De ergernis over het geldelijk verlies en zijn moreele nederlaag
weerhielden den Lord niet, nog denzelfden avond de „Regenten-Club” te
bezoeken. Want hij had den jongen Lord Percy Meneval beloofd, hem heden
revanche te geven voor een spel, dat deze pas aan Lord Rochester had
verloren.
Toen hij tegen negen uur de rijk gemeubelde vertrekken van deze streng
aristocratische club in Westend binnentrad, was zijn partner reeds
aanwezig.
Lord Percy Meneval was een zeer interessant, gedistingeerd persoon.
De jonge aristocraat was eerst eenige weken geleden in Londen
verschenen, maar had door zijn voornaam optreden en zijn schitterende
aanbevelingen dadelijk toegang tot de voornaamste kringen gekregen.
Het heette, dat hij een bloedverwant was van den Onderkoning van Indië,
van welk land hij ook afkomstig was en dat hij beschikte over
fabelachtige rijkdommen.
En dienovereenkomstig was ook zijn geheele levenswijze, welke veel had
van die van een Indischen Nabob.
Hij bezat een prachtige woning, die met den meest verfijnden smaak en
weelde was ingericht en gevuld was met zeldzame Indische kunstschatten.
Zijn meer dan knap uiterlijk en het geheimzinnig waas, dat hem omgaf,
maakten hem in het bijzonder tot den lieveling der dames, zonder dat
hij het schoone geslacht bijzonder tegemoet kwam.
In elk geval—men wist niet veel bijzonderheden te vertellen omtrent de
liefdesavonturen van den jeugdigen Adonis.
Met zijn onafscheidelijke gardenia in het knoopsgat begroette Percy
Lord Rochester met groote hartelijkheid, al kwam het dezen ook voor
alsof een ironische trek om den mond van den jeugdigen aristocraat
speelde.
Maar dit moest gezichtsbedrog zijn en zeker toe te schrijven aan zijn
eigen prikkelbare stemming.
„Nu?” vroeg de jonge gentleman, toen beide heeren aan het speeltafeltje
plaats namen. „Zijn de zaken gisteren naar genoegen gegaan?”
Lord Rochester meende een oogenblik, bij het hooren van deze stem,
datzelfde geluid korten tijd geleden ergens anders gehoord te hebben,
maar hij kon zich niet herinneren, waar dat geweest kon zijn.
Hij fronste de wenkbrauwen.
Eenige dagen geleden, bij hun laatste ontmoeting, had hij Lord Percy
verteld van zijn bezittingen, van de last en moeite, welke zij hem
veroorzaakten en van de vele ergernis, die hij had. En eindelijk, dat
hij des Zaterdags naar buiten moest om de pacht in ontvangst te nemen
en met zijn rentmeester af te rekenen.
„Och, mijn hemel, zonder slag of stoot gaat het nu eenmaal niet!”
antwoordde hij ontwijkend.
„Gij moet geven, Lord!”
„Allright!”
Lord Percy verdeelde de kaarten.
Het spel begon.
Vreemd!—kwam het, omdat Lord Rochester in gedachten nog over de
nederlagen tobde, die hij dien dag geleden had of vervolgde hem ook nu
het ongeluk,—hij verloor slag op slag, totdat hij na een verlies van
tweehonderd pond de kaarten verdrietig neergooide.
„Laten we ophouden, Lord Meneval”, sprak hij.
„Ik hoop, dat deze revanche u voldoende is!”
Baronet Percy boog.
„Volkomen, Lord Rochester. Mij dunkt, dat gij heden buitengewoon
gelukkig in de liefde moet zijn geweest, dat Fortuna u hier aan de
speeltafel zoo hardnekkig den rug toekeert!”
En daarbij glimlachte hij vriendelijk.
Lord Rochester bloosde tot over zijn ooren.
„Gij schertst zeker, Lord Meneval”, antwoordde hij op eenigszins
verlegen toon. „Ik ben getrouwd en heb een goede opvatting van mijn
plicht als echtgenoot.”
„Zooals over ’t geheel van moraliteit”, vulde Lord Meneval aan, terwijl
hij de kaarten neerlegde en een cigarette aanstak. „Ik begrijp dat
volkomen. En dat spreekt ook vanzelf bij den president van de
vereeniging tot opheffing van gevallen meisjes en vrouwen.
„Ik ben misschien niet serieus genoeg in uw oogen, maar toch zou ook ik
wel genegen zijn, mij aan werken van naastenliefde te wijden en daarmee
reeds nu, met mijn juist verworven winst, te beginnen.
„Misschien wilt gij mij met uw rijke ervaring op dat gebied de
behulpzame hand bieden.”
Lord Rochester deed alsof hij innig verheugd was.
„Bravo, mijn jongen, dat besluit strekt u tot eer! Gij toont een
christelijken aard te hebben.
„Wend u maar tot mijn vrouw!
„Zij klaagde mij gisteren toevallig haar nood, dat de kas van „de
vereeniging tot steun van fatsoenlijke armen”, waarvan zij
beschermvrouw is, geheel is uitgeput. Lady Rochester zal u voor zulk
een aanzienlijk bedrag zeer dankbaar zijn!”
Lord Meneval stond op.
„Ik dank u, Mylord! Het zal mij veel genoegen doen, de Lady mijn kleine
gift ter hand te stellen...!”
Toen Lord Percy tegen den middag van den volgenden dag een der
vertrekken van Lady Lea Rochester betrad, hoorde hij een groot alarm.
Het kwam uit het boudoir van de dame.
De jonge Lord hoorde de stem der Lady, die in woede ontstoken was en
een andere vrouwelijke stem, die haar weenend antwoordde:
„Mylady, ik verzeker u......!”
„Zwijg, schaamteloos schepsel! Zooiets in mijn huis! Vertrek, ga
dadelijk heen! En laat je niet meer in mijn huis zien! Nu, waarom
aarzel je nog? Wacht, ik zal je een handje helpen! Neem dit als
aandenken mee, zoo, en dit en dit!”
Lord Percy hoorde het klappen van oorvijgen, waarop telkens een kreet
volgde. Bijna op hetzelfde oogenblik werd de deur van het boudoir
geopend. Een jong meisje in dienstbodenjapon snelde met roodgeweende
oogen angstig als een achtervolgd hert de kamer uit.
Het meisje was mooi en jong en zag er goedig en lief uit, een reden te
meer voor den jongen Lord, om medelijden met haar te gevoelen.
Het meisje was verbaasd blijven staan, toen zij den vreemdeling zag en
omdat er niemand anders aanwezig was, sprak Lord Percy haar aan, om
haar te vragen, wat de reden was van haar verdriet.
Snikkend vertelde het dienstmeisje hem, wat er was voorgevallen.
Haar meesteres was zeer streng op het gebied van zeden. Zij duldde van
haar dienstpersoneel niet de kleinste liefdesgeschiedenis.
„Ach, mylord”, vervolgde zij snikkend, „denk niet al te slecht van mij.
Ik ben van nette familie en een fatsoenlijk meisje. Er bestaat een
eerlijke verhouding tusschen Alfred Reynolds en mij. Hij wil met mij
trouwen, zoodra hij een vaste betrekking met behoorlijk salaris heeft
gekregen.
„Gisteren wachtte hij op mij bij het hek van het park, om mij mede te
deelen, dat hij veel kans heeft, om aan een groote bankinstelling
geplaatst te worden.
„Wij liepen een poosje heen en weer en toen wij afscheid namen, gaf hij
mij een kus.
„Dat heeft Jonny, de kok, door het raam gezien, en het aan de Lady
verteld.
„Hij heeft al lang het land aan mij, omdat ik niets van zijn mooie
praatjes wilde weten.
„En ik kan het toch niet helpen, dat Alfred arm is en de honderd pond,
die hij noodig heeft voor zijn borgstelling, niet dadelijk bijeen
heeft!”
Zij brak opnieuw in tranen uit, en verborg het mooie gezichtje in haar
handen.
Lord Percy keek vol ontroering naar haar.
„Schrei niet, kindlief!”
Het jonge meisje snikte echter nog heviger.
„Ach, wat moet er nu van ons worden?” jammerde zij. „Nu ben ik ook
zonder betrekking en Mevrouw zei, dat zij in mijn getuigschrift zou
zetten, dat zij mij wegens onzedelijken levenswandel had ontslagen.”
De oogen van den jongen man fonkelden toornig onder de half
neergeslagen oogleden.
„Laat mevrouw in het getuigschrift zetten wat zij wil! Zeg mij, hoe gij
heet en waar gij woont! Ik heb veel kennissen en het is een kleine
moeite voor mij om u een betere betrekking te bezorgen bij een meer
menschlievende dame. Ik beloof u op mijn woord, dat ik voor u zal
zorgen.”
Het meisje keek hem verbaasd en dankbaar aan. Zijn geheele
persoonlijkheid boezemde haar vertrouwen in.
„Ach, Mylord, hoe zal ik u danken! Ik heet Nelly Somerset en als gij
mij wilt schrijven, dan is mijn adres bij mijn tante, de weduwe Mary
Somerset, Wilsonstreet 318.”
Zij droogde snel haar tranen en ging minder bezwaard heen, nadat Lord
Percy haar nogmaals had beloofd, dat zij binnen drie dagen iets van hem
zou hooren.
Juist was zij vertrokken, toen een ander dienstmeisje de kamer
binnentrad. Lord Percy overhandigde haar zijn kaartje met verzoek het
aan Mevrouw te willen geven.
Een oogenblik later kwam het meisje uit het boudoir terug.
De Lady, die niet had geweten, dat haar bezoeker reeds eenigen tijd
wachtte, liet hem zeggen, dat het haar een genoegen was, Mylord te
ontvangen.
Toen deze het weelderig ingerichte boudoir van de dame binnenkwam, was
Lady Lea juist gereed met haar toilet.
Zij was een groote, slanke, zwartgelokte verschijning. Glimlachend stak
zij Lord Percy haar met juweelen versierde, iets te groote hand toe.
„Gij heb lang op u laten wachten, Lord Meneval,” sprak de ongeveer
dertigjarige dame met eenigszins harde stem. „Maar gelukkig hebt gij
eindelijk den weg naar mij gevonden.”
Lord Percy was verbaasd over deze woorden.
„Ik weet niet, of gij op de hoogte zijt van de reden mijner komst...”
„Zeker, zeker—de Lord, mijn echtgenoot, heeft mij verteld, dat gij van
plan zijt, aan ons vroom werk mede te doen.
„Maar neem toch plaats, Lord en sta mij toe, dat ook ik het mij
gemakkelijk maak. Ik ben namelijk nog een beetje vermoeid door de
laatste drukte. Mijn man heeft er waarschijnlijk wel van verteld. Wij
hebben eergisteren de politie in huis gehad.”
Lord Percy vertelde, van niets te weten.
De Lady had zich op een divan neergevleid en keek haar bezoeker
smachtend aan.
„Niet? Nu, eigenlijk had het ook niets te beteekenen. Verbeeld u:
Eergisteren veroorloofde een spotvogel zich de gekheid, mijn man te
dreigen, dat hij dien dag zou komen om zijn brandkast leeg te halen en
dien brief te onderteekenen met den beruchten naam John C. Raffles. Gij
heb zeker wel van dien Raffles gehoord?”
De Lord glimlachte geheimzinnig.
„Ja, Mylady! Nu, en kwam de groote onbekende?”
„Neen, maar wij waren toch zenuwachtig. Ik tenminste; mijn man bleef
volmaakt kalm. Hij stak het geld eenvoudig bij zich en liet zich zelfs
niet weerhouden, dienzelfden middag de godsdienstoefening bij te wonen
in het ziekenhuis in Whitechapel.
„Onze politie is voortreffelijk en bovendien zijn de verhalen, die over
Raffles in omloop zijn, zeer overdreven of geheel uit de lucht
gegrepen. Ik houd hem voor een gewonen dief en zakkenroller en
daarenboven voor een echten pocher en opsnijder!”
„Werkelijk, Mylady?” vroeg de jonge Lord met een vreemde schittering in
zijn oogen. „En niettegenstaande dat waart gij eergisteren zoo
zenuwachtig en angstig?”
De Lady lachte geheimzinnig.
„Ja, maar dat heeft ook een heel bijzondere reden. Ik kan het u wel
vertellen, gij zult mij niet verraden.
„Luister maar eens: mijn man had wel zijn eigen geld uit de brandkast
genomen, maar hij wist niet, dat zich daarin ook het mijne bevond. Hij
vermoedt namelijk niets van het bestaan daarvan en mag het ook niet
weten. Mijn man is een groote gierigaard, die het vreeselijk vindt als
ik hem om geld voor mijn toiletten vraag.
„Ik heb daarom—hoe, dat is mijn zaak—een beetje overgespaard en met dat
geld door middel van een mijner vertrouwde vrienden aan de beurs
gespeculeerd. De vorige week heb ik tienduizend pond gewonnen.”
„En was dat geld in de brandkast?” vroeg Lord Percy vol belangstelling.
Lady Lea knikte toestemmend.
„Het is er nog in. In de brandkast bevindt zich namelijk een geheim
vak, waarvan alleen ik den sleutel heb. De Lord heeft mij dat vak
afgestaan om er mijn juweelen in te bewaren. Hij vermoedt niet, wat er
nog meer in verborgen is.
„Begrijpt gij nu, dat ik beefde? Want ik kon het geld er onmogelijk
uitnemen, daar de brandkast na de ontvangst van den brief voortdurend
onder toezicht was van mijn man en de politie.
„Ik ben er van overtuigd, dat die Raffles het geld toch niet gevonden
zou hebben. Toch zou ik dien grooten onbekende graag eens willen zien.”
De jonge Lord, die nadenkend voor zich uit had gestaard, glimlachte bij
de laatste woorden van de Lady.
„Die wensch van u zou wel eens vervuld kunnen worden, Mylady,” sprak
hij. „Pas op, neem u in acht! Misschien komt Raffles het verzuimde nog
inhalen en uw schat meenemen.”
De dame sloeg met haar kanten zakdoekje naar hem.
„Gij zijt afschuwelijk, Lord! Hoe durft gij mij zoo plagen? Maar gij
hebt gelijk, ik ben onvoorzichtig. Morgen reeds ga ik mijn geld
deponeeren bij de Engelsche Bank!”
De Lord lachte.
„Sta mij toe, nu over de zaak te spreken, waarvoor ik hier ben gekomen
en waaraan ik het genoegen te danken heb, een oogenblik van uw
gezelschap te mogen profiteeren.”
„Dat genoegen zoudt gij vaker kunnen hebben,” antwoordde de Lady,
terwijl zij zich oprichtte. „Maar spreek verder, beste Lord! Gij komt
met uw gave op het juiste oogenblik, want onze kas is leeg. Het groote
weldadigheidsconcert in December, heeft veel geld gekost!”
De gast keek haar verbaasd aan.
„Wat zegt u? Heeft het weldadigheidsconcert uw kas uitgeput? Maar dat
is schandelijk! Het doel van dit feest kan immers alleen zijn geweest
om die kas te vullen!”
De dame lachte hartelijk.
„Onschuldige jongen! Maar wacht een oogenblik, dan zal ik u het raadsel
oplossen!”
Zij ging naar haar sierlijk schrijftafeltje en keerde met een groot
boek terug.
„Kijk, hier aan de linkerzij vindt gij, post voor post, de gelden die
zijn ingekomen. Zooals gij kunt zien, bedragen deze totaal 2615 pond en
33 shilling!”
„Een flink bedrag!” meende de jonge Lord.
„Zeker. Maar kijk nu eens naar de lange reeks van uitgaven!”
Percy Meneval deed het en hij durfde zijn oogen nauwelijks gelooven.
De uitgaven voor zaalversiering, het oprichten van een tooneel,
verlichting en muziek, enz., alles te zamen bijna 800 pond, konden er
nog door, maar daar waren nog andere posten ook!
„Spijzen en dranken aan de bestuurstafel, 50 pond 3 shilling.
„Lady X., voorschot voor haar Arabisch costuum, 50 pond.
„Lady V., extra uitgaven voor de versiering van haar Turkschen harem,
30 pond.
„Miss Ellinor, lid van het Olympia-Theater, onkosten voor haar toilet,
40 pond.
„Mister Sweadly van de opera, onkosten voor rijtuig, enz. en
honorarium, 20 pond.”
„Wat?” vroeg de Lord verbaasd, „ik denk toch, dat artisten zich
belangloos ten dienste der weldadigheid stellen?”
„Zeker,” lachte de dame, „zij laten alleen hun onkosten terugbetalen en
hun verloren uren vergoeden!”
„Prachtige liefdadigheid!” riep de jonge Lord uit, terwijl hij den
laatsten post las, waarop vermeld stond: „De beschermvrouw, voor
rijtuigen, fooien, porto’s, tijdverzuim en andere voorschotten, 100
pond.”
Lady Lea sloeg snel het boek dicht. Zij zelf was immers de
beschermvrouw!
De Lord wist nu, uit welke bron de „gespaarde gelden” der Lady kwamen.
Hij werd donkerrood van verontwaardiging en het kostte hem moeite om
zijn kalmte te bewaren.
„Begrijpt gij nu, Lord Meneval, dat wij uit onze kas ongeveer 500 pond
moesten bijpassen en dat uw gift dus zeer welkom is?”
„Dat begrijp ik volkomen”, antwoordde de Lord met een fijn lachje. „Ik
heb u nu echter een voorwaarde te stellen. Mylady, gij moet het bedrag,
dat ik u ter hand zal stellen, voor liefdadige doeleinden gebruiken,
die ik u zal opnoemen!”
De Lady keek hem verbaasd aan.
Daarop echter lachte zij vroolijk.
„Maar, Mylord, dat is immers gekheid! Op een dergelijke conditie zou ik
voor uw gift moeten bedanken!”
„Ook goed, dan behoud ik mijn geld”, sprak de Lord op kalmen toon en
hij stak de portefeuille, die hij reeds voor den dag had gehaald, weer
bij zich.
De Lady keek hem even aan.
Plotseling stond zij naast hem en op vleienden toon sprak zij:
„Meneval, waarom spelen wij comedie? Waarom zijn wij niet eerlijk tegen
elkaar? Beken het openhartig, dat die geheele weldadigheidsquaestie
slechts een voorwendsel is geweest! O, jij lieve, stoute man! Hoe heb
je het over je hart kunnen krijgen om mij in de vestibule van het
Britsch Museum een vol uur tevergeefs te laten wachten?
„Ach, ik was er zoo vast van overtuigd, dat gij zoudt komen!
„Geloof mij, Percy, het viel mij niet gemakkelijk, om die regels aan je
te schrijven! Maar ik kon niet anders, het was sterker dan ikzelf.
„Percy, ik heb je lief en daarom vergeef ik je, dat je mij toen voor
niets hebt laten wachten en dat je eerst nu de stem van je hart hebt
gevolgd... Ach!”
Lord Meneval was in het eerste oogenblik stom van verbazing.
Was de Lady plotseling krankzinnig geworden?
Maar daarna begon hij alles te begrijpen!
Sinds zijn entree in de voorname kringen achtervolgden de dames uit die
gezelschappen hem met liefdesverklaringen en werd hij overladen met
welriekende billets-doux. En geen wonder, want hij had niet alleen een
Apollo-kop, maar was tegelijkertijd interessant en beminnelijk.
Hij had echter nooit notitie genomen van die talrijke liefdesbriefjes,
ze meestal zelfs ongelezen verbrand.
Hij herinnerde zich nu echter een van die briefjes. Het was
onderteekend geweest met de woorden „Lady Lea R.”, had de
krankzinnigste liefdesverklaringen behelsd en de schrijfster verzocht
hem om een rendez-vous met haar, „de dame met den oranjebloesem in het
haar, met wie hij op de soirée bij Lady Gray een gesprek had gehouden
over de wedrennen”, in de voorhal van het Britsch Museum.
Hij had er toen niet over nagedacht, wie de schrijfster van den brief
kon zijn.
Nu wist hij het!
Verontwaardiging maakte zich van hem meester.
Deze getrouwde vrouw, die zooeven een onschuldig jong meisje had
mishandeld en vol zedige verontwaardiging de deur had uitgejaagd, deed
liefdesverklaringen aan een haar geheel onbekenden jongen man en
noodigde hem uit voor een teeder tête-à-tête!
De voorname dame, die aan het hoofd stond van alle godsdienstige
werken, ontpopte zich als een schaamtelooze echtbreekster!
Maar hij bleef zijn uiterlijke kalmte bewaren.
Nadat hij van zijn eerste verbazing bekomen was, scheen het, alsof hij
verrukt was over de bekentenis der Lady en alsof haar „bekoorlijkheden”
een diepen indruk op hem maakten.
Hij keek Lady Lea met geheel andere oogen aan, hij beantwoordde zelfs
haar kussen en luisterde vol aandacht naar haar, toen zij hem bekende,
dat zij hem reeds vanaf het eerste oogenblik had liefgehad, dat de
stap, waartoe zij was overgegaan, haar niet was kwalijk te nemen, omdat
zij een man bezat, die voor haar veel te oud was en op wien haar
bekoorlijkheden geen indruk maakten.
„Ik wist, dat je wel bij mij zoudt komen, mijn geliefde Percy”,
fluisterde de schaamtelooze. „Maar stil, daar komt iemand!—Eén ding
nog! Morgenavond gaat mijn man op reis. Denk daaraan! Ik zal je een
paar regels zenden en tegelijkertijd den sleutel van het kleine
poortje. Kom dan na middernacht bij mij!”
Buiten werden inderdaad schreden vernomen.