Wij spraken over niets anders meer dan over Arthur, mevrouw Milligan
en James Milligan.
Waar waren Arthur en zijne moeder? Waar zouden wij ze zoeken? Waar
hen vinden?
Het bezoek van den heer James Milligan had ons op een denkbeeld
gebracht en een plan doen vormen, dat, naar wij meenden, zeker moest
gelukken: daar de heer Milligan eenmaal in De Roode Leeuw was geweest,
konden wij zeker zijn, dat hij er nog wel eene tweede en eene derde
maal zou komen. Hij deed immers zaken met mijn vader? Als hij dan
weder wegging, zou Mattia, dien hij niet kende, hem volgen; hij zou
dan diens woning ontdekken; hij zou zijne bedienden aan 't praten
brengen, en misschien zou hij ons bij Arthur brengen.
Waarom niet? Dit scheen ons, in ons idee, volstrekt niet zoo
onmogelijk toe.
Dat mooie plan zou ons niet alleen het voordeel verschaffen, dat wij
Arthur terugvonden, maar ook een ander, dat reeds dadelijk een einde
maakte aan de moeielijkheid, waarin ik mij bevond.
Sedert het gebeurde met Capi en na het antwoord van vrouw Barberin,
hield Mattia niet op in allerlei vorm mij toe te voegen: "Laten wij
naar Frankrijk terugkeeren." Dat liedje zong hij elken dag op eene
nieuwe wijs. Maar ik stelde er altijd een ander tegenover, dat ook
steeds hetzelfde was: "Ik mag mijn ouders niet verlaten." Omtrent de
vraag wat in dit geval mijn plicht gebood, konden wij het niet eens
worden, en hoe lang wij erover praatten, het bracht ons niet verder,
want ieder bleef bij zijne meening. "Gij moet heengaan."--"Ik moet
blijven."
Toen ik op mijn onveranderlijk antwoord volgen liet: "om Arthur terug
te vinden", had Mattia niets meer te zeggen: hij kon geen partij vatten
tegen Arthur; en moest ook niet mevrouw Milligan met de plannen van
haar schoonbroeder bekend worden gemaakt?
Als wij op den heer James Milligan hadden willen wachten, terwijl wij
dagelijks van den morgen tot den avond uitgingen, gelijk wij sedert
onze komst te Londen hadden gedaan, zou dit niet heel verstandig
zijn geweest, maar de tijd naderde, dat wij, inplaats van overdag op
straat muziek te maken, dit 's nachts zouden gaan doen; want 't is
midden in den nacht dat de zoogenaamde _waits_, de kerstconcerten,
plaats hebben. Dan zouden wij overdag thuis blijven, een van ons zou
de wacht houden en zeker zouden wij dan den oom van Arthur wel snappen.
--Als gij eens wist hoe ik verlang, dat gij mevrouw Milligan mocht
terugvinden, zeide Mattia eens.
--Waarom?
Hij aarzelde geruimen tijd en zeide eindelijk:
--Omdat zij zoo goed voor u is geweest.
Toen voegde hij erbij:
--En omdat zij u misschien behulpzaam zou kunnen zijn om uwe ouders
terug te vinden.
--Mattia!
--Ge wilt dat niet van me hooren: ik verzeker u, dat het mijne schuld
niet is; maar 't is me onmogelijk een oogenblik aan te nemen, dat
gij tot de familie Driscoll behoort.--Zie al de leden van dat gezin
eens aan en vergelijk u zelven dan met hen. Ik spreek nu niet eens
van hun vlasbollen, maar hebt ge die eigenaardige beweging van de
hand en dien glimlach van uw grootvader gezien? Zijt gij ooit op de
gedachte gekomen om manufacturen bij lamplicht te bekijken, zooals
Driscoll? Is het ooit gebeurd, dat gij met uw armen op tafel in slaap
zijt gevallen? En hebt gij ooit, als Allen en Ned, aan Capi de kunst
geleerd om wollen kousen te apporteeren, die niet verloren waren? Neen,
duizendmaal neen! Men heeft altijd eenige karaktertrekken met zijne
familie gemeen; en als gij een Driscoll waart geweest, zoudt gij niet
geaarzeld hebben om u op die manier wollen kousen te verschaffen,
als gij ze noodig en geen geld in uw zak hadt, wat u meer dan eens
overkomen is. Wat hebt gij gedaan, toen Vitalis in de gevangenis
zat? Denkt ge, dat een Driscoll toen zonder eten naar bed zou zijn
gegaan? En als ik de zoon van mijn vader niet was, zou ik dan op
den horen kunnen blazen en op de klarinet of de trombône of op welk
instrument men maar wil, zonder dat ik het ooit geleerd heb? Mijn
vader was muzikant en ik ben het daarom ook. Dat is heel natuurlijk;
even natuurlijk is het, dat gij een heer zijt en dat zult gij ook
worden, zoodra gij mevrouw Milligan hebt teruggevonden.
--En hoe dan?
--Ik heb mijn plan.
--Wilt ge mij uw plan zeggen?
--Neen, zeker niet.
--Waarom niet?
--Omdat het te dom is.
--Zeg het toch maar.
--Het zou al te dom zijn, als het niet gelukte; en men moet zich niet
verheugen over dingen, die niet gebeuren. Wat wij ondervonden hebben,
toen wij meenden dat Bethnal-Green een lommerrijk plekje was, moet ons
wijzer hebben gemaakt. Hebben wij toen ook geen groene velden gezien
in onze verbeelding en in werkelijkheid slechts modderpoelen gevonden?
Ik drong er niet verder op aan, want ook ik had mijn plan.
Het was wel heel vaag en nevelachtig, veel onnoozeler en veel dommer
dan dat van Mattia zijn zou, dacht ik, maar juist daarom durfde ik
er niet op aandringen, dat Mattia mij zijn plan zou mededeelen: wat
zou ik geantwoord hebben, als dit hetzelfde was als hetgeen mij als
een droom voor den geest zweefde? Dan zou ik het in woorden hebben
moeten omschrijven en het met hem durven bespreken.
Wij moesten maar wachten en wij wachtten.
Al wachtende doorkruisten wij Londen, want wij behoorden niet tot die
bevoorrechte muzikanten, die bezit nemen van een geheele wijk en daar,
om zoo te zeggen, hun eigen publiek hebben.
Wij waren nog maar knapen en nog te nieuw in het vak om zooveel
aanspraken te maken, en wij moesten het veld ruimen voor hen, die
hunne eigendomsrechten konden doen gelden door middelen, waartegen
wij niet waren opgewassen.
Hoe dikwijls was het gebeurd, dat wij, op het punt om rond te
gaan met het bakje, na onze mooiste stukken te hebben gespeeld,
verplicht waren zoo spoedig mogelijk ons uit de voeten te maken voor
eenige reusachtige Schotten met bloote beenen en bontgeruite rokken,
plaids en mutsen met een veer, die, zoodra wij maar hun doedelzak
hoorden, ons de vlucht deden nemen! Met zijn horen had Mattia hunne
doedelzakken wel kunnen overstemmen, maar tegen de mannen, die de
doedelzakken bliezen, waren wij niet bestand.
Evenmin konden wij het uithouden tegen de benden negers-muzikanten, de
_nigger-melodist_, die de straten doorkruisen. Voor die valsche negers,
die zich zoo potsierlijk uitdossen met rokken met lange smalle panden
en groote witte boorden, waarin hun hoofd omvat is als een ruiker
door een stuk papier, waren wij nog banger dan voor de schotsche
zangers. Zoodra wij hen zagen aankomen of maar hun _banjo_ hoorden,
zwegen wij eerbiedig en gingen wij naar eene andere wijk, waar wij
hoopten geen van die benden te ontmoeten; of wel wij schaarden ons
onder de omstanders en wachtten tot zij hun kattenmuziek geëindigd
hadden.
Eens dat wij weder in den kring stonden, die zich om hen had
gevormd, zag ik een van hen, den potsierlijkste van den troep, Mattia
toewenken. Eerst dacht ik, dat hij den gek met ons stak en het publiek
wilde onthalen op het een of ander dwaas tafereel, waarbij wij de
lijdende rol vervullen zouden; maar tot mijne groote verwondering
zag ik, dat Mattia hem vriendschappelijk toeknikte.
--Kent gij dien man? vroeg ik.
--'t Is Bob.
--Wie is Bob?
--Mijn vriend Bob uit het paardenspel van Gassot, een van de twee
clowns, van wie ik u wel eens gesproken heb; hij is het, van wien ik
het beetje engelsch heb geleerd, dat ik ken.
--Hadt ge hem dan niet dadelijk herkend?
--Hoe zou ik hem herkend hebben! Bij Gassot maakte hij zijn hoofd
wit met meel; hier smeert hij er schoensmeer op.
Toen de voorstelling van de _nigger-melodist_ geëindigd was, kwam
Bob bij ons en uit de wijze, waarop hij Mattia aansprak en de hand
drukte, zag ik hoeveel men van mijn vriendje moest hebben gehouden:
bij een broer had niet zooveel blijdschap uit de oogen en de stem
kunnen spreken als bij dien voormaligen clown, die om de dure tijden,
zooals hij zeide, reizend muzikant had moeten worden. Maar wij moesten
al spoedig scheiden; hij om met zijn troep mede te gaan, wij om eene
buurt op te zoeken waar zij niet waren. De twee vrienden spraken
af den volgenden Zondag elkander te zullen vinden, om dan elkaar
eens te vertellen wat zij beiden ondervonden hadden, sedert zij
van elkander waren gescheiden. Uit vriendschap voor Mattia zeker,
was Bob ook voor mij zeer vriendelijk en weldra hadden wij een
vriend, die door zijne rijpere ervaring het verblijf in Londen ons
veel aangenamer maakte dan het tot nu toe voor ons geweest was. Hij
vatte ook een groote genegenheid op voor Capi en dikwijls zeide hij,
dat als hij een hond had als deze, zijn fortuin spoedig zou gemaakt
zijn. Meer dan eens deed hij ons ook het voorstel om met ons drieën,
of liever met ons vieren, bij elkander te blijven: hij, Mattia, Capi
en ik; maar zoo ik mijn familie niet verlaten wilde om naar Frankrijk
terug te keeren en Lize en mijne vroegere vrienden te zien, nog veel
minder wilde ik met Bob Engeland doorkruisen.
Zoo naderde voor ons het Kerstfeest. Inplaats van dan des morgens De
Roode Leeuw te verlaten, gingen wij elken avond tegen acht of negen
uur op pad en begaven ons naar de buurten, die wij gekozen hadden.
Het eerst begonnen wij op de meer afgelegen pleinen en straten, waar
de rijtuigen waren verdwenen: het moest stil zijn, wilde onze muziek
door de deuren en ramen doordringen en de kinderen doen ontwaken, om
hun de nadering van het Kerstfeest aan te kondigen, welk feest bij de
Engelschen in hooge eer wordt gehouden. Naarmate het later in den nacht
werd, begaven wij ons in de grootere straten. Als de laatste rijtuigen,
waarmede de menschen uit de schouwburgen terugkeerden, voorbij waren,
werd het rustiger en zekere kalmte volgde op de woelige drukte van den
dag. Dan speelden wij onze zachtste, liefelijkste stukjes, die iets
zwaarmoedigs en godsdienstigs hadden: Mattia's viool scheen te weenen
en mijne harp zuchtte, en als wij een oogenblik pauze hielden, bracht
de wind de tonen tot ons over van de muziek, die andere muzikanten een
paar straten verder maakten. Ons concert was uit. "Heeren en dames,
goeden nacht en vroolijke Kerstmis."
Dan gingen wij verder, om op eene andere plaats te spelen.
Het moet heerlijk zijn muziek te hooren des nachts, als men in zijn
bed ligt onder de warme dekens, en op een zachte peluw. Maar voor
ons waren er geen dekens of peluws: wij moesten spelen met stramme,
halfbevroren vingers. Nu eens was het een dikke lucht en de natte
mist drong door onze kleeren heen; dan weder was de hemel helder
en de scherpe noordenwind scheen het merg in onze beenderen te
verstijven. Een zachten, zwoelen nacht kent men in Engeland niet,
vooral niet tegen Kersttijd. O, die Kerstdagen waren wel hard voor
ons! Toch bleven wij gedurende die drie weken geen enkelen nacht
in huis.
Hoe dikwijls stonden wij stil, vóór zij nog gesloten waren, voor die
winkels, waarin gevogelte, vruchten, taarten en wat dies meer zij,
verkocht werd. Welke prachtige ganzen en kalkoenen en kippen zagen wij
daar! gansche bergen sinaasappelen en appelen, kastanjes en gedroogde
pruimen. Vooral de ingelegde vruchten deden ons watertanden.
Er waren zeker veel blijde kinderen, die al dat lekkers genoten en
zich opgetogen in de armen hunner ouders wierpen.
En terwijl wij door de straten doolden, zagen wij, arme zwervende
jongens, in onze gedachten de huisgezinnen feestelijk bijeen, zoowel
in de aanzienlijkste huizen der rijken als in de stulpen van de armen.
En wij wenschten een vroolijke Kerstmis aan hen, die liefde genoten.