Onze nacht op een veldbed was niet al te slecht: wij hadden er wel
slechter doorgebracht, als wij onder den blooten hemel moesten slapen.
--Ik heb gedroomd dat onze koe haar intocht hield, zeide Mattia toen
hij ontwaakte.
--Ik ook.
Te acht uren werd onze deur geopend en wij zagen den vrederechter
binnenkomen, gevolgd door onzen vriend den veearts, die ons zelf in
vrijheid had willen stellen.
Wat den vrederechter betreft, zijne belangstelling voor twee
onschuldige gevangenen bepaalde zich niet tot het eten, dat hij ons
den vorigen avond had gezonden; hij gaf mij een groot vel papier met
een zegel er op.
--Gij zijt een paar domme jongens, sprak hij minzaam, dat gij zoo maar
op weg gaat; hier hebt gij een paspoort, dat ik door den burgemeester
in orde heb doen maken, en dat zal u voortaan voor moeilijkheden
bewaren. Goede reis, jongens!
Toen gaf hij elk van ons de hand en de veearts drukte die eveneens
recht hartelijk.
Op schandelijke wijze waren wij het dorp binnengekomen; zegepralend
mochten wij het thans verlaten; wij hadden onze koe aan het touw en
stapten voort met opgeheven hoofd, met fiere blikken de dorpelingen
aanziende, die zich voor hunne woning vertoonden.
--Eén ding spijt mij maar, zeide Mattia: dat wij den gendarme niet
tegenkomen, die ons naar de gevangenis heeft gebracht.
--De gendarme had ongelijk, maar wij hadden ook ongelijk, toen
wij geloofden dat zij, die ongelukkig zijn, ook niets goeds hebben
te wachten.
--Omdat wij niet heelemaal ongelukkig waren, hebben wij nog wat
goeds ondervonden; als men vijf francs op zak heeft, is men nog niet
heelemaal ongelukkig.
--Gisteren mocht gij dat nog zeggen, maar vandaag niet meer; je hebt
toch gezien, dat er nog brave menschen in de wereld zijn.
Wij hadden eene te goede les gehad om weder het touw van onze koe
los te laten; zij was heel goedig, dat is waar, maar zij was ook
geducht schichtig.
Weldra hadden wij het dorp bereikt, waar ik den eersten nacht met
Vitalis doorgebracht had. Van daar hadden wij nog slechts eene vlakte
door te trekken om aan den heuvel te komen, aan welks voet het dorpje
Chavanon ligt.
Toen ik de straat doorging van het dorp, juist vóór het huis, waar
Zerbino een korst brood had gestolen, kwam er eene gedachte bij mij
op, die ik terstond aan Mattia mededeelde.
--Je weet wel dat ik je beloofd heb, dat wij wafels bij vrouw Barberin
zouden eten; daar is boter voor noodig en bloem en eieren.
--Dat zal dan wel lekker smaken.
--Nu, dat zou ik denken! Maar gij zult het zelf proeven; het smelt in je
mond. Maar misschien heeft vrouw Barberin geen boter en geen bloem. Wat
zoudt ge er van denken, als wij dat eens voor haar meebrachten?
--Dat is een voortreffelijk idee.
--Houd dan de koe eens vast, maar laat ze vooral niet los; ik ga
in dien kruidenierswinkel wat bloem en boter koopen. Wat de eieren
betreft, als vrouw Barberin ze niet heeft, zal ze die wel leenen;
wij zouden ze maar breken onderweg.
Ik trad den winkel binnen, waar Zerbino zijn korst brood gestolen
had en kocht een pond boter en twee kop meel. Toen zetten wij de
reis voort.
Ik wilde onze koe niet hard laten loopen, maar had onwillekeurig
zooveel haast, dat ik mijn pas versnelde.
Nog tien mijlen! nog acht! nog zes! zonderling; de weg naar vrouw
Barberin scheen mij veel langer dan toen ik haar verlaten had en toch
viel er dien dag een slagregen, welken ik mij thans nog herinnerde.
Maar ik was zoo ontroerd; ik had de koorts van verlangen, en elk
oogenblik keek ik op mijn horloge.
--Is dit geen mooi land? vroeg ik aan Mattia.
--Tenminste de boomen beletten het uitzicht niet.
--Als wij de helling van den berg afdalen naar Chavanon, zult gij
eene menigte boomen zien en mooie ook: eiken en kastanjeboomen.
--Met kastanjes er aan?
--Dat beloof ik je! En in den tuin van vrouw Barberin is een kromme
pereboom, waarin men ruiter te paard kan zitten. Daar groeien groote
peren aan en lekkere ook; dat zult gij zien.
En bij al wat ik hem vertelde, eindigde ik met te zeggen: dat zult
gij zien. Voor mijzelven geloofde ik inderdaad, dat ik Mattia in het
land der wonderen bracht. Maar dat was het dan ook voor mij. Daar
hadden mijne oogen het eerste licht gezien; daar had ik het leven
leeren kennen; daar was ik zoo gelukkig geweest; daar had men mij
liefgehad. En al die lieflijke gewaarwordingen van mijne eerste jeugd
werden nog aangenamer door de herinnering aan al het leed, dat ik op
mijne zwerftochten had doorstaan, en drongen zich nu alle aan mijn
hoofd en mijn hart op, naarmate wij het dorp meer naderden. Het was
of die lucht van mijn geboortegrond mij bedwelmde; alles vond ik
even mooi.
Het gevoel dat mij beheerschte, was aanstekelijk en ook Mattia
keerde--helaas! slechts in zijne verbeelding--terug naar het land
waar hij geboren was.
--Als ge eens te Lucca kwaamt, zeide hij, zou ik u ook wat prachtigs
vertoonen; dat zoudt gij zien.
--Maar wij zullen naar Lucca gaan als wij Martha, Lize en Benjamin
hebben opgezocht.
--Zoudt gij wel eens te Lucca willen zijn?
--Gij zijt met mij naar vrouw Barberin medegegaan, ik ga met u mede
naar uw moeder en uw zusje Christina, dat ik op mijn arm zal dragen,
als zij er al niet te groot voor is; ze zal mijn zusje ook zijn.
--O Rémi!
Hij kon er geen woord meer bijvoegen, zoo aangedaan was hij.
Terwijl wij zoo praatten, stapten wij altijd stevig door en weldra
waren wij op de kruin van den heuvel, waar de weg begon, die met vele
kronkelingen naar Chavanon en langs het huis van vrouw Barberin leidde.
Nog eenige stappen en dan waren wij op de plek, waar ik aan Vitalis
verlof had gevraagd, op den rand van den weg te gaan zitten om het
huis nog eens te zien van vrouw Barberin, waar ik nooit meer dacht
terug te komen.
--Houd het touw vast, zeide ik tot Mattia.
En met een sprong was ik op den dijk langs den weg. Niets was er in
onze vallei veranderd; zij zag er nog juist uit als voorheen; tusschen
de twee groepen boomen ontdekte ik het huis van vrouw Barberin.
--Wat hebt gij toch? vroeg Mattia.
--Daar! daar!
Hij kwam bij mij staan, maar zonder op het dijkje te klimmen, waarvan
onze koe het gras at.
--Volg mijn hand eens; daar is het huis van vrouw Barberin; daar
staat de pereboom; dat was mijn tuin.
Mattia, wiens oog niet, zooals het mijne, geleid werd door zijne
herinneringen, zag er niet veel van; maar hij zei mij dit niet.
Op dat oogenblik steeg een dunne gele rookkolom uit den schoorsteen
en daar er geen wind was, rees zij loodrecht op langs de helling van
den heuvel.
Toen voelde ik hoe plotseling tranen mijn oogen verduisterden; ik
sprong van het dijkje en omhelsde Mattia. Capi sprong tegen mij op
en ik nam hem in mijn armen en kuste hem.
--Nu gauw naar beneden.
--Als vrouw Barberin thuis is, hoe zullen we haar dan met de koe
verrassen? vroeg Mattia.
--Gij gaat alleen naar binnen en vertelt haar, dat ge een koe brengt
van den prins, en als zij vraagt: van welken prins? dan kom ik te
voorschijn.
--Hoe jammer dat wij onzen intocht niet kunnen maken met muziek,
dat zou eerst aardig zijn!
--Mattia, geen gekheid!
--Wees maar niet bang; ik heb geen plan om dezelfde domheid nog eens
te doen; maar dat is toch zeker, als die vrouw veel van muziek houdt,
zou eene fanfare hier recht op zijn pas wezen.
Toen wij aan eene bocht van den weg kwamen, juist boven het huis van
vrouw Barberin, zagen wij een witte muts in den tuin te voorschijn
komen: dat was vrouw Barberin; zij opende het hek en ging den weg op
naar den kant van het dorp.
Ik vertelde aan Mattia dat dit vrouw Barberin was en wij bleven een
oogenblik stilstaan.
--Zij gaat uit. Hoe doen wij dan met onze verrassing?
--Wij zullen eene andere verzinnen.
--Welke?
--Dat weet ik nog niet.
--Zoudt gij ze niet roepen?
De verleiding was groot, maar ik weerstond haar toch; maanden lang
had ik er mij een feest van gemaakt, dat ik vrouw Barberin verrassen
zou en daarvan kon ik nu niet zoo opeens afstand doen.
Spoedig stonden wij aan het hek voor mijn voormalig huis en ik trad
binnen zooals voorheen.
Ik kende de gewoonte van vrouw Barberin en ik wist, dat de deur slechts
op de klink stond en wij dus gemakkelijk in huis konden komen; maar
eerst moest ik onze koe op stal brengen. Ik ging dus eens zien in
welken toestand die stal verkeerde en ik zag, dat hij nog precies
was als voorheen, behalve dat er eenige takkenbossen in lagen. Ik
riep Mattia en nadat wij de koe hadden vastgemaakt, begonnen wij
met ijver de takkenbossen opzijde te leggen, en daarmede waren wij
spoedig gereed, want heel veel hout had vrouw Barberin niet opgedaan.
--En nu, zei ik tot Mattia, gaan wij naar binnen; ik ga in 't hoekje
bij den haard zitten, waar vrouw Barberin mij dan kan vinden. Daar
het hek op de hengsels knarst, als het geopend wordt, hebt gij al
den tijd, als zij terugkomt, om met Capi u achter het ledekant te
verschuilen. Dan zal ze mij alleen zien... wat zal ze opkijken!
Toen wij dit afgesproken hadden, gingen wij in huis en zette ik mij
bij den haard neder op het plaatsje, waar ik zoo menigen winteravond
had doorgebracht. Daar ik mijn lange haren niet kon afknippen, verborg
ik ze onder den kraag van mijn jas en ik kroop zooveel mogelijk in
elkander, om nog meer te gelijken op den "kleinen Rémi", die vrouw
Barberin moeder noemde.
Van de plek, waar ik zat, kon ik het hek zien en wij behoefden dus
niet bang te wezen, dat vrouw Barberin ons plotseling overvallen zou.
Ik keek eens rond, en het scheen mij toe, dat ik eerst gisteren het
huis had verlaten. Niets was veranderd; alles stond nog op zijne
zelfde plaats; ja zelfs het papier, waarmede de ruit was beplakt,
die ik eens gebroken had, was nog altijd hetzelfde; het was alleen
maar erg geel en berookt geworden.
Als ik mijne plaats had durven verlaten, zou ik graag elk voorwerp
eens van nabij hebben bekeken; maar ieder oogenblik kon vrouw Barberin
terugkomen en ik moest dus op den uitkijk blijven.
Opeens zag ik eene witte muts en tegelijk knarste het hengsel van
het hek.
--Gauw, kruip weg! riep ik tot Mattia.
Ik maakte mij nu nog kleiner.
De deur ging open: op den drempel reeds ontdekte mij vrouw Barberin.
--Wie is daar? vroeg zij.
Ik zag haar aan zonder antwoord te geven en ook zij zag mij aan.
Eensklaps begon zij over haar geheele lichaam te beven; sidderend
stak zij hare handen uit.
--Groote God! prevelde zij.... Goede God! is het mogelijk!... Rémi!
Ik stond op en vloog in hare armen.
--Moeder!
--Mijn jongen! 't Is mijn jongen!
Het duurde eenige minuten, eer wij tot ons zelven kwamen en onze
tranen hadden bedwongen.
--Dat is zeker, zeide zij, als ik niet altijd aan je gedacht had,
zou ik je nu ook niet herkend hebben. Wat ben je veranderd! En zoo
groot geworden! En zoo breed!
Een onderdrukt kuchje herinnerde mij, dat Mattia achter het ledekant
verborgen was. Ik riep hem en hij kwam te voorschijn.
--Dat is Mattia, mijn broer.
--O, hebt ge dan uw ouders gevonden? riep vrouw Barberin uit.
--Neen; hij is mijn makker, mijn vriend; en daar is Capi, ook een
makker en een vriend van mij. Maak je kompliment eens voor de moeder
van je baas, Capi.
Capi ging op zijne achterpooten staan en legde zijn eenen poot op zijn
hart, terwijl hij eene diepe buiging maakte. Vrouw Barberin moest er
hartelijk om lachen en wischte hare tranen af.
Mattia, die niet, zooals ik, door aandoening overstelpt was, gaf mij
een wenk, dat ik aan onze verrassing zou denken.
--Als ge 't goedvindt, gaan wij nu eens naar den tuin om den krommen
pereboom te zien, waarvan ik Mattia zooveel verteld heb.
--Uw tuin kunnen wij dan ook gaan zien, want dien heb ik gelaten,
zooals gij hem hebt aangelegd, opdat je hem terug zoudt vinden als
gij weer hier kwaamt; want dat je terug zoudt komen heb ik altijd en
tegen ieder volgehouden.
--En de peerappelen, die ik geplant heb, waren ze lekker?
--Dus heb jij me die verrassing bezorgd? Ik heb het wel gedacht;
je woudt me altijd verrassen.
Nu was het oogenblik gekomen.
--En de koestal, vroeg ik, is die veel veranderd sedert Roussette
heenging? die arme Roussette; die wilde ook niet gaan, evenmin als ik.
--De stal is ook dezelfde gebleven, behalve dat ik er nu mijn brandhout
in berg.
Daar wij juist voor den stal waren gekomen, deed vrouw Barberin de
deur open en op hetzelfde oogenblik begon onze koe, die honger had,
en zeker dacht dat men haar eten kwam brengen, luid te loeien.
--Een koe! een koe op stal! riep vrouw Barberin.
Toen konden we ons niet meer inhouden en Mattia en ik begonnen
hartelijk te lachen.
Vrouw Barberin zag ons verbaasd aan, maar het was zoo iets onmogelijks
dat er een koe bij haar op stal stond, dat zij, in weerwil van ons
lachen, niets ervan begreep.
--'t Is een verrassing, zeide ik, een verrassing, die wij u bezorgen
en die zeker wel opweegt tegen die van de peerappels.
--Eene verrassing, herhaalde zij, eene verrassing!
--Ik wou niet met leege handen bij moeder Barberin komen, die altijd
zoo goed was voor haar kleinen Rémi, het verlaten kind; toen heb ik
eens nagedacht wat u van 't meeste nut zou kunnen zijn, en ik meende
dat eene koe, die de plaats innam van Roussette, u het liefst zou
wezen. Op de beestenmarkt te Ussel hebben wij toen de koe gekocht
voor het geld, dat Mattia en ik verdiend hebben.
--Och, die goeie jongen! Die lieve jongen! riep vrouw Barberin uit,
terwijl ze mij opnieuw in de armen drukte.
Toen gingen wij den stal binnen, opdat vrouw Barberin onze koe eens
zou bekijken, die nu _haar_ koe was. Bij alles wat zij aan de koe
voor goeds ontdekte, uitte zij opnieuw kreten van tevredenheid en
bewondering.
--Wat een mooie koe.
Eensklaps stond zij stil en vroeg, terwijl zij mij aanzag:
--Maar dan ben je rijk geworden?
--Dat zou ik ook denken, antwoordde Mattia lachend; wij hebben nog
drie francs.
En vrouw Barberin herhaalde alweder, maar nu eenigszins gewijzigd:
--Die goede jongens!
Het deed me goed, dat zij ook aan Mattia dacht en ons in haar hart
vereenigde.
Onze koe bleef intusschen maar voortloeien.
--Zij wil gemolken worden, zeide Mattia.
Oogenblikkelijk liep ik naar huis om den netgeschuurden blikken emmer
te halen, waarin vroeger Roussette werd gemolken en dien ik op zijne
gewone plaats had zien hangen, hoewel het al heel lang geleden was,
sedert vrouw Barberin een koe op stal had. In het teruggaan vulde
ik den emmer met water, zoodat vrouw Barberin de uiers kon wassen,
die vol stof waren.
Welk een genot voor de goede vrouw, toen zij haar emmer voor driekwart
gevuld zag met prachtige schuimende melk.
--Ik geloof, dat zij meer melk geeft dan Roussette, zeide zij.
--En wat lekkere melk, zeide Mattia; ze riekt naar oranjebloesem.
Vrouw Barberin zag Mattia vragend aan; zeker wilde zij te weten komen
wat oranjebloesem was.
--Dat is iets heel lekkers, dat men in het hospitaal krijgt, als men
ziek is, zeide Mattia, die graag vertelde wat hij wist.
Toen de koe gemolken was, brachten wij haar op 't grasveld om daar
te grazen, en wij gingen in huis, waar ik, toen ik den emmer haalde,
onze boter en bloem midden op tafel had gezet.
Toen vrouw Barberin die nieuwe verrassing zag, slaakte zij opnieuw
allerlei kreten van verbazing, maar toen meende ik dat het maar beter
was openhartig te zijn en ik viel haar in de rede:
--Dat is eigenlijk evengoed voor ons als voor u; wij hebben allebei
een geweldigen honger en wij zouden zoo graag pannekoeken eten. Weet
ge nog wel hoe, den voorlaatsten avond toen ik hier was, onze wafels
niet klaar kwamen en de boter, die u ervoor geleend had, diende om
uien in de pan te bakken: dezen keer zullen wij niet gestoord worden.
--Weet-je dan, dat Barberin te Parijs is? vroeg zij.
--Ja.
--En weet je ook wat hij te Parijs is gaan doen?
--Neen.
--Het heeft betrekking op jou.
--Op mij? vroeg ik verschrikt.
Voor zij verder ging, zag vrouw Barberin Mattia aan, als vreesde zij,
dat ze in zijn bijzijn te veel zou zeggen.
--O, u kunt gerust spreken waar Mattia bij is, zeide ik: ik heb u
verteld, dat hij een broer voor mij is; al wat mij betreft, gaat ook
hem ter harte.
--'t Is nogal lang om te vertellen, zeide zij.
Ik bespeurde, dat zij ertegen opzag, om te spreken, en nu wilde ik
in het bijzijn van Mattia er niet langer op aandringen, omdat, zoo
zij weigerde, dit hem leed zou doen. Ik besloot dus maar liever te
wachten tot een geschikter oogenblik, om te vernemen wat Barberin te
Parijs was gaan doen.
--Zou Barberin spoedig terugkomen? vroeg ik.
--O, zeker niet.
--Dan hebben wij geen haast; laten wij dan maar over de pannekoeken
praten; later hoor ik dan wel eens van u wat er voor mij aan die
Parijsche reis is gelegen; daar hij vanavond zijne uien niet in onze
koekepan zal komen fruiten, hebben wij al den tijd aan ons. Hebt
ge eieren?
--Neen, ik houd geen kippen meer.
--Wij hebben geen eieren meegebracht, omdat wij bang waren dat zij
onderweg zouden breken. Kunt gij ze ergens leenen?
Die vraag bracht haar in verlegenheid en ik begreep, dat zij bij
niemand meer durfde aankloppen.
--Dan is het beste maar, dat ik ze zelf ga koopen, zeide ik, en in
dien tusschentijd maakt u het beslag klaar met de melk. Soquet is er
immers nog? Dan loop ik er gauw heen. Zeg aan Mattia dat hij het hout
klooft, dat kan hij best.
Bij Soquet kocht ik niet alleen eieren, maar ook een stukje spek.
Toen ik terugkwam, was de bloem al met de melk aangemaakt en alleen
de eieren behoefden nog maar in het beslag te worden geroerd. 't Is
waar, er was geen tijd om het deeg te doen rijzen, maar wij hadden te
veel honger om daarop te wachten. Mochten de pannekoeken al wat zwaar
uitvallen, onze magen waren stevig genoeg om het te kunnen dragen.
--Maar vertel me nu eens, zei vrouw Barberin, terwijl zij het deeg
besloeg, hoe komt het toch, dat zoo'n goede jongen als jij me nooit
iets van zich heeft doen hooren? Weet je wel, dat ik dikwijls dacht,
dat je dood waart, want, zei ik bij mezelf, als Rémi nog leefde,
zou hij zeker wel aan zijn moeder Barberin iets hebben doen weten.
--Die moeder Barberin was niet alleen; bij haar woonde een vader
Barberin, die heer des huizes was en die dat ook getoond heeft te zijn,
door mij voor twintig gulden aan een ouden muzikant te verkoopen.
--Daar moet ge niet meer van spreken, beste Rémi.
--Ik beklaag er mij niet over, maar ik zeg het alleen om u te doen
begrijpen, waarom ik u niet schreef. Ik was bang, dat hij mij weder
zou verkoopen, als hij ontdekte waar ik was, en ik wilde niet verkocht
worden. Daarom heb ik u ook niet geschreven, toen ik mijn armen ouden
meester verloor, die een goed man was.
--Ach, is hij dood, die oude muzikant?
--Ja, en ik heb hem oprecht betreurd, want als ik iets ben op 't
oogenblik en instaat ben mijn eigen kost te verdienen, dan heb ik
het aan hem te danken. Na zijn dood heb ik goede menschen gevonden,
die mij in hun huis opnamen en voor wie ik gewerkt heb. Maar als ik
geschreven had: ik ben tuinman bij de Glacière, dan zou men mij komen
halen, of men zou aan die goede menschen geld gevraagd hebben. Ik
wilde het een zoomin als het ander.
--Ja, ja, dat kan ik wel begrijpen.
--Maar dit heeft niet belet, dat ik altijd aan u dacht, en als ik
heel ongelukkig was, is 't mij wel gebeurd, dat ik moeder Barberin
riep om mij te helpen. Zoodra ik vrij was om te doen wat ik wilde,
ben ik naar haar toe gekomen, maar niet zoo dadelijk, dat is waar:
men kan niet altijd doen wat men wil, en ik had een plan, dat niet
zoo gemakkelijk ten uitvoer was te brengen. Wij moesten onze koe
verdienen vóór dat we u die konden thuis bezorgen, en het geld kwam
niet bij rijksdaalders in. Wij hebben heel wat stukjes moeten spelen,
dag aan dag, overal, vroolijke en treurige; wij moesten maar loopen,
ons inspannen in 't zweet van ons aangezicht, en ons allerlei ontbering
getroosten. Maar hoe moeilijker het viel, zooveel te meer genot hadden
wij, niet waar Mattia?
--Elken avond telden wij ons geld, niet enkel wat wij dien dag
verdiend hadden, maar ook hetgeen wij al hadden, om te zien of het
niet verdubbeld was.
--Die goede jongens! Die beste jongens!
Al pratende bleef vrouw Barberin het deeg voor onze koeken beslaan
en Mattia zorgde voor het hout, en ik zette de borden gereed en de
vorken en de glazen, waarna ik een kruik versch water aan de fontein
ging halen.
Toen ik terugkwam stond er eene volle terrine met geelachtig beslag,
en vrouw Barberin schuurde met een bosje stroo de koekepan schoon
en onder den schoorsteen vlamde een hoog vuur, dat Mattia onderhield
door er voortdurend stukken hout op te werpen.
In een hoek naast den haard gezeten, sloeg Capi al die voorbereidende
werkzaamheden gade, en daar hij half verschroeide, lichtte hij nu den
eenen en dan weder den anderen poot op, even jankend. De heldere vlam
verlichtte tot de uiterste hoeken van het vertrek en ik zag de figuren
op de katoenen gordijnen van het ledekant dansen, gelijk voorheen, toen
zij mij zoo dikwijls angst aanjoegen als ik bij maneschijn wakker werd.
Vrouw Barberin zette de pan op het vuur, nam toen een stukje boter
met de punt van het mes en liet dit in de pan glijden, waar het
dadelijk smolt.
--Dat riekt heerlijk! riep Mattia, die zijn neus boven het vuur hield
zonder vrees, dat hij zich branden zou.
De boter begon te sissen.
--Zij zingt, riep Mattia; ik zal ze accompagneeren.
Voor Mattia loste zich alles op in muziek. Hij nam zijne viool en begon
zachtjes te spelen en volgde op de snaren het sissen van de boter,
en vrouw Barberin lachte, dat de tranen haar over de wangen liepen.
Maar het oogenblik was te gewichtig om zich aan luidruchtige
vroolijkheid over te geven; met haar potlepel had vrouw Barberin in
de terrine geroerd en schepte er het beslag uit, dat in dikke stralen
neerviel; toen goot zij het in de pan en de boter, die terugvloeide
bij den stroom van deeg, vormde er een rossen kring om.
Op mijne beurt boog ik mij voorover; vrouw Barberin gaf een tik op
den steel van de pan en deed toen den pannekoek omdraaien tot grooten
schrik van Mattia; maar het kon geen kwaad; na een eind in de hoogte
in den schoorsteen te zijn gevlogen, viel de pannekoek weder omgekeerd
in de pan en met zijn gebakken zijde boven.
Ik nam spoedig een bord en de pannekoek gleed erin.
Hij was voor Mattia, die zijn vingers, zijn lippen, zijn tong en
zijn keel brandde, maar dat kwam er niet op aan; hij dacht er niet
aan dat hij zich brandde.
--Hè! hoe lekker! riep hij met vollen mond.
Toen was het mijn beurt om mij te branden, en evenmin als Mattia
voelde ik iets van de pijn.
De derde pannekoek was gaar en Mattia stak de hand uit, maar nu begon
Capi geducht te blaffen: het was zijne beurt, hij had er recht op
en Mattia gaf hem dan ook den pannekoek tot groote verontwaardiging
van vrouw Barberin, die voor beesten het gevoel had, dat de boeren
er algemeen voor koesteren: zij begreep niet, dat men aan een hond
"het eten van een christenmensch" gaf. Om haar tevreden te stellen,
zeide ik, dat Capi een geleerde hond was en dat hij bovendien een deel
van de koe had verdiend; bovendien was hij onze kameraad en had hij
recht om te eten wat wij kregen, en te gelijk met ons, daar zij gezegd
had zelve niet te zullen eten vóór onze ergste honger was gestild.
Het duurde lang eer het zoover was en toen wij geen honger meer hadden,
lustten wij ze toch nog even graag. Maar eindelijk kwam er toch een
oogenblik, dat wij beiden verklaarden geen pannekoeken meer te zullen
eten vóór dat vrouw Barberin zelve er een paar genuttigd had.
Toen wilden wij zelf pannekoeken bakken. Eerst mocht ik het probeeren
en daarna Mattia; boter in de pan te leggen en dan het beslag erop
te gieten was vrij gemakkelijk, maar niet om den pannekoek te keeren;
de mijne kwam in de asch terecht; die van Mattia viel op zijne handen.
Eindelijk was de pot leeg, en daar Mattia zeer goed bemerkt had,
dat vrouw Barberin zoolang hij erbij was niet wilde spreken over
hetgeen mij betrof, zeide hij, dat hij nog eens naar de koe wilde
gaan kijken en liet vrouw Barberin en mij alleen.
Ik had tot nu toe gewacht op hetgeen zij mij te vertellen had, maar
ik kon niet zeggen, dat ik met bijzonder groot ongeduld gewacht had,
want het bakken van de pannekoeken had mijne aandacht zoo geheel-en-al
beziggehouden, dat ik aan andere dingen niet had gedacht.
Barberin was, meende ik, alleen naar Parijs gegaan om Vitalis
op te zoeken en het jaargeld te krijgen, waarvoor hij mij had
verhuurd. Daarmede had ik niets te maken. Vitalis was dood en hij kon
dus niet betalen, en van mij zou men het geld toch wel in de laatste
plaats kunnen vragen. Maar zoo Barberin al geen geld van mij krijgen
kon, zou hij misschien beslag kunnen leggen op mijzelven, en dan
zou hij mij kunnen plaatsen waar hij wilde, als men maar voor mij
betaalde. En dat boezemde mij belang in, want ik had vast besloten
het uiterste te beproeven voor ik mij onderwierp aan het gezag van
dien naren Barberin. Als het moest, zou ik uit Frankrijk vluchten en
met Mattia naar Italië of Amerika gaan, of naar het einde der wereld.
Met die gedachte vervuld, had ik mij voorgenomen, zeer voorzichtig
te zijn in mijne woorden als ik met vrouw Barberin sprak; voor die
goede vrouw zelve behoefde ik mij niet inacht te nemen, want ik wist,
dat zij veel van mij hield en alles voor mij overhad; maar zij was bang
voor haar man, dat had ik gezien; en als ik te veel zeide, zou zij het
wel eens aan haar man kunnen oververtellen en op die wijze aan Barberin
het middel in de hand geven, om mij op te sporen en zich weder meester
van mij te maken. Als dit gebeuren mocht, moest het tenminste niet
aan mijzelven worden toegeschreven, en daarom was ik op mijn hoede.
Toen Mattia de deur uit was, zeide ik tot vrouw Barberin:
--Nu zijn wij alleen; kunt gij mij nu zeggen wat Barberin voor mij
te Parijs is gaan doen?
--Welzeker, mijn jongen, en met veel genoegen.
Met veel genoegen! Ik stond verstomd.
Vóór zij verder ging, wierp vrouw Barberin een blik naar de deur. Opdat
niemand ons hooren zou, kwam zij dichter bij me en met een glimlach op
't gelaat sprak ze:
--Het schijnt dat uw familie u zoekt.
--Mijn familie?
--Ja, uw familie, Rémi.
--Heb ik dan familie? Ik? Ik, het kind dat te vondeling werd gelegd?
--Het schijnt, dat men u niet opzettelijk heeft verlaten, want thans
zoekt men u.
--Wie zoekt mij? O spreek, vrouw Barberin, spreek, ik bid u.
Opeens scheen het me, dat ik krankzinnig zou worden en ik riep uit:
--Maar dat is niet mogelijk! Neen, Barberin zoekt mij.
--Dat doet hij ook, maar voor uw familie.
--Neen, voor hem zelven, om mij weer te kunnen verkoopen, maar hij
zal mij niet hebben.
--Och, Rémi, hoe kunt gij denken, dat ik tot zoo iets de hand zou
willen leenen!
--Hij wil ook u bedriegen, moeder Barberin.
--Maar jongenlief, wees toch verstandig, luister naar hetgeen ik
u zeggen zal, dan zult ge mij wel gelooven. Aanstaanden Maandag is
het juist een maand geleden, dat ik op de deel aan 't werk was, toen
een man, of liever een heer, het huis binnentrad, waar Barberin op
dat oogenblik zich bevond. "Heet gij Barberin?" vroeg de heer, die
met een eenigszins vreemden tongval sprak.--"Ja, zeide Jérôme, zoo
heet ik."--"Zijt gij het, die een kind gevonden hebt in de avenue de
Breteuil en de taak op u nam om het groot te brengen?"--"Ja."--"Mag
ik u dan vragen waar dat kind nu is?"--"Mag ik u vragen wat u dat
aangaat?" antwoordde Jérôme met een wedervraag.
Mocht ik al getwijfeld kunnen hebben aan de oprechtheid van vrouw
Barberin, aan dat brutale antwoord van haar man bemerkte ik dadelijk,
dat zij goed geluisterd had.
--Gij weet, ging zij voort, dat men op de deel alles kan hooren wat
hier gezegd wordt en bovendien, nu er sprake was van u, had ik een
onweerstaanbaren lust om te luisteren. Ik deed dus een paar stappen
nader, maar daarbij trad ik op een tak die kraakte.--"Zijn wij niet
alleen?" vroeg de heer.--"Dat is mijn vrouw," antwoordde Jérôme.--"Het
is hier erg warm," ging de heer voort, "laat ons liever buiten gaan
om daar te praten." Zij gingen toen samen naar buiten en eerst drie
of vier uur later kwam Jérôme alleen terug. Gij kunt begrijpen hoe
nieuwsgierig ik was om te weten, wat er was behandeld tusschen mijn man
en dien heer, die misschien uw vader was, maar op al mijn vragen gaf
Jérôme geen antwoord. Hij zeide mij alleen, dat die heer niet uw vader
was, maar dat hij op verzoek van de familie onderzoek naar u deed.
--En waar is mijn familie? Wie is ze? Heb ik een vader? een moeder?
--Dat heb ik, evenals gij nu, ook aan Jérôme gevraagd. Hij zeide,
dat hij er niets van wist. Toen vertelde hij, dat hij naar Parijs ging
om den muzikant op te zoeken, aan wien hij u verhuurd had en die hem
zijn adres had gegeven in de rue Lourcine bij een anderen muzikant,
Garofoli. Die beide namen heb ik onthouden; onthoud ze ook.
--Ik ken die namen al, wees gerust. En heeft Barberin na zijn vertrek
niets meer van zich doen hooren?
--Neen; zeker zoekt hij u nog altijd; de heer heeft hem vijftig
gulden in goud gegeven en na dien tijd heeft hij hem zeker nog meer
geld gezonden. Dat alles en ook de mooie luiers, waarin gij gewikkeld
waart, toen men u vond, is het bewijs, dat uwe ouders vermogende
menschen zijn. Toen ik u daar in den hoek van den haard zag zitten,
dacht ik, dat gij ze teruggevonden hadt en daarom meende ik, dat uw
makker uw broeder was.
Op dit oogenblik ging Mattia juist voorbij; ik riep hem.
--Mattia, mijne ouders zoeken mij; ik heb eene familie, eene wezenlijke
familie!
Vreemd genoeg scheen Mattia mijne vreugde en opgewondenheid niet
te deelen.
Toen vertelde ik hem, wat vrouw Barberin mij had medegedeeld.