ons het volgende
mede:
Het Abtskoorn was eene belasting op sommige huizen aan den Burg, in
oude tijden geheven door de geestelijkheid, in welke tijden door de
Eigenaars dier huizen aan de Geestelijkheid jaarlijks moesten leveren
1, 2, 3, à 4 Loopen koren, naderhand werd voor ieder Loopen koren f
1.-- betaald, en was dit privilegie in het bezit van de Heeren Van
Brienen, welke Heeren echter sedert 25 à 30 jaren, dit regt, hetwelk
nu vervallen is, niet meer hebben gevorderd.
[40] Men zie ook, ten opzigte van Texel's vroegeren toestand,
zoo als die bepaaldelijk was bij den aanvang der 18de eeuw: Reizen
door een gedeelte van Europa, Klein-Azië, enz. gedaan door Johan
Ægidius van Egmond van der Nijenburg en Johannes Heijman, uitgegeven
door Johannes Wilhelmus Heijman, te Leiden bij Abraham Kallewier,
1757.--Welk werk mij goedgunstig ten gebruike werd afgestaan door
mijnen vriend, den Heer J. Visser, te Eiland Marken.
[41] Dit woord is zeer oud en wordt zelden meer gehoord.
[42] Men meene echter niet, dat de Texelsche Schoonen zich in zooverre
aan de anti-N.-H. kleedij gebonden achten, dat zij zich zouden bepalen
bij een jak en rok, waarvan de schoot of scheiding bijna tusschen de
schouders wordt gedragen.
[43] Wij merken hierbij aan dat Texel gedurende de laatste jaren,
ook ten gevolge van meerdere gemeenschap met den vasten wal, veel van
zijne eigendommelijkheid heeft verloren. Uit hetgene wij boven reeds
omtrent de Texelaars hebben medegedeeld, blijkt, dat zij in kleeding,
zeden, enz. niet meer van hunne naburen zijn onderscheiden.
[44] Zuuppot is een oud woord, 100 jaren geleden in gebruik, even
als het Queesten.
[45] Tijdens en na het afdrukken van het werk, gewerden mij nog eenige
opmerkingen Texel aangaande. Sommige derzelven kwamen tijdig genoeg,
om in den tekst te kunnen worden opgenomen. Anderen echter, ontving
ik daartoe te laat. Deze laatsten zijn het, die ik in dit zevende
hoofdstuk heb zamengevat.