Bij het heengaan had mijn vader de kaars achtergelaten, maar hij had
de deur van den wagen gesloten. Er bleef ons dus niets anders over
dan te gaan slapen. En dat deden wij ook, maar zoo spoedig mogelijk
zonder te blijven praten, gelijk wij 's avonds gewoon waren en zonder
elkander den indruk mede te deelen, dien het gebeurde van den dag op
ons gemaakt had.
--Rust wel, Rémi, zeide Mattia.
--Rust wel, Mattia.
Mattia had niet meer lust om te spreken dan ik zelf, en het deed mij
genoegen dat hij zweeg.
Maar al heeft men geen lust om te praten, dan heeft men nog niet
altijd lust om te gaan slapen. Toen het licht was uitgegaan, was het
mij onmogelijk de oogen te sluiten; ik begon na te denken over al
hetgeen er had plaats gehad, en legde mij nu eens op de eene dan op
de andere zijde.
Terwijl ik lag te peinzen, hoorde ik Mattia, die de slaapplaats boven
de mijne innam, eveneens zich telkens omkeeren; ook hij sliep dus niet.
--Slaap je? vroeg ik op gedempten toon.
--Nog niet.
--Gij hebt toch niets?
--Neen, niets; ik voel me integendeel heel wel, maar alles draait om
me heen; 't is of ik nog op zee ben en de wagen op en neer gaat als
de golven.
Zouden het alleen de gevolgen van zeeziekte zijn, die Mattia beletten
te slapen? Waren de gedachten, die hem vervulden, niet dezelfde als
de mijne? Hij hield genoeg van me en wij waren eens genoeg van geest,
zoowel als van hart, om te gevoelen wat ik gevoelde.
De slaap kwam maar niet en naarmate de tijd voorbijging, vermeerderde
mijn onbestemde angst. Eerst had ik niet juist den indruk beseft, die
alles overheerschte wat er in mijn hoofd verward en nevelachtig omging;
maar nu begon ik te gevoelen dat het vrees was. Vrees voor wat? ik
wist het niet, maar vrees was het. Maar ik was niet bang, omdat ik
in dien wagen lag temidden van die ellendige wijk Bethnal-Green. Hoe
menigen nacht had ik in mijn leven reeds doorgebracht, waarin ik niet
zoo veilig was als hier. Ik was bewust dat geen gevaar mij dreigde
en toch was ik beangst: hoe meer ik er mij tegen verzette, zooveel
te minder slaagde ik erin mij gerust te stellen.
Het eene uur ging voorbij na het andere, zonder dat ik mij rekenschap
kon geven van den tijd, want er waren in den omtrek geen klokken die
sloegen. Op eens hoorde ik een groot gedruisch aan de staldeur, die
in een andere straat uitkwam als De Roode Leeuw, en na een herhaald
geroep met gelijkmatige tusschenpoozen, drong het schijnsel van een
licht in onzen wagen door.
Verrast zag ik om mij, terwijl Capi, die tegen mijn legerstede lag te
slapen, oprees en begon te knorren. Ik zag toen dat het schijnsel tot
ons doordrong door een raampje in den wand van onzen wagen, waartegen
onze slaapplaatsen waren gemaakt en dat ik bij het naar bed gaan
niet gezien had, omdat er een gordijn voor hing. Een gedeelte van het
raampje kwam uit in de slaapstede van Mattia; het andere gedeelte in
de mijne. Daar ik niet wilde dat Capi het geheele huis in opschudding
zou brengen, legde ik de hand op zijn bek en keek naar buiten.
Mijn vader was het, die in den stal was gekomen en met kracht, maar
zonder gedruis, de straatdeur had geopend en vervolgens op dezelfde
wijze gesloten, nadat hij twee mannen had ingelaten die elk een
grooten zwaren zak droegen.
Hij legde een vinger op zijn mond en wees met de andere hand waarin
hij een dievenlantaarn hield, naar den wagen, waarin wij lagen. Dit
beteekende waarschijnlijk, dat men geen gedruisch moest maken, daar
wij anders wakker zouden worden.
Die bezorgdheid voor ons deed mij goed en ik was op het punt hem toe
te roepen, dat men zich niet behoefde te ontzien, want dat ik niet
sliep, maar daar dan ook Mattia wakker zou worden, die naar ik meende
in diepen slaap was gedompeld, hield ik mij stil.
Mijn vader hielp de mannen hun zakken afleggen en ging toen een
oogenblik heen om met mijne moeder terug te komen. Terwijl hij weg was,
hadden de mannen hunne zakken geopend; de een was vol manufacturen;
in den anderen was bontwerk, gebreid goed, onderbroeken, kousen,
handschoenen enz.
Toen begreep ik wat mij eerst had verwonderd; die mannen waren kooplui,
die hunne waar aan mijne ouders kwamen brengen.
Mijn vader nam alles stuk voor stuk in handen en bekeek het bij
zijn lantaarn, terwijl mijne moeder met eene schaar de aangehechte
papiertjes er afknipte en die in haar zak stak.
Dit kwam mij vreemd voor, evenals het uur, waarop die verkoop plaats
had, mij verwonderde.
Gedurende het onderzoek zeide mijn vader nu en dan op fluisterenden
toon een paar woorden tot de mannen, die de zakken hadden gebracht. Als
ik engelsch had gekend, zou ik die woorden misschien verstaan hebben,
maar men verstaat slecht wat men niet begrijpt. Alleen het woord
_policeman_, dat bij herhaling werd gebruikt, trof mijn oor.
Nadat de inhoud van de zakken zorgvuldig was bekeken, verlieten mijne
ouders en de twee mannen den stal en gingen in huis; zeker om af te
rekenen. Toen was alles weder donker om ons heen.
Ik wilde mij diets maken, dat al wat ik gezien had heel natuurlijk
was, maar hoe ik ook mijn best deed, ik kon me zelven maar niet
overtuigen. Waarom waren die menschen niet door de deur van De Roode
Leeuw binnengekomen? Waarom had men op zoo fluisterenden toon over de
politie gesproken, alsof men bang was buiten te worden gehoord? Waarom
had mijne moeder de briefjes afgeknipt van de stukken goed, die zij
gekocht had?
Die vragen waren niet geschikt om mij spoedig te doen inslapen en
daar ik er geen antwoord op vond, trachtte ik ze uit mijn geest te
verdrijven, maar tevergeefs. Na verloop van eenigen tijd zag ik weder
het schijnsel van een licht in onzen wagen vallen en wederom keek ik
door eene reet van het gordijn; maar ditmaal was het ondanks mijzelven
en tegen mijn wil, terwijl ik de eerste maal meer natuurlijk met opzet
had gekeken. Thans zeide ik tot mezelven dat ik niet kijken mocht,
en toch keek ik. Ik was zeker dat het beter was niet te zien en toch
wilde ik zien.
Mijn vader en moeder waren alleen; terwijl mijne moeder snel twee
pakken maakte van de artikelen, die men had neergelegd, veegde mijn
vader een hoek van den stal schoon; onder het droge zand, dat hij met
krachtige vegen met den bezem opzijde schoof, werd weldra een luik
zichtbaar; hij lichtte het op; mijne moeder was intusschen gereed
gekomen met het vullen en toebinden der twee zakken en hij daalde er
mede in een kelder, waarvan ik de diepte niet zien kon, terwijl mijne
moeder hem bijlichtte met de lantaarn. Toen de twee pakken geborgen
waren, kwam mijn vader weder te voorschijn, sloot het luik en veegde
weder het zand er overheen. Toen hij dit gedaan had, was het onmogelijk
den ingang van den kelder te bespeuren. Over het zand strooiden zij
weder eenig hooi, waarmede de vloer van den stal bedekt was.
Toen gingen zij heen.
Op het oogenblik dat zij zonder gedruisch de deur sloten, kwam het
mij voor dat ik Mattia zich hoorde bewegen: het was alsof hij zijn
hoofd op zijn kussen legde.
Had hij ook gezien wat er gebeurd was? Ik durfde het hem niet vragen;
het was geene onbestemde vrees meer, die mij vervulde; ik wist thans,
waarom ik zoo angstig te moede was: van het hoofd tot de voeten brak
mij het koude zweet uit.
Zoo bleef ik den ganschen nacht liggen; een haan in de buurt kondigde
het aanbreken van den dag aan; eerst toen viel ik in slaap maar het
was eene zware, koortsachtige slaap, vol akelige droombeelden, die
mij met schrik en angst vervulden.
Het piepen van scharnieren deed mij ontwaken en de deur van onzen
wagen werd geopend; maar daar ik mij verbeeldde dat het mijn vader
was, die ons kwam zeggen dat het tijd was om op te staan, sloot ik
de oogen om hem niet te zien.
--'t Is uw broer, zeide Mattia, die ons bevrijden kwam, hij is al
weg ook.
Wij stonden op; Mattia vroeg mij niet of ik goed geslapen had en ook
ik vroeg hem niets. Toen hij mij op zeker oogenblik aanzag, wendde
ik de oogen af.
Wij moesten naar de keuken, maar mijn vader en moeder waren er niet;
mijn grootvader zat in zijn leunstoel, alsof hij er niet uit was
geweest sedert den vorigen dag en mijn oudste zuster, die Annie
heette, maakte de tafel schoon, terwijl mijn oudste broer, Allen,
het vertrek aanveegde.
Ik ging naar hen toe om hun een hand te geven, maar zij gingen voort
met hun arbeid zonder mij te antwoorden.
Ik ging toen naar mijn grootvader, maar deze liet mij niet bij zich
komen en evenals den vorigen dag spuwde hij naar mijn kant, wat mij
terug deed keeren.
--Vraag eens hoe laat ik mijn vader en moeder zal zien, zeide ik
tot Mattia.
Mattia deed wat ik hem verzocht, en toen mijn grootvader engelsch
hoorde spreken, scheen hij wat vriendelijker te worden; zijn gezicht
verloor iets van die akelige strakheid en hij antwoordde.
--Wat zegt hij? vroeg ik.
--Dat uw vader den ganschen dag uit is, dat uw moeder slaapt en dat
wij kunnen gaan wandelen.
--Heeft hij niets meer gezegd? vroeg ik, daar mij dit veel korter
toescheen dan hetgeen de grijsaard gesproken had.
Mattia scheen een weinig verlegen.
--Ik weet niet of ik het andere wel goed heb begrepen.
--Zeg mij maar wat ge begrepen hebt.
--Het kwam me voor, dat hij zeide, dat, als wij onze kans konden
waarnemen in de stad, wij die niet moesten voorbij laten gaan en toen
voegde hij er bij--en dit weet ik zeker--"onthoud dit: men moet leven
ten koste van de onnoozelen."
Zeker giste mijn grootvader wat Mattia mij uitlegde, want bij die
laatste woorden maakte hij met de hand, die niet lam was, eene
beweging, alsof hij iets in zijn zak stak en hij knipte daarbij met
de oogen.
--Laat ons heengaan, zeide ik tot Mattia.
Twee of drie uren lang zwierven wij in den omtrek van De Roode Leeuw;
wij durfden ons niet ver verwijderen, uit vrees, dat wij den weg
niet meer zouden vinden. Bij daglicht scheen Bethnal-Green mij nog
vreeselijker toe dan toen wij het in de schemering hadden gezien:
de huizen, zoowel als de menschen hadden een allerellendigst voorkomen.
Wij keken, Mattia zoowel als ik, maar wij zeiden niets tegen elkander.
Telkens langs denzelfden weg terugkeerende, kwamen wij eindelijk
weder op het pleintje voor De Roode Leeuw, en traden in huis.
Mijne moeder had hare kamer verlaten; op den drempel zag ik haar
reeds met het hoofd rustend op de tafel. Ik verbeeldde mij, dat zij
ziek was, en ik ging naar haar toe om haar een kus te geven, want
met haar praten kon ik niet.
Ik sloeg mijn armen om haar hals; zij richtte het hoofd op, dat op
haar schouders bengelde en zag mij aan, maar blijkbaar zonder mij
te zien; toen rook ik de lucht van jenever, die haar adem mij in 't
gezicht blies. Ik deinsde terug en zij liet het hoofd weder zinken
op hare armen, die op tafel lagen uitgestrekt.
--Gin, zeide mijn grootvader.
En hij zag mij grinnikend aan, terwijl hij eenige woorden sprake die
ik niet verstond.
Eerst bleef ik onbeweeglijk, als versteend staan; toen wierp ik een
blik op Mattia, wien eveneens de tranen in de oogen stonden.
Ik gaf een wenk en weder gingen wij heen.
Langen tijd liepen wij naast elkander voort, elkanders hand
vasthoudende, maar zonder een woord te spreken en zonder te weten,
waar wij heengingen.
--Waar wilt ge naar toe? vroeg Mattia met zekere onrust.
--Ik weet het niet, naar de eene of andere plek, waar wij samen
kunnen praten. Ik heb u iets te zeggen en hier, onder al die menschen,
kan ik dat niet doen.
Toen ik nog over velden en door bosschen zwierf had ik dan ook, op het
voorbeeld van Vitalis, mij gewend, om nooit iets van eenig belang te
zeggen, wanneer wij ons in eene straat van een stad of dorp bevonden;
als ik menschen om mij heen zag, kon ik nooit goed mijne gedachten
bij elkander houden; nu wilde ik met Mattia ernstig spreken en wel
weten wat ik zeide.
Op het oogenblik dat Mattia mij de vraag deed, waren wij in eene straat
gekomen breeder dan de stegen, waar wij tot hiertoe hadden rondgedoold;
ik meende aan het einde van die straat boomen te bespeuren. Misschien
was daar wel de vrije natuur. Wij volgden die richting. Het was de
vrije natuur niet, maar een zeer groot park met uitgestrekte grasvelden
en hier en daar groepjes jonge boomen. Hier waren wij waar wij wezen
moesten om samen te praten.
Mijn besluit was genomen en ik wist wat ik zeggen wilde.
--Ge weet dat ik veel van u houd, mijn beste Mattia, zeide ik tot mijn
makker, zoodra wij op een afgelegen schaduwrijk plekje ons hadden
neergezet, en ge weet ook wel, dat ik uit vriendschap u gevraagd
heb om met me naar mijn ouders te gaan. Je zult dus niet aan mijne
vriendschap twijfelen, wat ik u ook vragen mocht.
--Wat een domme vraag! zeide hij, terwijl hij poogde te glimlachen.
--Je wilt lachen, opdat ik niet bedroefd zou zijn, maar het doet er
niet toe of ik bedroefd ben; bij wien kan ik weenen, als het niet
bij u is?
En mijn armen om Mattia heenslaande, barstte ik in tranen los; nooit
had ik mij zoo ongelukkig gevoeld als ik alleen was, temidden van
die groote, woelige wereld.
Toen ik uitgeweend had, trachtte ik weder bedaard te worden; ik had
Mattia niet in dit park gebracht om mij door hem te doen beklagen;
't was niet voor mij, maar voor hem dat ik er heengegaan was.
--Mattia, zeide ik, gij moet heengaan; gij moet naar Frankrijk
terugkeeren.
--U verlaten? Nooit.
--Ik wist vooruit, dat ik dit antwoord van je krijgen zou en ik
ben gelukkig, dit verzeker ik je, dat gij mij nooit wilt verlaten;
maar toch moet het; ge moet naar Frankrijk of naar Italië of ergens
anders heengaan, maar niet in Engeland blijven.
--En gij dan--waar wilt gij heengaan? Waar zullen wij samen heengaan?
--Ik? Ik moet hier blijven, te Londen, bij mijn familie. Het is
immers mijn plicht om bij mijne ouders te blijven? Neem het geld,
dat wij overhebben en vertrek.
--Zeg dat niet, Rémi; als er iemand heen moet gaan, dan zijt gij
het ongetwijfeld.
--Waarom?
--Omdat....
Hij voltooide den zin niet, maar wendde de oogen af voor mijn
vorschenden blik.
--Mattia, zeg eens oprecht, zonder mij te ontzien en zonder vrees:
ge hebt vannacht niet geslapen? Hebt ge wat gezien?
Hij hield de oogen neergeslagen en met gedempte stem zeide hij:
--Ik sliep niet.
--Wat hebt gij gezien?
--Alles.
--En wat hebt gij begrepen?
--Dat men goed bracht dat men niet gekocht had. Uw vader heeft die
menschen beknord, dat zij aan den stal geklopt hadden inplaats van op
zijn huisdeur, en toen zeiden ze, dat zij in 't oog werden gehouden
door agenten van politie.
--Ziet ge nu wel, dat gij hier vandaan moet!
--Als ik hier vandaan moet, moet gij ook weg. Het is voor den een
evenmin goed als voor den ander.
--Toen ik u vroeg om met mij mede te gaan, meende ik, naar hetgeen
vrouw Barberin mij had gezegd en ook naar mijn voorgevoel, dat
mijn ouders ons allebei konden doen onderwijzen en dat wij niet
van elkander behoefden te scheiden; maar 't is nu geheel anders
gesteld. Mijn droom..., was een droom. Wij moeten dus van elkaar.
--Nooit.
--Luister, Mattia, begrijp mij goed, en maak mij niet ongelukkiger
dan ik ben. Als wij te Parijs Garofoli hadden ontmoet en deze had u
weer bij zich genomen, dan zoudt gij niet gewild hebben, dat ik bij
u bleef, nietwaar? en wat ik thans tot u zeg, zoudt gij dan tot mij
gezegd hebben.
Hij gaf geen antwoord.
--Is het waar of niet?
Na een oogenblik te hebben nagedacht, zeide hij:
--Luister nu eens op uwe beurt: toen gij mij te Chavanon gesproken
hebt van uw familie, deed mij dit veel verdriet; ik had mij gelukkig
moeten gevoelen toen ik wist, dat gij uw ouders zoudt terugvinden, en
het speet mij integendeel. Inplaats van aan uwe vreugde en uw geluk
te denken, heb ik slechts aan mij zelven gedacht; ik dacht bij mij
zelven, dat als gij broers en zusters hadt, gij die zoudt liefhebben
als mij en meer misschien dan mij; rijke broers en zusters, die goed
waren opgevoed, veel wisten, mooie jongeheeren en jongejuffrouwen,
en ik was jaloersch van hen. Dit moet gij weten; dat is de waarheid,
die ik u beken en waarvoor ik vergiffenis vraag, als gij zulke slechte
gedachten vergeven kunt.
--O Mattia!
--Zeg, dat ge mij vergeeft.
--Van ganscher harte: ik heb uw verdriet wel opgemerkt, maar ik neem
het u niet kwalijk.
--Omdat ge zoo'n goed hart hebt; ge moet over hen, die slecht zijn,
niet zoo goed denken, en ik ben slecht geweest. Maar als ge mij
vergeeft, omdat ge goed zijt, ik vergeef niet, omdat ik slecht
ben. Gij weet nog niet alles. Ik dacht bij me zelven: ik ga met
hem naar Engeland, omdat ik het land wel eens zien wil; maar als hij
gelukkig zal zijn, heel gelukkig, dan ga ik heen en zonder ergens op te
houden, reis ik naar Lucca, om Christina te omhelzen. Maar inplaats
van rijk en gelukkig, zooals we geloofden, dat gij worden zoudt,
zijt gij nu niet rijk en.... in ieder geval, gij zijt niet, wat gij
gedacht hadt te zullen wezen. Daarom moet ik nu ook niet heengaan
en niet mijn zusje moet ik gaan omhelzen, maar mijn goeden makker,
mijn Rémi, moet ik gezelschap houden; hij is mijn vriend, mijn broeder.
Met die woorden greep hij mijn hand, terwijl tranen in zijn oogen
welden, maar zij waren nog heeter en bitterder dan de tranen, die ik
gestort had.
Hoe aangedaan ik ook was, mijn besluit liet ik daarom niet varen.
--Gij moet heen; gij moet naar Frankrijk terugkeeren, om daar Lize te
bezoeken, vader Acquin en vrouw Barberin, en al mijne vrienden en hun
meedeelen, waarom ik niet doe wat ik wilde, wat ik mij voorstelde en
wat ik hun beloofd heb. Gij zult hun zeggen, dat mijne ouders niet
rijk zijn, zooals wij geloofd hadden en dit zal voldoende zijn voor
mijne verontschuldiging. Gij begrijpt het nu nietwaar? Zij zijn niet
rijk; dit verklaart alles: het is geen schande niet rijk te zijn.
--Het is niet omdat zij niet rijk zijn, dat gij mij wilt heen doen
gaan; daarom ga ik dan ook niet heen.
--Mattia, ik smeek u, vermeerder mijn verdriet niet; gij ziet hoe
groot het reeds is.
--O, ik wil u niet dwingen om mij iets te zeggen, waarover gij u
schaamt. Ik ben niet slim; ik ben niet verstandig; maar zoo ik al
niet begrijp wat tot mijn hersens moest kunnen doordringen, ik gevoel
toch wat mij hier treft--hij legde bij die woorden zijn hand op het
hart--. 't Is niet, omdat uw ouders arm zijn, dat gij mij wilt doen
vertrekken; 't is niet, omdat zij mij niet kunnen voeden, want ik zou
hun niet tot last zijn, ik zou voor hen werken, maar 't is omdat--na
hetgeen gij vannacht gezien hebt--gij bang voor mij zijt.
--Mattia; zeg dat niet.
--Gij zijt bang dat ook ik de briefjes zal moeten afknippen van de
waren, die niet gekocht zijn.
--O, zwijg toch, Mattia; mijn beste Mattia, zwijg toch.
En ik bedekte met beide handen mijn gelaat, dat rood was van schaamte.
--Welnu, zoo gij niet bang voor mij zijt, ging Mattia voort, ik ben
bang voor u en daarom zeg ik: laten wij samen heengaan, laat ons naar
Frankrijk terugkeeren, om vrouw Barberin en Lize en uwe vrienden op
te zoeken.
--Dat is onmogelijk; mijne ouders zijn voor u niets; gij zijt hun
niets verschuldigd; maar voor mij zijn zij mijne ouders en ik moet
bij hen blijven.
--Uwe ouders! Die oude, lamme man, uw grootvader! Die vrouw, die over
de tafel lag, uwe moeder.
Ik sprong op en thans bevende, en niet meer als een verzoek riep
ik uit:
--Zwijg, Mattia; spreek zoo niét; ik verbied het u. 't Is mijn
grootvader; 't is mijne moeder, van wie gij spreekt. Ik moet eerbied
en liefde voor hen hebben.
--Dat moet ge, als zij werkelijk uwe ouders waren; maar als het noch
uw grootvader, noch uw vader, noch uw moeder is, dan behoeft gij hen
niet te eeren en lief te hebben.
--Hebt gij dan het verhaal van mijn vader niet gehoord?
--Wat bewijst dat verhaal? Zij hebben een kind verloren van uw
leeftijd; zij hebben het laten zoeken en zij hebben er een gevonden
van denzelfden ouderdom als zij verloren hadden; dat is al.
--Gij vergeet dat het kind, hetwelk men hun ontstolen heeft, te
vondeling is gelegd in de avenue de Breteuil en dat ik in dezelfde
straat op denzelfden dag gevonden werd, als dat kind werd verloren.
--Waarom zouden niet twee kinderen op denzelfden dag in dezelfde straat
te vondeling zijn gelegd? Waarom zou de commissaris van politie zich
niet kunnen vergist hebben, toen hij Driscol naar Chavanon zond? Dat
is mogelijk.
--Dat is al te dwaas.
--Misschien; wat ik zeg, wat ik tracht te betoogen schijnt misschien
onmogelijk, maar alleen, omdat ik het verkeerd zeg en verkeerd uitleg;
omdat ik een dom schepsel ben; een ander zou het beter weten uit te
leggen en dan zou het zeer verklaarbaar zijn. Ik ben dwaas, maar niet
mijn denkbeeld. Dat is al.
--Helaas! neen; dat is _niet_ al.
--Dan moet gij ook in aanmerking nemen, dat gij noch op uw vader, noch
op uw moeder gelijkt en dat gij geen blonde haren hebt als uw broers
en zusters, die allen, allen zonder uitzondering, dezelfde kleur van
haar hebben. Waarom zoudt gij dan ook niet zulk haar hebben? Van de
andere zijde is er nog een zeer zonderlinge zaak: hoe hebben menschen,
die niet rijk zijn, zooveel geld kunnen uitgeven om hun kind terug
te vinden? Om al deze redenen zijt gij, naar mijne overtuiging, geen
Driscoll. Ik weet wel dat ik dom ben; dat heeft men altijd gezegd;
maar dat is de schuld van mijn hoofd. Gij zijt geen Driscoll en gij
moet niet bij de Driscoll's blijven. Als gij nochtans bij hen blijven
wilt, dan blijf ik bij u. Maar gij moet aan vrouw Barberin verzoeken
ons te schrijven hoe uwe luiers er precies uitzagen; als wij haar
brief zullen ontvangen hebben, kunt gij hem, die zich uw vader noemt,
ondervragen en dan zullen wij wat meer licht krijgen in deze zaak. Tot
zoolang verlaat ik u niet en blijf ik bij u, ondanks u zelven. Als
er gewerkt moet worden, zullen wij samen werken.
--Maar als men Mattia weder eens op zijn hoofd sloeg?
Hij lachte treurig.
--Dat zou zooveel pijn niet doen; men voelt de klappen niet, die men
ter wille van een vriend bekomt.