In vroegere tijden schijnt men op Texel veelal de kleederdragt gevolgd
te hebben, die elders in ons vaderland, vooral onder de landbouwende
klasse, in zwang was.
In de 11de eeuw, droegen de mannen zoowel korte als lange broeken,
eene soort van wambuis (wammes), een' plat ronden hoed, klompen of
hoozen, en, bij feestelijkheden, puntschoenen. De vrouwen kleedden zich
met een laag om den hals uitgesneden jak, waaraan de rok met koperen
haakjes was vastgehecht, en eene muts (mopmus) die op de schouders
nederhing, en waarover zij, buitenshuis een' zwarten kaper zetteden,
welke laatste thans niet meer in gebruik is.
Later werd de kleeding ook gebezigd als een zigtbaar kenteeken van de
meerdere of mindere fortuin dezer Eilanders. De rijksten waren toen
kenbaar aan eene, aan de voorzijde opgetoomde, en aan den achterkant,
nederhangende slipmuts, die aan het boveneinde in eene punt uitliep,
waaraan eenen, op den rug nederhangenden staart, verbonden was. De
rok sloot naauw om het lijf, en werd met eene rij knoopen van den
hals tot onder toe gesloten. Voorts een korte, doch ruime broek,
boven de knieën vastgehecht, benevens hoozen en puntschoenen.
Der vrouwen kleeding was niet onbevallig, doch min of meer stijf. Een
geribt mutsje, dat niet al het hoofdhaar bedekte, eene japon, die
van boven over de borst, en van onderen opensloeg, op dat het fraai
gestikte keurslijf en den sierlijk gewerkten rok, te meer zouden
uitkomen, benevens gekleurde kousen en schoenen, welke laatsten door
kruisbanden werden vastgebonden, maakten toen het gewaad eener niet
onbemiddelde burgervrouw uit.
In de 14de eeuw hadden de landlieden eene zeer eenvoudige kleeding,
bestaande in een kort naauwsluitend buis, een' langen broek, en
schoenen, wier punten bijna een half voet lang waren. De korte broek
bleef evenwel ook nu nog in gebruik, terwijl het hoofdhaar kort
afgesneden en het hoofd met een klein rond hoedje bedekt werd.
Van tijd tot tijd, toen de beschaving meer veld won, en, als een
natuurlijk gevolg, meer behoeften kweekte, maakte de kleederdragt
der onderscheidene standen, daartoe gedwongen door de Mode, telkens
weder plaats voor andere, (niet altijd smaakvoller) kleedij, tot
dat eindelijk die der 16de eeuw, hier lang heeft stand gehouden;
doch eindelijk op hare beurt, door de latere en hedendaagsche is
verdrongen.--Een boer uit dien tijd, droeg een' gekleurd' hemdrok
of wambuis, daarover een overrok, bovenjak genoemd; eenen ruimen
flodderbroek, een rond, laag gebold hoedje met breeden rand, en
puntschoenen met striklinten of gespen.--De boerin, wier hoofd
vroeger met een linnen mutsje was bedekt, droeg toen een kapsel,
versierd met een' zilveren of gouden haarnaald. Het jakje, vroeger
algemeen van sarge, bestond nu uit zijde of laken, en prijkte met eenen
leggenden of ook staanden, gepluisden kraag [37], die tot vóór op de
borst nederhing. De scharlaken bovenrok, was omboord met gewerkt geel
zijden passement. De kousen waren gekleurd; meestal bruin of blaauw
gespikkeld, en de schoenen, even als die der mannen met striklinten of
gespen vastgemaakt.--Voorts zij hierbij aangemerkt, dat de kleur der
linten, of die der andere kleedingstukken, het leggen der strikken,
enz. de onderkenningsteekenen waren, tusschen gehuwden, ongehuwden
en weduwen.
Bij feesten, of op hoogtijden, bestond de kleeding, zoo van mannen
als vrouwen, uit zwarte stoffen.
Maaltijden, die dikwerf den naam van braspartijen verdienden,
waren aan de orde van den dag. Bij elk feest werd ruim gegeten
en gedronken.--Gedurende, en ook na deze maaltijden, dronk men
Haarlemsch, Delftsch of Hamburger bier, alsook onderscheidene
wijnsoorten, voorts hippocras en de thans weinig of niet bekende
malvezij, azoijs, enz. Inzonderheid werden de kruiden-wijnen, na den
maaltijd, warm gedronken, ter bevordering eener goede spijsvertering,
welke dan ook hoogst noodig schijnt te zijn geweest.
In de 16de eeuw vorderde het gebruik, dat men bij den maaltijd drie
plegtige bekers dronk: één, ter eere Gods, één, ter eere van de
H. Maagd, en één, ter eere van de H. Engelen; welk drietal bekers,
het klaverblad werd genoemd, en waarvan het rijmpje: "Drie glaasjes
zijn drie teugen", enz. zijn oorsprong ontleende. Ook moest hij,
die eenen beker zou ledigen, tot zijnen tafelbuur zeggen: "Wacht
heil"! waarop deze dan antwoordde: "Drink heil"! terwijl men, vooral
bij zeer plegtige maaltijden, niet vergeten zoude om de Schaal van
Nivelle te drinken.
De voornaamste gelegenheden, waarbij men die maaltijden hield, waren
vooral de huwlijksplegtigheden, waarbij de wederzijdsche verwanten
en vrienden mildelijk werden onthaald. Daarbij werden raadsels
opgegeven, en vermaakte men zich met onderscheidene spelen, terwijl
zang en dans vooral niet werden vergeten, evenmin als het uitbrengen
van toasten, die meestal betrekking hadden op eenen gelukkigen en
vruchtbaren echt. De huwelijken werden meestal door een' Geestelijke
voltrokken. Deze nam van de hand des Bruidegoms een' ring, dien hij
aan den voorsten vinger van de regterhand der Bruid stak, waarbij
de Bruidegom zeide: "Met dezen ring geve ik u mijn' mannelijken
trouw". Daarna nam de Geestelijke ook van de hand der Bruid een' ring,
dien hij aan den voorsten vinger van de regterhand des Bruidegoms
stak, waarbij de Bruid zeide: "Ik beloof u mijn' trouw te zullen
onderhouden". Zulk een paar, werd een door den heiligen echt vereenigd
paar genoemd, ter onderscheiding van zulke huwlijksvereeniging, welke,
zonder kerkelijk of wereldlijk gezag gesloten zijnde, een getrouwd paar
werd geheeten. Wanneer eene vrouw moeder was geworden, vierde men deze
gebeurtenis almede met eenen maaltijd, waarop al de bevriende geburen
werden genoodigd; terwijl zulks mede plaats vond, als het kind gedoopt
(gekerstend) was, en de kraamvrouw haren kerkgang deed. De maaltijd,
welke bij die gelegenheid gehouden werd, heette het Begankenismaal. De
doopplegtigheid werd, vooral door de meer gegoeden, met veel statie
gevierd. De doopeling werd (zoo als dit nog op het eiland Marken plaats
heeft) met linnen windsels omwonden, en, naar gelang van het meerder of
minder vermogen der ouders, met een fraai en kostbaar doopkleed (sprei)
bedekt, naar de kerk gedragen. Vooruit gingen eenige bloedverwanten,
elk met eene waskaars in de hand; deze werden gevolgd door een persoon,
die eenen overdekten en met zout gevulden schotel droeg; dan volgde
de vader en de doopheffer. Na afloop der plegtigheid keerde men in
dezelfde orde weder huiswaarts, waar een wel voorziene disch hen
wachtte. Het overige van den dag werd in gulle vrolijkheid gesleten.
Ook bij begrafenissen hield men maaltijden; doch in stede van dáár
elkander op eene voegzame wijze bezig te houden met de overdenking van
de broosheid des levens, gaf men zich bij zulke gelegenheden, die toch
uit haren aard treurig zijn, over aan buitensporige overdaad. Van
alle oude gewoonten zijn de zoogenaamde doodmalen het langst in
gebruik gebleven. De dragers werden veelal in eene herberg onthaald,
waarbij het doorgaans vrij ruw toeging.
Bij de begrafenissen plaatste men, na de ter aarde bestelling van het
lijk, een houten kruis op het graf, dat daarop gedurende twee dagen
staan bleef. De kerken dienden vrij algemeen tot begraafplaatsen,
terwijl de graven doorgaans of overwulfd of met een zerk overdekt
werden, waarop de naam en, bij aanzienlijken, ook het familiewapen of
eigendomsmerk werd gebeiteld. Na de Hervorming zijn deze gebruiken
grootendeels verdwenen. [38] Nog na de 16de eeuw, bestond hier de
gewoonte om den eersten Meidag op eene vrolijke wijze te vieren. Men
onthaalde elkander op eene soort van kruidenwijn, Meidrank geheeten;
er werden Meiboomen geplant, om welken men hand aan hand danste en
onderscheidene liederen zong: in één woord, de wederkomst der Lente,
baarde allerwege de luidruchtigste vreugd.
Ook bekleedde oudtijds het beulingmaal eene der voornaamste plaatsen
onder de eigenaardige gewoonten der Texelaars. Ziehier, wat een
ooggetuige daarvan verhaalde.
"Eens was ik met mijn vriend en verder gezelschap door den boer van
het landgoed te beuling verzocht, hij ontving ons, zittende in een
lederen armstoel. Hij stond niet op, maar zijn stoel verschuivende,
zeide hij aan de dames: "ik zou je deuze stoel wel geven, maar mij
dunkt, hij staat mij het best." "Wij zetten ons daarop aan tafel. Het
eerste geregt bestond in een opgehoopten schotel met boterhammen
zonder meer; het tweede, in eenige kluiven spek, en daarover drie
gebraden eendvogels. Dit werd gevolgd door een schotel met gort,
gemengd met stroop, varkensbloed en wat reuzel, aan dobbelsteentjes
gesneden en in de pan gebakken, en daarover een schotel van dezelfde
eetwaren in darmen gestopt, en op den rooster gebraden; hierop volgde
een ontzaggelijke bak met rijstenbrij, die, zoo als verhaald werd, des
ochtends ten vier uren reeds van het vuur genomen was, en vervolgens
in het hooi had staan meuken. Het nageregt was wederom boterhammen,
die, gemaakt van platte beschuit en tarwebrood, dominéesstukken
genoemd werden.--Zoodanige maaltijd wordt bij deze Eilanders voor eene
vrolijke uitspanning gehouden, doch na den eten vertelde de boer mij,
met aandoening, dat men nu niet meer zoo vrolijk was, als in voorleden
tijden; ja, Mijnheer! zeide onze gastheer, dan aten wij ons zoo rond,
dat wij in het veld op den rug moesten gaan leggen, met den mond open,
om adem te scheppen, zoo als mij dikmaals gebeurd is."
(Men bedenke dat de tijd, waarvan die boer sprak, nu reeds meer dan
twee eeuwen verleden is.)
Deze beuling-partijen bestaan hier nog, hoezeer het vieren derzelven
niet buitensporig (zoo als van ouds) genoemd kan worden. Zij
bestaan alleen in het opdisschen van de zoogenaamde Beuling-Gort,
zamengesteld uit gort, stroop, rozijnen, kluitjes varkens-reuzel en
vet, met een weinig varkensbloed en nagelgruis er in, en voorts van de
beuling, welke uit die zelfde deelen zamengesteld, in schoongemaakte
varkensdarmen gestopt is, en die, na gekookt en in stroo gemeukt
te zijn, wordt opgedischt.--Ook in dit opzigt heeft de meerdere
beschaving der Texelaren het hare toegebragt, om het belagchelijke
van de van ouds bestaan hebbende beulingsfeesten, welke in zwelgerijen
ontaardden, weg te nemen.
Ook was men gewoon elkander op Vastenavond feestelijk te onthalen, en
den Vastenavondstijd in gulle vreugd te slijten. Dat gebruik houdt nog
steeds, ofschoon op eene andere wijze, stand, inzonderheid bij de R. K.
Bij het bouwen van kerken en andere Godshuizen, werden onderscheidene
geschenken gegeven, hoofdzakelijk bestaande in gezaagde eikenhouten
planken, wagenschotten geheeten, of ook wel in geschilderde glazen of
koperen kerksieraden, als kroonen, zandloopers, enz.--Geschilderde
glazen, waren vooral voorname geschenken, die door zoogenaamde
glasmalen gevolgd werden.
Tijdens de 14de eeuw werd hier, gelijk elders, eene belasting geheven
welke den naam van Schot droeg. Deze benaming bleef op Texel lang
in gebruik. Het Schot was eene belasting op inkomsten, bezittingen
en personen, welke bij hoofdelijken omslag geheven werd door de
Schepenen en Raden, die bij meerderheid van stemmen der Schotgevende
of Schotdragende burgers werden gekozen, en die men Schotgaarders
en Schotzetters heette; terwijl de omslag zelf, Schotzetting werd
genoemd.--In deze Schotzetting werden om de drie, vijf of zeven
jaren, de noodige veranderingen gebragt, terwijl de inning derzelve
niet zelden van ergelijke tooneelen verzeld ging. Geestelijken en
onvermogenden waren er van verschoond. [39]
De woningen op Texel bestonden vóór de 14de eeuw meestal uit twee
vertrekken, waarvan het eene deels tot woning, deels tot stalling
diende; terwijl het andere tot bergplaats voor hooi en anderen voorraad
strekte. Later werden zij derwijze veranderd, dat de stalling voor het
vee afgeschoten werd van dat gedeelte der huizing, dat nu uit twee
of meer woonvertrekken bestond. Voorts werd door het aanbrengen van
vensters in de voorgevels, het uitzigt op de straat bezorgd, iets,
waardoor de woningen niet alleen een fraaijer aanzien verkregen, maar
ook luchtiger, vrolijker en gezonder werden.--Het groote voorhuis der
14de eeuw, werd nu vervangen door zijkamers of zoogenaamde kantoortjes,
waaruit men het uitzigt op de straat had. De houten gebouwen werden
sedert de 16de eeuw meest door steenen huizen vervangen, en ook in
het huisraad begon toen meer smaak te heerschen. Porcelein en vooral
Delftsch aardewerk; smaakvolle gebeeldhouwde kasten, tafels, kisten
en andere gemakken, benevens net gewerkt geweven behangsel, tapijten,
enz. leverden allen als om strijd de bewijzen op, dat de smaak door
toenemende beschaving en welvaart, meer gekuischt en veredeld werd.
Ook ten opzigte der soorten van spijzen, en de wijze van bereiding,
oefende de loop der tijden zijnen beschavenden invloed uit. Eenige
weinige soorten van groenten en vruchten, rund- en varkensvleesch,
benevens een dronk bier maakten in de 8e eeuw de gewone spijzen der
morgen-, middag- en avondmalen uit. Later, in de 9de eeuw, leerde
men ook den Rijn- en Moezelwijn kennen, terwijl men sedert de 11de
en 12de eeuw veelvuldig gebruik maakte van onderscheidene bieren. De
13de en 14de eeuw, kenteekende zich ook door eene vermeerdering van
spijzen. Wild en tam gevogelte, hazen, konijnen en hertenvleesch,
walvisch- en robbenspek, en vooral walvischtong, behoorden tot de
lekkernijen; alle hier bekende zee- en riviervisch, bevers en ander
klein wild, werden met onderscheidene groenten en eijeren, algemeen
gebruikt.--De zoogenaamde delices besloegen, vooral sedert de 15de
eeuw, eene voorname plaats op ieder gastmaal. Buiten- en Inlandsche
aard- en boomvruchten, benevens onderscheidene soorten van gebak,
werden toen reeds bij het dessert rondgediend, zoodat een en ander
de duidelijkste sporen oplevert, dat ook in dit opzigt, de meerdere
beschaving in den lande, aan de onderscheidene gebruiken en gewoonten
der Texelaars den weg van ontwikkeling en vooruitgang aanwees. [40]