Het hoornvee is van eene uitmuntende hoedanigheid, zoodat runderen
van 8 à 900 lb hier niet zeldzaam zijn.
Sedert zich de besmettelijke runderziekte [5] ook hier openbaarde,
heeft men zich meer op de veeteelt toegelegd, waardoor thans jaarlijks
ettelijke honderden beesten worden uitgevoerd, en vele landerijen,
vooral in het zuidelijk gedeelte des eilands, verbeterd zijn.
Van de koemelk wordt ook hier welsmakende kaas gemaakt, waarin
kruidnagelen en comijn worden gemengd, terwijl de boter ongetwijfeld
even goed zoude zijn als de Friesche en Zuid-Hollandsche, indien
dezelve hier evengoed als daar, en onvermengd met schapenmelk,
bewerkt werd.
De fokkerij van paarden, gelukt hier zeer goed. Het hier gekweekte ras,
is bijzonder geschikt tot zwaar werk.
De voornaamste tak van den veeteelt is echter de aanfokking van
schapen.--Aan deze dieren vooral wordt veel zorg besteed.--Hun vleesch,
dat hier even duur is als in de Zuid-Hollandsche steden, is zeer blank,
fijn van spieren, en zeer aangenaam van smaak.--
Alvorens het schaap te scheren, wordt het in een' kolk gewasschen,
tot dat er geene onreinheid meer aan gevonden wordt; daarna ontlast men
het dier van zijne vacht, welke gebleekt zijnde, in schuren of stallen
wordt bewaard, tot de wolkoopers haar in het najaar komen opkoopen.
De Texelsche wol, kan, ofschoon zeer fijn, van wege hare kortheid,
niet tot het weven van laken gebezigd worden, maar werd vroeger
grootendeels naar Frankrijk vervoerd, alwaar zij, gemengd met garen,
katoen of andere stoffen, in de fabrieken verwerkt werd.
Van algemeene bekendheid is de groene of Texelsche kaas, die van
de melk der schapen wordt gemaakt, en welker bereiding hoofdzakelijk
hierop nederkomt: In den room der schapenmelk, wordt een doekje, gevuld
met versche schapenmest, te weeken gelegd; dat doekje wordt daarna
uitgewrongen, welk wringsel aan de kaas, haren eigenaardigen smaak
en kleur geeft, en waardoor zij tevens zeer gezond en bloedzuiverend
wordt gemaakt.
De overblijvende melk of wei, wordt met goed gevolg tot varkensvoeder
verbruikt.
Om eenigzins over de belangrijkheid der Texelsche kaasbereiding te
kunnen oordeelen, wete men, dat er in 1846, nagenoeg 80,000 lb werd
verkocht; terwijl in het jaar 1845, uitgevoerd werden 18,000 lammeren
en schapen, en in 1843, circa 66,600 pond zuivere schapenwol werd
afgeleverd.
De schapen komen gedurende den winter, evenmin als des zomers, op
stal; maar in de weiden staan schuren, hier boeten (vroeger boesen)
genaamd, waarin des winters hooi wordt gebragt.
In deze boeten kunnen de schapen schuilen, wanneer het sneeuwt of guur
weder is; doch zij beminnen zoo zeer de open lucht, dat het weder al
zeer slecht moet zijn, eer zij van de boeten gebruik maken.--
De liefhebbers der jagt, vinden hier in het najaar vinken bij menigte;
zoo ook leeuwrikken, die hier bij duizenden broeden, en vroeger
worden gevangen dan in de meer zuidelijke deelen van ons vaderland;
terwijl eene groote menigte lijsters, van allerhande soort, zich op
dit eiland ophouden.--
Hout- en watersnippen worden er in grooten getale gevonden; de laatste
zijn voor het grootste gedeelte inwoners van het land, en trekken
in het najaar te zamen.--In de vorige eeuw beproefde zeker Heer op
Texel, (naar ik meen de Heer Roosenboom) om hier ook patrijzen te
planten. De proef gelukte vrij wel, en zeker ware dit eiland ook van
dit fijne wild voorzien geworden, indien zij niet uitgeroeid waren
door zekeren deugniet, die, vroeger als jager bij een Texelsch Heer
in dienst, uit wraak over eene hem aangedane vermeende belediging,
zijnen drift aan deze onschuldige dieren bot vierde.
Vooral in het najaar is hier eenen rijken voorraad van wilde
eendvogels, zoogenaamde smienten, pijlstaarten en malsche
talingen. Voormaals echter was Texel rijker met dit wild bedeeld;
er waren toen meer poelen, welke thans plaats hebben gemaakt voor
vruchtbare landerijen, en van daar ook, dat het getal eendekooijen
verminderd is, en de vangst niet de gunstige resultaten van vroegeren
tijd oplevert.--
"Eer de Kattenpolder" (nu Prins Hendrik Polder) "was ingedijkt,"
dus verhaalt een waarheidlievend schrijver, die in vroegeren tijd
veel op Texel verkeerde, "heb ik op de middenste der eendekooijen
die in het zuiden van het eiland leggen, en die drie in getal zijn,
en dus met de twee kooijen in het noorden, te weten bij Oostereind en
bij Waalenburg, te zamen een getal van vijf kooijen uitmaken, op eenen
dag zes of zeven honderd smienten zien vangen; deze kooi werd jaarlijks
voor acht honderd guldens verhuurd, doch sedert de nabijgelegen waard,
door de indijking van den Kattenpolder, droog land is geworden, heeft
deze fraaije kooi meer dan zeven achtste van hare waardij verloren;
toen deze kooi nog in hare welvaart was, heb ik meer dan eens gezien,
dat er zoo vele eendvogels naar de kaag (beurtschip) gebragt werden,
om naar Amsterdam vervoerd te worden, dat er wagens met twee paarden,
die nog van eene kar werden gevolgd, mede bevracht werden."--
Behalve het opgenoemde wild, treft men op Texel ook hazen, en vooral
konijnen aan.--Beide diersoorten houden zich voornamelijk in de
hoogere landen en duinstreken op.--
Tegenwoordig is het aantal hazen niet zoo groot als weleer; denkelijk
ten gevolge van het drukkere verkeer, dat thans over het geheele
eiland plaats heeft.
De konijnen zijn er menigvuldiger, en inzonderheid verdient de
nieuwe konijnenfokkerij op Eijerland genoemd te worden. De Heer
N. J. de Cock, van Rotterdam, legde namelijk, sedert eenigen tijd
in den polder Eijerland, over eene uitgestrektheid van 45 bunders,
eene nieuwe konijnenfokkerij aan. Die gronden zijn daartoe voldoende
omheind; terwijl er in die fokkerij, een zeer net jagthuis, dat
gedeeltelijk door den opzigter dier onderneming bewoond wordt,
met eene daarbij staande schuur, gebouwd is.--Zeshonderd konijnen,
van echt Texelsch ras, zijn aanvankelijk in die fokkerij gebragt;
de populatie neemt reeds voldoende toe, zoodat men op eenen goeden
uitslag dier onderneming mag hopen.
Ook vindt men hier roerdompen, die, jong zijnde, een welsmakend
wildbraad opleveren; benevens eene andere soort van eetbare vogels,
welke aan Hollands vaste kust tuilen of tjullen genoemd worden,
doch hier den naam van tjerken dragen.
Minder algemeen is hier de zoogenaamde kluit. Deze vogel is iets
forscher van bouw dan de meerle, heeft veel van de gestalte eens
ooijevaars, en is behalve aan staart en slagpennen, die zwart zijn,
met witte vederen bedekt, terwijl de snavel, welke eene lengte van
circa 4 duimen heeft, de gedaante van eenen omgekeerden sikkel heeft.--
Onder de vogels die zich hier zeldzamer vertoonen, behoort ook de
kruisbek, die alhier, omstreeks de maand Julij doortrekt.
Meer algemeen is op Texel de kievit, die er in grooten getale broeden,
benevens eene menigte groote en kleine meeuwen, zeepapegaaijen,
zeezwaluwen, enz.
Vroeger broedden er in den polder Waal en Burg, ook wilde zwanen.
Behalve het opgenoemde, is er op en om Texel overvloed van visch.--Deze
wordt in bunnen of karen levend aangebragt, en op den afslag, aan de
vischmarkt op den Burg, verkocht.--
Inzonderheid munten, onder de verschillende vischsoorten, de
schelvisch, schol en tong uit, terwijl de Roggesloot, ten noorden
van Eijerland, zeer lekkere bot oplevert.
Omstreeks het jaar 1780, werd er in den polder Waal en Burg, baars
geplant, welke aldaar zeer vermenigvuldigd is.--Behalve deze, levert
Texel ook snoek, brasem en voorn op.--
Op de lage, onbegroeide zandvlakten van Eijerland, alsook op
de onderwallen der kreken, welke meestal uit blaauwachtig zand,
doormengd met schulpen, bestaan, groeide vroeger, bij eene behoorlijke
waterloozing, zeer weelderig zeekoraal (salicornia herbacea.) Op enkele
lage zandbollen vertoonde zich van deze plant slechts een klein en
armoedig, roodkleurig struikje, terwijl op de niet wel afwaterende
zandplekken niets hoegenaamd groeide.
Op de begroesde gronden van Eijerland, tiert, tusschen voedzaam
kweldergewas, eene hooge, blaauwachtige plant, met een ovaal,
loodkleurig, blad, dat hier zeeporselein, doch in Zeeland, varkensgras
wordt genoemd, en dat door de Botanici Atripex portulacoides wordt
geheeten. Ook ontmoet men geheele plekken van loodkleurigen en
sterk riekenden Zeeälsem (Artemisia maritima,) welke plant, meestal
op het beste land, en op de hooge steile oevers van diepe kreken
gevonden wordt. Geen plantensoort echter, groeide voor de bedijking
van Eijerland, veelvuldiger op het Buitenveld, dan het Limoenkruid
(Statice Limonium,) op Texel Schapenoor geheeten. De bruine, lange
en dikke wortels dezer plant, zijn broeinesten van ongedierte; het
dikke stevige blad is bitter, heeft de gedaante van een schapenoor,
en wordt door geen dier gegeten. Dit gewas bloeide voornamelijk in
Augustus, als wanneer het met eenen fraaijen, blaauw-paarsachtigen
trosbloesem versierd was.--Hoogere zandbollen, ter hoogte van slechts
ééne el boven volzee, waarop eenig dor gras, geel-groenachtig mos en
biezen groeiden, welke drooge, spichtige ruigte, evenmin door eenig
vee als voedsel werden gebruikt, zijn sedert voormelde bedijking,
grootendeels in vruchtbare wei- en bouwland herschapen.
In de nollen en kleine duinen vindt men, behalve mos en helm, eenig
duinwilg, duinriet, wilde dorenstruiken, met gele bessentrossen (eene
soort van brem of braam) en wilde vlier, welke planten men ook hier
en daar aan de groote duinen vindt.
Inzonderheid echter blijkt de belangrijkheid van Texel's
voortbrengselen uit de volgende statistiek, welke uit officieele
bronnen is zamengesteld:
In 1854 werden op Texel 1552 bunders land, met onderscheiden
veldgewassen bebouwd, als:
454 bunders met tarwe, waarvan de opbrengst is geweest 24 mud per
bunder; te zamen 10896 mudden;
bunders met rogge, ad 17 mud per bunder, te zamen 1649 mud.
bunders met garst, ad 45 mud per bunder, te zamen 5670 mud.
bunders met haver, ad 45 mud per bunder, te zamen 10720 mud.
bunders met koolzaad, ad 20 mud per bunder, te zamen 1060 mud.
bunders met erwten, ad 13 mud per bunder, te zamen 3653 mud.
bunders met paardenb., ad 10 mud per bunder, te zamen 355 mud.
bunders met aardappel., ad 120 mud per bunder, te zamen 22200 mud.
bunders met knollen, ad 300 mud per bunder, te zamen 5250 mud.
bunders met vlas, waarvan de opbrengst zeer voldoende was.
bunders met meekrap, welke proef mede zeer goed geslaagd is.
De tegenwoordige koopwaarde dezer landerijen is van f 1000-f 1400,
per bunder gras- en bouwland, terwijl de huurprijzen per bunder,
naar gelang der deugdelijkheid en ligging der perceelen, tusschen f
40 en f 65 varieert.
De veestapel bestond op 31 December 1854, uit 4 hengsten, 355
ruinpaarden, [6] 380 merriepaarden, 65 veulens, 18 stieren, 255 ossen,
1182 koeijen, 575 kalveren, 1 ezel, 38,523 schapen, 6 bokken en 191
geiten, terwijl er 496 varkens zijn geslagt. Er waren ongeveer 300
houders van schaapskudden.--
Van veel belang is hier dan ook de veehandel. Zoo werden er in
1854 uitgevoerd (direct naar Londen) 156 runderen, 293 schapen
en 4 kalveren, en naar de provincien Noord- en Zuid-Holland, 324
runderen, 5,338 schapen en 20,208 lammeren, terwijl er op de Texelsche
weekmarkten aan den Burg, verhandeld werd 1656 schapen, 69 koeijen,
10 kalveren; 18 paarden; 5 veulens en 65 varkens.--
De productie der groene kaas vermindert echter bij vroeger, zoodat
de geheele uitvoer van dat artikel in gemeld jaar, 21,210 N. lb heeft
bedragen. Van meer belang was de opbrengst der wol, naardien er eene
hoeveelheid van 99,538 N. lb werd gewonnen.--
De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend. Het gering getal korven,
hier aanwezig, wordt alleen tot genoegen gehouden.--
Tegen over deze voortbrengselen en uitvoer, staat de invoer van
alle koloniale waren, manufacturen, turf, hout en steenkolen,
tarwe, rogge, boekweit, paardenboonen, boter, kaas, enz.; vroeger,
vóór dat de zoogenaamde aardappelenziekte is ontstaan, werden ook
de voor de consumtie benoodigde aardappelen, zoo uit de provincie
Friesland, als uit Groningen en Zeeland hier ingevoerd; doch sedert
het bestaan der bekende ziekte onder deze aardvrucht, heeft men zich
op den verbouw van dit voorname voedingsmiddel zoodanig toegelegd,
dat er sedert de laatste jaren, bijna geene aardappelen van elders
meer worden aangebragt, dan alleen in dien tijd, als de vrucht nieuw
uitkomt; want, in den regel, worden er hier vóór de maand Augustus
geene aardappelen gerooid. Daarentegen worden er nu jaarlijks duizende
mudden uitgevoerd, welke, om hunne goede eigenschappen en heerlijken
smaak, zeer gezocht zijn.--
Eene andere tak van nijverheid, die vooral in vorige jaren van veel
belang was, is de oestervisscherij. Zij die zich op Texel, op deze
visscherij toeleggen, wonen uitsluitend te Oost en Oostereind. De
oesters worden hoofdzakelijk gevangen op de banken tusschen Texel
en Wieringen, en in de vaarwaters tusschen en om deze eilanden,
met name, in Texel's stroom, (dat is het grootscheeps vaarwater)
en in het Amsteldiep; zoo ook in den Vliestroom, bij Vlieland, in de
Meep bij Terschelling, in de Jetting en de Blaauwe Slenk, tusschen
Harlingen en de Eilanden.
Van het jaar 1825-1845 werden de meeste oesters in den Vliestroom,
langs de Grienderwaard, de Meep, de Jetting, enz., gevangen. De
oestervisscherij verkeert echter, sedert de laatste acht à tien
jaren, in eenen kwijnenden toestand. De oesterbanken, en zoo ook
de evengenoemde stroomen, schijnen bijna geheel ontvolkt te wezen,
zoodat er in de laatste jaren weinig of geen groei van oesters, in de
nabijheid van dit Eiland heeft plaats gevonden, en men genoodzaakt
is geworden, om, ten einde den Texelschen oesterhandel te behouden,
in de laatste jaren, belangrijke bezendingen oesters uit Frankrijk
en Engeland te ontbieden, om dezelve op de Texelsche oesterbedden
of oesterputten te speenen. Door dit een en ander, zijn de Texelsche
oestervisschers genoopt, hunnen toevlugt te nemen tot het oestervissen
op de Zeeuwsche banken, werwaarts zij zich jaarlijks, in de maanden
September en October, begeven. De aldaar geviste oesters worden
mede hier, in de daarvoor bestemde putten of bedden, gespeend, en
dan na verloop van eenigen tijd, of in het volgende jaar, ter markt
gebragt.--In vroegere jaren bedroeg het getal oesters, dat jaarlijks
door de Texelsche visschers gevist werd, ettelijke millioenen; thans
echter bedraagt dit getal slechts eenige honderd duizenden [7]. Van
daar dat de oestervisscherij, die vroeger eene hoofdbron van bestaan
voor de bewoners van het Oost was, thans eene bijzaak is geworden,
zoodat de oestervisschers zich sedert 1846, meer hebben toegelegd op
het maaijen en droogen van wier of zeegras, dat tegenwoordig veelal
hun hoofdbestaan uitmaakt. Zoo werd er in 1854 eene hoeveelheid van
250,000 Ned. lb ad f 6 de 100 kilo, gedroogd wier, uitgevoerd. Te
Oosterend en Oost, werd dit zeegewas, in gemeld jaar, verzameld door
140 man met 70 schuiten en andere vaartuigen, terwijl aan het Oude
Schild 18 man met 9 vaartuigen, en aan den Hoorn, een schuit zich
daarmede bezig hielden [8].--
Voorts leggen de oestervisschers zich ook op de palingvisscherij
toe, door deze visch op de Waarden, met elgers, uit den grond
te zeilen. Deze bezigheid verschaft hun, nadat de wierdroogerij
geëindigd is, in den herfst, tot dat de vorst invalt, en ook vroeg
in het voorjaar, het noodige levensonderhoud, dat zij overigens,
gedurende de maanden Mei en Junij, door de schelpvisscherij trachten
te erlangen [9].
De weinige personen die zich nog bepaald op de oestervisscherij
toeleggen, oefenen tevens de ansjovischvangst op de Zuiderzee uit.--
De Texelsche oesters, worden, voor zoo veel de groote, of zoogenoemde
koroesters betreft, meest naar het buitenland verzonden, en
voornamelijk naar Hamburg, van waar zij ook naar Berlijn en Petersburg
worden overgemaakt.
De middelbare en kleinere soorten, worden in den binnenlandschen
handel gebragt, en meerendeels naar Amsterdam gevoerd.
Gelijk er over het algemeen in ons vaderland eene groote
verscheidenheid in de grondgesteldheid van den bodem wordt waargenomen,
zoo is dat verschil, ook omtrent Texel op te merken.--
In het zuidwesten heeft dit eiland hooge heuvels die zich in eene
noordelijke rigting tot achter den Burg uitstrekken. Deze grond
is voor het meerendeel gelijk aan die op de Veluwe. Eerst treft
men op eene diepte van ongeveer drie à zes palmen, een land aan,
hetwelk bebouwd schijnt geweest te zijn, of met heide begroeid;
vervolgens vindt men eenen leemachtigen grond, doormengd met steenen
van onderscheidene soort en grootte, zoo als keisteenen, marmer,
keijen, gisp, agaat en zelfs kristal, benevens veel vuursteen, "op
de wijze als groote droppelen, met eene witachtige korst omgeven;
voorts porfier en zoogenaamde graniet, waarvan ik hier eenen tamelijk
grooten, ronden klomp gezien heb."--Ook vindt men in dezen grond vele
dusgenoemde ijzernoten, benevens steenen die met ijzererts vermengd
zijn; terwijl men aan de helling van den heuvel, welke hier den
Hoogen Berg wordt genoemd, en wel aan de zuidzijde, alwaar men nu
eene openbare wandelplaats, het Doolhof genaamd, met eenen daarbij
gebouwden koepel, of tent, heeft aangelegd, eene langwerpig ronde,
gladde en bruinachtige kei vindt, welke hier algemeen bekend is
onder den naam van den Engelschen steen. Deze kei stak met haren top
een weinig uit den grond. Het min verlichte gedeelte der bevolking,
waande, dat de voet dezer kei, tot in Engeland doorging, van welk
dwaas vermoeden zij echter terugkwam, toen dezelve ondergraven en
losgemaakt zijnde, een lossen steenklomp vertoonde, die, naar gissing,
ongeveer vijf en twintig duizend ponden woog.
Deze leemachtige en met steenen als doorzaaiden grond, heeft eene
gemiddelde diepte van 10 à 14 palmen. De rondachtige gedaante van de
meesten dezer keijen en steenen, doet ons met grond vooronderstellen,
dat dezelve lang onder het water bedolven zijn geweest; hetzij, ter
plaatse waar zij nu gevonden worden, of, vóór dat zij daar gestort
zijn.--Dit laatste is echter het meest waarschijnlijk, naardien
een hier gevonden vuursteentje, waarin een schelpje verborgen zat,
van die soort, welke men menigmaal aan onze stranden vindt, en die
zaagjes genoemd worden, geene gelegenheid moet gehad hebben om op
deze plaats in dat vuursteentje te kunnen komen.--
Onder den voorschreven grond ontdekt men allerhande soort van zand;
grof, met ijzerachtig vocht als aaneengebakken, en dááronder zeer
wit en fijn zand, zelfs mergel, zoo als dit ook in het graafschap
Zutphen gevonden wordt, en dat in Engeland en België, tot bemesting
van het land wordt gebezigd.
Inderdaad, wel mogt zeker natuuronderzoeker, met het oog op dit
gedeelte van Texel's bodem, vragen: "Welke verschrikkelijke gebeurtenis
heeft dien grond herwaarts gevoerd?--Op welk eene wijze komt die
zware, en door het water glad geslepen keisteen, op deze plaats?" Deze
hooge heuvelenrei, waarop de hoofdplaats de Burg gebouwd is, gaat
langzaam af tegen het Noordwesten, en eindigt achter die plaats tegen
de zoogenaamde Miend, zijnde eene streek gronds, waarin een zeer
groote kolk is, die vroeger aan veel watergevogelte ten verblijve
verstrekte. Het is niet onwaarschijnlijk dat de afwatering der duinen,
van tijd tot tijd deze kolk gevormd en uitgebreid heeft. Deze geheele
noordwestelijke streek, alwaar land en water beide zoet zijn, is
vroeger, naar men mij verhaalde, veel meer bewoond geweest, doch door
de bewoners van tijd tot tijd verlaten, naardien het land, de onkosten
van bebouwen niet kon goedmaken, omdat het zeer ligt en zanderig is,
en gebrek aan behoorlijke afwatering heeft. In het laatste gedeelte
der voorgaande eeuw, lagen hier twee uitgestrekte bleekerijen, waarvan
de laatste, omstreeks 1775, gesloopt en verlaten is. De oppervlakte
dezer Miendgronden beslaat welligt driehonderd bunders lands. Omtrent
ter halverwege, tusschen den Burg en de Koog, liggen de Gerritslanden,
welke oudtijds eene bezitting uitmaakten van de Tempelieren, die hier
een klooster zouden gesticht hebben. Van een en ander is thans niets
meer zigtbaar dan eene hooge weide.--
De Oost- en Noord-Oostzijde van Texel bestaan voor het meerendeel,
uit kleilanden, welke met sloten van brak water doorsneden zijn,
terwijl het hooge land, hetwelk in perken is afgedeeld, door opgeworpen
zoden dijkjes, welke hier tuinen genoemd worden, omheind is. De weiden
aan die zijde zijn uitmuntend voor het vee, en inzonderheid voor de
schapen, die op de zoete landen dikwijls ongansch worden.
De Noord-Westkust van Texel is bezet met breede en langzaam hellende
duinen, die van tijd tot tijd, zoo door afspoeling als door aanslibbing
eenige verandering ondergaan [10].
In de nabijheid van de reeds genoemde Gerritslanden, liggen de
zoogenaamde Monnikkenlanden, en een weg, draagt nog ten huidigen
dage den naam van Monnikkenlaan, hetgeen ten bewijze kan strekken,
dat er oudtijds veel meer houtgewas gestaan moet hebben.--Men wil,
dat deze landen behoord hebben tot het voormalig gebied van het
klooster der Tempelieren, op Gerritsland, terwijl de Monnikkenlaan,
den gewonen weg zoude geweest zijn, langs welken de bewoners van het
klooster zich van en naar hunne woonstede begaven.
Het zuidelijk gedeelte des eilands is besloten door eenen hoogen dijk,
die tot aan den kruin met eene zware steenglooijing bekleed is; men kan
hier ook nog de overblijfselen bespeuren van eenige zomerdijkjes, die
thans nog bekend staan als Dijkstalen. Deze zijn thans zeer verlaagd
en waren waarschijnlijk in vorige tijden voldoende, om het water,
dat toen in de Zuiderzee mogt geweest zijn, te keeren.
Naardien Texel omtrent ééne graad noordelijker ligt dan de hoofdstad
der provincie Zuid-Holland, 's Gravenhage, komt het aangename
Lentesaisoen, hier ook ongeveer veertien dagen later, zoodat de
boomen hier iets later uitbotten en bloeijen, dan in het zuidelijk
deel onzes vaderlands, blijvende zij daarentegen, op dit eiland,
ook zoo veel langer met hunnen bladerdosch versierd; ook is hier de
winterkoude niet zoo streng, noch de zomerhitte zoo drukkend, als meer
zuidelijk, iets, dat mijns inziens, moet worden toegeschreven aan de
salpeterachtige uitwasemingen der zee, waardoor het eiland omringd is.
De hooge ligging en de frissche zeewinden, maken Texel overigens,
tot een gezond en vruchtbaar oord.
"Ik geloof niet," zegt zeker deskundige, "dat er eene gezondere
landstreek zijn kan; de lieden worden er oud, en, de kinderziekte
uitgezonderd, zijn er de besmettelijke ziekten zeer zeldzaam."--