Als ik in de plaats van Mattia was geweest, zou ik misschien even zoo
gedacht hebben als hij; maar in den toestand, waarin ik verkeerde,
waren mij zulke onderstellingen niet geoorloofd.
Het gold toch mijn vader.
Voor Mattia was deze slechts Driscoll en niets anders.
En als ik met mijn geest Mattia wilde volgen, dan hield ik mij zelven
terug, maar toch niet zóó, als ik wel zou verlangen.
Mattia kon van Driscoll denken al wat hij goedvond; voor hem was deze
een vreemdeling, aan wien hij niets verplicht was.
Ik daarentegen was allen eerbied aan mijn vader verschuldigd.
Zeker waren er zonderlinge dingen in mijn toestand, maar ik was niet
vrij om erover na te denken van hetzelfde standpunt als Mattia.
Mattia mocht eraan twijfelen.
Aan mij was dit niet geoorloofd. En toen Mattia mij zijn twijfel
wilde mededeelen, was het mijn plicht hem het zwijgen op te leggen.
Dat trachtte ik ook te doen, maar Mattia was koppig en ik kon er niet
in slagen om die koppigheid te overwinnen.
--Sla er maar op, als ge lust hebt, zeide hij, word boos maar luister.
En toen moest ik wel luisteren naar zijn vragen.
--Waarom hadden Allen, Ned, Annie en Kate lichtblond haar, terwijl
het mijne niet blond was?
--Waarom gedroegen al de leden van de familie Driscoll, behalve Kate,
die nog niet wist wat zij deed, zich tegenover mij zoo onaangenaam,
alsof ik een schurftige hond was?
--Hoe konden menschen, die niet rijk waren, hun kinderen kleeren met
kant geven?
Op al die vragen waarom en hoe, had ik maar één antwoord, dat zelf
eene vraag was:
--Waarom zou de familie Driscoll mij gezocht hebben, als ik haar
kind niet was? Waarom zou zij geld gegeven hebben aan Barberin en
aan Greth and Galley?
Mattia verklaarde, dat hij het niet beantwoorden kon. Maar toch gaf
hij zich niet gewonnen.
--Omdat ik geen antwoord kan geven op uwe vraag, zeide hij, bewijst
dit niet, dat ik ongelijk heb; want gij kunt geen antwoord geven op
een van mijne vragen. Een ander in mijne plaats zou heel goed kunnen
ophelderen, waarom Driscoll u heeft laten zoeken en met welk doel
hij zooveel geld heeft besteed. Ik kan dat niet, omdat ik niet slim
ben en omdat ik nergens verstand van heb.
--Zeg dat toch niet; ge zijt integendeel heel slim.
--Als ik dat was, zou ik u dadelijk weten uit te leggen wat ik nu
niet begrijp, maar ge moet het voelen, neen, gij zijt geen kind van
de familie Driscoll; gij zijt het niet en gij kunt het niet zijn. Dat
zal later wel aan 't licht komen, daar ben ik zeker van; maar het
oogenblik, dat alles moet ophelderen, vertraagt gij door uwe oogen
maar niet te willen openen. Ik begrijp wel, dat gij u weerhouden laat
door eerbied voor uwe ouders; maar dit moet u toch niet stomp maken.
--Maar wat wilt gij dan dat wij doen zullen?
--Naar Frankrijk terugkeeren.
--Onmogelijk.
--Omdat uw plicht u noopt bij uwe familie te blijven; maar als het
uwe familie niet is, wat weerhoudt u dan?
Zulke gesprekken konden tot niets leiden dan alleen om mij nog
ongelukkiger te maken dan ik reeds was.
Niets toch is erger dan twijfel. En hoewel ik niet _wilde_ twijfelen,
twijfelde ik toch.
Was die vader mijn vader? Was die moeder mijne moeder? Waren die
kinderen mijn broers en zusters?
Het was vreeselijk dit te moeten erkennen; ik had nog minder smart
en gevoelde mij nog minder ongelukkig, toen ik alleen was.
Wie zou ooit gedacht hebben, toen ik in eenzaamheid weende, omdat
ik geen familie had, dat ik nog rampzaliger wezen zou, als ik er wèl
eene had?
Hoe zou ik licht vinden? Wie zou mij licht schenken? Hoe zou ik ooit
de waarheid vernemen?
Voor die vragen stond ik stil, onder het drukkend besef van mijne
onmacht en ik zei tot mijzelven, dat ik vruchteloos mijn leven lang
met het hoofd zou bonzen op dien muur, die geen uitgang aanbood.
Toch moest ik zingen, deuntjes spelen, waarop men dansen kon, en
aardig zijn, terwijl ik in mijn hart zoo diep bedroefd was.
De zondagen waren mijne gelukkigste dagen, omdat er des zondags
te Londen geen muziek op straat mag worden gemaakt; dan kon ik mij
ongestoord aan mijne droefheid overgeven, als ik wandelde met Mattia
en Capi. Hoe weinig was er in mij nog over van den knaap, die ik
eenige maanden geleden was!
Op een van die zondagen, toen ik mij gereed maakte om met Mattia
uit te gaan, hield mijn vader mij thuis en zeide, dat ik hem dien dag
behulpzaam moest wezen. Hij liet Mattia alleen uitgaan. Mijn grootvader
was nog niet beneden; mijne moeder was uitgegaan met Kate en Annie en
mijne broers liepen op straat; mijn vader en ik waren dus alleen thuis.
Een uur lang waren wij alleen geweest, toen men aan de deur klopte;
mijn vader ging openen en keerde terug met een heer, die niets geleek
op de vrienden, welke hij gewoonlijk ontving; dit was inderdaad
een heer, iemand dien men in Engeland een _gentleman_ noemt. Hij
was zeer netjes gekleed en hij had een voornaam voorkomen en een
trotsch gelaat, met eenigszins vermoeide trekken. Hij moest ongeveer
vijftig jaar zijn. Wat mij het meest in hem trof was zijn glimlach:
dan openden zich zijne lippen en vertoonden zich twee rijen witte
puntige tanden als van een jongen hond. Dit maakte een eigenaardigen
indruk en ik vroeg mij af, of het eigenlijk wel een glimlach was dan
wel een beweging om te bijten.
Terwijl hij met mijn vader Engelsch sprak, wierp hij telkens een
blik naar mij; maar als hij den mijnen ontmoette, wendde hij de oogen
terstond af.
Nadat hij een poos lang met mijn vader gesproken had, wisselde hij
het Engelsch met het Fransch, dat hij vloeiend en bijna zuiver sprak.
--Is dat de knaap, waarvan gij me gesproken hebt? zeide hij tot mijn
vader, met den vinger naar mij wijzend. Hij schijnt een gezonde jongen
te zijn.
--Antwoord mijnheer, zeide mijn vader.
--Ben je gezond? vroeg de voorname heer.
--Ja, mijnheer.
--Ben je nooit ziek geweest.
--Ik heb eens eene bloedspuwing gehad.
--Zoo, zoo; hoe kwam dat?
--Ik had 's nachts in de sneeuw geslapen, toen het vinnig koud was;
mijn meester is dien nacht van koude gestorven; ik heb er maar eene
bloedspuwing van gekregen.
--Is dat lang geleden?
--Drie jaar.
--En heb je later nooit gevolgen van die ziekte ondervonden?
--Neen.
--Geen vermoeidheid, geen afgemat gevoel? Zweette je 's nachts erg?
--Neen nooit; als ik mij moe gevoelde, was het omdat ik lang geloopen
had; maar ziek was ik er niet van.
--En kunt ge goed tegen vermoeienis?
--Dat moet ik wel.
Hij stond op en kwam naar mij toe; hij voelde mijn armen, legde toen
zijn hand op mijn hart en vervolgens zijn hoofd tegen mijn rug en
vervolgens tegen mijn borst en beval mij diep adem te halen, alsof
ik hard had geloopen; toen liet hij mij ook hoesten.
Toen dit afgeloopen was, zag hij mij zeer aandachtig een poos aan
en toen vooral kwam de gedachte bij mij op, dat hij bijten wilde;
zoo dreigend was zijn glimlach.
Zonder verder iets te zeggen, zette hij in het Engelsch het gesprek
met mijn vader voort; daarop gingen zij samen heen, niet naar de
straatdeur, maar naar den stal.
Toen ik alleen was, vroeg ik mijzelven af, wat al die vragen van den
voornamen heer beteekenden? Wilde hij mij in zijn dienst nemen? Maar
dan moest ik scheiden van Mattia en Capi! Bovendien had ik het vaste
besluit genomen om nooit meer bij iemand in dienst te zijn, zoomin van
dien gentleman, aan wien ik nu al een hekel had, als van een ander,
wien ik misschien genegen zou zijn.
Na verloop van eenigen tijd kwam mijn vader terug. Hij zei, dat
hij uit moest, en dat hij mij dus niet noodig had, zooals hij eerst
gedacht had; ik kon dus ook uitgaan als ik wilde, zeide hij.
Ik had er volstrekt geen lust in; maar wat moest ik in dit treurige
huis beginnen? Ik kon evengoed gaan wandelen als hier blijven en
mij vervelen.
Daar het regende, ging ik naar onzen wagen om mijn schapevacht te
halen: hoe verwonderd was ik daar Mattia te vinden; ik wilde iets
tegen hem zeggen, maar hij legde de hand op mijn mond en sprak op
fluisterenden toon:
--Maak de staldeur open, ik zal stil achter u komen; men mag niet
weten, dat ik in den wagen was.
Eerst toen wij op straat waren, besloot Mattia te spreken.
--Weet gij wie die heer is, die straks bij uw vader was? vroeg hij. De
heer James Milligan, de oom van uw vriend Arthur.
Daar ik onbeweeglijk middenop straat bleef staan, nam hij mij bij
den arm, en voortloopende, vervolgde hij:
--Daar het mij verveelde alleen door die sombere straten te loopen, op
zoo'n triestigen zondag, ben ik maar naar huis gegaan om te gaan slapen
en ben toen in mijn bed gaan liggen; maar ik heb niet geslapen. Uw
vader kwam met een heer in den stal en ik hoorde wat zij zeiden,
zonder bepaald te luisteren. "Zoo stevig als ijzer en staal," zeide
de heer; "tien anderen zouden dood zijn gegaan; hij heeft er maar een
bloedspuwing van gekregen." Toen begreep ik, dat men over u sprak en
luisterde ik; maar het gesprek nam een andere wending.--"Hoe gaat het
met uw neef?" vroeg uw vader.--"Beter; hij zal er nog wel van opkomen;
drie maanden geleden hadden alle dokters hem opgegeven; zijne goede
moeder heeft hem nog gered door hare oppassing; o,'t is een goede
moeder, die mevrouw Milligan." Gij kunt denken hoe ik mijn ooren
spitste, toen ik dien naam hoorde. "Dus als uw neefje beter wordt,"
ging uw vader voort, "zijn al uwe voorzorgen overbodig?"--"Voor het
oogenblik misschien," antwoordde de heer, "maar ik kan niet aannemen,
dat Arthur in het leven blijft; dat zou een wonder zijn en wonderen
zijn er niet meer; maar als hij sterft, moet ik zeker zijn, dat er
geen andere opdaagt en moet ik, James Milligan, de eenige erfgenaam
zijn."--"Wees gerust," zeide uw vader, "dat zal gebeuren; daar sta ik
u voor in."--"Ik reken op u," zeide de gentleman.--En hij voegde er nog
iets bij, dat ik niet juist begreep, maar dat mij scheen te beteekenen:
"Voor 't oogenblik zullen wij zien wat ons te doen staat." Toen ging
hij heen.
Mijne eerste gedachte was naar huis te gaan om aan mijn vader het adres
van den heer Milligan te vragen, teneinde iets te vernemen omtrent
Arthur en zijne moeder, maar ik zag terstond in, dat dit een dwaasheid
zou zijn: een man, die met ongeduld op den dood van zijn neef wachtte,
was waarlijk de geschikte persoon niet, om hem narichten omtrent dien
neef te vragen. Van den anderen kant ware het ook zeer onvoorzichtig,
om aan den heer Milligan te zeggen, dat men had gehoord wat hij zeide.
Arthur leefde; hij was weer beter. Voor het oogenblik gaf die goede
tijding mij al genot genoeg.