CAPI OP DEN SLECHTEN WEG.

Eerst tegen het vallen van den avond keerden wij in De Roode Leeuw

terug; den geheelen dag bleven wij in het fraaie park wandelen en

praten, nadat wij ontbeten hadden met een stuk brood, dat we hadden

gekocht.

Mijn vader was thuis gekomen en mijn moeder stond overeind. Hij noch

zij maakte eenige opmerking over onze lange wandeling; eerst na het

avondeten zeide mijn vader, dat hij een woord met ons beiden, Mattia

en mij, wilde spreken en hij liet ons bij den grooten schoorsteen

komen, waarop de oude man begon te brommen, daar hij blijkbaar aan

zijne plaats bij den haard gehecht was.

--Vertel me nu eens hoe ge in Frankrijk aan den kost zijt gekomen,

sprak mijn vader.

Ik vertelde hem wat hij vroeg.

--Dus zijt gij nooit bang geweest, dat gij van honger zoudt omkomen?

--Nooit; niet alleen hebben wij in ons onderhoud kunnen voorzien,

maar wij hebben ook nog zooveel overgehouden, dat wij eene koe konden

koopen, zeide Mattia vrijmoedig, en op zijne beurt vertelde hij hoe

wij aan onze koe gekomen waren.

--Dus hebt gij wezenlijk talent? vroeg mijn vader. Laat me eens hooren

wat gij kunt.

Ik nam mijn harp en speelde een lied, maar niet het napolitaansche.

--Heel goed, heel goed; en wat kan Mattia?

Deze speelde eerst een deuntje op de viool en daarna op den horen.

Dit verwierf vooral den bijval der kinderen die, in een kring om ons

heen geschaard, naar ons stonden te luisteren.

--En Capi? vroeg mijn vader, waar speelt die op? Ik denk niet, dat gij

alleen voor uw pleizier dien hond met u medeneemt. Hij moet minstens

in staat zijn om zijn eigen kost te verdienen.

Ik was trotsch op de talenten van Capi, niet alleen om hem zelven,

maar ook om Vitalis; ik liet hem eenige kunstjes doen en als

gewoonlijk vonden de kinderen dit weder alleraardigst en werd hij

luide toegejuicht.

--Maar die hond is een fortuin, zeide mijn vader.

Ik beantwoordde dat compliment met een lofrede op Capi en verzekerde

hem, dat hij in korten tijd alles kon leeren wat men wilde, ook dingen,

die men gewoonlijk niet van een hond ziet.

Mijn vader vertaalde die woorden in het engelsch en hij scheen

er eenige woorden bij te voegen, die ik niet verstond, maar die

allen deden lachen, mijne moeder, zoowel als de kinderen en ook

mijn grootvader, die bij herhaling met de oogen knipte en uitriep:

"_a fine dog_," wat beteekende: een mooie hond. Maar Capi was er niet

trotsch op.

--Nu dit het geval is, vervolgde mijn vader, wil ik u een voorstel

doen. Maar eerst moet ik weten of Mattia in Engeland wil blijven en

of hij bij ons zijn intrek wil nemen.

--Ik wensch bij Rémi te blijven, antwoordde Mattia, die veel slimmer

was dan hij wel deed schijnen en ook dan hij zelf wel wist. Waar Rémi

gaat, daar ga ik ook.

Mijn vader, die niet gissen kon wat er met dat antwoord bedoeld werd,

scheen ermede tevreden.

--Als de zaken zoo gesteld zijn, kom ik op mijn voorstel terug. Wij

zijn niet rijk en wij werken allen om aan den kost te komen. Des zomers

doorkruisen wij Engeland en mijne kinderen gaan onze koopwaar aanbieden

aan de menschen, die zich de moeite niet willen geven om tot ons te

komen, maar 's winters hebben wij niet veel te doen. Zoolang wij te

Londen zijn, zullen Rémi en Mattia muziek maken op straat en ik twijfel

er niet aan of zij zullen goed geld verdienen, vooral tegen Kersttijd

bij de zoogenaamde _waits_ of nachtwaken. Maar daar wij niets moeten

verloren laten gaan, zal Capi voorstellingen geven met Allen en Ned.

--Capi kan alleen zijn kunstjes vertoonen met ons, zeide ik levendig,

want het beviel me volstrekt niet, dat ik van hem zou moeten scheiden.

--Hij zal 't wel leeren met Allen en Ned, wees maar gerust, hervatte

mijn vader, en door ons zoo te verdeelen, verdienen wij veel meer.

--Maar ik verzeker u, dat hij niets goed zal doen, en bovendien zullen

Mattia en ik minder verdienen; met Capi bij ons zullen wij veel beter

zaken maken.

--'t Is genoeg, zeide mijn vader; als ik eens iets gezegd heb, moet dit

terstond gebeuren, dat is zoo de regel van mijn huis, en ik verlang,

dat ge u daaraan onderwerpt, evenals al de anderen.

Ik mocht niets meer zeggen en ik zeide ook niets meer, maar ik dacht

bij me zelven, dat mijn mooie droomen voor Capi even treurig zouden

eindigen als voor mij zelven. Wij zouden dus gescheiden worden! Welk

een treurig lot voor hem en voor mij.

Wij gingen nu naar onzen wagen om ons te rust te leggen, maar thans

sloot mijn vader de deur niet af.

Toen ik mij te rusten legde, kwam Mattia, die langer bezig was geweest

om zich te ontkleeden, bij mij en fluisterde me op gedempten toon toe:

--Ge merkt dat hij, die zich uw vader noemt, niet alleen kinderen

wil hebben, die voor hem werken, maar ook honden; kan dat nu uw oogen

nog niet openen? Morgen schrijven wij aan vrouw Barberin.

Maar den anderen dag moest ik Capi zijn les leeren; ik nam hem in

mijn armen en zachtjes, terwijl ik hem liefkoosde en kuste vooral op

zijn snuit, vertelde ik hem wat ik van hem verwachtte. Het arme dier

keek mij aan en luisterde aandachtig toe.

Toen ik het touw aan Allen in de hand gaf, herhaalde ik mijne les

en Capi was zoo verstandig, zoo leerzaam, dat hij mijn twee broers

volgde, wel heel neerslachtig, maar toch zonder zich te verzetten.

Wat Mattia en mij betreft, mijn vader wilde zelf ons in een gedeelte

der stad brengen, waar wij kans hadden goede zaken te doen, en wij

doorkruisten heel Londen om in eene wijk te komen, waar fraaie

huizen stonden met groote deuren, en straten met tuinen voor de

gebouwen. In die prachtige straten zag men geen arme menschen meer

in lompen gehuld en met hongerige gezichten, maar schoone dames met

prachtige toiletten, rijtuigen met beschilderde paneelen, die blonken

als spiegels en mooie paarden, die gemend werden door dikke, groote

koetsiers met gepoederde pruiken.

Eerst laat keerden wij in De Roode Leeuw terug, want de afstand is

groot tusschen Westend en Bethnal-Green, en ik was recht blij Capi

weer te zien, wel wat beslijkt, maar gezond en vroolijk.

Ik was zoo in mijn schik, toen ik hem weerzag, dat ik hem terstond

met mijn droge hand afwreef en hem in mijn schapevacht wikkelde en

in mijn bed legde. Wie de gelukkigste van ons beiden was, hij of ik,

zou ik moeilijk kunnen zeggen.

Zoo leefden wij eenige dagen; des morgens vroeg gingen wij uit en des

avonds laat keerden we terug, na al onze stukjes te hebben gespeeld,

nu eens in de eene buurt dan in de andere, terwijl, van zijn kant,

Capi voorstellingen ging geven onder leiding van Allen en Ned; maar

op een avond zeide mijn vader, dat ik den volgenden morgen Capi met

mij zou kunnen nemen, daar hij Allen en Ned thuis zou houden.

Dat deed ons veel plezier en Mattia en ik namen ons voor, dat wij dien

dag zulk eene goede som gelds zouden thuis brengen, dat men hem ons

voortaan altijd zou meegeven. Wij moesten Capi weder voor ons winnen

en wij zouden dus geen moeite ontzien.

Des morgens maakten wij hem dus zoo mooi mogelijk, en na het ontbijt

begaven wij ons op weg naar die buurt, waar wij bij ondervinding

wisten, dat het geachte publiek het mildst was. Wij moesten daartoe

geheel Londen van het oosten naar het westen doorsteken door Old

Street Holborn en Oxford Street.

Ongelukkig voor ons en zeer nadeelig voor onze onderneming, trok de

mist, die al twee dagen duurde, maar niet op. De lucht, of wat men

in Londen de lucht noemt, bestond uit een oranjeachtigen nevel en in

de straten hing eene soort van grijzen damp, die belette, dat men

verder dan een paar schreden voor zich uit kon zien. De menschen

zouden dus hun huis niet uitkomen, en zoo men ons al kon hooren,

men zou Capi niet zien. Er was dus niet veel kans op een goeden dag,

en Mattia verwenschte den mist, dien akeligen fog, zonder te gissen

welk een dienst hij een oogenblik later aan ons alle drie bewijzen zou.

Wij stapten stevig door, en hielden Capi vlak achter ons; een woord,

dat ik hem van tijd tot tijd toevoegde, was daartoe meer voldoende dan

de stevigste ketting. Zoo kwamen wij in Holborn, dat, zooals men weet,

een der drukste straten van Londen is, waarin men de meeste winkels

vindt. Opeens ontdekte ik, dat Capi ons niet meer volgde. Wat was

er met hem gebeurd? Dit was iets geheel buitengewoons. Ik stond stil

om hem op te wachten, vatte post op den hoek van eene dwarsstraat en

floot zachtjes, want ik kon niet ver van mij afzien. Ik was al bang,

dat hij gestolen zou zijn, toen hij plotseling bij mij stond met een

paar wollen kousen in zijn bek. Hij zette kwispelstaartend de pooten

tegen mijne knieën, bood mij de kousen aan en scheen me te verzoeken,

dat ik die zou aannemen. Hij scheen er zeer mede in zijn schik, alsof

hij een zijner mooiste toeren had vertoond, en nu mijne goedkeuring

verwachtte.

Dit had slechts een oogenblik geduurd, toen eensklaps Mattia de kousen

met de eene hand greep en met de andere mij voorttrok.

--Laten we gauw voortgaan, maar zonder hard te loopen, fluisterde hij.

Eerst na eenige minuten gaf hij mij de verklaring van die vlucht.

--Evenals gij, zeide hij, vroeg ik me af, waar dat paar kousen vandaan

kwam, toen ik een man hoorde uitroepen: "waar is de dief?" De dief,

dit vat ge, was Capi. Als er niet zoo'n zware mist hing, zouden wij

als dieven zijn gepakt.

Ik begreep het nog niet best: een oogenblik stond ik als verbijsterd;

zij hadden een dief gemaakt van mijn goeden, eerlijken Capi!

--Laten wij naar huis gaan, zeide ik tot Mattia, en bond Capi aan

een touw.

Mattia zeide geen woord en wij keerden zoo snel mogelijk naar De

Roode Leeuw terug.

Vader, moeder en de kinderen zaten om de tafel en waren bezig om

de manufacturen uit te vouwen. Ik wierp het paar kousen op tafel,

waarover Allen en Ned hartelijk begonnen te lachen.

--Daar is een paar kousen, zeide ik, dat Capi gestolen heeft, want

men heeft een dief van hem gemaakt. Ik hoop dat het maar voor de

aardigheid was.

Ik beefde terwijl ik dit zeide, maar nooit had ik me zoo vastberaden

gevoeld.

--En als het eens niet voor de aardigheid was, zeide mijn vader,

wat zoudt ge dan doen? zeg dat eens.

--Dan zou ik Capi een touw om den hals binden en hem in de Theems

verdrinken. Ik wil niet, dat Capi een dief wordt, evenmin als ik

zelf een dief worden wil. Als ik dacht, dat dit me overkomen moest,

zou ik me tegelijk met hem gaan verdrinken.

Mijn vader zag mij dreigend aan en maakte eene beweging of hij me

wilde vermoorden, zijn oogen kwamen bijna uit de kassen; maar ik

sloeg de mijne niet neer; langzamerhand nam zijn gelaat weder de

gewone uitdrukking aan.

--Ge hebt gelijk, zeide hij; 't was maar voor de aardigheid. Opdat

het niet meer gebeure, zal Capi voortaan alleen met u uitgaan.

Alleen op de Wereld · 第 78 / 95 题