Vier weken later gaf de minister van buitenlandsche zaken een bal.
Alle zalen waren schitterend verlicht. In de groote danszaal viel het
licht van de electrische kronen op het gewoel der feestelijk gekleede
gasten, die zich op den maat der muziek bewogen.
Schoone oogen keken verleidelijk, kostbare juweelen schitterden, blanke
schouders en vrouwenhalzen kwamen te voorschijn uit de fijne kanten der
zijden japonnen, uniformen en bonte ridderorden verbraken de
eentonigheid der zwarte fracs.
De voorname wereld der Theemsstad had zich verzameld in de woning van
den minister, de dragers van de oudste, meest aristocratische namen
waren aanwezig.
Ook Lord en Lady Rochester ontbraken niet. De Lord droeg al zijn orders
en Lady Lea prijkte in den glans van haar juweelen, dezelfde juweelen,
die in zoo hooge mate de bewondering van Raffles hadden opgewekt en die
zij ter eere van het groote feest uit het geheime vak van de brandkast
had te voorschijn gehaald.
Zooeven hadden de graaf van Kent en Lord Kensington zich met haar
onderhouden.
Maar zij luisterde nauwelijks naar de woorden der beide heeren.
Haar blik dwaalde onophoudelijk naar een groep, waarheen zich ook de
hertog van Devonshire, arm in arm met Lord Percy Meneval had begeven en
waarvan de bekoorlijke Lady Magdalena Heastfield het middelpunt vormde.
Lady Magdalena Heastfield was een jonge weduwe van buitengewone
schoonheid, die haar echtgenoot—hij was bij een wedren van het paard
gevallen en had zijn nek gebroken—eerst twee jaar geleden verloren
had.—
En daar zij niet alleen schoon en geestig, maar ook zeer rijk was,
ontbrak het haar niet aan talrijke vereerders.
Maar Lady Magdalena treurde in haar hart nog altijd over haar jongen
echtgenoot en scheen volstrekt geen plan te hebben, haar vrijheid prijs
te geven.
Lady Lea hield krampachtig haar sierlijken waaier vast, toen Lord Percy
een buiging maakte voor de schoone weduwe en haar slanke hand aan zijn
lippen bracht.
Het was ongehoord! Deze onbeschaamde had de brutaliteit, dit bal te
bezoeken, waarop hij wist, dat ook zij zou zijn! Ja, nog erger, hij had
zelfs haar durven begroeten en op doodgewonen toon naar haar welstand
geïnformeerd!
Dat had hij gewaagd, hij, wien zij wraak Had gezworen!
En terwijl zij verstrooide antwoorden gaf aan de beide heeren, dacht
zij na over haar wraak en verging zij van woede, haat en jaloezie!
Ja, Lady Lea was jaloersch. Zij voelde, dat zij dezen man, hoewel hij
haar versmaad en gehoond had, nog steeds beminde. Woede maakte zich van
haar meester, toen zij zag, hoe zijn oogen schitterden, terwijl hij met
de schoone Lady Heastfield sprak.
De muziek weerklonk opnieuw.
Lord Percy bood de schoone weduwe zijn arm en een oogenblik later
zweefden de beide slanke, sierlijke gestalten door de zaal.
Lady Lea had een gevoel alsof zij zou stikken. Het kostte haar
ontzettende moeite om niet midden in de zaal te gaan en te schreeuwen:
„Die man, die zich hier heeft ingedrongen en die nu met Lady Heastfield
danst, is Raffles, de gevreesde Raffles, de groote onbekende! Grijpt
hem en werpt hem in de gevangenis!”
Dat zou wraak zijn geweest!
Zij zag in haar gedachten de verwarring, die Het gevolg van deze
woorden zou zijn.
Maar dit plan was onuitvoerbaar, want zij zou zichzelf erdoor in het
verderf storten.— —
En hoe haatte zij Lady Heastfield! Zij was jong en schoon, veel jonger
en mooier dan zij zelf. Raffles beminde haar ongetwijfeld.
Hij was wel een dief, maar een bijzondere, een die met het gestolen
geld weldadigheidsreclame voor haar had gemaakt Maar toch benijdde Lady
Lea haar mededingster, omdat hij van haar hield!
Als Raffles had gewild, hoe gaarne zou Lady Lea hem zelfs nu nog weer
met open armen hebben ontvangen!
Intusschen had het schoone paar, waarop alle blikken vol bewondering
rustten, den dans geëindigd.
„Ik ben een beetje moe en dorstig, Mylord,” sprak Lady Magdalena tot
haar cavalier, toen hij haar naar haar plaats terug wilde brengen.
„Breng mij naar het buffet en naar een rustig plekje, waar men een paar
minuten rustig kan babbelen. Dat wil zeggen, als het u niet lastig is,”
vervolgde zij met een bekoorlijk lachje, „want ik wil u niet aan het
gezelschap onttrekken.”
„Ik ken geen aangenamer taak, dan u van dienst te zijn, Mylady,” sprak
Raffles en galant bood hij haar zijn arm.
Aan het buffet dronken zij een glas sect. Daarop begaven zij zich naar
een magnifiquen wintertuin, waar niemand was en waar zij ongestoord
konden praten.
Raffles keek met welgevallen naar de sierlijke gestalte der jonge
vrouw, die tegenover hem zat op een causeuse onder de groote bladeren
van een waaierpalm, terwijl hij op een klein stoeltje had plaats
genomen.
Hij had reeds dikwijls met haar gebabbeld en steeds behagen geschept in
haar natuurlijke geestigheid, die zoo geheel anders was dan de
opgesmukte gemaaktheid der modedametjes.
„Zal Mylady ook deelnemen aan den grooten liefdadigheidsbazaar in
Guild-Hall?” vroeg hij.
Lady Magdalena schudde het mooie, bruingelokte kopje. Haar groote,
fluweelzachte oogen namen een ironische uitdrukking aan.
„Hebt gij misschien lust, die weldadigheids-comedie te bezoeken,
waarop, zooals altijd, onze dames de liefdadigheid uitoefenen om in
werkelijkheid alleen zichzelf wel te doen, dat wil zeggen, zichzelf en
haar bekoorlijkheden ten toon te stellen, als het niet nog erger is.
„Neen, ik bedank er voor. Ik heb altijd het land, als ik den volgenden
morgen ellenlange berichten over al die liefdadige dames en haar
toiletten in de couranten lees. Als ik goed wil doen, heb ik daarvoor
geen bazar of bal noodig.
„Er is helaas ellende genoeg in de wereld en het is te treurig, dan dat
men er feesten voor moet gaan vieren, waarvan zelfzucht het eigenlijke
motief is.”
„Flink gesproken!” riep Raffles-Meneval vol geestdrift uit. „Mag ik ten
teeken mijner sympathie met deze woorden uwe vingers kussen?”
De Lady liet hem glimlachend begaan en vervolgde toen:
„Kijk eens, Mylord, men vertelt zooveel van een zekeren Raffles. Ook
gij hebt ongetwijfeld wel van hem gehoord?”
De ander knikte zonder dat een spier van zijn gelaat veranderde.
„Wel,” antwoordde hij op onverschilligen toon, „wat heeft die met uw
oordeel over weldadigheid te maken?”
„O, heel veel! Gij zult toch ook wel weten, dat juist hij een echt
weldoener der menschheid is. Hij neemt van den overvloed der rijken en
geeft het aan de armen! Zijn methode is niet onberispelijk en Raffles
is, naar de gewone opvatting, een misdadiger, maar een zeker waas van
poëzie omgeeft hem en daarom bevalt hij mij. Ik zou het een groot
voorrecht vinden, hem eens te ontmoeten!”
Raffles-Meneval nam weer de hand der schoone weduwe en bracht die met
een glimlach aan zijn lippen.
„Als de groote onbekende deze woorden kon hooren, dan zou hij innig
gelukkig zijn en uw schoone hand even dankbaar aan zijn lippen drukken
als ik het nu vol bewondering doe!”
Lady Magdalena onttrok hem glimlachend haar slanke hand.
„Gij zijt een vleier, Lord Meneval! Maar zeg zelf eens, moet men niet
reeds het vernuft bewonderen, waarmee Raffles de ware ellende altijd
weet te vinden? O, ik weet dat te waardeeren, want ook ik beweeg mij op
dat gebied. En daarom weet ik, hoe moeilijk het is, de werkelijk
behoeftigen en noodlijdenden te vinden.
„Het is trouwens ook geen ongeluk, als een weldaad iemand treft, die
het eigenlijk niet verdient. Stumperds zijn het toch eigenlijk
allemaal, die ongelukkigen en de hoofdzaak is om die stumperds in de
maatschappij te helpen.”
Haar toehoorder was verrukt.
„Gave God, dat alle rijken zoo dachten en handelden als gij, Mylady!”
sprak hij ontroerd. „Ik ben ervan overtuigd, dat, Raffles dan weinig te
doen zou hebben!
„Daarom ben ik blij, u met mijn ervaringen te kunnen helpen. Ik werk
namelijk ook een beetje op dat gebied, dat wil zeggen,” viel hij
zichzelf bescheiden glimlachend in de rede, „alleen als amateur.
„Juist vandaag leerde ik in het Oosten der stad een armen drommel
kennen, een handwerksman, die zijn familie jarenlang op fatsoenlijke
wijze heeft onderhouden, totdat een langdurige ziekte hem het bed deed
houden.
„De familie gaat nu haar ondergang tegemoet. Het allernoodigste heb ik
dien armen menschen dadelijk gegeven.
„Maar zij hebben meer noodig, minstens vijftig pond, om weer in
behoorlijke omstandigheden te komen.
„Voor de eerlijkheid en het fatsoen dier menschen sta ik in, maar mijn
kas is helaas op het oogenblik volkomen leeg!”
Hij keek Lady Magdalena vol verwachting aan.
Haar wangen waren met een blos van genoegen zacht rood gekleurd. Haar
oogen straalden, toen zij hem vertelde, dat zij hem dankbaar was voor
zijn mededeeling en hem gaarne met het dubbele bedrag of nog meer wilde
bijstaan.
„Ik heb het allang geweten, dat gij veel beter zijt dan al die elegante
jonge mannen uit onze kringen, Lord Meneval,” sprak zij met warmte.
„Hoe zouden onze jonge lieden, die het zoo druk hebben met hun sport en
geflirt, nog tijd hebben om zich te bekommeren om de ellende hunner
medemenschen? Ik vind het verrukkelijk, Lord Percy, in u misschien een
trouwen bondgenoot in mijn streven te hebben gevonden!”
Raffles boog zich over haar heen.
Noch hij, noch de Lady merkten, dat op dit oogenblik de portière werd
bewogen en dat van achter het zware gordijn voor een oogenblik het
gelaat van Lady Rochester zichtbaar werd.
Zij had het paar in den wintertuin zien verdwijnen. Haat en ijverzucht
hadden haar geen rust meer gelaten en haar hierheen gevoerd.
„En het geld voor mijn beschermeling?”
Raffles had de vraag zoo zacht gedaan, dat Lady Rochester de woorden
niet verstond, vooral omdat hij met zijn rug haar haar toe zat.
Des te duidelijker echter vernam zij het antwoord van Lady Magdalena.
„Mylord, er is niets, wat ik u zou kunnen weigeren, vooral als gij het
zoo smeekend vraagt!” sprak zij met een glimlach vol lieftalligheid.
„Kom morgen, voor den middag, om elf uur bij mij! Ik zat u dan geven
wat gij wenscht en gij zult over mij tevreden zijn.”
Lady Lea zag alleen nog, dat de Lord de hand der jonge vrouw aan zijn
lippen drukte.
Daarna snelde zij heen.
Toen zij eenigen tijd later het paar weer in de balzaal zag, staan
praten, fonkelden haar groene oogen van diepen haat.
Zij werd beurtelings bleek en rood.
„Wraak! wraak!” fluisterde zij tot zichzelf en toen zij het bal had
verlaten en reeds lang weer thuis was, bedacht zij nog steeds, hoe zij
haar wraaklust zou kunnen bevredigen aan Raffles en tegelijkertijd aan
haar vermeende mededingster.
Toen zij eindelijk haar plan had gemaakt, sliep zij in.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Den volgenden morgen ontving kapitein Baxter het volgende telegram:
„Kapitein Baxter, Scotland Yard. Raffles is de geliefde van Lady
Magdalena Heastfield, als gij hem wilt gevangen nemen, zult gij hem
hedenmorgen om 11 uur in het boudoir der lady vinden.”
Toen de kapitein, die juist de morgenrapporten doorkeek, deze regels
las, werden zijn oogen al grooter en grooter.
Zijn adem werd zwaar, hij hijgde van opgewondenheid en de detectives,
die in het vertrek aanwezig waren, keken hem vol verbazing aan.
„Wat is er, kapitein?” vroeg sergeant Tyler. „Een moord gepleegd, of —
—?”
„Ik geloof, dat ik dit gezicht ken,” mengde detective Marholm zich
erin, terwijl hij dichterbij kwam. „Ik durf wedden, dat het weer
betrekking heeft op de een of andere streek van onzen vriend John C.
Raffles!”
Kapitein Baxter keek hem met een ontevreden blik aan.
„Bijna geraden, detective Marholm, want al komt het telegram ook niet
van Raffles, het heeft toch betrekking op hem!
„De duivel mag mij halen, als daar niet een vrouw achter steekt!”
„Des te beter!” meende Marholm, nadat de detectives het telegram
gelezen hadden. „Gij weet, kapitein, dat haat en ijverzucht onze beste
bondgenooten zijn!”
„Gij hecht dus waarde aan dit telegram?” vroeg kapitein Baxter.
„Ongetwijfeld,” antwoordde Marholm, die dikwijls een verbazende gave
van combineeren bezat. „Dit telegram komt van de een of andere vrouw,
die door Raffles in de liefde is teleurgesteld”
„Hm,” mompelde de kapitein nadenkend.
Hij dacht aan zijn waarnemingen in het slaapvertrek van Lady Rochester.
„Ik geloof werkelijk, dat gij gelijk hebt, Marholm,” antwoordde hij op
levendigen toon. „Dus eindelijk zal de wraak van een vrouw ons Raffles
in handen spelen!”
„Hij zou de eerste niet zijn, die door een vrouw te gronde ging”, sprak
Marholm.
„Zeker, zeker, beste Marholm”, antwoordde de kapitein, die zich steeds
meer op zijn gemak begon te voelen. „Maar zeg mij eens hoe laat wij het
hebben!”
Marholm haalde zijn horloge te voorschijn.
„Precies kwart over tien, kapitein!”
„Mooi! Dan hebben wij geen oogenblik meer te verliezen. Voordat we een
uur verder zijn, moeten wij den grooten onbekende in onze handen
hebben.”
„Ongetwijfeld!” riep Marholm uit. „Hij mag ons dezen keer niet
ontsnappen!”
Kapitein Baxter gaf geen antwoord, maar nam onmiddellijk zijn
voorbereidende maatregelen.
Een half uur later trok hij er met een groot aantal detectiven en
gewone politieagenten op uit, — — — —