Toen Lord en Lady Rochester bij Het souper tegenover elkaar aan tafel
zaten, sprak de Lady alleen over den jongen Lord Meneval. Zij prees
zijn beminnelijkheid en zijn verstand en opperde het plan om den jongen
Lord eens uit te noodigen om te komen dineeren.
Haar man luisterde verstrooid. Hij was met zijn gedachten blijkbaar
elders.
Nog voordat de bediende het dessert afnam, stond hij op en
verontschuldigde zich bij zijn vrouw. Hij moest naar een algemeene
vergadering van de „Vereeniging tot verbetering van het lot der
gevangenen”. Het zou wel laat kunnen worden, zij moest maar niet op hem
wachten.
Op straat nam hij een huurrijtuig en gaf den koetsier een adres op.
Een half uur later belde de Lord aan een deur, die met een bronzen
bordje prijkte, waarop de naam „Arabella Norfolk”. Deze dame was
koriste van het Alhambra-Theater.
„Hier zal ik ten minste niet op een dergelijke wijze verrast worden als
Zondag bij Mary Green”, dacht de Lord.
Een mooi kamermeisje opende hem de deur en de Lord trad binnen.
Hij had niet gemerkt, dat hem op zijn weg hierheen een gesloten rijtuig
was gevolgd.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Lady Lea begaf zich tegen middernacht ter ruste.
„Hoe jammer, dat je niet bij mij bent, Percy, mijn lieveling! Ach, als
ik maar had kunnen vermoeden, dat de gelegenheid reeds nu zoo gunstig
zou zijn!” dacht zij, voordat zij haar oogen met een zucht van
verlangen sloot.
Hoe lang zij geslapen had, wist zij niet, maar plotseling werd zij door
een luid gerinkel gewekt.
Ontsteld keek zij om zich heen.
Het was pikdonker in de kamer, maar toen zij naar de glazen balkondeur
keek, verstijfde het bloed haar in de aderen.
Bij het zwakke licht van de maan zag zij de donkere omtrekken van een
man. Hij had de glasruit ingedrukt, zijn hand door de opening gestoken
en de deur geopend.
De Lady wilde schreeuwen, maar geen geluid kwam er van haar lippen.
Haar keel was als toegeknepen, want bij het licht van een zaklantaarn
ontdekte zij den loop van een revolver, die op haar gericht was.
„Goeden avond, Mylady”, sprak doodbedaard een stem, die haar verbazend
bekend voorkwam. „Blijf kalm! Dan hebt gij niets te vreezen. In het
andere geval zou ik tot mijn spijt genoodzaakt zijn, uw snoezig hoofdje
te doorboren met een kogel!”
Hij ging naar den muur en ontstak door het omdraaien van een knop het
electrische licht.
Lady Lea kon, ondanks de bedreiging van den indringer, een half luiden
uitroep van schrik en verbazing niet bedwingen.
Wat zij bij het hooren zijner stem een oogenblik had gedacht werd nu
zekerheid. Zij herkende den man, die nu met gekruiste armen en kalm
glimlachend tegenover haar stond.
Het was Percy Meneval!
„Mylord, wat zijt gij brutaal!” klonk het onwillekeurig van haar
lippen. Zij wist niet of zij verheugd, dan wel angstig moest zijn. „Als
gij uw verlangen en ongeduld niet meer kondt bedwingen— —”
De jonge man viel haar in de rede.
„Gij vergist u, Mylady! Er is hier geen sprake van verlangen of
ongeduld! Ik moest langs de zuilen van het balcon naar boven klauteren
en dat is niet de gemakkelijkste weg. Want als ik had gewacht tot gij
mij den sleutel hadt gestuurd, dan waren de bewuste tienduizend pond
niet meer aanwezig geweest.”
De Lady keek hem bleek en bevend aan.
„Lord Percy,—om Godswil, wat beteekent dit alles?”
Meneval’s gelaat kreeg plotseling een strenge uitdrukking.
„Dat beteekent, dat ik hier ben gekomen om de tienduizend pond van u te
eischen, die gij van de armen hebt gestolen!
„Ja, Mylady, dat hebt gij gedaan. Want het geld, waarmee gij aan de
beurs hebt gespeculeerd, behoorde aan de armen, voor wie gij het
bijeengezameld hebt. Uw winst komt hun dus ook toe!
„Ik ben ervan overtuigd, dat Lady Rochester rechtvaardig genoeg zal
zijn om dat in te zien en aan de armen hun rechtmatig eigendom terug te
geven!”
Nu de Lady zag, dat zij voor haar leven niets te vreezen had, verdween
haar angst. Met toornigen blik keek zij den indringer aan.
„En alleen om mij dat te vertellen komt gij als een dief in den nacht
hier? Gij zijt onbeschaamd. Ik zal mijn bedienden roepen en u de deur
uit laten gooien.”
„Dan zouden de bedienden meteen kunnen hooren, dat het nachtelijk
bezoek van Lord Percy Meneval in andere omstandigheden hun meesteres
zeer aangenaam ware geweest!” sprak de Lord. „Het spijt mij,” vervolgde
hij, toen hij zag dat Lady Lea haar gelaat in de handen verborg, „dat
gij mij voor ongalant moet houden en dat ik u verdriet moet doen, maar
het gaat niet langer, dat men zich bij dag in den mantel van
zedelijkheid hult, dat men gevallen vrouwen de hand boven het hoofd
houdt, dat men een arm, onschuldig meisje, omdat het zich door haar
verloofde laat kussen, als een eerlooze behandelt en de deur wijst....
en des nachts zelf van verboden vruchten snoept en alle wetten van eer
en deugd en echtelijke trouw met voeten treedt!
„Ik moet u bekennen, Lady Rochester, dat de gemeenste meid in
Whitechapel in mijn oogen zedelijk hooger staat dan gij.
„Want zij werpt zich niet op als zedepreekster over anderen, maar
vertoont zich in haar ware gedaante!”
Afwerend strekte de Lady haar bloote armen uit.
„Houd op, Lord Percy! Ga heen! Ga heen!”
„Niet voordat ik de tienduizend pond in mijn bezit heb!”
Zij kreunde.
„Kom morgen bij dag terug! Laat mij niet tevergeefs een beroep doen op
uw ridderlijkheid! Bedenk, wat gij niet alleen aan een dame, maar ook
aan uzelf, aan den naam Meneval verschuldigd zijt!”
De Lord glimlachte somber.
„Gij vergist u, Mylady! Ik ben niet Lord Meneval! Ik behoor ook tot
hen, die de dupe zijn geworden van menschelijke leugens en huichelarij.
En daarom is het mijn levensdoel, die overal te bestrijden waar ik ze
op mijn weg ontmoet!
„Mylady, gij hebt vandaag den wensch geuit, den pocher Raffles eens van
aangezicht tot aangezicht te zien.
„Welnu, die wensch is vervuld. Ik ben John C. Raffles! Kijk,” en met
een snelle beweging verwijderde hij zijn valsch baardje, „die opsnijder
Raffles staat vóór u!”
Lady Lea werd zoo bleek als een doode.
Raffles echter vervolgde met groote kalmte:
„Als gij nu maar inziet, dat verdere tegenstand van uwe zijde
vergeefsche moeite is en u slechts onaangenaamheden kan berokkenen, dan
zult gij niet voor niets een beroep hebben gedaan op mijn
ridderlijkheid.
„Hoe moeilijk het mij ook valt, den aanblik van al uw bekoorlijkheden
te missen, toch zal ik mij een oogenblik omkeeren, om u gelegenheid te
geven uw bed te verlaten en een ochtendjapon aan te trekken. Dan zult
gij de goedheid hebben, mij den sleutel der brandkast te geven en mij
naar die kast te geleiden.
„Dat het in uw eigen belang is, mijn vertrouwen niet te misbruiken en
de bedienden te wekken, behoef ik zeker niet te vertellen aan zulk een
verstandige, hoogstaande vrouw.
„En haast u nu, Mylady! Het zal ook u zeker aangenaam zijn, zoo spoedig
mogelijk een einde te maken aan ons tête-à-tête!”
De Lady was inwendig woedend, maar het hielp haar niet.
Raffles keerde zich om, terwijl zij, na eenige vergeefsche pogingen om
zijn hart te vermurwen, eindelijk bevend van toorn haar bed verliet en
een peignoir aandeed.
„Klaar?” vroeg Raffles, voordat hij zich omkeerde. „En nu de sleutel!
Zoo, dank u wel! Wilt u mij nu voorgaan naar de brandkast?”
Lady Lea had zoo grooten eerbied voor de revolver, die Raffles weer had
opgenomen, dat zij zonder een woord van protest den nachtelijken
bezoeker voorging naar de brandkast van den Lord.
Daar opende Raffles onmiddellijk de kluis en met het tweede sleuteltje,
dat zij hem niet had durven weigeren, ontsloot hij hetzelfde vak,
waaruit de Lord de vierduizend pond had genomen.
„En nu het geheime vak?” vroeg hij, toen de Lady aarzelde.
„En als ik weiger, het u te toonen?” vroeg zij, al haar moed
verzamelend.
Raffles glimlachte.
„Dat zou niet gunstig zijn voor uw nachtrust. Want kijk eens!” Hij liet
haar een groote leeren tasch zien, die hij onder zijn jas verborgen
had. „Hierin bevindt zich een electrisch toestel, waarmee ik de stalen
platen van de brandkast binnen korten tijd kan smelten. Het is zeer
interessant, Mylady. Dit toestel is het beste, wat er op dat gebied
bestaat en het heeft mij een klein kapitaal gekost.
„Maar dat werk zou natuurlijk eenigen tijd in beslag nemen en de
kostbare brandkast zou erg beschadigd worden. Daarenboven zou de damp,
die zich bij dit werk ontwikkelt, u zeer hinderlijk zijn en gij zoudt
nog dagenlang die eigenaardige lucht bij u houden.”
De ijzige kalmte van den inbreker deed de Lady begrijpen, dat het voor
haar het allerbeste zou zijn, zoo spoedig mogelijk een eind aan de zaak
te maken.
Zij gaf hem een naaldvormig instrument, waarmee hij op een door haar
aangewezen ornamentje drukte. De achterwand van het vak schoof nu open.
Een ander vak werd nu zichtbaar en daarin bevonden zich de juweelen en
het geld.
Raffles nam eerst het geld, waarna hij met kennersblik de juweelen
bekeek. Er waren prachtige stukken bij. Vooral een ring met een kunstig
gevatte karneool wekte zijn bewondering op.
De vrees van de lady, dat hij ook de juweelen zou kunnen meenemen, werd
niet bewaarheid. Hij legde ze weer in het vak en schoof dat dicht.
„Zoo, Mylady, ik dank u uit naam der armen, die ik weer in het bezit
van hun eigendom zal stellen”, sprak hij, terwijl hij haar met een
buiging den sleutel terug gaf. „Ik wensch u verder een rustigen nacht.
Gij zult nu lekker slapen in het bewustzijn u bevrijd, te hebben van
onrechtmatig verkregen goed en een edel werk te hebben gedaan!”
Hij geleidde de vrouw, die van opgewondenheid beefde, naar haar
slaapkamer terug, om zich van daar weer langs denzelfden weg, te
verwijderen.
Maar zoover kwam het niet.
Want toen de Lady, vóór hem de slaapkamer binnentrad, stiet zij een
kreet uit.
Ook Raffles was verbaasd.
De kamer was niet leeg.
Dichtbij de deur, met een gelaat, waarop woede en verbazing om den
voorrang streden, stond—Lord Rochester!