JOHN C. RAFFLES.”

Raffles! Toen de Lord dien naam las, week de laatste droppel bloed uit

zijn wangen.

Wee dengene, die de attentie trok van dezen grooten gauwdief!

Hij wist maar al te goed, wat deze naam beteekende.

Alle deuren openden zich voor hem als door een tooverhand, de sterkste

stalen platen smolten onder zijn vingers als was en daarenboven was hij

alom tegenwoordig.

Ja, er waren menschen, die beweerden, hem op verschillende plaatsen

tegelijk gezien te hebben.

Alleen de politie zag hem nooit, ten minste het gelukte haar niet, den

met bovenmenschelijke eigenschappen begaafden Lord Lister in handen te

krijgen.

Meer dan een dozijn keeren had men hem bijna te pakken gehad, maar

steeds was hij weer ontsnapt!

En was deze brief op zichzelf ook niet iets bijzonders?

Hoe wist Raffles van de aanwezigheid van het geld in zijn brandkast?

Ja, hoe was het mogelijk, dat hij nauwkeurig het bedrag kende?

De Lord veegde zich het koude zweet van het voorhoofd.

Zelfs zijn eigen vrouw wist niets van dit geld, dat hij eerst gisteren,

voor zijn ontmoeting met de mooie Mary, had ontvangen.

De mooie Mary! Eerst nu dacht hij weer aan haar.

Drommels, wat trof dat ongelukkig! Tusschen vijf en zeven—welk een

ongelooflijke, verregaande brutaliteit!— had Raffles zijn inbraak

aangekondigd,—en juist in diezelfde uren had de schoone jonge vrouw hem

op haar kamer genoodigd!

De Lord was woedend, en bevreesd tegelijkertijd.

Maar eindelijk werd hij kalmer. Neen, deze geschiedenis was toch al te

dom in elkaar gezet, om van Raffles te kunnen uitgaan.

De afzender van den brief moest immers begrijpen, dat hij, de Lord,

niet zoo dom zou zijn om het geld in de brandkast te laten liggen,

totdat het den briefschrijver zou behagen om het te komen halen!

Ach neen, zoo dom was Raffles niet! Ongetwijfeld gold het hier een

misplaatste grap.

Hij had zooveel vijanden, vooral onder zijn pachters, tegenover wie hij

inderdaad onverbiddelijk was. En deze wisten, dat hij gisteren de pacht

had ontvangen en met den rentmeester had afgerekend.

Er was niet veel scherpzinnigheid voor noodig om het bedrag te beramen

en te begrijpen, dat hij dit den Zondag over in zijn brandkast zou

bewaren, om het daarna bij de Bank te deponeeren.

Het eenige doel van den brief was dus om hem schrik aan te jagen.

Maar toch besloot de Lord om in elk geval zijn maatregelen te nemen!

Hij telephoneerde Scotland Yard op het hoofdbureau van de Londensche

geheime politie. Vijf minuten later wist kapitein Baxter alles van de

zaak af.

Zooals telkens, als hij den naam van John C. Raffles hoorde, geraakte

ook nu de beroemde commissaris van politie geheel van streek.

John C. Raffles! Aan hoeveel nuttelooze moeite en teleurstellingen

herinnerde hem die naam!

„Alweer die vervloekte Raffles!” zuchtte Baxter, terwijl hij zijn

collega’s wanhopig aankeek. „Het is, alsof die naam de vloek van mijn

leven moet worden! Hoe vaak reeds dachten wij den Grooten Onbekende,

die met den levenden duivel in contact staat, als hij ten minste niet

zelf de duivel is, in onze macht te hebben.

„En altijd weer ontkwam hij ons in het laatste oogenblik!

„Deze brutaliteit van hem overtreft weer alle grenzen. Nu, in elk geval

zullen we ons in hinderlaag stellen.

„Wees niet al te overmoedig, John Raffles! Wij kennen je streken zoo

langzamerhand. Zoo gemakkelijk als indertijd bij Lord Lister, toen gij

ons ook te voren van uw plannen op de hoogte hadt gebracht, zult ge ons

nu niet ontkomen.”

Detective Marholm had moeite om zijn lachen te verbergen.

„Zeker kapitein, ik ben het geheel met u eens,” sprak hij met moeilijk

bedwongen ernst „Dezen keer is de zaak uiterst eenvoudig. Zooals gij

zeer terecht opmerkt, kennen wij nu al zijn streken. Indertijd bleek

het, dat de Lord Lister, dien Raffles wilde bestelen, Raffles in eigen

persoon was. Wat ligt dus meer voor de hand, dan dat nu John C. Raffles

zich zal vermommen als Lord Rochester?

„Lord Lister, of Raffles, zooals hij zich noemt, is weliswaar groot en

slank als een den, en Lord Rochester klein en dik, maar wat hindert

dat?

„Wat is onmogelijk voor dezen duivel in menschengedaante?

„Toen kwam Raffles uit een groote antieke klok te voorschijn, nu zit

hij misschien in een schrijftafel of boekenkast.

„Het komt er hoofdzakelijk op aan, dat wij onze oogen goed open hebben.

Dan kan hij ons onmogelijk ontsnappen!”

Kapitein Baxter wist niet goed of Marholm als naar gewoonte met hem

spotte, of dat het hem dezen keer ernst was. Met onverschillig gelaat

haalde hij daarom zijn schouders op.

Hij had nu ook geen tijd of lust om veel te redeneeren.

Reeds een kwartier later bevond hij zich met een staf van zijn beste

beambten op weg naar de prachtige villa van Lord Rochester in

Enismorgarden, dicht bij Hyde-Park, waar men hem reeds verwachtte.

Kapitein Baxter liet zich eerst, nadat hij Lord Rochester eerbiedig had

gegroet, het schrijven van Raffles voorleggen, waarvan de Lord hem

reeds den inhoud had medegedeeld.

Aandachtig bekeek hij den brief aan alle kanten.

„Het is ongehoord!” mompelde hij herhaaldelijk, den brief telkens weer

overlezende. „En komt het uit, dat gij vierduizend pond in uw brandkast

hebt?”

De Lord ging naar de brandkast, die tusschen de ramen stond en opende

de deur.

„Kijk maar. Overtuig uzelf! Er is zes pond acht shilling meer dan dat

bedrag. Daar het gisteren Zaterdag was en de Engelsche Bank op die

dagen reeds om drie uur sluit, was ik niet meer in de gelegenheid het

geld bij haar te deponeeren. Ook vandaag, Zondag, is mij dat natuurlijk

niet mogelijk.”

Kapitein Baxter richtte nog een massa vragen tot den Lord, totdat deze

eindelijk in lachen uitbarstte.

„Gij gelooft toch niet werkelijk, Mr. Baxter, dat deze brief inderdaad

afkomstig is van Raffles? Dat zou toch al te mal zijn. Kijk eens! Ik

steek het geld eenvoudig bij mij! Zoo—nu zal het een toer zijn voor

mijnheer Raffles om het vanmiddag, als hij mij het beloofde bezoek komt

brengen, te pakken te krijgen!”

Hij was al sprekende naar de brandkast gegaan, had zijn geld in de

portefeuille en deze in den zak gestoken.

Kapitein Baxter had peinzend naar hem gekeken;

„Dat is in elk geval het eenvoudigste, mylord. Als die Raffles maar

niet zoo’n door en door geslepen kerel was!

„Ik zou er mij niet over verbazen, als gijzelf plotseling van gedaante

zoudt veranderen en Lord Lister of Raffles, zooals hij zichzelf noemt,

in uw plaats voor mij stond.”

De Lord lachte.

„Nu, die vrees is totaal ongegrond, kapitein Baxter. Ik herinner mij

tenminste niet, ooit een gauwdief te zijn geweest, al staat dit ook in

dien ellendigen brief zwart op wit.

„Maar ik wil u niet beletten de maatregelen te nemen, die gij noodig

oordeelt. Alleen zou het mij aangenaam zijn, als ik er zelf zoo weinig

mogelijk last van had.”

Kapitein Baxter boog.

„Ik verzoek u, Mylord, de verzekering te willen aannemen, dat wij alles

in het werk zullen stellen.

„Het zou mij zelfs een genoegen doen, als Mylord ons het terrein wilde

vrijlaten. Hoe verder Mylord zich verwijdert met het geld, waarvan in

den brief sprake is, des te beter. Ook zijn wij, als wij weten dat

Mylord afwezig is, veilig voor de verkleedkunst van Raffles, die zich

misschien, vermomd als Lord Rochester, aan ons zal komen vertoonen.”

Lord Rochester kon een glimlach niet bedwingen.

„Dus gij meent nog altijd, dat die brief werkelijk van Raffles komt?”

Kapitein Baxter haalde de schouders op.

„Ik geloof het niet. Maar in elk geval moet ik mijn maatregelen nemen.

Het wakend oog der politie slaapt nooit! Mylord kan hierop rekenen:

komt Raffles, dan zal Londen vanavond van een der gevaarlijkste

misdadigers bevrijd zijn!”— —

Lord Rochester was in een uitstekend humeur. Het geld was gered.

Bijzonder aangenaam was het hem, dat de chef der politie zelf zijn

afwezigheid gewenscht achtte. Dit stemde volkomen overeen met zijn

eigen wenschen, want nu stond niets meer zijn bezoek aan de mooie

winkeljuffrouw in den weg.

Lang voor den bepaalden tijd waren kapitein Baxter en zijn manschappen

dien middag op hun post.

Een deel van hen verborg hij in het park, andere kregen een plaatsje in

huis, vooral in de buurt van de studeerkamer, om daar zijn bevelen af

te wachten.

Hij onderzocht persoonlijk de studeerkamer en vooral alle meubelen, die

daarin stonden, of zij geschikt waren, om iemand tot schuilplaats te

dienen. Daarna nam hij zijn plaats in, gehurkt achter een der meubels,

gewapend met zijn Browning-pistool.

Nu kon hij gerust komen, de overmoedige John C. Raffles! Hij, kapitein

van politie Baxter, was op alles voorbereid!

Als dat wachten maar niet zoo vermoeiend en vervelend was geweest!

Den tamelijk corpulenten Baxter, die zich in zijn schuilplaats

nauwelijks kon bewegen, deden alle leden pijn. Nu eens sliep zijn arm

dan weer zijn been. Zijn manschappen had hij een plaatsje in huis

gegeven, zoodat de bedienden hen niet konden opmerken.

Het sloeg vijf, het sloeg zes uur. Geen geluid werd vernomen. Slechts

een zwakke lichtstraal viel in de kamer. Men hoorde niets dan af en toe

het zachte kraken van een der meubels, dat Baxter telkens deed

opschrikken, het tikken van de pendule op den schoorsteenmantel en het

lachen van de dienstboden in de keuken.

Kapitein Baxter onderdrukte een verwensching.

Als er werkelijk eens alleen sprake was van een grap van een of anderen

spotvogel? Dan was de politie alweer—zij het dan ook indirect—door den

meesterdief voor den gek gehouden.

Langzamerhand begon Baxter zeer vermoeid te worden en hij was op het

punt, in slaap te vallen, toen hij plotseling opschrikte.

Had hij zich vergist? Neen, hij had duidelijk een zacht gekraak aan de

deur vernomen. En toen hij voorzichtig opkeek, zag hij, dat deze

langzaam geopend werd.

Een donker hoofd verscheen door de opening, daarop volgde de gestalte

van een langen, slanken man,

Raffles! Hij was het!

Kapitein Baxter durfde niet ademhalen. Hij beefde, als een jager, die

vreest, door een ontijdige beweging het wild, dat reeds in de val

loopt, op het laatste oogenblik te verjagen.

De donkere gestalte kwam intusschen de kamer in, keek onderzoekend rond

en naderde de plek, waar de brandkast stond.

Nu wachtte Baxter niet langer. Hij sprong uit zijn schuilhoek te

voorschijn. Een schel gefluit, het afgesproken teeken, weerklonk, en

hij wierp zich op zijn vijand, voordat deze gelegenheid had om te

vluchten.

„Halt, Raffles! Geef je over! Dezen keer ontsnap je niet!” bulderde hij

terwijl de deur werd geopend en meer dan een half dozijn

politie-agenten hun chef te hulp snelden......

Lord Lister No. 0017: De gestrafte Don Juan · 第 6 / 24 题