DE MOOIE LUIERS HEBBEN WAARHEID GESPROKEN.

Nog altijd stond ik sprakeloos, maar Mattia deed wat ik geheel vergat.

--Wij bedanken u wel juffrouw, zeide hij.

En hij duwde mij zachtkens naar buiten de keuken uit.

--En nu op weg; vooruit! zeide hij. Wij moeten nu niet alleen mevrouw

Milligan en Arthur opsporen, maar ook Lize moeten wij inhalen. Wat

komt dat uitstekend! Wij zouden te Dreuze onzen tijd maar verloren

hebben; en nu kunnen wij onzen weg vervolgen. Dat is een kansje! Wij

hebben al zooveel teleurstellingen gehad, nu loopt het ons mede;

de wind is veranderd. Wie weet welk geluk ons nog wacht!

En wij vervolgden zonder tijd te verliezen onzen weg om _De Zwaan_

in te halen, en bleven overal maar juist lang genoeg om te slapen en

eenige stuivers te verdienen.

Te Decize, waar het kanaal van Nivernais uitmondt in de Loire,

vroegen wij naar _De Zwaan_. Zij was het zijkanaal ingevaren, en dit

volgden wij dus ook tot Digoin; daar namen wij het kanaal dat naar

Châlon leidt.

Mijne kaart wees mij aan, dat zoo ik over Charolles ging rechtstreeks

naar Macon, dit ons een langen omweg en verscheidene dagmarschen

zou uitwinnen; maar dit was een stout besluit, waarvan wij de

verantwoordelijkheid geen van beiden op ons wilden nemen, nadat wij

het vóór en tegen hadden overwogen; _De Zwaan_ toch had zich onderweg

kunnen ophouden, en dan zouden wij haar vóór zijn. Wij moesten dus

op onze schreden terugkeeren en, om tijd te winnen, tijd verliezen.

Wij volgden de Saône van Châlon tot Lyon.

Daar stuitten wij op eene groote moeilijkheid: was _De Zwaan_ de

Rhône op- of afgevaren? Met andere woorden: was mevrouw Milligan naar

het Zuiden van Frankrijk of naar Zwitserland gegaan. Wij vroegen

inlichtingen aan de varensgezellen en alle menschen, die op kaden

hunne bezigheden hadden en eindelijk kregen wij de zekerheid, dat

mevrouw Milligan naar Zwitserland was gegaan. Wij volgden dus den

loop der Rhône naar den oorsprong.

--Door Zwitserland gaat men naar Italië, zeide Mattia; dat is ook

een buitenkansje. Als wij, mevrouw Milligan nareizende, eens te Lucca

kwamen, wat zou Christina blij zijn!

Arme, goede Mattia! Hij hielp mij zoeken naar hen, die mij dierbaar

waren, en ik deed niets om hem in de gelegenheid te stellen zijn

zusje weer te zien.

Van Lyon af wonnen wij elken dag op _De Zwaan_, want de Rhône heeft

zulk een sterken golfslag, dat men ze niet zoo gemakkelijk opvaart

als de Seine. Te Culoz was zij ons niet meer dan zes weken vooruit;

intusschen als ik de kaart raadpleegde, moest ik het betwijfelen of

wij haar wel zouden ingehaald hebben vóór zij in Zwitserland was,

want het was mij onbekend, dat de Rhône niet verder bevaarbaar is dan

tot Genève en wij verbeeldden ons, dat mevrouw Milligan met _De Zwaan_

Zwitserland wilde bezoeken, van welk land wij geen kaart hadden.

Wij kwamen te Seyssel, eene stad die in tweeën gedeeld wordt door de

rivier, waarover eene hangende brug is geslagen, en wij volgden den

oever der rivier. Hoe verrast was ik, toen ik in de verte _De Zwaan_

meende te herkennen.

Wij zetten het op een drafje: ja het was haar vorm; het was ze;

en toch zag zij er uit als een verlaten vaartuig. Zij was stevig

vastgemeerd achter eene soort van kade, die haar beschermde en aan

boord was alles gesloten. Er waren ook geen bloemen onder de veranda.

Wat was er gebeurd? was Arthur iets overkomen?

Wij stonden stil; ons hart klopte ternauwernood.

Maar het was laf zoo onbeweeglijk te blijven; wij moesten erheen;

wij moesten weten wat er van de zaak was.

Een man, aan wien wij inlichtingen vroegen, was wel zoo goed ons te

antwoorden: hij was juist de persoon, die met het bewaken van _De

Zwaan_ belast was.

De Engelsche dame, die met hare twee kinderen aan boord was--een lam

knaapje en een klein stom meisje--bevond zich in Zwitserland. Zij

had haar schip achtergelaten, omdat zij er de Rhône niet verder mede

kon opvaren. De dame en hare twee kinderen waren met een rijtuig

weggereden; de andere bedienden waren gevolgd met de bagage. In het

najaar zou zij terugkomen, om zich weder op _De Zwaan_ in te schepen

en de Rhône af te zakken tot aan zee, om den winter in het Zuiden

door te brengen.

Wij haalden weder adem; de vrees, die wij gekoesterd hadden, was dus

ongegrond; wij moesten dan ook liever het goede dan het kwade ons

hebben voorgesteld.

--En waar is die dame thans? vroeg Mattia.

--Zij is vertrokken om een villa te huren aan den oever van het

meer van Genève, in den omtrek van Vevey; waar weet ik niet precies;

maar zij zou daar den zomer doorbrengen.

Dan maar op weg naar Vevey! Te Genève zouden wij eene kaart van

Zwitserland koopen en die stad of dat dorp zouden wij wel vinden. Nu

_De Zwaan_ niet meer vóór ons uitvoer en mevrouw Milligan den zomer

op hare villa doorbracht, waren wij zeker haar te zullen vinden. Wij

behoefden haar maar te zoeken.

Vier dagen nadat wij Seyssel verlaten hadden, waren wij reeds in

de omstreken van Vevey, temidden der talrijke villa's, die van het

meer met zijne blauwe golven af zoo bevallig achter elkander zich

verheffen op de groene en boschrijke hellingen van den berg. Waar

was nu het buitenverblijf, dat mevrouw Milligan met Arthur en Lize

bewoonde? Eindelijk waren wij waar wij wezen moesten. Het was tijd:

drie stuivers was onze eenige bezitting en onze schoenen hadden geen

zolen meer.

Maar Vevey is geen dorpje, zooals wij ons eerst hadden voorgesteld;

het is eene stad en zelfs geen gewone stad, want tot Villeneuve toe

strekken zich een reeks van dorpen of voorsteden uit, die met Vevey

een geheel vormen, Blonay, Corsier, Tour-de-Peilz, Clarens, Chernet,

Montreux, Veyteaux, Chillons.

Of wij al vroegen naar mevrouw Milligan, of liever naar eene engelsche

dame met haar zieken zoon en een stom meisje, bleek ons al spoedig een

nutteloos onderzoek te zijn: Vevey en de oevers van het meer worden

bewoond door zeer vele engelsche heeren en dames, en men kent hen

evenmin als in de omstreken van Londen.

Het best was deze zelf te zoeken en ons naar alle huizen te begeven,

waar vreemdelingen konden wonen. Dit was dan ook eigenlijk niet zoo

moeilijk; wij behoefden maar in alle straten onze bekende melodiën

te spelen.

Op één dag hadden wij geheel Vevey doorkruist en eene aanzienlijke

som gebeurd; vroeger, toen wij geld wenschten voor onze koe of de

pop van Lize, zou ons dit een gelukkigen avond hebben bezorgd, maar

thans was het ons niet meer om het geld te doen. Nergens vonden wij

de geringste aanwijzing omtrent het verblijf van mevrouw Milligan.

Den anderen morgen zetten wij onze naporingen in den omtrek van Vevey

voort en gingen maar altijd verder, den weg volgende, die vóór ons

lag, voor alle ramen spelende van de huizen, die er voornaam uitzagen,

of die ramen al open of gesloten waren. Maar des avonds keerden wij

terug, zooals wij den vorigen dag waren teruggekeerd. Toch waren wij

van het meer naar den berg en van den berg naar het meer gegaan, overal

rondziende, nu en dan vragen richtende aan menschen, die er welwillend

uitzagen, zoodat wij hopen mochten, dat zij ons zouden te woord staan.

Dien dag wekte men tot tweemaal toe eene valsche hoop bij ons op door

ons te zeggen, dat men, zonder haar naam te weten, de dame waarover wij

spraken, zeer goed kende; men zond ons eerst naar een landhuis diep in

het gebergte; en daarna verzekerde men ons, dat zij aan den oever van

het meer woonde. Het waren ook werkelijk engelsche dames, die aan het

meer en in het gebergte woonden, maar het was niet mevrouw Milligan.

Na zoo nauwkeurig mogelijk de omstreken van Vevey doorzocht te hebben,

verwijderden wij ons in de richting van Clarens en Montreux, zeer

ontevreden over den slechten uitslag onzer nasporingen, maar volstrekt

niet ontmoedigd; wat vandaag niet gelukte, dat kon morgen gelukken.

Nu eens volgden wij wegen aan weerszijden door muren begrensd, dan

weder paden dwars door wijn- en boomgaarden, of door lommerrijke

bosschen van reusachtige kastanjeboomen, waarvan het dichte loof

lucht en licht onderschepte en waaronder slechts fluweelachtig

mos groeide. Bij elke schrede op die wegen en paden zag men door

het geopend traliehek of de houten deur, net onderhouden lanen, die

zich om grasperken slingerden of door dichte boschjes van bloemen en

struiken; en in het groen verscholen lag daar een fraai huis of eene

bevallige villa met slingerplanten bedekt. En voor al die groote en

kleine woningen had men door het geboomte uitzichten gehouwen op het

spiegelheldere meer en zijne omlijsting van sombere bergen.

Die tuinen brachten ons soms tot wanhoop, want daar zij ons op een

afstand van de huizen hielden, konden wij ons niet doen hooren door

de bewoners, als wij niet zoo luid mogelijk speelden en zongen, wat

zeer vermoeiend is, wanneer men van den vroegen morgen tot den laten

avond daartoe verplicht is.

Op een namiddag gaven wij een concert op straat; vóór ons was er

slechts een getralied hek en achter ons een blinde muur, waarop wij

geen acht sloegen. Ik had zoo luid ik kon het eerste couplet gezongen

van mijn napolitaansch lied, en zou juist het tweede couplet beginnen,

toen wij het opeens achter ons hoorden zingen, aan gene zijde van

den muur, maar zwak en met eene onbekende stem.

Van wie kon die stem zijn?

--Van Arthur? vroeg Mattia.

Neen, het was Arthur niet; ik herkende diens stem althans niet; en

toch liet Capi een gesmoord blaffen hooren en gaf alle teekenen van

blijdschap, terwijl hij tegen den muur opsprong.

Ik was niet instaat mij langer te bedwingen, maar riep:

--Wie zingt daar?

En de stem antwoordde: Rémi.

Mijn naam, inplaats van een antwoord. Mattia en ik zagen elkander

onthutst aan.

Terwijl wij elkander sprakeloos stonden aan te staren, zag ik achter

Mattia een witten zakdoek in den wind fladderen; wij snelden naar

die zijde heen.

Eerst toen wij aan de heg daar ter plaatse kwamen, zagen wij

de persoon, aan wie de arm toebehoorde, die met den zakdoek had

gezwaaid.... Het was Lize.

Eindelijk hadden wij haar dan gevonden en met haar mevrouw Milligan

en Arthur.

Maar wie had gezongen? Dat was de vraag, die wij haar gelijktijdig

deden, Mattia zoowel als ik, zoodra wij instaat waren een woord

te uiten.

--Ik, zeide zij.

Lize zong! Lize sprak!

Wel is waar had ik tallooze malen hooren verzekeren, dat Lize eenmaal

hare stem zou terugkrijgen en waarschijnlijk tengevolge eener heftige

gemoedsaandoening, maar ik had nooit kunnen gelooven, dat dit mogelijk

zou zijn.

En toch was het gebeurd; zij sprak: het wonder was geschied en

het was toen zij mij had hooren zingen en mij bij haar zag komen,

terwijl zij meende me voor altijd verloren te hebben, dat zij die

heftige gemoedsaandoening ondervonden had.

Bij die gedachte werd ik zelf zoo ontroerd, dat ik genoodzaakt was

mij met de hand aan een boomtak vast te klemmen.

Maar het was nu het oogenblik niet om zich door aandoeningen te

laten overstelpen.

--Waar is mevrouw Milligan? zeide ik. Waar is Arthur?

Lize bewoog de lippen om te antwoorden, maar zij kon slechts geluiden,

geen woorden uitbrengen. Ongeduldig nam zij weder de toevlucht tot

hare gebarentaal om zich spoediger te doen begrijpen; haar tong en

haar geest waren nog niet bedreven genoeg om zich van de gewone spraak

te bedienen.

Terwijl ik met de oogen hare taal volgde, die Mattia niet verstond,

zag ik achter in den tuin, op den hoek van eene lommerrijke laan, een

wagentje, dat door een knecht werd voortgeduwd: in dat wagentje lag

Arthur uitgestrekt, en achter hem ging zijne moeder en..... ik boog mij

voorover om beter te zien..... de heer James Milligan. Onmiddellijk

bukte ik, zoodat ik achter de heg verborgen was en riep Mattia op

gejaagden toon toe, dat hij hetzelfde zou doen, zonder te bedenken

dat James Milligan Mattia niet kende.

Toen de eerste beweging van schrik voorbij was, besefte ik, dat Lize

niets van ons plotseling wegkruipen zou begrijpen. Ik richtte mij

daarom een weinig op en zeide op fluisterenden toon:

--Mijnheer James Milligan moet mij niet zien; hij zou mij naar Engeland

terug doen gaan.

Verschrikt hief zij hare beide armen ten hemel.

--Verroer u niet, zeide ik, op denzelfden toon voortsprekende;

morgenochtend te negen uren zullen wij op deze zelfde plek

komen. Tracht dan alleen te zijn en ga nu heen.

Zij aarzelde.

--Ga heen, bid ik u, en stort mij niet in het ongeluk.

Tegelijkertijd verdwenen wij achter den muur en bereikten wij, zoo

hard mogelijk loopende, de wijngaarden, die ons geheel verborgen. Daar

konden wij, na aan onze blijdschap den vollen teugel te hebben gevierd,

rustig met elkander praten en overleggen.

--Ge begrijpt, zeide Mattia, dat ik volstrekt niet van plan ben

tot morgen te wachten om met mevrouw Milligan te spreken. In dien

tusschentijd zou James Milligan Arthur om 't leven kunnen brengen. Ik

ga dadelijk mevrouw Milligan opzoeken en zal haar zeggen..... alles wat

wij weten. Daar mijnheer Milligan mij niet kent, behoef ik niet bang

te zijn dat hij aan u en aan de familie Driscoll zal denken. Mevrouw

Milligan kan dan zelve beslissen wat er gedaan moet worden.

Blijkbaar was hetgeen Mattia voorstelde zeer verstandig. Ik liet hem

dus gaan en maakte met hem de afspraak, dat wij elkander zouden vinden

in een kastanjeboschje op eenigen afstand. Als het toeval wilde, dat de

heer Milligan daarlangs ging, zou ik mij gemakkelijk kunnen verbergen.

Zeer langen tijd wachtte ik, uitgestrekt op het mos, de terugkomst

van Mattia af en reeds tienmaal had ik mij afgevraagd, of wij ons

ook vergist hadden, toen ik hem zag aankomen, vergezeld van mevrouw

Milligan.

Ik snelde hen tegemoet en greep de hand, die zij mij toestak en kuste

die, maar zij sloot mij in hare armen en zich over mij heenbuigende,

kuste zij mij teeder op mijn voorhoofd.

Dat was de tweede maal, dat zij mij kuste, maar het kwam mij voor, dat

zij de eerste maal mij niet zoo hartelijk in hare armen had gedrukt.

--Arm, lief kind! zeide zij.

En met hare fraaie, blanke, zachte vingeren streek zij mijn haar op

zijde, om mij goed in 't gelaat te zien.

--Ja... ja... prevelde zij.

Die woorden antwoordden zeker op eene vraag, die zij in haar gemoed

gedaan had, maar in mijne ontroering was ik buiten staat, die gedachte

te gissen. Ik voelde slechts de teederheid van den blik, dien zij

op mij rusten liet, en ik was te gelukkig om verder te denken dan

dit oogenblik.

--Kindlief, zeide zij, zonder haar blik van mij af te wenden, uw

makker heeft mij zeer gewichtige dingen verteld. Wilt gij me nu ook

eens alles mededeelen wat met uw komst bij de familie Driscoll en

met het bezoek van den heer James Milligan in verband staat?

Ik verhaalde haar alles en mevrouw Milligan viel mij slechts in

de rede, om eenige bijzonderheden omtrent enkele punten te vragen:

nooit had men met zooveel aandacht naar mij geluisterd; hare oogen

verlieten de mijne niet.

Toen ik uitgesproken had, bleef ook zij geruimen tijd zwijgen, maar

altijd mij aanziende. Eindelijk sprak zij:

--Dit alles is van zeer veel gewicht voor u, voor ons allen; wij moeten

daarom zeer voorzichtig te werk gaan en eerst menschen raadplegen,

die ons raad kunnen geven. Maar tot zoolang moet gij u beschouwen

als de makker, als de vriend--hier aarzelde zij een oogenblik--als

de broeder van Arthur en van nu af aan moet gij en uw vriendje dit

ongelukkig leven eindigen. Over een paar uur moet gij u te Territet

vervoegen in het hotel des Alpes, waarheen ik een vertrouwd persoon

zal zenden om kamers voor u te bestellen. Daar zullen wij elkander

weerzien, want thans moet ik u verlaten.

Nogmaals omhelsde zij mij, en na Mattia de hand te hebben gegeven,

verwijderde zij zich met rasse schreden.

--Wat hebt gij aan mevrouw Milligan verteld? vroeg ik aan Mattia.

--Alles wat zij u verhaald heeft en nog 't een en ander. O, 't is

zoo'n goede, lieve vrouw.

--En Arthur? Hebt gij dien gezien?

--Van verre; genoeg evenwel om te weten, dat hij een goede jongen is.

Ik ging voort met Mattia te ondervragen, maar hij gaf ontwijkende

antwoorden of wel zoo, dat ik maar de helft er van begreep. Toen

spraken wij over onverschillige dingen tot op het oogenblik, waarop

wij ons, zooals mevrouw Milligan ons had gezegd, aan het hotel

des Alpes aanmeldden. Ofschoon wij nog onze armelijke kleeren van

straatmuzikanten droegen, werden wij zeer beleefd ontvangen door

een knecht in een zwarten rok met eene witte das, die ons naar onze

kamer bracht. Wat was dat eene mooie kamer! Er stonden twee ledekanten

met hagelwit beddegoed; de ramen kwamen uit op eene veranda met het

uitzicht op het meer en het prachtige landschap aan zijne oevers. Toen

wij van de veranda eindelijk weder in onze kamer terugkeerden,

stond daar nog altijd onbeweeglijk de knecht, die op onze bevelen

wachtte. Hij vroeg ons wat wij voor ons middagmaal verlangden, dat

hij ons op de veranda brengen zou.

--Hebt ge taart? vroeg Mattia?.

--Pruimen-taart, aardbeziën-taart, aalbessen-taart.

--Nu, geef ons dan maar van die taarten.

--Van alle drie?

--Zeker.

--En wat dan eerst? welk vleesch, welke groente?

Bij al wat de knecht zeide, zette Mattia groote oogen op, maar hij

werd volstrekt niet verlegen.

--Wat ge wilt, zeide hij.

De knecht ging deftig heen.

--Ik geloof, zeide Mattia, dat wij hier beter zullen eten dan bij de

familie Driscoll.

Den anderen morgen kwam mevrouw Milligan ons een bezoek brengen;

zij bracht een kleermaker en eene linnennaaister mede, die ons de

maat namen voor kleeren en ondergoed.

Zij vertelde ons dat Lize nog altijd voortging met zich in het spreken

te oefenen en dat de dokter verklaard had, dat zij thans genezen

was. Nadat zij een uur bij ons was geweest, ging zij heen en kuste

mij weder en gaf Mattia de hand.

Zij kwam vier dagen achtereen en elken dag was zij liever en teederder

voor mij, maar ik bemerkte toch zekere terughouding; het was of zij

niet aan hare teederheid wilde toegeven of ze niet wilde laten blijken.

Den vijfden dag kwam de kamenier, die ik op _De Zwaan_ had gezien,

in hare plaats. Zij zeide ons dat mevrouw Milligan ons op hare

villa wachtte, en dat buiten een rijtuig stond om er ons heen te

brengen. Het was eene open calèche, waarin Mattia plaats nam zonder

eenige verwondering te doen blijken en op eene wijze of hij er van

zijne jeugd af altijd in gereden had. Ook Capi legde zich zonder

aarzelen op een kussen meer.

De rit was niet ver; hij duurde al te kort, want het was voor mij

of ik droomde; mijn hoofd was vol van allerlei dwaze gedachten of

tenminste gedachten, die ik heel dwaas vond. Men liet ons in eene

zaal, waar zich mevrouw Milligan bevond en Arthur, die op de canapé

lag uitgestrekt, alsmede Lize.

Arthur strekte beide armen naar mij uit; ik snelde naar hem toe om

hem aan mijn borst te drukken; ik omhelsde ook Lize, maar mevrouw

Milligan omhelsde mij.

--Eindelijk, zeide zij, is het oogenblik gekomen dat gij de plaats

moogt innemen, die u toekomt.

En toen ik haar aanzag om haar eene verklaring van die woorden te

vragen, opende zij eene deur en ik zag vrouw Barberin binnenkomen,

die onder den arm kinderkleeren droeg: een manteltje van wit cachemier,

een kanten mutsje en gebreide kousjes.

Zij had ternauwernood den tijd om die kleeren op tafel te leggen, toen

ik haar reeds in mijn armen had gesloten; terwijl ik haar omhelsde,

zeide mevrouw Milligan iets tot een bediende, maar ik hoorde den naam

van James Milligan en dit deed mij van schrik verstijven.

--Gij hebt niets te vreezen, zeide zij eindelijk; integendeel, kom

hier en leg uwe hand in de mijne.

Op dat oogenblik ging de deur van de zaal open en verscheen de heer

Milligan, glimlachend en al zijne scherpe tanden vertoonende. Toen

hij mij zag verdween plotseling die glimlach, om plaats te maken voor

een vreeselijken grijns.

Mevrouw Milligan liet hem den tijd niet om te spreken.

--Ik heb u doen roepen, sprak zij langzaam, terwijl hare stem licht

beefde, om u mijn oudsten zoon voor te stellen, dien ik het geluk heb

gehad eindelijk te ontdekken--hier drukte zij mij de hand--hier is

hij. Maar gij kent hem reeds; gij hebt hem bezocht bij den man, die hem

gestolen heeft, om naar zijn gezondheid een onderzoek in te stellen.

--Wat beteekent dat? vroeg de heer James Milligan, met een ontsteld

gelaat.

--Die man, die nu in de gevangenis zit wegens diefstal in eene kerk,

heeft eene volledige bekentenis afgelegd. Hier is een brief, waaruit

dit blijkt. Hij heeft medegedeeld hoe hij het kind heeft gestolen

en te Parijs heeft achtergelaten in de avenue de Breteuil; hoe hij

de voorzorg had genomen om de merken van de kleeren af te knippen,

opdat ze niet tot eene herkenning zouden leiden. Daar zijn die kleeren,

die bewaard zijn door de brave vrouw, welke zoo belangeloos mijn zoon

heeft opgevoed. Wilt gij dien brief lezen? wilt gij die kleeren zien?

De heer James Milligan stond een oogenblik sprakeloos; misschien dacht

hij eraan of hij ons maar niet allen verworgen zou. Eensklaps ging

hij naar de deur; maar vóór hij de kamer uit was, keerde hij zich om.

--Wij zullen eens zien, zeide hij, hoe de rechters zullen oordeelen

over een ondergeschoven kind.

Zonder de minste ontroering sprak mevrouw Milligan--thans mag ik

zeggen mijne moeder:

--Gij kunt mij voor den rechter dagen; ik voor mij zal nooit den

broeder van mijn echtgenoot ter verantwoording roepen.

De deur ging achter mijn oom dicht; toen kon ik mij in de arme

mijner moeder werpen, die mij vurig aan 't hart drukte en die ik

voor de eerste maal durfde kussen, terwijl ze ook mijn liefkoozingen

beantwoordde.

Toen onze ontroering een weinig bedaard was, kwam Mattia naar ons toe:

--Zeg nu eens aan uw mama, dat ik goed een geheim kan bewaren.

--Wist gij dan alles? vroeg ik.

Mijne moeder gaf daarop ten antwoord:

--Toen Mattia mij alles verteld had, verzocht ik hem te zwijgen, want

ik was overtuigd, dat de arme kleine Rémi mijn zoon was. Maar ik moest

zekere bewijzen hebben, opdat er geen dwaling meer mogelijk was. Hoe

smartelijk zou het voor u geweest zijn, lief kind, als ik u eenmaal

mijn zoon genoemd had, te ontdekken, dat wij ons hadden vergist! Die

bewijzen hebben wij nu; en thans zijn wij voor altijd met elkander

vereenigd. Voor altijd zult gij nu leven met uwe moeder en uw broer

en--hier wees zij op Lize en Mattia--met hen die u liefgehad hebben,

toen gij ongelukkig waart.

Alleen op de Wereld · 第 92 / 95 题