Den anderen morgen was mijn eerste werk, aan vrouw Barberin te
schrijven om haar mede te deelen wat ik had vernomen, en dat was een
heel werk voor me.
Hoe kon ik haar zoo maar botweg vertellen, dat haar man dood was? Zij
hield van haar Jérôme; zij hadden jarenlang samen geleefd, en het
zou haar leed doen als ik niet in hare droefheid deelde.
Zoo goed als het ging en met herhaalde betuigingen van genegenheid,
was ik ten slotte aan het einde van mijn papier. Natuurlijk sprak
ik haar over mijne teleurstelling en de verijdeling van mijne
vurigste hoop. Eigenlijk was dit wel het voornaamste waarover ik
schreef. Ingeval mijne familie zich tot haar wendde, teneinde iets
omtrent Barberin te vernemen, verzocht ik haar mij onmiddellijk te
waarschuwen en vooral om mij het adres te zenden, dat men haar mocht
aangeven; mij kon men altijd in het logement van Cantal vinden.
Toen ik die taak had volbracht, rustte er nog eene andere op me
tegenover den vader van Lize, en ook die taak was zwaar, althans
tot op zekere hoogte. Toen ik aan Lize te Dreuze beloofd had, om de
eerste maal, dat ik in Parijs zou uitgaan, aan haar vader een bezoek te
brengen, had ik haar gezegd, dat, als mijne ouders rijk waren, gelijk
ik hoopte, ik van hen de som zou vragen, die haar vader schuldig was,
zoodat ik slechts naar de gevangenis zou gaan om hem in vrijheid te
doen stellen. Dat was een van de nommers van mijn programma van de
goede dingen, die ik genieten zou. Eerst vader Acquin, dan moeder
Barberin, vervolgens Lize, na haar Martha en Alexis en eindelijk
Benjamin. Wat Mattia betreft, men zou voor hem hetzelfde doen als
voor mij en hij was gelukkig, als ik gelukkig was.
Welk eene teleurstelling dus voor me, om met leege handen naar de
gevangenis te gaan en vader Acquin te bezoeken, voor wien ik thans
even weinig doen kon als bij mijn vertrek, om hem de schuld mijner
dankbaarheid te betalen.
Gelukkig kon ik hem goede tijding brengen en de groeten van Lize en
Alexis, en zijn blijdschap over hetgeen hij omtrent zijne kinderen
vernam, zou tenminste eenigermate vergoeden, dat ik zijne vrijheid
niet medebracht. Ik had dus altijd het bewustzijn, iets goeds voor
hem te kunnen doen, al was dit dan ook nog het voornaamste niet.
Mattia, die erg verlangde om eens eene gevangenis te zien, ging met
mij mede; bovendien stelde ik er prijs op, dat hij den man zou leeren
kennen, die twee jaar lang zulk een goed vader voor mij geweest was.
Ik kende thans het middel om in de gevangenis van Clichy te worden
toegelaten en wij bleven nu niet zoolang voor de groote poort wachten,
als toen ik de eerste maal Acquin wilde bezoeken.
Men liet ons in een spreekvertrek en weldra verscheen vader
Acquin. Reeds op den drempel opende hij zijn armen voor me.
--O, wat een goede jongen ben je toch, Rémi, je bent een beste
jongen! riep hij uit.
Ik vertelde hem dadelijk alles wat ik wist van Lize en Alexis en
toen ik hem wilde uitleggen, waarom ik niet bij Martha was geweest,
viel hij mij in de rede met de vraag:
--En je ouders?
--Weet ge dan, dat die mij zoeken?
Toen deelde hij mij mede, dat veertien dagen geleden Barberin bij
hem was geweest.
--Die is dood, zeide ik.
--Dat is eerst een ongeluk!
Toen verhaalde hij mij hoe Barberin bij hem geweest was om te vernemen
wat er van mij was geworden. Toen hij te Parijs was geweest, had
Barberin zich naar Garofoli begeven, maar dien had hij natuurlijk
niet gevonden; toen was hij hem gaan opzoeken in de provincie, heel
ver van Parijs, waar Garofoli zijn straftijd doorbracht, en deze
had hem verteld, dat ik na den dood van Vitalis opgenomen was bij
zekeren tuinman Acquin. Barberin was toen teruggekeerd en had zich
aan de Glacière vervoegd en daar vernomen, dat die tuinman in Clichy
gevangen zat. Hij was daarop naar de gevangenis gegaan en Acquin had
hem meegedeeld, dat ik rondzwierf in Frankrijk, zoodat het met geene
mogelijkheid was te zeggen, waar ik mij op dit oogenblik bevond;
maar hij was zeker, dat ik den een of anderen dag bij een van zijne
kinderen zou komen. Toen had hij zelf naar Dreuze, naar Vares, Esnandes
en Saint-Quentin geschreven. Zoo ik den brief niet te Dreuze gevonden
had, was het, omdat ik al vertrokken was vóór die daar was aangekomen.
--En wat heeft Barberin u van mijne familie verteld? vroeg ik.
--Niets, of althans heel weinig. Uwe ouders hadden bij den commissaris
van politie in de wijk des Invalides vernomen, dat het kind,
hetwelk in de Avenue de Breteuil was neergelegd, gevonden was door
een metselaar uit Chavanon, zekeren Barberin, en toen zijn zij u bij
hem komen opvragen. Toen ze u niet vonden, hadden zij hem verzocht
hem behulpzaam te zijn bij hunne nasporingen.
--Heeft hij u hun naam niet gezegd? Heeft hij niet verteld waar
zij woonden?
--Toen ik hem die vragen deed, antwoordde hij, dat hij mij dit later
wel zeggen zou. Toen heb ik er niet op aangedrongen, daar ik begreep,
dat hij den naam van uwe ouders geheim hield, om niet minder geld van
hen te trekken dan hij gehoopt had te zullen krijgen. Daar ik een poos
lang ook uw vader was geweest, verbeeldde die Barberin zich, dat ik
mij daarvoor wilde laten betalen. Toen heb ik me niet meer met hem
bemoeid en is hij ook niet teruggekomen; maar dat hij dood was, wist
ik niet. Alzoo, jongenlief, hebt ge uwe ouders niet, en weet gij door
die inhaligheid van den ouden schraper ook niet wie of waar zij zijn.
Ik vertelde hem wat wij hoopten en hij versterkte die hoop door tal
van goede redenen.
--Daar uwe ouders dien Barberin wel te Chavanon hebben weten te vinden
en die Barberin Garofoli en zelfs mij heeft weten te ontdekken, zal
men u ook wel in het logement van Cantal weten op te sporen. Daar
kunt gij zeker van zijn.
Die woorden deden mij bepaald goed en maakten mij weder vroolijk
en opgeruimd. Den overigen tijd brachten wij door met over Elize en
Alexis te spreken en over mijn ongeluk in de mijn.
--Wat een vreeselijk vak! zeide hij, toen ik aan het slot van mijn
verhaal was; en is dat nu het leven van mijn armen Alex? Och, hoeveel
gelukkiger was het, toen hij in mijn tuin bloemen kon kweeken.
--Die tijd zal wel weer komen, antwoordde ik.
--God geve, dat dit gebeure, beste Rémi.
Het brandde mij op de lippen om hem te zeggen, dat mijne ouders hem
wel spoedig uit de gevangenis zouden halen, maar bijtijds bedacht
ik, dat het toch niet paste om te pochen op het genot, dat men later
iemand doen zou, en ik bepaalde mij dus tot de verzekering, dat hij
wel spoedig weer zijne vrijheid zou herkrijgen en al zijne kinderen
bij zich hebben zou.
--En in afwachting van dat gelukkig oogenblik, zeide Mattia, toen wij
buiten waren gekomen, moeten wij geen tijd laten voorbijgaan om geld
te verdienen.
--Als wij minder tijd hadden besteed om geld te verdienen op den weg
van Chavanon naar Dreuze en van Dreuze naar Parijs, zouden wij nog
bijtijds gekomen zijn om Barberin in leven te vinden.
--Dat is waar, en ik heb er me zelven ook al een verwijt van gemaakt,
dat wij ons zoolang hebben opgehouden; waarlijk, gij kunt er niet
knorriger om zijn dan ik.
--O, ik verwijt het je niet, mijn goede Mattia, dat verzeker ik
u. Zonder u zou ik aan Lize haar pop niet hebben kunnen geven en
zonder u zouden wij thans in Parijs zijn zonder een stuiver op zak,
om in ons onderhoud te voorzien.
--Welnu, als ik gelijk had dat ik er op aandrong om geld te verdienen,
laten wij dan doen, of ik ook nu gelijk heb. Bovendien schiet ons
niet beter over dan te zingen en te spelen; later zullen wij den tijd
wel hebben om uit te rusten, als wij in uw rijtuig kunnen zitten. Te
Parijs ben ik thuis en ik ken de goede plekjes.
Hij kende die plekjes zoo goed, de groote pleinen, de binnenplaatsen,
de koffiehuizen enz., dat wij dien avond, toen wij naar bed gingen,
vijftien francs hadden opgehaald.
Toen ik mij te ruste legde, herhaalde ik bij mijzelven een woord,
dat ik dikwijls gehoord had van Vitalis: hun slechts die het niet
noodig hebben, is de fortuin gunstig. Zeker was die ruime verdienste
een zeker bewijs, dat opeens mijne ouders vóór me zouden staan.
Ik was zoo overtuigd van de waarheid van mijn voorgevoel, dat ik den
anderen dag gaarne in het logement zou zijn gebleven; maar Mattia
dwong me om met hem uit te gaan, en hij dwong mij ook om te spelen
en te zingen, en dien dag ontvingen wij wederom tusschen de tien en
twaalf francs.
--Als uw ouders ons niet spoedig rijk maken, zeide Mattia lachend,
dan zullen wij het wel zonder hen ook worden. Dat zou nog wel zoo
aardig zijn.
Drie dagen gingen er op die wijze voorbij, zonder dat er iets nieuws
gebeurde en zonder dat de eigenares van het logement op mijne vragen,
die altijd dezelfde waren, iets anders antwoordde dan: niemand is
naar Barberin komen vragen en ik heb ook geen brief voor u of voor
Barberin ontvangen. Den vierden dag echter gaf zij mij een brief.
Het was een antwoord van vrouw Barberin, of liever een antwoord,
dat zij mij had laten schrijven, want zelve kon zij evenmin schrijven
als lezen.
Zij meldde mij, dat zij de tijding had ontvangen van Barberins dood
en dat zij kort te voren een brief van hem had gekregen, dien zij
hier bij voegde, in de hoop, dat die mij van dienst kon zijn, daar
hij eenige bijzonderheden omtrent mijne familie bevatte.
--Gauw, gauw, riep Mattia uit, laten wij dadelijk den brief van
Barberin lezen.
Met bevende hand en kloppend hart opende ik den brief. Hij luidde:
"Lieve vrouw!
"Ik lig in het gasthuis, zoo ziek, dat ik niet geloof, dat ik
er van op zal komen. Als ik er de kracht toe had, zou ik u
vertellen hoe het gekomen is, dat ik zoo ziek ben geworden;
maar dat kan tot niets leiden; liever deel ik u mede wat
van meer belang is. Als ik er niet van opkom, schrijf dan
aan Greth en Galley, Green square, Lincoln's te Londen. Dat
zijn rechtsgeleerden, die belast zijn met de taak om Rémi op
te sporen. Schrijf hun, dat gij alleen narichten omtrent het
kind kunt geven en zorg, dat ge u voor die narichten goed laat
betalen. Dat geld moet strekken om u een rustigen ouden dag
te bezorgen. Gij zult vernemen wat er van Rémi geworden is,
als gij schrijft aan zekeren Acquin, vroeger tuinier, thans in
de gevangenis Clichy te Parijs. Laat al de brieven door den
pastoor schrijven, want in deze zaak moet gij aan niemand uw
vertrouwen schenken. Doe evenwel niets vóór gij zeker weet,
dat ik dood ben.
"Wees voor de laatste maal gegroet van