De heer James Milligan kwam niet meer in De Roode Leeuw, of althans
wij zagen hem niet, hoe wij ook opletten.
Na Kerstmis moesten wij weder overdag uit en onze kans om hem
te ontmoeten werd minder; onze hoop was nu nog op den zondag
gevestigd. Wij bleven dan ook dikwijls thuis inplaats van gebruik te
maken van den vrijen dag, om voor ons pleizier te gaan wandelen.
Wij wachtten.
Zonder onzen toestand geheel te vertellen, had Mattia toch aan zijn
vriend Bob het een en ander medegedeeld en hem gevraagd of er geen
mogelijkheid was het adres te ontdekken van eene zekere mevrouw
Milligan, die een lam zoontje had, of zelfs maar van den heer James
Milligan. Maar Bob zeide dat men dan allereerst weten moest wie
die mevrouw Milligan was, of welke betrekking de heer James Milligan
bekleedde, daar zeer vele menschen in Londen, en nog meer in Engeland,
den naam van Milligan droegen.
Daaraan hadden wij niet gedacht. Voor ons was er maar één mevrouw
Milligan, de moeder van Arthur, en een mijnheer James Milligan,
die de oom was van Arthur.
Toen begon Mattia alweder met zijn raad om naar Frankrijk terug te
keeren, en opnieuw begonnen wij daarover te kibbelen.
--Gij wilt het dus opgeven om mevrouw Milligan te zoeken? vroeg ik.
--Neen, zeker niet; maar 't is niet uitgemaakt, dat mevrouw Milligan
nog in Engeland is.
--Evenmin, dat zij in Frankrijk is.
--Dat is toch waarschijnlijk; daar Arthur ziek is geweest, zal zijn
moeder hem wel naar een land hebben gebracht, waarvan het klimaat
geschikt is voor zijn herstel.
--Frankrijk is het eenige land niet, waar men een klimaat vindt,
dat heilzaam is voor eene zwakke gezondheid.
--Arthur is eenmaal in Frankrijk hersteld, daarheen zal zijn moeder
hem dus wel voor de tweede maal ook gebracht hebben, en bovendien
zou ik ook gaarne zien, dat gij van hier gingt.
Mijn toestand was van dien aard, dat ik aan Mattia niet durfde vragen,
waarom hij mij volstrekt hiervandaan wilde hebben; ik was bang,
dat hij juist datgene zou zeggen wat ik niet wilde hooren.
--Ik ben bang, ging Mattia voort; laat ons dus heengaan. Gij zult zien,
dat ons een ongeluk overkomt; laat ons gaan.
Ofschoon het gedrag van mijn familie tegenover mij niet veranderd was;
mijn grootvader nog altijd spuwde als hij mij in zijne nabijheid zag;
mijn vader mij slechts enkele woorden op een toon van gezag toevoegde;
mijn moeder mij nooit aanzag, en mijn broers en zusters onuitputtelijk
waren in het uitdenken van allerlei streken, die mij onaangenaam waren;
Annie mij haar afkeer toonde bij elke gelegenheid en Kate slechts lief
was, als ik haar lekkers meebracht, kon ik nog maar niet besluiten
om den raad van Mattia te volgen, evenmin als ik hem gelooven wilde,
dat ik de zoon van Driscoll niet was. Twijfelen kon ik, maar vast
gelooven, dat ik geen Driscoll was, viel mij onmogelijk.
De tijd ging langzaam voorbij, zeer langzaam, maar de dagen volgden
toch op de dagen en de weken op de weken en het tijdstip naderde,
waarop de Driscoll's Londen zouden verlaten om hun zwerftocht door
Engeland te ondernemen.
De twee wagens waren opgeschilderd en zij waren gevuld met al de
koopwaren, die zij maar bevatten konden en die men in den loop van
den zomer zou verkoopen.
Er was een ontzaglijke hoeveelheid van allerlei artikelen en het
was bijna niet te begrijpen, dat alles in die twee wagens kon worden
gepakt. Het waren manufacturen, gebreid goed, mutsen, omslagdoeken,
zakdoeken, kousen, onderbroeken, vesten, knoopen, garen, katoen,
naai- en breikatoen, naalden, scharen, scheermessen, oorringen,
ringen, zeep, pommade, schoensmeer, slijpsteenen, poeders voor zieke
paarden en honden, vlekkenwater, tandwater, middelen om 't haar te
doen groeien of om het te verven, enz.
En terwijl wij in de schuur waren, zagen wij uit den kelder de pakken
te voorschijn komen, die des nachts in De Roode Leeuw waren gebracht en
niet geleverd waren door de magazijnen, waar die voorwerpen doorgaans
worden verkocht.
Eindelijk waren de wagens gevuld; er werden paarden gekocht: hoe en
waar, dat wist ik niet; maar wij zagen ze thuisbrengen en alles was
gereed voor het vertrek.
En wat zouden wij gaan doen? zouden wij te Londen blijven met
grootvader, die De Roode Leeuw niet zou verlaten? zouden wij evenals
Allen en Ned, de waren moeten te koop bieden; of zouden wij met de
wagens medegaan en ons vak van muzikant voortzetten in al de steden
en dorpen, waar wij op onze reis doortrokken?
Mijn vader vond, dat wij een goed daggeld maakten met onze viool
en onze harp en hij besliste daarom, dat wij muzikanten zouden
blijven. Dit deelde hij ons mede den dag vóór ons vertrek.
--Laten wij naar Frankrijk terugkeeren, zeide Mattia, en van de eerste
gelegenheid de beste gebruik maken om te vluchten.
--Waarom zouden wij geen reisje door Engeland maken?
--Omdat ons een ongeluk overkomen zal.
--Wij hebben kans mevrouw Milligan in Engeland te ontmoeten.
--Ik geloof, dat wij daarop veel meer kans hebben in Frankrijk.
--Wij kunnen het altijd in Engeland beproeven; daarna kunnen wij zien.
--Weet ge wat gij verdient?
--Neen.
--Dat ik u verlaat en alleen naar Frankrijk ga.
--Gij hebt gelijk; dat raad ik u ook aan; ik weet wel, dat ik het
recht niet heb u terug te houden, en ik weet ook wel, dat gij te goed
zijt om bij mij te blijven; ga dus heen; gij zult Lize opzoeken en
haar zeggen...
--Als ik haar ontmoet, zou ik haar zeggen, dat gij dom en slecht zijt
om te gelooven dat ik u ooit zou verlaten, terwijl gij ongelukkig
zijt. Want gij zijt ongelukkig, zeer ongelukkig! Wat heb ik u gedaan,
dat gij zoo iets van mij zoudt kunnen denken? Zeg, wat heb ik u
gedaan? Niets nietwaar? Welnu, vooruit dan!
Alweder waren wij op de groote wegen, maar ditmaal was ik niet vrij
om te gaan waar ik wilde en te doen wat ik goedvond. Toch had ik
een gevoel van verlichting toen ik Londen verliet. Ik zou De Roode
Leeuw niet meer zien en dat luik, dat mij, ondanks mij zelven,
aantrok. Hoe dikwijls ben ik des nachts met schrik wakker geworden,
terwijl ik in een benauwden droom een rood schijnsel door het raampje
zag vallen. Het was een droom, een visioen; maar wat deed dit er toe:
eenmaal had ik werkelijk dat licht gezien en dit was genoeg om het
altijd als een brandende vlam voor oogen te hebben.
Wij stapten achter de wagens aan en inplaats van de stinkende en
ongezonde geuren van Bethnal-Green, ademden wij de zuivere lucht van
de schoone landschappen, die wij doortrokken en die misschien het
woord _green_ niet in hun naam hadden, maar groen waren voor de oogen,
terwijl onze ooren vergast werden op het gezang der vogelen.
Op den dag zelf reeds van ons vertrek, zag ik hoe de verkoop plaats
had van de waren, die zoo weinig gekost hadden. Wij waren in een groot
dorp gekomen en de wagens werden op het plein gebracht. Een der wanden,
die uit verschillende paneelen bestond, werd neergeslagen en de geheele
voorraad werd uitgestald om de aandacht van het publiek te trekken.
--Koopjes! koopjes! zoo iets heb je nooit gezien! riep mijn vader. Daar
ik mijn waar niet betaal, kan ik ze goedkoop leveren. Ik verkoop ze
niet; ik geef ze present. Koopjes! Koopjes!
Ik hoorde menschen, die de prijzen hadden gelezen, onder het weggaan
tot elkander zeggen:
--'t Zal wel gestolen waar zijn.
--Dat erkent hij zelf.
Als zij mijn kant hadden uitgekeken, zouden zij aan mijn blozen gezien
hebben, dat hun vermoeden maar al te gegrond was.
Maar zagen zij dien blos niet, Mattia had hem opgemerkt en des avonds
sprak hij er mij over, hoewel hij gewoonlijk vermeed openhartig over
dat punt te spreken.
--Zult gij die schande altijd kunnen verduren? vroeg hij.
--Spreek er niet over, als gij niet wilt, dat die schande mij nog
meer kwelt.
--Dat wil ik niet; maar ik wil samen naar Frankrijk terugkeeren. Ik heb
u altijd gezegd, dat er een ongeluk gebeuren zal, en ik zeg het u nog;
en ik voeg er nu bij, dat het niet lang meer zal uitblijven. Begrijp
dan toch, dat er een politie is en dat deze den een of anderen dag
zal willen weten hoe Driscoll voor zoo lage prijzen zijn waar kan
verkoopen. En wat zal er dan gebeuren?
--Mattia, ik bid je....
--Als gij zelf dan niet zien wilt, moet ik het wel voor u doen. Ge
zult zien dat men ons allen oppakt, ook u en mij, die niets
gedaan hebben. Maar hoe zullen wij dat bewijzen? Hoe zullen wij ons
verdedigen? En is het niet waar, dat wij het brood eten voor het geld
van die gestolen waar gekocht?
Die gedachte was nog nooit bij mij opgekomen; zij trof me, alsof men
met een hamer op mijn hoofd had geslagen.
--Maar wij verdienen ons brood, zeide ik, om mij te verdedigen,
niet zoozeer tegen Mattia dan wel tegen die gedachte.
--Dat is waar, hernam Mattia, maar 't is evenzeer waar, dat wij
vereenigd zijn met menschen, die het hunne niet verdienen. Dat zal men
zien, en overigens niets anders zien; wij zullen veroordeeld worden,
evenzeer als zij. Het zou mij diep leed doen, zoo ik veroordeeld werd
als dief, maar nog veel meer wanneer gij als dief werdt veroordeeld. Ik
ben maar een arme drommel, en ik zal nooit iets anders zijn; maar
gij, als gij uw familie hebt weergevonden, uw echte familie, wat
zal het dan een smart en een schande voor u zijn, als gij zulk een
vonnis hebt gehad! En als wij in de gevangenis zitten, zullen wij
allerminst gelegenheid hebben om uwe ouders te ontdekken. En als
wij in de gevangenis zitten, kunnen wij mevrouw Milligan ook niet
waarschuwen voor hetgeen James Milligan tegen Arthur in 't schild
voert. Laten wij ons dus redden, terwijl het nog tijd is.
--Red u zelven.
--Gij zegt altijd dezelfde domheid; wij zullen ons samen redden of
wij zullen samen opgepakt worden; en als dat gebeurt, wat niet lang
meer duren kan, zult gij de verantwoordelijkheid dragen, dat gij
mij met u meegesleept hebt, en wij zullen eens zien of dat besef
zoo licht te dragen is. Als gij nuttig waart voor hen, bij wie gij
nu zoo hardnekkig wilt blijven, zou ik dat volhouden begrijpen; maar
gij zijt volstrekt niet onmisbaar voor hen: zij zullen ook zonder u
wel leven. Laat ons dus spoedig heengaan.
--Welnu, laat mij nog een paar dagen, om er over na te denken; dan
zullen wij zien.
--Haast u! de wildeman rook menschenvleesch; ik ruik het gevaar.
Nooit hadden de woorden, de redeneering en de beden van Mattia mij
zoo sterk getroffen als thans, en als ik eraan dacht, zeide ik tot mij
zelven, dat de besluiteloosheid, waaraan ik mij maar niet onttrekken
kon, laf was en dat ik beslissen moest en eindelijk moest weten wat
ik wilde.
De omstandigheden deden voor mij wat ik zelf niet durfde.
Reeds eenige weken waren voorbijgegaan sinds wij Londen verlaten
hadden en wij waren in een stad gekomen, in welker omtrek wedrennen
moesten plaats hebben. In Engeland zijn de wedrennen niet wat zij in
andere landen zijn, een vermaak alleen voor de rijken, die drie of
vier paarden tegen elkander laten loopen en zich zelven eens komen
vertoonen om dan met elkander weddenschappen om een gulden of wat aan
te gaan. Daar zijn zij volksfeesten voor eene geheele streek en het
zijn niet de paarden alleen, die men komt zien; op de vlakte of langs
de kust, waar de wedrennen plaats hebben, komen, somtijds reeds dagen
te voren, kunstenmakers, muzikanten, reizende kooplieden enz. die daar
een soort van kermis aanrichten. Wij hadden ons gehaast om eene plaats
daar te krijgen, wij als muzikanten en de Driscoll's als kooplieden.
Maar inplaats van op het terrein van de wedrennen zich te vestigen,
had mijn vader eene standplaats ingenomen in de stad zelve, waar hij
waarschijnlijk betere zaken dacht te maken.
Wij waren al vroeg aangekomen, en daar wij niet behoefden te helpen
aan het uitstallen der koopwaar, gingen Mattia en ik het terrein van
de wedrennen eens opnemen, dat op korten afstand van de stad op eene
heide was gelegen. Er waren een groot aantal tenten opgeslagen en
van verre zag men smalle rookkolommen opstijgen op de punten, die de
grenzen vormden van het veld voor de wedrennen. Weldra kwamen wij door
een hollen weg op de gewoonlijk dorre, naakte vlakte, maar waar dien
avond houten loodsen waren opgeslagen, waarin men nu ververschingen
kon bekomen en zelfs nachtverblijf, barakken, tenten en wagens of zelfs
legerplaatsen met vuren in de open lucht, waaromheen een groot aantal
menschen in allerlei kleederen zich bewogen, die de schilderachtigste
groepen vormden.
Toen wij een van die vuren voorbijgingen, waarboven een ketel hing,
herkenden wij onzen vriend Bob. Hij was recht blij dat hij ons
zag. Met twee zijner kameraden was hij naar de wedrennen gegaan om
voorstellingen te geven, maar de muzikanten, op wie zij gerekend
hadden, hadden geen woord gehouden, zoodat de andere dag, inplaats
van een goede winst af te werpen, zooals zij gehoopt hadden, zeer
onvoordeelig zou zijn. Als wij wilden, konden wij hun een grooten
dienst bewijzen, door de taak van die muzikanten op ons te nemen. De
opbrengst zouden wij met ons vijven deelen, want ook Capi zou zijn
aandeel hebben.
Uit een blik van Mattia begreep ik, dat het pleizier zou doen aan
mijn vriend als wij het voorstel van Bob aannamen, en daar wij vrij
waren om te doen wat wij wilden, onder voorwaarde slechts dat wij
eene goede som thuisbrachten, nam ik het aan.
Wij spraken dus af, dat wij den anderen morgen ons ter beschikking
van Bob en zijne beide vrienden zouden stellen.
Maar toen wij weder in de stad kwamen, deed zich eene moeilijkheid
voor. Ik vertelde aan mijn vader welke afspraak wij hadden gemaakt.
--Den hond heb ik zelf noodig, zeide hij: gij kunt hem dus niet
meenemen.
Die woorden maakten mij eenigszins ongerust: wilde hij Capi weder
voor de eene of andere slechte streek gebruiken? Maar mijn vader deed
terstond alle vrees bij mij verdwijnen.
--Capi heeft een fijn gehoor, zeide hij, en hij is zeer waakzaam;
hij kan ons dus van grooten dienst wezen bij de wagens, want bij
dien toevloed van menschen zouden er wel eens onder kunnen zijn,
die ons wilden bestelen. Gij gaat dus alleen spelen met Bob en als
het wat heel laat mocht worden, wat zeer goed mogelijk is, kunt gij
ons opzoeken in de herberg De Eikenboom, waar wij onzen intrek nemen,
daar het mijn plan is tegen het vallen van den nacht te vertrekken.
Die herberg De Eikenboom, waar wij den vorigen nacht hadden
doorgebracht, was een kwartier van de stad gelegen, op het open veld,
in eene eenzame, sombere streek. Zij werd door een echtpaar gehouden,
dat niet zeer geschikt was om vertrouwen in te boezemen. Die herberg
des nachts terug te vinden was niet moeilijk; het was een rechte weg;
het eenige onaangename was, dat zij nog al ver af lag, wat vooral na
een zwaren dag geen genoegen was.
Maar dat kon ik aan mijn vader niet zeggen, want deze gedoogde geen
tegenspraak. Als hij iets gezegd had, moest men gehoorzamen.
Den anderen dag, nadat ik een poos met Capi had geloopen om hem te
eten en te drinken te geven, zoodat ik zeker kon zijn, dat hij geen
gebrek zou lijden, maakte ik zelf hem vast aan den wagen, dien hij
bewaken moest en Mattia en ik gingen naar het terrein van de wedrennen.
Zoodra wij aangekomen waren, begonnen wij muziek te maken en dit
duurde voort tot des avonds laat. Mijn vingers deden eindelijk zoo
zeer, of zij door duizenden naalden werden gestoken, en Mattia had
zooveel op den horen geblazen, dat hij bijna geen adem meer halen
kon. Toch moesten wij maar blijven spelen, daar Bob en zijn makkers
met hunne kunsten niet ophielden; van onzen kant mochten wij dus
ook geen lust nemen. Toen de avond gevallen was, dacht ik dat wij
rust zouden gaan nemen; maar wij verwisselden onze plaats in de open
lucht met eene groote houten loods en daar begonnen de kunsten en de
muziek opnieuw. Dit duurde tot bij middernacht; ik maakte nog altijd
geluid op mijn harp, maar ik wist niet meer wat ik speelde en Mattia
wist het evenmin als ik. Al twintigmaal had Bob medegedeeld dat het
nu de laatste voorstelling zou zijn, en twintigmaal waren wij weder
opnieuw begonnen.
Zoo wij moe waren, onze makkers, die veel meer hunne krachten moesten
inspannen dan wij, waren afgemat en al meer dan een van hun toeren
was mislukt. Bij een van die toeren gebeurde het, dat een staak,
die daarbij dienst deed, op den voet van Mattia terecht kwam. De
pijn was zoo hevig, dat hij het uitschreeuwde; ik dacht dat zijn voet
verpletterd was en wij snelden allen naar hem toe. Gelukkig was de wond
niet gevaarlijk; zijn voet was gekneusd en het vleesch opengereten,
maar er was niets gebroken. Loopen kon Mattia evenwel niet.
Wat te doen?
Er werd besloten, dat hij in den wagen van Bob zou slapen en dat ik
alleen naar de herberg De Eikenboom zou gaan. Ik moest toch weten
waarheen de familie Driscoll den anderen dag zou heengaan.
--Ga er niet heen, zeide Mattia bij herhaling, dan gaan wij morgen
samen.
--En als wij dan niemand in de herberg De Eikenboom vinden?
--Des te beter; dan zijn wij vrij.
--Als ik de familie Driscoll verlaat, zal het niet op die manier
zijn. Bovendien, gelooft gij niet dat zij ons spoedig zou weergevonden
hebben? Waar wilt gij dan heengaan met uw voet.
--Welnu, wij zullen morgen erheen gaan, als gij wilt, maar niet
vanavond. Ik ben bang.
--Waarvoor?
--Dat weet ik niet, maar ik ben bang voor u.
--Laat me toch gaan; ik beloof u, morgen terug te zullen komen.
--En als men u terughoudt?
--Om dit te beletten, zal ik mijn harp hier laten; dan moet ik wel
terugkomen om die te halen.
Ondanks de vrees van Mattia, ging ik op weg, want zelf was ik volstrekt
niet bang.
Voor wie, voor wat zou ik bang zijn? Wat zou men kunnen verlangen
van een armen drommel als ik?
Maar al voelde ik niet de minste vrees of een zweem van angst, ik was
toch zeer ontroerd; 't was voor de eerste maal, dat ik werkelijk alleen
was, zonder Capi, zonder Mattia, en dat gevoel van verlatenheid drukte
mij, terwijl de geheimzinnige stemmen van den nacht den gewonen indruk
op mij maakten. Ook de maan, die mij met haar bleek gelaat aanstaarde,
stemde mij zwaarmoedig.
Hoe vermoeid ik ook was, ik stapte stevig door en kwam eindelijk aan
de herberg De Eikenboom, maar hoe ik onze wagens ook zocht, ik vond
ze niet. Er waren twee of drie ellendige karretjes met huiven, een
groote loods van planken en twee overdekte karren waaruit het gebrul
van wilde dieren zich deed hooren, toen ik naderde; maar de fraaie
wagens met de helle kleuren van de familie Driscoll zag ik nergens.
Toen ik de herberg omliep, zag ik een licht, dat achter een ongesloten
raam brandde, en daar ik hieruit opmaakte, dat niet ieder nog sliep,
klopte ik op de deur. De herbergier met zijn ongunstig uiterlijk,
dien ik den vorigen dag had gezien, deed zelf mij open en hield zijn
lantaarn vóór me, zoodat het volle licht op mijn gelaat viel. Ik zag,
dat hij mij herkende, maar inplaats van mij door te laten, hield hij
de lantaarn achter den rug en een blik om zich werpende, luisterde
hij eenige oogenblikken aandachtig.
--Uw wagens zijn al vertrokken, zeide hij; uw vader heeft gezegd,
dat gij onmiddellijk, zonder verwijl, naar Lewes zoudt gaan en den
ganschen nacht zou doorloopen. Goede reis!
En hij deed de deur voor mijne neus dicht, zonder een woord erbij
te voegen.
Sedert mijn komst in Engeland had ik genoeg van de taal geleerd om
die weinige woorden te begrijpen; maar er was één woord in, het
belangrijkste, dat voor mij onverstaanbaar was. _Louis_, had de
herbergier gezegd; waar lag dat land? Ik wist het volstrekt niet,
dat Louis de engelsche uitspraak was van Lewes, een stad, waarvan ik
den naam wel eens op de kaart had gelezen.
Maar al had ik ook geweten waar Lewes lag, had ik er toch niet dadelijk
kunnen heengaan, Mattia achterlatende. Ik moest dus naar het terrein
van de wedrennen terugkeeren, hoe moe ik ook was.
Ik begaf mij dan ook weder op weg en anderhalf uur later lag ik op een
bos stroo naast Mattia, in den wagen van Bob, en in weinige woorden
vertelde ik hem wat er gebeurd was; daarna viel ik doodvermoeid
in slaap.
Eenige uren slaap gaven mij mijn krachten terug, en den anderen morgen
werd ik wakker, gereed om naar Lewes op weg te gaan, als tenminste
Mattia, die nog sliep, mij kon volgen.
Toen ik uit het rijtuig stapte, ging ik naar mijn vriend Bob, die
vóór mij was opgestaan en reeds bezig was het vuur aan te maken. Ik
sloeg hem gade, terwijl hij daar op handen en voeten lag en met alle
macht in het smeulend hout onder den ketel blies, toen ik meende Capi
te herkennen, dien een politieagent aan een touw hield.
Ik was zoo verbaasd, dat ik mij niet verroeren kon en vroeg mij af
wat dit kon beteekenen. Maar Capi had mij herkend en een ruk gedaan
aan het touw, zoo krachtig, dat het aan de handen van den agent
ontsnapte. In een paar sprongen was hij bij mij en in mijn armen.
De agent kwam bij ons.
--Die hond is van u nietwaar? vroeg hij.
--Ja.
--Dan neem ik u in hechtenis.
En hij greep mij krachtig bij den arm.
De woorden en de daad van den agent hadden Bob doen opzien. Hij
kwam erbij.
--Waarom neemt gij dien knaap in hechtenis? vroeg hij.
--Zijt gij zijn broer?
--Neen, zijn vriend.
--Een man en een jongen zijn dezen nacht in de kerk Sint-George
geklommen door een hoog raam met behulp van een ladder. Zij hadden
dezen hond medegenomen, om hen te waarschuwen als men naderde. Zij
werden overvallen en zij hebben zich den tijd niet gegeven om den
hond mede te nemen, toen zij uit het venster zich redden en het beest
heeft hen niet kunnen volgen, daar het in de kerk was opgesloten. Met
dien hond was ik zeker de dieven te zullen ontdekken en nu heb ik er
een van. Waar is nu de ander?
Ik weet niet of die vraag gedaan werd aan Bob of aan mij; ik antwoordde
niet; ik was verpletterd.
Toch begreep ik wat er gebeurd was; ondanks mij zelven raadde ik het:
men had Capi niet gevraagd om de rijtuigen te bewaken, maar omdat hij
zulk een fijn gehoor had en hen kon waarschuwen als zij in de kerk aan
't stelen waren. Het was dus ook niet alleen om het genot van in De
Eikenboom te overnachten, dat bij het vallen van den avond de wagens
waren vertrokken; als zij in die herberg geen halt hadden gehouden,
was het, omdat de diefstal was ontdekt en men zoo snel mogelijk zich
uit de voeten moest maken.
Maar niet aan de schuldigen moest ik thans denken, maar aan mij
zelven; wie zij ook waren, ik kon mij verdedigen en, zonder hen te
beschuldigen, mijne onschuld bewijzen: ik behoefde slechts te zeggen
hoe ik dien nacht mijn tijd had doorgebracht.
Terwijl ik zoo redeneerde, was Mattia, die ook den agent had gehoord
en het gedruisch dat zijne komst tengevolge had gehad, opgestaan en
uit het rijtuig gekomen en hinkend mij genaderd.
--Maak het hem toch duidelijk, dat ik niet schuldig ben, zeide ik tot
Bob; ik ben tot één uur bij u geweest, toen ben ik naar de herberg De
Eikenboom gegaan; daar heb ik den kastelein gesproken en ben terstond
hierheen teruggekeerd.
Bob herhaalde die woorden voor den agent, maar deze was daardoor
volstrekt niet overtuigd, zooals ik gehoopt had. Integendeel.
--Het was kwart over eenen toen men in de kerk inbrak, zeide hij;
die knaap is vanhier vertrokken eenige minuten voor eenen, zooals
hij zegt. Hij heeft dus om kwart over eenen in de kerk kunnen zijn
met de dieven.
--Men heeft toch meer dan een kwartier noodig om van hier naar de
stad te komen, zeide Bob.
--O, als men hard loopt, hernam de agent; bovendien wie bewijst me
dat hij te een uur is vertrokken!
--Dat zweer ik, zeide Bob.
--O, gij, antwoordde de agent; het zal altijd moeten blijken wat uw
getuigenis waard is.
Bob werd boos.
--Vergeet niet, dat ik Engelsch onderdaan ben, zeide hij met
waardigheid.
De agent haalde de schouders op.
--Als gij mij beleedigt, schrijf ik aan de _Times_.
--In afwachting daarvan neem ik dien knaap mede. Hij zal zich voor
den rechter verantwoorden.
Mattia wierp zich in mijn armen; ik dacht dat hij afscheid van mij
wilde nemen, maar Mattia liet zijn verstand spreken vóór hij aan zijn
hart toegaf.
--Houd moed, fluisterde hij mij toe; wij zullen u niet verlaten.
Toen eerst nam hij afscheid van me.
--Houd Capi bij u, zeide ik in 't fransch tot Mattia.
Maar de agent begreep het.
--Neen, neen, zeide hij; ik houd den hond; hij heeft mij dezen doen
vinden en hij zal mij ook wel op 't spoor van den anderen brengen.
Dit was de tweede maal, dat men mij in hechtenis nam, en toch viel de
schande mij veel zwaarder dan de eerste maal, want nu gold het niet
zulk eene dwaze beschuldiging als toen men meende, dat ik eene koe
had gestolen. Als mijne onschuld was gebleken, zou ik dan niet de
smart ondervinden diegenen te zien veroordeelen, wier medeplichtige
men mij geloofde?
Ik moest, door den politieagent vastgehouden, langs de rij van
nieuwsgierigen gaan, die zich om ons hadden verzameld, maar men jouwde
mij niet na en dreigde mij niet, zooals in Frankrijk, want zij, die
er getuigen van waren, waren geen boeren, maar menschen die altijd
min of meer in oorlog leefden met de politie: kunstenmakers, tappers,
vagebonden, _tramps_, zooals de Engelschen hen noemen.
De gevangenis, waarin men mij opsloot, was geen gevangenis om den spot
mede te drijven zooals die eerste, waarin men mij bewaarde; het was
eene gevangenis met getraliede vensters, waarvan het gezicht alleen
elk denkbeeld aan ontsnappen verdwijnen deed. De meubels bestonden
uit een bank om op te zitten en een hangmat om in te slapen.
Ik ging op de bank zitten en bleef daar lang.
Hoe verschrikkelijk was het heden; hoe vreeselijk de toekomst.
"Houd goeden moed", had Mattia mij gezegd: "wij zullen u niet
verlaten." Maar wat vermocht een knaap als Mattia? Wat vermocht zelfs
een man als Bob, zoo deze Mattia al wilde helpen?
Als men in de gevangenis is, heeft men slechts één enkele gedachte:
om eruit te komen.
Hoe zouden Mattia en Bob, als ze mij niet verlieten en alles deden
om mij van dienst te zijn, mij kunnen helpen om uit de gevangenis
te komen.
Ik ging naar het venster, opende het om de ijzeren staven te betasten,
die een kruis ervoor vormden; zij waren in den muur gemetseld. Ik
onderzocht den muur: hij was meer dan een el dik. De grond bestond uit
een vloer van groote steenen; de deur was met ijzeren platen beslagen.
Ik keerde naar het venster terug; dit gaf het uitzicht op een smal,
lang plein, waarvan het uiteinde was gesloten door een grooten muur,
die minstens vier el hoog was.
Uit deze gevangenis was het wel niet mogelijk te ontsnappen, zelfs al
werd men geholpen door een paar trouwe vrienden. Wat vermag de meest
opofferende vriendschap tegen de kracht der dingen? Met vriendschap
breekt men niet door de muren heen.
Voor mij loste de geheele zaak zich op in de vraag: hoelang ik in
die gevangenis zou blijven, vóór ik voor den rechter zou verschijnen,
die over mijn lot beslissen zou?
Zou het mij mogelijk zijn hem van mijn onschuld te overtuigen,
niettegenstaande Capi in de kerk was?
En zou het mij mogelijk zijn mij te verdedigen, zonder de schuld te
werpen op hen, die ik niet wilde en niet kon beschuldigen?
Daarin was alles voor mij gelegen en daarin alleen konden Mattia en
zijn vriend Bob mij van dienst wezen. Hunne taak bestond hierin, dat
zij getuigen bijbrachten om te bewijzen, dat ik om kwart over eenen
niet in de kerk Sint-George kon wezen; als zij dat bewijzen konden, was
ik gered, ondanks het zwijgende getuigenis van mijn armen Capi tegen
mij. En die bewijzen waren, naar het mij voorkwam, onmogelijk te geven.
O, als Mattia maar geen gekneusden voet had, zou hij wel wat weten te
vinden en zich moeite geven, om mij te redden: maar in den toestand
waarin hij nu verkeerde, kon hij misschien niet eens uit den wagen
komen! En als hij niet kon, zou Bob dan zijne plaats willen innemen?
Die angst, gevoegd bij al hetgeen er buitendien in mij omging,
belette mij te slapen, ondanks de vermoeienis van den vorigen dag;
ik kon zelfs het eten niet aanraken, dat men mij bracht. Maar zoo
ik al het eten liet staan, met destemeer gretigheid viel ik op het
water aan, want ik leed een versmachtenden dorst en die dag ging ik
elk kwartier naar mijne kruik en dronk met lange teugen, zonder mijn
dorst te lesschen of den bitteren smaak weg te nemen, dien ik den
geheelen dag in den mond had.
Toen ik den cipier in de gevangenis zag komen, had ik een gevoel van
genot en een zweem van hoop ontwaakte in mij, want sedert het oogenblik
dat ik hier was opgesloten, verkeerde ik in eene koortsachtige spanning
over de vraag, die ik maar niet kon oplossen.
"Wanneer zou de rechter mij in verhoor nemen? Wanneer zou ik mij
kunnen verdedigen?"
Ik had wel eens verhalen gehoord van gevangenen, die men maanden lang
had opgesloten gehouden, zonder dat men hunne zaak behandelde of zelfs
hen maar in verhoor nam, wat voor mij hetzelfde was, en ik wist niet,
dat in Engeland er nooit meer dan een paar dagen verloopen tusschen
het in hechtenis nemen en de openbare behandeling van de zaak voor
den rechter.
Die vraag, die ik niet kon oplossen, was dus de eerste, welke ik
tot den cipier richtte, die er niet kwaad uitzag, en die zoo goed
was om mij de verzekering te geven, dat ik zeker den volgenden dag
zou voorkomen.
Maar mijn vraag gaf hem aanleiding om op zijne beurt ook mij een paar
vragen te doen. Daar hij mij geantwoord had, was het immers niet meer
dan billijk, dat ik ook hem antwoordde?
--Hoe ben-je toch in die kerk gekomen? vroeg hij.
Op die woorden antwoordde ik met de vurigste verzekeringen van mijne
onschuld. Maar hij zag mij aan en haalde de schouders op; toen ik
voortging met te bezweren, dat ik niet in de kerk geweest was, ging hij
naar de deur en mompelde, terwijl hij zich nog even naar mij omwendde:
--Wat zijn ze toch verdorven, die Londensche straatjongens.
Daarmede ging hij heen.
Die woorden maakten een pijnlijken indruk op me: hoewel de man mijn
rechter niet was, had ik zoo gaarne gewild, dat hij aan mijne onschuld
geloofde. Aan mijn toon, aan mijn gelaat moest hij gezien hebben,
dat ik geen kwaad had gedaan.
Als ik hem overtuigd had, zou het mij dan mogelijk zijn, den rechter
te overtuigen? Gelukkig had ik getuigen die voor mij spreken zouden;
en als de rechter mij niet hoorde, dan zou hij toch verplicht zijn
om de getuigenissen aan te hooren, die mijne onschuld bewezen.
Maar die getuigenissen had ik noodig.
Zou ik ze hebben?
Onder de geschiedenissen van gevangenen, die men mij verteld had,
was er ook een, waarin voorkwam, dat men aan gevangenen briefjes kon
doen toekomen in het eten, dat zij kregen.
Misschien zouden Bob en Mattia van dit middel hebben gebruik gemaakt,
en toen dat denkbeeld in mij was opgekomen, begon ik mijn brood te
kruimelen, maar ik vond er niets in. Behalve dat brood had men mij
aardappelen gebracht; ook deze kneedde ik fijn, maar er was geen stuk
van een briefje in te vinden.
Zeker hadden Mattia en Bob mij niets te zeggen of, wat waarschijnlijker
was, konden zij mij niets zeggen.
Er bleef mij dus niets anders over dan den volgenden dag af te wachten,
zonder al te veel aan mijne treurigheid toe te geven, zoo mij dit
mogelijk was. Ongelukkigerwijze was mij dit niet mogelijk en hoe
oud ik ook word, steeds zal mij de herinnering aan dien nacht voor
den geest staan, alsof het gisteren was. Hoe onzinnig was het ook,
dat ik niet geloofd had aan het voorgevoel en de vrees van Mattia.
Den anderen morgen kwam de cipier in mijne cel met een kruik en een
waschkom. Hij zeide mij dat ik mij wat kon opknappen, als ik er lust in
had, want dat ik straks voor den rechter zou verschijnen en hij voegde
er bij, dat een net voorkomen somtijds het beste verdedigingsmiddel
voor een beschuldigde is.
Toen ik mij zoo netjes mogelijk had gemaakt, wilde ik op mijn bank
gaan zitten, maar 't was mij onmogelijk om op mijn plaats te blijven
en ik liep in mijne cel heen en weder, als de dieren in hunne kooi.
Ik wilde mijne verdediging en mijne antwoorden vooruit klaarmaken,
maar mijn hoofd was te veel in de war; ik kon niet denken aan mijn
tegenwoordigen toestand; ik was met allerlei zonderlinge dingen
bezig, die in mijn hersens zich verwarden, als de beelden in een
tooverlantaren.
De cipier kwam terug en gelastte mij hem te volgen. Ik liep naast hem,
en na een aantal gangen te zijn doorgegaan, kwamen wij aan eene kleine
deur, die hij opende.
--Ga binnen, zeide hij.
Een warme lucht kwam mij tegen en ik hoorde een verward gedruisch. Ik
trad binnen en bevond mij in eene kleine, afgesloten ruimte, de zaal
van het gerechtshof.
Hoewel ik aan eene soort van zinsverbijstering ten prooi was en
de aderen van mijne slapen voelde kloppen, alsof zij straks barsten
zouden, een enkele blik, dien ik om mij heen wierp, deed mij duidelijk
zien al wat mij omringde: de geheele zaal en al de menschen, die er
zich in bevonden.
Zij was vrij groot die zaal, zeer hoog en met breede ramen; zij
was verdeeld in twee deelen: het eene was voor de rechters en de
beschuldigden, het andere voor de nieuwsgierigen.
Op eene verhevenheid was de rechter gezeten; iets lager vóór hem zaten
drie rechterlijke ambtenaren, zooals ik later vernam, de griffier, een
penningmeester voor de boeten en een ander rechterlijk ambtenaar, dien
men in Nederland het "openbaar ministerie" noemt. Voor mijn afgesloten
bankje zat iemand met een toga en een pruik: dat was mijn advocaat.
Hoe kwam het dat ik een advocaat had? Waar kwam hij vandaan? Wie had
hem mij gegeven? Dat waren vragen, die ik op dit oogenblik moeilijk
kon oplossen. Maar ik had een advocaat en dat was genoeg.
In eene andere bank zag ik Bob zelf met zijne twee makkers; den
herbergier uit De Eikenboom en menschen, die ik niet kende, en in
eene bank tegenover hen herkende ik den politie-agent, die mij in
hechtenis had genomen. Verscheidene andere personen waren bij hen;
ik begreep, dat dit de bank der getuigen moest zijn.
De ruimte voor het publiek was dicht gevuld; boven de balustrade zag
ik Mattia; onze oogen ontmoetten elkander en wij lazen er in wat wij
dachten. Dadelijk kreeg ik moed. Ik zou verdedigd worden; ik moest
dus de hoop niet opgeven om ook mij zelf te verdedigen; ik werd niet
langer verpletterd door de oogen, die op mij gericht waren.
De ambtenaar van het openbaar ministerie nam het woord en sprak zeer
kort. Hij scheen haast te hebben. Hij stelde de zaak voor: er had
een diefstal plaats gehad in de Sint-Georgekerk; de dieven, een man
en een knaap, waren er binnengekomen met behulp van een ladder en
door het verbreken van een glasraam. Zij hadden een hond met zich
genomen, om de wacht te houden en hen te waarschuwen als er gevaar
mocht dreigen en er iemand kwam. Een voorbijganger, die laat naar huis
terugkeerde--het was kwart over eenen--, had met verwondering licht
in de kerk bespeurd en hij had iets hooren kraken. Daarop had hij den
koster gewekt; men was met eenige andere mannen naar de kerk gegaan,
maar toen had de hond aangeslagen en terwijl men de deur opende,
waren de dieven door het venster gevlucht, den hond achterlatende,
die de ladder niet kon opklimmen. Die hond, naar het terrein van de
wedrennen gebracht door den agent Jerry, wiens doorzicht en ijver
niet genoeg konden worden geprezen, had zijn meester herkend, die
niemand anders was dan de beschuldigde op gindsche bank gezeten. Wat
den anderen dief betrof, dien was men op het spoor.
Na eenige beschouwingen, die mijne schuld moesten bewijzen, zweeg
het openbaar ministerie, en eene schelle stem riep: "Stilte."
Toen vroeg de rechter, zonder zich tot mij te wenden, en alsof hij
tot zichzelven sprak, hoe ik heette, hoe oud ik was en welk beroep
ik uitoefende.
Ik antwoordde in het engelsch, dat ik Francis Driscoll heette
en bij mijne ouders te Londen woonde, in De Roode Leeuw, in
Bethnal-Green. Daarop verzocht ik verlof om van de fransche taal
gebruik te maken, daar ik in Frankrijk was grootgebracht en eerst
eenige maanden in Engeland mijn verblijf hield.
--Tracht mij niet te bedriegen, zeide de rechter op strengen toon;
ik ken fransch.
Ik deed dus mijn verhaal in het fransch; ik deed uitkomen hoe volkomen
onmogelijk het was, dat ik te een uur in de kerk was geweest, daar
ik tot op dien tijd op het terrein der wedrennen was, en dat ik te
halfdrie bij de herberg De Eikenboom was geweest.
--En waar waart gij te kwart over eenen? vroeg de rechter.
--Onderweg.
--Dat staat te bewijzen. Gij zegt, dat gij opweg waart naar de herberg
De Eikenboom en volgens de akte van beschuldiging waart gij in de
kerk. Als gij eenige minuten vóór eenen het veld van de wedrennen
verlaten hebt, kunt gij bij uw medeplichtige zijn geweest bij den
muur der kerk, die u daar met een ladder wachtte, en nadat uw diefstal
mislukt was, kunt gij naar de herberg De Eikenboom zijn gegaan.
Ik trachtte aan te toonen, dat het niet mogelijk was, maar ik bemerkte
duidelijk, dat ik den rechter niet had overtuigd.
--En hoe verklaart gij de tegenwoordigheid van uw hond in de
kerk? vroeg de rechter.
--Die kan ik niet verklaren, die begrijp ik zelf niet; mijn hond was
niet bij mij; ik had hem des morgens aan een onzer wagens vastgemaakt.
Het betaamde mij niet er iets meer van te zeggen, want ik wilde geen
wapens in de hand geven tegen mijn vader. Ik zag Mattia aan, die mij
wenkte, dat ik verder zou gaan, maar ik ging niet verder.
Men riep een getuige en deed hem den eed afleggen op den bijbel en
beloven, dat hij de waarheid zou zeggen, zonder haat of nijd.
Het was een dikke man met een dom gelaat, niet groot van gestalte en
zeer statig, ondanks zijn vuurrood gezicht en zijn blauwen neus. Vóór
hij den eed aflegde, maakte hij eene kniebuiging voor den rechter en
richtte zich toen met veel waardigheid op. Het was de koster van de
parochie Sint-George.
Hij begon uitvoerig te verhalen, hoe hij gestoord en verontwaardigd
was, toen men hem plotseling had gewekt om hem mede te deelen, dat
er dieven in de kerk waren. Zijn eerste gedachte was, dat men hem een
poets wilde spelen, maar daar men geen poetsen speelt aan personen van
zijne qualiteit, had hij begrepen, dat er iets ernstigs gebeurde; hij
had zich toen aangekleed, met zooveel haast, dat er twee knoopen van
zijn vest waren gesprongen; eindelijk was hij naar beneden gesneld;
hij had de kerkdeur geopend; en hij had gevonden.... wie? of liever
wat?... Een hond.
Ik had daarop niets te antwoorden; maar mijn advocaat, die tot op dat
oogenblik gezwegen had, stond op, schudde zijne pruik, schoof zijne
toga op de schouders glad en nam het woord.
--Wie heeft gisteren de deur van de kerk gesloten? vroeg hij.
--Ik, zeide de koster, zooals mijn plicht is.
--Zijt gij daar zeker van?
--Als ik iets doe, ben ik zeker, dat ik het doe.
--En als gij het niet doet?
--Dan ben ik zeker, dat ik het niet doe.
--Zeer goed; dus kunt gij zweren, dat gij den hond, waarvan hier
sprake is, niet in de kerk hebt gesloten?
--Als de hond in de kerk was geweest, zou ik hem gezien hebben.
--Hebt gij goede oogen?
--Ik heb oogen als iedereen.
--Zijt gij, zes maanden geleden, niet tegen een kalf geloopen, dat
opengesneden voor den winkel van een slachter hing?
--Ik zie het belang niet in van zulk eene vraag aan een man van mijn
qualiteit! riep de koster uit, terwijl zijn gezicht blauw werd.
--Wilt gij mij de groote beleefdheid bewijzen om op die vraag te
antwoorden, alsof zij werkelijk van belang was?
--Het is waar, dat ik tegen een dier ben aangeloopen, dat zeer onhandig
voor een winkel was opgehangen.
--Hadt gij het dan niet gezien?
--Ik was in gedachten verdiept.
--Hadt gij gegeten, toen gij de deur van de kerk sloot?
--Zeker.
--En toen gij tegen dat kalf aanliept, hadt ge toen ook niet gegeten.
--Maar....
--Gij zegt, dat gij niet gegeten hadt?
--Toch wel.
--En drinkt gij licht of zwaar bier?
--Zwaar bier.
--Hoeveel halve kannen?
--Twee.
--Nooit meer?
--Wel eens drie.
--Nooit vier? Nooit zes?
--Dat gebeurt zeer zelden.
--Drinkt gij geen grog na uw middagmaal?
--Soms.
--Houdt ge van sterken of slappen grog?
--Niet te slap.
--Hoeveel glazen drinkt gij dan?
--Dat hangt ervan af.
--Zijt gij bereid te zweren, dat gij soms niet drie of vier glazen
drinkt?
Daar de koster, die hoe langer hoe blauwer werd, niet antwoordde,
ging de advocaat zitten en zeide onder de hand:
--Die vragen bewijzen genoeg, dat de hond zeer goed in de kerk
kon opgesloten zijn door den getuige, die na zijn middagmaal geen
kalveren ziet, omdat hij in gedachten verdiept is. Dat is alles wat
ik wilde weten.
Als ik gedurfd had, zou ik mijn advocaat om den hals zijn gevlogen. Ik
was gered.
Waarom zou Capi niet in de kerk zijn gesloten? Dat was zeer wel
mogelijk. En als hij op die wijze opgesloten was, zou ik niet in de
kerk zijn ingebroken; ik was dus niet schuldig, daar dit het eenige
bewijs was, dat tegen mij was aangevoerd.
Na den koster hoorde men de menschen, die met hem waren medegegaan,
toen hij naar de kerk ging, maar zij hadden niets gezien, behalve
het open raam, waardoor de dieven waren ontvlucht.
Daarna hoorde men mijne getuigen: Bob, zijne makkers, den herbergier,
die allen getuigden omtrent den tijd, waarop zij mij gezien hadden;
een enkel punt werd echter niet opgehelderd, en dit was van veel
gewicht, omdat het den juisten tijd betrof, waarop ik het terrein
van de wedrennen had verlaten.
Toen het getuigenverhoor was afgeloopen, vroeg de rechter mij, of
ik niets te zeggen had, er bijvoegende dat ik zwijgen kon, indien ik
dit beter achtte.
Ik zeide, dat ik onschuldig was en mijne zaak vertrouwde aan de
rechtvaardigheid der rechters.
Toen liet de rechter het procesverbaal voorlezen van de verklaringen,
die ik had hooren afleggen en zeide daarop, dat ik overgebracht zou
worden naar de gevangenis van het graafschap, om daar te wachten tot
de groote rechtbank van gezworenen bijeenkwam, die beslissen zou of
ik al dan niet naar het crimineel gerechtshof zou worden verwezen.
Het crimineel gerechtshof!
Ik zonk op mijn bank neder. Helaas! waarom had ik ook niet naar den
raad van Mattia geluisterd!