Onder de voornaamste gedeelten van de Provincie Noord-Holland,
verdient vooral genoemd te worden het schoone en belangrijke eiland
Texel, een plek, zoo overwaardig algemeen gekend te worden.
Dit eiland, dat in het dagelijksch leven meestal Tessel wordt genoemd,
ligt ten Noord-Noord-Westen van de Zuiderzee en maakt thans, vereenigd
met Eijerland, eene gemeente uit, die tot het Arrondissement Alkmaar,
kanton den Helder, behoort.
Volgens de staatsregeling van 23 April 1798, maakte Texel het vijfde
Departement der Bataafsche Republiek uit. Het grensde ten Noorden en
ten Westen aan de Noordzee, ten Oosten aan de Zuiderzee, welke het van
het Departement van de Eems en van dat van den Ouden IJssel scheidde,
en aan het Departement van den Rijn, waardoor het van het Departement
van den Delf gescheiden was; terwijl het Departement van den Amstel,
bijna geheel in dit Departement besloten lag.
Tot dit Departement behoorden de eilanden Texel, Vlieland, Wieringen,
Urk en Marken, en dat gedeelte der Zuiderzee, hetwelk ten Westen van
de raailinie van Oost-Vlieland op Stavoren, en van daar over Urk op
Nijkerk, op de Veluwe, gelegen is. Het had tot hoofdplaats Alkmaar,
was verdeeld in zeven ringen, welke tot hoofdplaatsen hadden:
Medemblik,--Hoorn,--Alkmaar,-- Westzaandam,--Haarlem,--Leiden en
Naarden; -- telde ongeveer 240,000 zielen, en was zamengesteld uit
de geheele tegenwoordige Provincie Noord-Holland, behalve de Stad
Amsterdam en omstreken, en het eiland Terschelling, terwijl ook een
gedeelte van Zuid-Holland, mitsgaders het Zuidwestelijk deel der
Provincie Utrecht, tot dit Departemnt behoorden.
Texel ligt ruim 1/2 uur Noordwaarts van de uiterste punt van
Noord-Holland's vaste kust, en op gelijken afstand Zuid-westelijk
van het eiland Vlieland. Ten Noorden wordt dit eiland omspoeld
door het West-Vlielandsche diep of Eijerlandsche gat, dat niet
zeer geschikt, of liever zeer gevaarlijk, is voor de doorvaart van
schepen. Oostwaarts paalt Texel, aan de beroemde reede van dien naam,
de Pan en de Zuiderzee. Oudtijds werd deze reede het Waaigat geheeten,
en biedt aan groote zeeschepen, aan den Zuidoostwal, eene goede
ankerplaats. De beste legplaats vindt men over den Rug, alwaar het
water een diepte van 145-260 palm heeft. Ten Zuiden wordt dit eiland
begrensd door de Helsdeur en het Noordergat, terwijl de Noordzee
het aan de Westkust bespoelt. Dit Noordergat, ook het Nieuwegat
genoemd, is een gevaarlijk vaarwater. De diepte is er zeer ongelijk:
op sommige plaatsen staat 12 à 13, op andere punten slechts 3 à 4
ellen water. Over het geheel is het zeer droog en bezet met vele,
meestal zeer steile banken of ruggen, en niet dan bij hoogen nood,
voor kleine schepen raadzaam te bevaren. Het ligt ten Noorden van
de Zuiderzee; wordt Oostwaarts door de Hors van Texel, en aan de
tegenovergestelde zijde door de Noorder Haaks, de Onrust en de Oostpunt
der Laan, bepaald, en loopt uit het Marsdiep in de Noordzee. In het
Noordwesten liggen de algemeen bekende, gevaarlijke Eijerlandsche
gronden, zijnde eene zeer gevaarlijke ondiepte, Noordwestwaarts van
den ingedijkten polder het Eijerland, (dat vóór het jaar 1629 een
eiland op zich zelf was,) waar men eene buitengewoon hevige branding
aantreft, en waarin reeds tal van schipbreukelingen den dood vonden,
en vele schepen verbrijzeld werden. [2]
Op den steenachtigen bodem worden vele zware rolsteenen of vleuten,
benevens zware boomstammen gevonden. Naar men zegt, zou er op de
plaats, waar nu de Eijerlandsche gronden zijn, een eilandje hebben
gelegen, dat de Buitengrind genoemd werd. Zoo men meent, was dit eiland
of eilandje oudtijds bewoond, en zou Drusus, de opperbevelhebber
der Romeinen, daarop een kasteel of burg hebben doen aanleggen, dat
Flevum werd genoemd. Althans, in 1590 waren op de Grind nog eenige,
van zeer groote steenen gemetselde, putten aanwezig.--Ook is het door
de berigten van Adrianus Junius, den Marquis De St. Simon en Rutger
Paludanus, buiten twijfel gesteld, dat Drusus in deze streken, zoowel
Noord- als Zuidwaarts, dijken heeft aangelegd, zoo als o.a. de Straat
bij Texel, welke zich Zuidoostelijk van de Koog door den geheelen
Wieringerwaard, over de Gammels, ten Noorden van Stavoren, in de
Zuiderzee uitstrekt.
Zuidwestwaarts van Texel liggen de droogten en groote zandbanken,
welke onder de benamingen van de Haken (Noorder- en Zuider-Haaks)
bekend zijn.
Op deze uitgestrekte zandbank, die nog heden de sporen draagt van zijne
vroegere verbinding met den vasten wal, en daarvan vermoedelijk door
den geduchten stormvloed van 1170 is afgescheurd, stond nog in 1424 een
zwaar bosch; terwijl er thans nog, in de zoogenaamde Hechtsgronden,
ten N. van Texel, zoovele stronken en boomstammen aanwezig zijn, dat
zij den visschers voor hunne netten, dikwijls zeer nadeelig zijn. Deze
gevaarlijke droogte ligt vóór het Marsdiep, westwaarts van den Helder,
waarvan het ten Zuiden door het Schulpegat gescheiden is, terwijl
het Noordergat dezelve in het Noordoosten van de Hors (de Z. W. punt
van Texel) afscheidt. Deze strekt zich van het Z. W. ten Z. naar het
N. W. ten N. uit, en heeft eene lengte van 0,75 mijl; geen wonder
voorwaar, dat deze gevaarlijke droogte den zeeman vrees inboezemt.
De tijd heeft echter ook op de Haaks zijnen invloed merkbaar
uitgeoefend, daar zij vroeger uit drie afzonderlijke banken, de
Noorder- en Zuider Haaks, en de Middenrug geheeten, bestond. [3]
Texel wordt aan de Noordwest- en ook aan de Westkust, door hooge
duinen, welke zich aan dien kant langs het geheele eiland uitstrekken,
en die achter het dorpje de Koog, op het smalst zijn, tegen de woede
der Noordzee beschermd. Aan de Noordzijde erlangt het eiland die
beschutting door eenen zanddijk, welke in de jaren 1629 en 1630
langs het Eijerland is aangelegd. Aan het Zuiden strekt daartoe
gedeeltelijk eene duinstreek, en gedeeltelijk een' stuifdijk, die in
1846, door de ingezetenen van het dorp den Hoorn, over een lengte van
3800 ellen is aangelegd; terwijl eindelijk de Oostzijde geheel door
zware beglooide zeedijken tegen de baren der zee beveiligd wordt. (Zie
voorts de Kaart.)
Groot is de verandering, welke de bodem van Texel van tijd tot
tijd ondergaan heeft, naardien men in den loop der drie laatste
eeuwen onderscheidene uiterwaarden en poelen, aan en in het eiland,
bedijkt heeft; zoodat er thans op Texel niet minder dan negen en
twintig polders zijn, behalve de aangedijkte polders, welke in de
gemeene dijkslasten niet deelen. Al deze polders staan onder het
Heemraadschap van Texel, bestaande uit eenen Dijkgraaf, vijf Heemraden,
vier Hoofdingelanden, en eenen Secretaris.
De uitgestrektheid van Texel bevat thans eene lengte van circa vijf,
bij eene breedte van bijna twee uren gaans, en beslaat eene oppervlakte
van 18,763 bunders, 72 [] roeden en 58 [] ellen; waarvan 14,491
bunders, 76 [] roeden en 21 [] ellen belastbaar land. In 1559 werd
Texel bevonden groot te zijn 3688 morgen. In 1562 werd de grootte
opgegeven als beslaande 3844 morgen lands. De bodem is niet geheel
vlak, maar heuvelachtig, en biedt den vreemdeling, vooral van den
zoogenoemden Hoogenberg, een schoon landtafereel aan, rijk aan
afwisseling en bevallige verscheidenheid. Het geheele voorkomen van
Texel heeft veel overeenkomst met een landschap, uit Gelderland's
hoogste gedeelte.
Tegenwoordig heeft men op Texel, behalve de hoofdplaats den Burg, welke
geheel het aanzien heeft van een bevallig landstadje, de volgende
dorpen en gehuchten: Het Oude Schild of Schil, het Nieuwe Schild,
Oost, of om de Oost, Zevenhuizen, Oostereind, de Waal, de Cocksdorp,
de Koog en den Hoorn--te zamen (op 1 Jan. 1856) bevattende 1172 huizen,
bewoond door 1296 gezinnen, uitmakende eene bevolking van 6109 zielen,
waarvan 3101 tot het mannelijk en 3008 tot het vrouwelijk geslacht
behooren,--en, naar de onderscheidene geloofsbelijdenissen, verdeeld
wordende in:
Nederduitsch Hervormden 3768
Doopsgezinden 1102
Roomsch Catholijken 1218
Israëliten 13
Lutherschen 5
Remonstranten 3
Een volledig overzigt der bevolking bieden wij onzen lezers in de
navolgende lijst aan:
STAAT der Bevolking, getal Huizen en Huisgezinnen der verschillende
Dorpen, Buurtschappen, Polders en Gehuchten, op het eiland Texel,
op 1 Januarij 1856.
Benaming der Getal Huis- Mann. Vrouw. Totale Aanmerkingen.
Dorpen, Huizen. gezinnen. Bevolk. Bevolk. Bevolking.
Buurtschappen,
Polders en
Gehuchten.
De Burg 272 321 711 648 1359 Dorpen.
Oude Schild 187 187 412 441 853
Hoorn 152 130 328 415 743
Oostereind 160 120 265 240 505
De Waal 32 36 66 65 131
De Koog 17 17 38 37 75
Cocksdorp 53 53 131 145 276
Eijerland 140 142 393 331 724 Polders.
Eendragt 9 9 18 18 36
Prins Hendrik
Polder 8 14 37 36 73
Waal en Burg 12 15 47 40 87
Burg en Nieuwland 4 4 19 13 32
Oost 39 48 137 31 268 Gehuchten.
Zevenhuizen 15 16 42 43 85
Nieuwe Schild 4 7 16 19 35
Harkenbuurt 7 7 17 20 37 Buurtschappen.
Spang 9 9 21 20 41
Molenbuurt 3 3 10 14 24
Burgen 9 9 29 19 48
Dijkmanshuizen 4 4 16 12 28
Tienhoven 4 4 16 12 28
De Westen 15 15 45 39 84
Zuidhaffel 9 9 24 19 43
Westergeest 6 6 18 11 29
Hoogenberg 11 11 21 16 37
Het vorenstaande sluit echter niet met het boven deze lijst opgegeven
totale cijfer, naardien de afzonderlijk staande boerenwoningen,
niet onder de buurtschappen zijn begrepen.
Veeteelt, en vooral de schapenfokkerij, landbouw, visscherij, handel
en zeevaart, zijn de hoofdmiddelen van bestaan op Texel.
De Texelaars staan, over het algemeen, op eenen vrij hoogen trap
van beschaving, zoodat zelfs de geringste handwerksman of daglooner,
zich op eene wijze doet kennen, welke, met grond, een fiks ontwikkeld
verstand en helder oordeel doet vooronderstellen. In dit opzigt
onderscheiden zij zich gunstig van de bewoners uit het zoogenoemde
boerenland.
Hun veelvuldig verkeer met vreemdelingen, zal, behalve het
volksonderwijs, daarvan wel de voornaamste reden zijn.
Men treft onder de bewoners van Texel, vele welgestelde lieden aan,
waaronder niet weinige die zich, door eene eenvoudige en spaarzame
levenswijze, (eene nagenoeg algemeene eigenschap dezer eilanders)
een niet onaanzienlijk vermogen vergaderd hebben, hetwelk hier
hoofdzakelijk in landerijen en vee bestaat.--
Het geheele eiland biedt overvloedige gelegenheid aan, tot uitoefening
der jagt op hazen, konijnen en gevogelte; waarop wij in het volgende
hoofdstuk nader zullen terugkomen, en waarbij ons de belangrijkheid van
dit eiland, ook vooral ten opzigte van zijnen landbouw en veestapel,
nader blijken zal.
Het wapen van Texel bestaat uit een gouden veld waarop een omgekeerd
anker, dat gesteund wordt door twee rijzende leeuwen in natuurlijke
kleur.