DE BEVOLKING VAN TEXEL.

Godsdienst. Taal. Beschaving. Kleeding. Huishouding. Gewoonten.

Vermaken.

Blijkens onze opgave op bl. 7 bevinden zich onder de totale bevolking

van dit eiland 3768 Ned. Herv., 1218 R. K., 102 Doopsgez., 13 Israël.,

5 Lut. en 3 Remonstr. De voornaamste gezindheden worden dus op Texel

vertegenwoordigd.--Vergelijken wij met deze opgave de verdeeling,

zoo als die voor ruim eene halve eeuw was, dan vinden wij, dat het

zielental van het R. K. gedeelte der bevolking, zeer verminderd is,

naardien die kerk hier vroeger meer dan 1500 Communicanten telde. Ook

waren er toen geene Lutheranen.

De Roomschgezinden hadden hier vroeger slechts één Pastoor wien een

Kapelaan was toegevoegd, die om de 14 dagen op de andere dorpen

beurtelings de mis ging bedienen, hetgeen in bijzondere huizen

plaats had. Zij bezaten slechts ééne kerk, die aan den Burg stond,

en waarbij de Geestelijke woonde, die hier een zeer ruim inkomen

had. Tegenwoordig zijn zij in het bezit van drie Bedehuizen, die door

even zoo veel Pastoors bediend worden, en maken thans de Statie van

Burg--de Cocksdorp--en het Oude Schild uit; terwijl de gemeenten van

den Burg en het Oude Schild eene eigene begraafplaats hebben.

De Hervormden zijn verdeeld onder zes bijzondere gemeenten,

n. l. den Burg, de Cocksdorp, Oostereind, het Oude Schild, den

Hoorn en Waal-en-Koog, en hebben 7 kerken, die bediend worden door

6 Predikanten.

Vóór 1795 genoten de Herv. Predikanten op Texel weinig

landstraktement. Het grootste gedeelte van hun inkomen werd gevonden

door of uit eenen omslag over de landerijen, toen bekend onder de

benaming van Binnenlandsche Kolters, terwijl de Herv. kerken octrooijen

bezaten op dranken, turf, enz.

De Doopsgezinden, die voorheen met de namen van Friezen en

Waterlanders, of ook met die van fijnen en groven onderscheiden werden,

vormden twee partijen, welke zich in de tweede helft der 18de eeuw met

elkander verbroederd hebben, zoodat de vroegere onderscheidingsnamen

allengs zijn verloren gegaan. Dit gedeelte der bevolking heeft een

viertal nette kerkgebouwen, en wordt in zijne eeredienst voorgegaan

door 2 predikanten. De Doopsgezinden van Waal-en-Burg en Oostereind

vormen ééne Gemeente; die van den Hoorn maken mede eene Gemeente

uit. Zij die, behalve de genoemde, andere gezindheden zijn toegedaan,

behooren tot Gemeenten, buiten het eiland.

Ofschoon op eene betrekkelijk kleine oppervlakte levende, zoo heerscht

nogthans op Texel, ten opzigte van godsdienstige verdraagzaamheid,

onder de bewoners de beste harmonie. Partijzucht in dezen, hebben

wij althans niet kunnen bespeuren en iedereen, om het even welk

kerkgenootschap hij zij toegedaan, geniet dezelfde achting; terwijl

voorrang om godsdienstige beginselen, hier geheel uitgesloten en

vreemd is.

Voorheen bestonden er op Texel drie Parochiekerken, t. w. aan den Burg,

te Oostereind en in het voormalige dorp den Westen, de overige waren

slechts onbeduidende kapellen.

Over het geheel wordt op Texel, ook bij den landbouwenden stand,

de Hollandsche taal vrij zuiver gesproken, ofschoon de uitspraak,

en vooral die der vrouwen, wel iets teemends heeft, terwijl men bij

de bewoners ook iets van het Friesche provincialisme waarneemt, en er

tevens het Zeeuwsche huus voor huis, mien voor mijn, piep voor pijp,

nou voor nu; enz. gehoord wordt. Bij het meer beschaafde deel der

Texelaars worden bovengenoemde opmerkingen echter niet waargenomen,

maar bespeurt men integendeel eene zuiverheid van uitspraak,

die elders, in het gemeene leven, schaars wordt gehoord. Vooral

is dit het geval in hunne gesprekken met vreemdelingen, waarin zij

zich voor plaatselijke uitdrukkingen, en alléén op Texel inheemsche

uitdrukkingen, zorgvuldig wachten.--In hun onderling verkeer echter,

bezigen zij somtijds eenige woorden die minder algemeen verstaan

worden of in gebruik zijn.--Eenige der voornaamsten zijn de volgende:

Vertrouwelijk met eenen vreemdeling sprekende, noemen zij dezen paai,

[41] terwijl zij in hunne gesprekken met kinderen, deze wel eens

slep heeten, welke benaming als sleepen wordt uitgesproken, en eene

verkorting aanduidt van het woord bijslaap.

Over het algemeen is de gewone volkstaal op Texel, vrij wel gelijk

aan de gewone plattelandstaal der Noord-Hollanders.--Zoo wordt ook

op Texel, de aa in paard, schaap, enz., meermaals met ee verwisseld;

zoo ook de scherplange ee met ie, in been, steen, enz. de zachtlange

o met eu, in zoon, en meer anderen. Overigens hebben hier in de taal

de volgende afwijkingen plaats:

De korte a wordt meest als ao uitgesproken, even als in de Engelsche

woorden small, to walk; enz.

De ee in het woord meester als ei.

Zoo als wij boven reeds aanmerkten, heeft de ij in de meeste woorden

de klank van ie, en de ui dien van u.

Hieromtrent bestaan echter eenige uitzonderingen, zoo zegt men,

b.v. Trijn; maar in het verkleinwoord Trientje, de woorden bui, zuid,

lui en anderen, behouden hunnen natuurlijken klank; daarentegen zegt

men in de onderscheidene zamenstellingen Sud--Sud--Oost, enz. De

medeklinkers worden vrij scherp uitgesproken. De z en v, veelal

verwisseld met de s en f; de h wordt overal uitgesproken, en niet

misplaatst dan vóór de woorden eend en oven, waarvoor men hier heend en

hoven zegt; terwijl behalve de reeds opgegevene, nog de volgende als

eigendommelijke woorden, in aanmerking komen: Buitje voor kraamkind,

mogelijk afkomstig van het Engelsche boy; Soggie voor een lammetje,

dat van de moeder verstooten, kunstmatig opgekweekt moet worden,

(potlam); Schet voor een jong rund; Huis weer voor heusch waar;

Boet voor schuurtje; Kladdig voor morsig; Jot voor hek, (afsluiting

in het land); Stek voor schutting; Treroop voor leidzeel of teugel;

Meike voor meisje: Nuwelik voor wonderlijk; Koesen voor Kousen;

Skeepen voor Schapen; Kil verkorting van Cornelisje; Kees en Krilles

verkorting van Cornelis; enz.

Andere uitdrukkingen, zoo als geef mien Kap of Muts voor geef mijn

hoed; Slep voor slaapkameraad; Taat en Mem voor vader en moeder,

zijn reeds lang buiten gebruik, immers bij het jongere geslacht;

hier of daar zal er mogelijk nog wel een bestevaer of besje zijn,

die het spraakgebruik hunner jeugd nog in eere houden, omdat hunne

taten en memmen, hun zóó leerden spreken.

Is het waar, dat de taal eens volks het ware kenmerk is van zijne

beschaving, dan zal ook de wijze van uitdrukken, die men bij

deze Eilanders waarneemt, een gunstig bewijs leveren voor hunne

beschaving. De geringste handwerksman of sjouwer, (uitzonderingen

zullen er wel altijd te vinden zijn) weet zich beleefd en geregeld

uit te drukken; zijne antwoorden kenmerken een goed ontwikkeld gezond

verstand dat, zoo ten gevolge van gedurigen omgang met vreemdelingen,

als door de meerdere gemeenschap met naburige streken dan vroeger

plaats had, veelzijdig is beschaafd geworden. Een plomp ja of nee;

of hoogstens ja--nee meneer! zal hier niet worden gehoord; in

één woord, wij aarzelen niet te verklaren, dat de Texelsche lagere

volksklasse, in dit opzigt, als een voorbeeld mag worden voorgesteld

aan een groot gedeelte van de platteland bewoners der provincie

Noord-Holland. Onvermoeide werkzaamheid en een open oog voor de

vorderingen die er ten opzigte van landbouw, nijverheid, enz. plaats

grijpen, kenmerken over het algemeen deze beschaafde Eilanders,

waarvan men, ook ten aanzien van het misbruik van sterken drank, dat

elders zoo velen van den weg van welvaart en vooruitgang terughoudt,

gunstige getuigenis kan afleggen; behoudens eenige uitzonderingen, die

men trouwens wel overal zal kunnen uitvinden. In den regel echter,

is matigheid ook te dezen aanzien, eene der prijzenswaardigste

eigenschappen der Texelaars.

Omtrent hunne huishouding, alsmede van de inrigting hunner woningen,

valt niets bijzonders te zeggen; terwijl de algemeen bekende

Noord-Hollandsche zindelijkheid ook hier gevonden wordt.

Vriendelijk en voorkomend jegens vreemdelingen, behartigt de

Texelaar nog steeds de wetten der gulle gastvrijheid, en ofschoon

de landbouwende stand zich minder hecht aan de koude en lastige

etiquetten, die den uiterlijk beschaafden stedeling doen kennen,

deelt hij op gulle wijze van zijnen overvloed mede.

De vroegere eigenlijke Texelsche kleederdragt, waarvan het laag om den

hals uitgesneden jak met langen schoot der vrouwen overig is gebleven,

heeft vrij algemeen plaats gemaakt voor de gewone Noord-Hollandsche

[42]. Het gouden of zilveren oorijzer is ook hier het nationale

hoofdsieraad der vrouwen, die overigens in hare kleeding een zeer

goeden smaak ten toon spreiden, en onder welke men er velen opmerkt,

die alle aanspraak op schoonheid mogen maken.--Zij zijn zeer blank

en zacht bloozend, terwijl de bevallige vriendelijkheid, die uit

veler oogen straalt, gepaard met eene betamelijke ongedwongenheid,

nog verhoogd wordt door eene even bevallige houding, welke een in

der daad beminnelijk geheel vormt.

In vroegeren tijd, sponnen, weefden en bleekten de vrouwen en

meisjes haar eigen linnen, waartoe het vlas op het Eiland zelf werd

geteeld. "Geen jonge dochter", dus vinden wij aangeteekend, "ging ten

trouw, welke geen linnen van haar eigen spinsel in overvloed hadt,

zoo wel tot haar lijf, als voor tafel en bed. De Weeverstraat aan den

Burg, had haar naam bekoomen van dat ambacht, hetwelke aldaar door

veelen geoeffent wierdt".--Thans is hier van deze voorvaderlijke

gewoonte niets meer overig. De zoogenaamde meerdere beschaving,

welke ook hier met den tijd gelijken tred houdt, verbande het nuttig

spinnewiel, dat eens een der voornaamste huisgeraden onzer eenvoudige

doch waardige Voorvaderen uitmaakte. Het spinnen maakte plaats voor

tal van handwerken die, hoe kunstig en hoe geestig ook bedacht, dit

toch met elkander gemeen hebben, dat zij voldoening aan modezucht en

pronkziekte, als het hoofddoel aanwijzen, waarnaar het streven onzer

schoonen zich uitstrekt; terwijl het spinnewiel, dat eenmaal zelfs de

dochters van eenen Karel den Groote zich niet schaamden, der vlijtige

huismoeder en zedige maagd een' schat van het kostelijkste linnen deed

bekomen, in stede waarvan men zich thans toelegt op de verkrijging

van gefestonneerde kantjes, geborduurde strooken, gehaakte mutsjes,

en wat er meer van dien aard zij, die hunne vermeende waarde, dank

zij het productief en beschaafd Parijs, slechts ééne maand behouden!

Hoe weinig Texel zich ook van de overige deelen onzes Vaderlands,

in gewoonten, enz. onderscheidt, zoo zijn er toch enkele bijzondere

gewoonten, of gebruiken, die elders niet in zwang zijn. Datgene,

wat hen nog te dezen aanzien onderscheidt, willen wij kortelijk

aanstippen en daarbij, voor zooveel wij zulks nog niet hebben gedaan,

eenen blik werpen op hetgene daaromtrent vroeger was op te merken. [43]

Bij geboorte- en huwlijksfeesten, wordt ook op Texel, gelijk schier

overal in ons Vaderland, het uitsteken van vlaggen, het groenmaken,

het schieten, het onthalen van buren en vrienden op brandewijn met

suiker en rozijnen, niet vergeten; terwijl de zoogenaamde bruidstranen,

als ook de bruiloft zelve, op de gewone wijzen gevierd worden.

Bij begrafenissen wordt voor dat het lijk wordt uitgedragen, iets

voorgelezen; bij de Protestanten eenige hoofdstukken uit den Bijbel,

Psalmen, Evangelische gezangen of uitgezochte liederen, bij de

Roomschgezinden eene soort van meditatie over den dood. Vervolgens

wordt het lijk, onder klokgelui, ten grave gedragen en vroeger meer

dan nu, door vrouwen zoo wel als door mannen vergezeld. De vrouwen,

welke tot de naaste aanverwanten behooren en het lijk volgen, zijn

bij die gelegenheid nog met een' huik van zwart laken bedekt. Na de

terugkomst in het sterfhuis, wordt thee of koffij met brood voorgezet,

al naar de tijd zulks opgeeft. Van overdadige dood- of lijkmalen,

zoo als die voorheen plaats hadden, hoort men thans niet meer.

Het hier aangevoerde, bevat al hetgeen wat nog van Texel's voormalige

gewoonten overbleef. In vroegere tijden was het te dezen opzigte

geheel anders. Bij trouwplegtigheden was men gewoon om, verzeld van

de speelgenooten, het eiland rond te rijden en op de onderscheidene

dorpen te pleisteren, en alhoewel dit nog niet geheel en al in

vergetelheid is geraakt, zoo kan men het nogthans niet meer met den

naam van gewoonte bestempelen.

Bij sterfgevallen kwamen er vroeger zoo vele geburen en bekenden aan

het sterfhuis, als maar eenigzins mogelijk was; en vooral was dit het

geval, bij het zoogenaamde kisten: ja, het schijnt zelfs, dat men in

der tijd misbruik hebbe gemaakt van de gelegenheid om zich aan het

sterfhuis eens regt te goed te kunnen doen. Althans wij vinden, dat

"bij eene keure van Keizer Karel V, op zwaare boete verboden wierdt,

niet verder dan den vijfden buur ter weder- en aen de overzijde

te noodigen."

Onder de vermaken die op Texel in gebruik zijn, noemen wij voornamelijk

de Kermis, het St. Nicolaasfeest en de Meijblits.

De eerste wordt hier gelijk schier overal, op eene vrolijke en

luidruchtige wijze gevierd. De kramen en spellen, wier aantal in

vroegeren tijd echter veel aanzienlijker was, staan allen aan den

Burg, voornamelijk op de Groene plaats, en mogen zich doorgaans in

een ruim debiet en druk bezoek verheugen.

Het spelerijden maakt mede een voornaam gedeelte der kermisvreugd

uit. De jonge lieden rijden, veelal bij paren, het gansche eiland rond,

en vormen dikwijls eenen vrij aanzienlijken wagentrein. De dorpen

die zij doorrijden, verstrekken hun als zoovele pleisterplaatsen,

waar zij, hier iets langer, dáár iets korter, vertoeven, tot dat de

avond hen aan den Burg brengt. En alhoewel het daar dan lustig en

onbezorgd te keer gaat, en menigen langhals den nek gebroken wordt,

hoort men nogthans nooit dat deze gulle kermisvreugd door twist of

dronkenschap ontsierd wordt. Integendeel heerscht daar dan onderling

den meest gewenschten vrede en eene algemeene opgeruimdheid. Aan zang

en dans, begeleid door één of meer vioolspelers, ontbreekt het daarbij

niet. Ook het St. Nicolaasfeest is voor Texel's opkomend geslacht eene

milde bron van vreugde. Alsdan ziet men des avonds op de straat en in

de herbergen eene volmaakte maskerade, die niet zelden, aan den Burg,

uit vijftig en meer jonge lieden bestaat en, in waarheid, men moet

zich dikwerf verwonderen over de keuze en vinding der verschillende

costumen; ja, men ziet er menig masker, dat een bal masqué geene

oneer zoude aandoen. In de meeste huizen hebben zij dan ook vrij

entrée; zij laten zich eens bezien, en zoo men hun een glas wijn

of punch, of een kop chocolade presenteert, zijn zij doorgaans zoo

vrij daarvan te profiteren. De meeste burgers zetten dan ook licht

voor hunne ramen, en zoo het weder niet al te koud of ongunstig is,

is het tot middernacht vol leven en beweging op de straat.

Voorts heeft men hier nog de zoogenoemde Meiblits of het Meivuren. Op

het einde der maand April trekt de Schooljeugd bij troepjes door het

dorp, zingende:

"Hooi! heb je geen strooi?

Heb je geen oude manden?

We zullen de Meijerblits branden;

Hekken en stekken, joten en palen,

Als je niet geeft, dan zullen we ze halen;

Boer! wil jij het laten staan

Hekken en stekken aan enden slaan."

Onder het zingen, of liever balken van die ballade, (?) verzamelen zij

langs de huizen al wat maar brandbaar is; brengen dien voorraad hier

of daar op eene veilige plaats, en verbranden dien buiten het dorp

op den avond van den 30sten April, waarbij het dan aan de noodige

drukte geenszins ontbreekt.

Voorheen hadden de Texelsche jongens de gewoonte om in den zomer het

jonge riet uit te plukken, en met het ondereinde van het riet een

balletje, waarop die plant zit, te schillen, met welke bolletjes

zij langs de straat, te koop liepen, roepende: hanekollen en

rietspieren! Die bolletjes bevatten een zoet sap, hetwelk er wordt

uitgekaauwd.

Behalve de opgenoemde vermaken, sprak men vroeger op Texel nog van

Zuuppot, Kriek en Queesten. [44]

Door de eerste wordt eene zamenkomst van jongelieden verstaan, die den

tijd korten met gemeenschappelijk en vrolijk gezang, dat afgewisseld

wordt door het gebruik (matig) van koffij of brandewijn met suiker.

De Kriek is mede een gezelschap van jonge lieden, dat meestal het

grootste gedeelte van den nacht duurt, en mogelijk zijn naam ontleent

van het krieken van den dag. Zoodanige bijeenkomsten hebben van tijd

tot tijd plaats, nu eens bij dit, dan weder bij een ander meisje. De

jongelingen komen er ongenoodigd, als het hun goeddunkt, en rooken

er hunne pijp; er wordt gepraat, gedanst en gezongen, terwijl de

zangstukjes wel eens verzeld gaan van zoogenoemde pluggendansjes,

waarbij de meisjes weinig meer dan eene huppelende beweging maken. Een

glaasje wijn of andere versnapering wordt bij zulke gelegenheden

geenszins vergeten, zonder daarbij echter de grenzen der matigheid

te overschrijden.

Het vrijen der jongelieden eindelijk, (vroeger Queesten genoemd) is

niet, of althans zeer weinig onderscheiden van de gewone vrijaadje der

Noord-Hollandsche landlieden, dat hoofdzakelijk bij avond en nacht

plaats vindt. De verliefde jongman gaat ook hier dikwerf uren ver,

zonder wind of weêr te ontzien, en vaak door dik en dun, naar het

voorwerp zijner liefde. De vrijster wacht hem, vooral in de eerste

weken der kennismaking, (zoo haar den jongman bevalt) aan het open

venster; maar de liefde, die trouwens meerdere gemeenzaamheid kweekt,

de natuur en de nacht openen den vrijer welhaast eenen vrijen en

verderen toegang, en--och! is het in dezen niet eveneens gelegen

in hutten als in paleizen?--Immers, het onderscheid bestaat slechts

daarin, dat het vrijen hier gepaard gaat met den goeden trouw, die

pleit voor reinen eenvoud van zeden!

Gelijk elders in ons Vaderland, zoo ook hier, biedt de winter, bij

sterk ijs, veelvuldige gelegenheid aan tot de gewone Vaderlandsche

ijsvermaken.

Het Eiland Texel en Zijne Bewoners · 第 51 / 54 题