Raffles! Toen de Lord dien naam las, week de laatste droppel bloed uit
zijn wangen.
Wee dengene, die de attentie trok van dezen grooten gauwdief!
Hij wist maar al te goed, wat deze naam beteekende.
Alle deuren openden zich voor hem als door een tooverhand, de sterkste
stalen platen smolten onder zijn vingers als was en daarenboven was hij
alom tegenwoordig.
Ja, er waren menschen, die beweerden, hem op verschillende plaatsen
tegelijk gezien te hebben.
Alleen de politie zag hem nooit, ten minste het gelukte haar niet, den
met bovenmenschelijke eigenschappen begaafden Lord Lister in handen te
krijgen.
Meer dan een dozijn keeren had men hem bijna te pakken gehad, maar
steeds was hij weer ontsnapt!
En was deze brief op zichzelf ook niet iets bijzonders?
Hoe wist Raffles van de aanwezigheid van het geld in zijn brandkast?
Ja, hoe was het mogelijk, dat hij nauwkeurig het bedrag kende?
De Lord veegde zich het koude zweet van het voorhoofd.
Zelfs zijn eigen vrouw wist niets van dit geld, dat hij eerst gisteren,
voor zijn ontmoeting met de mooie Mary, had ontvangen.
De mooie Mary! Eerst nu dacht hij weer aan haar.
Drommels, wat trof dat ongelukkig! Tusschen vijf en zeven—welk een
ongelooflijke, verregaande brutaliteit!— had Raffles zijn inbraak
aangekondigd,—en juist in diezelfde uren had de schoone jonge vrouw hem
op haar kamer genoodigd!
De Lord was woedend, en bevreesd tegelijkertijd.
Maar eindelijk werd hij kalmer. Neen, deze geschiedenis was toch al te
dom in elkaar gezet, om van Raffles te kunnen uitgaan.
De afzender van den brief moest immers begrijpen, dat hij, de Lord,
niet zoo dom zou zijn om het geld in de brandkast te laten liggen,
totdat het den briefschrijver zou behagen om het te komen halen!
Ach neen, zoo dom was Raffles niet! Ongetwijfeld gold het hier een
misplaatste grap.
Hij had zooveel vijanden, vooral onder zijn pachters, tegenover wie hij
inderdaad onverbiddelijk was. En deze wisten, dat hij gisteren de pacht
had ontvangen en met den rentmeester had afgerekend.
Er was niet veel scherpzinnigheid voor noodig om het bedrag te beramen
en te begrijpen, dat hij dit den Zondag over in zijn brandkast zou
bewaren, om het daarna bij de Bank te deponeeren.
Het eenige doel van den brief was dus om hem schrik aan te jagen.
Maar toch besloot de Lord om in elk geval zijn maatregelen te nemen!
Hij telephoneerde Scotland Yard op het hoofdbureau van de Londensche
geheime politie. Vijf minuten later wist kapitein Baxter alles van de
zaak af.
Zooals telkens, als hij den naam van John C. Raffles hoorde, geraakte
ook nu de beroemde commissaris van politie geheel van streek.
John C. Raffles! Aan hoeveel nuttelooze moeite en teleurstellingen
herinnerde hem die naam!
„Alweer die vervloekte Raffles!” zuchtte Baxter, terwijl hij zijn
collega’s wanhopig aankeek. „Het is, alsof die naam de vloek van mijn
leven moet worden! Hoe vaak reeds dachten wij den Grooten Onbekende,
die met den levenden duivel in contact staat, als hij ten minste niet
zelf de duivel is, in onze macht te hebben.
„En altijd weer ontkwam hij ons in het laatste oogenblik!
„Deze brutaliteit van hem overtreft weer alle grenzen. Nu, in elk geval
zullen we ons in hinderlaag stellen.
„Wees niet al te overmoedig, John Raffles! Wij kennen je streken zoo
langzamerhand. Zoo gemakkelijk als indertijd bij Lord Lister, toen gij
ons ook te voren van uw plannen op de hoogte hadt gebracht, zult ge ons
nu niet ontkomen.”
Detective Marholm had moeite om zijn lachen te verbergen.
„Zeker kapitein, ik ben het geheel met u eens,” sprak hij met moeilijk
bedwongen ernst „Dezen keer is de zaak uiterst eenvoudig. Zooals gij
zeer terecht opmerkt, kennen wij nu al zijn streken. Indertijd bleek
het, dat de Lord Lister, dien Raffles wilde bestelen, Raffles in eigen
persoon was. Wat ligt dus meer voor de hand, dan dat nu John C. Raffles
zich zal vermommen als Lord Rochester?
„Lord Lister, of Raffles, zooals hij zich noemt, is weliswaar groot en
slank als een den, en Lord Rochester klein en dik, maar wat hindert
dat?
„Wat is onmogelijk voor dezen duivel in menschengedaante?
„Toen kwam Raffles uit een groote antieke klok te voorschijn, nu zit
hij misschien in een schrijftafel of boekenkast.
„Het komt er hoofdzakelijk op aan, dat wij onze oogen goed open hebben.
Dan kan hij ons onmogelijk ontsnappen!”
Kapitein Baxter wist niet goed of Marholm als naar gewoonte met hem
spotte, of dat het hem dezen keer ernst was. Met onverschillig gelaat
haalde hij daarom zijn schouders op.
Hij had nu ook geen tijd of lust om veel te redeneeren.
Reeds een kwartier later bevond hij zich met een staf van zijn beste
beambten op weg naar de prachtige villa van Lord Rochester in
Enismorgarden, dicht bij Hyde-Park, waar men hem reeds verwachtte.
Kapitein Baxter liet zich eerst, nadat hij Lord Rochester eerbiedig had
gegroet, het schrijven van Raffles voorleggen, waarvan de Lord hem
reeds den inhoud had medegedeeld.
Aandachtig bekeek hij den brief aan alle kanten.
„Het is ongehoord!” mompelde hij herhaaldelijk, den brief telkens weer
overlezende. „En komt het uit, dat gij vierduizend pond in uw brandkast
hebt?”
De Lord ging naar de brandkast, die tusschen de ramen stond en opende
de deur.
„Kijk maar. Overtuig uzelf! Er is zes pond acht shilling meer dan dat
bedrag. Daar het gisteren Zaterdag was en de Engelsche Bank op die
dagen reeds om drie uur sluit, was ik niet meer in de gelegenheid het
geld bij haar te deponeeren. Ook vandaag, Zondag, is mij dat natuurlijk
niet mogelijk.”
Kapitein Baxter richtte nog een massa vragen tot den Lord, totdat deze
eindelijk in lachen uitbarstte.
„Gij gelooft toch niet werkelijk, Mr. Baxter, dat deze brief inderdaad
afkomstig is van Raffles? Dat zou toch al te mal zijn. Kijk eens! Ik
steek het geld eenvoudig bij mij! Zoo—nu zal het een toer zijn voor
mijnheer Raffles om het vanmiddag, als hij mij het beloofde bezoek komt
brengen, te pakken te krijgen!”
Hij was al sprekende naar de brandkast gegaan, had zijn geld in de
portefeuille en deze in den zak gestoken.
Kapitein Baxter had peinzend naar hem gekeken;
„Dat is in elk geval het eenvoudigste, mylord. Als die Raffles maar
niet zoo’n door en door geslepen kerel was!
„Ik zou er mij niet over verbazen, als gijzelf plotseling van gedaante
zoudt veranderen en Lord Lister of Raffles, zooals hij zichzelf noemt,
in uw plaats voor mij stond.”
De Lord lachte.
„Nu, die vrees is totaal ongegrond, kapitein Baxter. Ik herinner mij
tenminste niet, ooit een gauwdief te zijn geweest, al staat dit ook in
dien ellendigen brief zwart op wit.
„Maar ik wil u niet beletten de maatregelen te nemen, die gij noodig
oordeelt. Alleen zou het mij aangenaam zijn, als ik er zelf zoo weinig
mogelijk last van had.”
Kapitein Baxter boog.
„Ik verzoek u, Mylord, de verzekering te willen aannemen, dat wij alles
in het werk zullen stellen.
„Het zou mij zelfs een genoegen doen, als Mylord ons het terrein wilde
vrijlaten. Hoe verder Mylord zich verwijdert met het geld, waarvan in
den brief sprake is, des te beter. Ook zijn wij, als wij weten dat
Mylord afwezig is, veilig voor de verkleedkunst van Raffles, die zich
misschien, vermomd als Lord Rochester, aan ons zal komen vertoonen.”
Lord Rochester kon een glimlach niet bedwingen.
„Dus gij meent nog altijd, dat die brief werkelijk van Raffles komt?”
Kapitein Baxter haalde de schouders op.
„Ik geloof het niet. Maar in elk geval moet ik mijn maatregelen nemen.
Het wakend oog der politie slaapt nooit! Mylord kan hierop rekenen:
komt Raffles, dan zal Londen vanavond van een der gevaarlijkste
misdadigers bevrijd zijn!”— —
Lord Rochester was in een uitstekend humeur. Het geld was gered.
Bijzonder aangenaam was het hem, dat de chef der politie zelf zijn
afwezigheid gewenscht achtte. Dit stemde volkomen overeen met zijn
eigen wenschen, want nu stond niets meer zijn bezoek aan de mooie
winkeljuffrouw in den weg.
Lang voor den bepaalden tijd waren kapitein Baxter en zijn manschappen
dien middag op hun post.
Een deel van hen verborg hij in het park, andere kregen een plaatsje in
huis, vooral in de buurt van de studeerkamer, om daar zijn bevelen af
te wachten.
Hij onderzocht persoonlijk de studeerkamer en vooral alle meubelen, die
daarin stonden, of zij geschikt waren, om iemand tot schuilplaats te
dienen. Daarna nam hij zijn plaats in, gehurkt achter een der meubels,
gewapend met zijn Browning-pistool.
Nu kon hij gerust komen, de overmoedige John C. Raffles! Hij, kapitein
van politie Baxter, was op alles voorbereid!
Als dat wachten maar niet zoo vermoeiend en vervelend was geweest!
Den tamelijk corpulenten Baxter, die zich in zijn schuilplaats
nauwelijks kon bewegen, deden alle leden pijn. Nu eens sliep zijn arm
dan weer zijn been. Zijn manschappen had hij een plaatsje in huis
gegeven, zoodat de bedienden hen niet konden opmerken.
Het sloeg vijf, het sloeg zes uur. Geen geluid werd vernomen. Slechts
een zwakke lichtstraal viel in de kamer. Men hoorde niets dan af en toe
het zachte kraken van een der meubels, dat Baxter telkens deed
opschrikken, het tikken van de pendule op den schoorsteenmantel en het
lachen van de dienstboden in de keuken.
Kapitein Baxter onderdrukte een verwensching.
Als er werkelijk eens alleen sprake was van een grap van een of anderen
spotvogel? Dan was de politie alweer—zij het dan ook indirect—door den
meesterdief voor den gek gehouden.
Langzamerhand begon Baxter zeer vermoeid te worden en hij was op het
punt, in slaap te vallen, toen hij plotseling opschrikte.
Had hij zich vergist? Neen, hij had duidelijk een zacht gekraak aan de
deur vernomen. En toen hij voorzichtig opkeek, zag hij, dat deze
langzaam geopend werd.
Een donker hoofd verscheen door de opening, daarop volgde de gestalte
van een langen, slanken man,
Raffles! Hij was het!
Kapitein Baxter durfde niet ademhalen. Hij beefde, als een jager, die
vreest, door een ontijdige beweging het wild, dat reeds in de val
loopt, op het laatste oogenblik te verjagen.
De donkere gestalte kwam intusschen de kamer in, keek onderzoekend rond
en naderde de plek, waar de brandkast stond.
Nu wachtte Baxter niet langer. Hij sprong uit zijn schuilhoek te
voorschijn. Een schel gefluit, het afgesproken teeken, weerklonk, en
hij wierp zich op zijn vijand, voordat deze gelegenheid had om te
vluchten.
„Halt, Raffles! Geef je over! Dezen keer ontsnap je niet!” bulderde hij
terwijl de deur werd geopend en meer dan een half dozijn
politie-agenten hun chef te hulp snelden......