DE OVERSTROOMING.

Den anderen morgen begaven wij ons weder naar de mijn.

--Wel, vroeg oom Gaspard aan den schoolmeester, zijt gij gisteren

tevreden over den knaap geweest?

--Zeker, hij heeft ooren, en ik hoop, dat hij spoedig ook oogen

zal hebben.

--Het voornaamste is dat hij armen heeft, antwoordde oom Gaspard.

Hij gaf mij een houweel, om hem behulpzaam te wezen in het afbeitelen

van een stuk steenkool, waarvan hij het benedengedeelte onderhanden

had; de opperman moet den arbeider soms in het werk bijstaan.

Toen ik de derde maal het wagentje naar den put Saint-Alphonsine

rolde, hoorde ik plotseling een oorverdoovend geraas, een vreeselijk

geweld zooals ik nog nooit gehoord had. Was het een verzakking of een

instorting? Ik luisterde; het geraas bleef voortduren en drong van

alle zijden naar binnen. Wat beteekende dit? Ik schrikte hevig en mijne

eerste gedachte was om naar de ladder te snellen en te ontvluchten.

Maar men had reeds dikwijls met mijn bangheid den spot gedreven; uit

schaamte besloot ik te blijven. Was het een mijnontploffing of een

wagen, die in een put werd geledigd; of waren het slechts aardhoopen,

die door de gangen naar beneden stortten?

Eensklaps snelde een bende ratten langs mij heen alsof zij een

escadron huzaren waren, die op de vlucht geslagen werden; daarop

hoorde ik een zonderling geritsel tegen den grond en de muren,

als het kabbelen van doorstroomend water. De plaats waar ik stond,

was echter geheel droog en dat geluid was mij dus onverklaarbaar.

Ik nam mijn lampje en nadat ik een blik in het rond geworpen had,

bukte ik mij om langs den grond te kijken.

Het was inderdaad het water; het kwam uit de putten en steeg naar de

gangen. Dat geweldige leven, dat gedonder werd dus veroorzaakt door

een waterloozing die de mijn binnendrong.

Ik liet mijn wagen op de rails staan en ijlde naar de werkplaats.

--Oom Gaspard, het water is in de mijn!

--Wat een onzin!

--Er is een gat door de Divonne geboord, laten wij ons redden.

--Laat mij met rust.

--Luister dan zelf.

Ik zeide dit op zulk een angstigen toon, dat oom Gaspard zijn werk

een oogenblik staakte om te luisteren; hetzelfde geluid was het, maar

nog veel sterker, veel onheilspellender. Men kon zich niet vergissen:

het water stroomde met alle kracht binnen.

--Red u, riep hij, het water is in de mijn!

En al roepende: "het water is in de mijn", greep oom Gaspard zijn

lampje, want hiervoor zorgt de mijnwerker altijd in de eerste plaats,

en snelde de gang in.

Nog geen tien stappen had ik gedaan, of ik zag den schoolmeester

eveneens zich naar de gang begeven, om naar het geluid te onderzoeken.

--Water in de mijn! riep oom Gaspard hem toe.

--De Divonne heeft een gat geboord! voegde ik er bij.

--Zijt ge dwaas!

--Redt u! riep de schoolmeester.

De oppervlakte van het water was spoedig in de gang gestegen, en

reikte bijna tot onze knieën, wat ons het voortgaan zeer belemmerde.

De schoolmeester liep met ons mede en alle drie snelden wij voort,

terwijl wij bij elke werkplaats riepen:

--Redt u! Het water is in de mijn!

Het water steeg met eene ontzettende snelheid; gelukkig waren wij

niet ver van de ladders verwijderd, daar wij deze anders nooit zouden

hebben bereikt. De schoolmeester was de eerste, maar hij wachtte.

--Gaat gij maar vooruit, ik ben de oudste en ik heb een gerust geweten.

Het was hier de plaats niet om beleefdheden met elkander te

wisselen; oom Gaspard klom het eerst naar boven, ik volgde hem en de

schoolmeester achter mij en na dezen, maar een heel eind achter hem,

eenige werklieden, die zich bij ons gevoegd hadden.

Nooit waren de veertig meters, welke de eerste van de tweede laag

scheidden, met grootere snelheid afgelegd. Maar vóór dat wij de

laatste trede bereikt hadden, viel een stroom water ons op het hoofd,

waardoor onze lampen uitdoofden. Het was een waterval.

--Houd je goed vast! riep oom Gaspard.

Wij klemden ons alle drie zoo vast mogelijk aan de sporten om het

water weerstand te bieden, maar zij, die achter ons kwamen, werden

medegesleurd, en ongetwijfeld zouden wij, wanneer we nog een tiental

sporten moesten stijgen, evenals zij, in de diepte gestort zijn,

want de waterval was een stortvloed geworden.

Toen wij de eerste laag bereikt hadden, waren wij nog niet gered, want

nog een vijftig el hadden wij af te leggen, eer we bij den uitgang

waren, en ook in de gaanderij bevond zich het water; wij hadden geen

licht, nu onze lampen waren uitgedoofd.

--Wij zijn verloren, zeide de schoolmeester bedaard; beveel uw ziel

aan God, Rémi.

Maar op hetzelfde oogenblik verschenen in de gang zeven of acht lampen,

die ons tegemoet snelden; het water reikte tot aan onze knieën en

zonder ons te bukken, raakten wij het met de hand aan. Het was geen

kalm stroomend water, het was een vloed, een draaikolk, die alles

medevoerde wat hij op zijn weg vond en stukken hout als veertjes

draaien deed.

De mannen, die ons te hulp schoten en wier lampen wij bespeurden,

wilden de gang volgen en op deze wijze de trappen en de ladders, die

zich in de nabijheid bevonden, bereiken; maar tegen zulk een stroom

waren zij niet opgewassen; hoe dezen te stuiten, hoe weerstand te

bieden aan zijn kracht en aan het hout, dat hij met zich voortsleurde?

Ook hun ontsnapte dezelfde uitroep, dien de schoolmeester zich had

laten ontvallen:

--Wij zijn verloren!

Zij waren ons thans genaderd.

--Dien kant! riep de schoolmeester, die de eenige scheen, welke zijn

tegenwoordigheid van geest behouden had; ons eenige toevluchtsoord

zijn de oude werken.

De oude werken waren een gedeelte van de mijn, waarin sedert langen

tijd niet meer gearbeid werd en waar niemand ooit kwam; maar de

schoolmeester had ze dikwijls bezocht als hij eenige merkwaardige

steenen voor zijn collectie zocht.

--Keert terug! riep hij, en geef mij een uwer lampen, dan zal ik u

daarheen brengen.

Gewoonlijk lachte men om hetgeen hij zeide, of keerde men hem

schouderophalend den rug toe; maar de sterksten hadden thans zelf hun

kracht verloren, waarop zij zoo trotsch plachten te zijn en een ieder

volgde het bevel op, dat uit den mond van den man kwam, dien men vijf

minuten geleden nog bespotte; werktuigelijk reikte elk hem zijn lampje.

Haastig greep hij er een met de eene hand, en vatte hij mij met de

andere vast, terwijl hij zich aan het hoofd van den troep stelde. Daar

wij nu dezelfde richting als de stroom volgden, liepen wij veel

sneller.

Ik wist niet waarheen wij ons begaven, maar mijn hoop was teruggekeerd.

Nadat wij de gang eenige minuten lang gevolgd hadden--ik weet niet

of het minuten, dan wel seconden waren, want wij hadden geen besef

meer van tijd--bleef hij stilstaan.

--Wij zullen daartoe geen tijd meer hebben! riep hij, want het water

stijgt met te groote snelheid.

Werkelijk rees de spiegel al hooger en hooger; van mijn knieën was

het tot aan de heupen gekomen en van de heupen tot aan mijn borst.

--Wij moeten de wijk nemen naar een der zijgangen, die naar boven

loopt, zeide de schoolmeester.

--En dan?

--De zijgang leidt nergens heen.

Een zijgang in te slaan was de laatste kans op redding, want dezen

hebben geen uitgang; maar het was hier kiezen of deelen: wij moesten

òf de zijgang nemen en daardoor eenige minuten tijd winnen, dat is

te zeggen, daarmede de uitkomst op redding vermeerderen, òf de gang

volgen met de zekerheid van binnen weinige oogenblikken verzwolgen

te worden door de golven.

De schoolmeester voerde ons dus naar de zijgang. Twee onzer makkers

wilden de gaanderij doorwaden en hen hebben wij ook nooit teruggezien.

Toen wij de gang hadden bereikt en weder tot bewustzijn kwamen, hoorden

wij een donderend geraas, dat alles overstemde. Dat geluid was reeds

onstaan vóór dat wij vluchtten, maar wij hadden er niet op gelet. Het

werd veroorzaakt door de instortingen, het doorbreken van het water,

het neerploffen in de kolken, het uiteenrukken van het houtwerk en

de losbarstingen van de saamgeperste lucht. Dit alles deed in de mijn

een ontzaggelijk gedruisch ontstaan, waarbij hooren en zien verging.

--Het is de zondvloed.

--Het einde van de wereld.

--Groote God, heb medelijden met ons!

Sedert wij ons in de zijgang bevonden, had de schoolmeester geen woord

gesproken, want zijn krachtige geest was verheven boven ijdel klagen.

--Kinderen, zeide hij, wij moeten ons niet vermoeien; wanneer wij

onze handen en voeten zoo vastgeklemd houden, dan verliezen wij onze

krachten; wij moeten rustpunten uithouwen in de wanden.

Deze raad was van het grootste belang, maar zeer moeilijk om ten

uitvoer gebracht te worden, want niemand had zijn houweel medegenomen;

wij hadden alleen onze lamp, maar geen van ons zijn gereedschap.

--Met de haken van onze lampen, zeide de schoolmeester.

En wij begonnen allen den grond met de haken van de lampen uit te

houwen; het was een zwaar werk, want de zijgang was zeer steil en

de wanden zeer glad. Maar wanneer men weet, dat, als men uitglijdt,

men den dood in de diepte vindt, dan is men krachtig en behendig.

Binnen weinige minuten hadden wij elk een holte uitgehouwen, waarin

wij onzen voet konden doen steunen.

Toen wij dit gedaan hadden, durfden we ademhalen en elkander

aanzien. Wij waren met ons zevenen: de schoolmeester, ik, oom Gaspard,

drie houwers en een opperman; de andere werklieden waren in de gang

verdwenen.

Het gedruisch in de mijn ging steeds met dezelfde hevigheid voort;

geen woorden kunnen de kracht ervan uitdrukken en het gebulder van

het geschut, dat zich paart aan het ratelen van den donder en het

dreunen der instortende bergmassa, zou geen ontzaglijker geweld

teweeggebracht hebben.

Verschrikt, buiten ons zelf van angst, staarden wij elkander aan en

trachtten in elkanders blik een verklaring te lezen, die het verstand

ons niet aangaf.

--Het is de zondvloed, sprak de een.

--De wereld vergaat.

--Een aardbeving.

--De genius der mijn, die vertoornd is en zich wreken wil.

--Een overstrooming, die door een opeenhooping van het water in de

oude werken veroorzaakt is.

--Een gat dat de Divonne heeft geboord.

Deze laatste opmerking kwam van mij, want ik hield vol, dat het niets

anders zijn kon.

De schoolmeester zeide niets en zag ons beurtelings aan, terwijl hij

de schouders ophaalde, alsof op klaarlichten dag deze vraag besproken

werd, onder het lommer van een moerbezieboom, bij het genot van de

een of andere lekkernij.

--Het is een overstrooming, zeide hij ten laatste, toen ieder zijn

meening had uitgesproken.

--Door een aardbeving veroorzaakt.

--Door den boozen geest van de mijn gezonden.

--Zij komt van de oude werken.

--Het is een gat, dat de Divonne in den weg geslagen heeft.

Ieder herhaalde zijn meening.

--Het is een overstrooming, vervolgde de schoolmeester.

--En verder? Waar komt ze vandaan? vroegen verscheidene stemmen,

als uit één mond.

--Dat weet ik niet, maar wat den boozen geest van de mijn betreft,

dat is onzin; wat de oude werken aangaat, dat is onmogelijk; het zou

alleen waar kunnen zijn, wanneer de derde laag slechts overstroomd

was, maar de tweede en de eerste is het ook; gij weet wel dat het

water niet stijgt, maar altijd zakt.

--Een gat.

--Zulke gaten kunnen niet geboord worden.

--Een aardbeving.

--Dat weet ik niet.

--Als gij het niet weet, zeg het dan ook niet.

--Ik weet wat een overstrooming is, en dat beteekent al iets, een

overstrooming die van boven komt.

--Dat zien we allemaal, want ze is ons gevolgd.

Daar we nu droog stonden, keerde meer en meer onze bedaardheid terug

en daar het water niet langer steeg, wilde men niet meer naar den

schoolmeester luisteren.

--Doe maar niet of gij een geleerde zijt, want gij weet het evenmin

als wij.

De overmacht, die hij door zijn moed had verkregen, toen wij in gevaar

verkeerden, had hij wederom verloren. Hij zweeg oogenblikkelijk.

Om het geraas te overstemmen, spraken wij zoo luid mogelijk en toch

klonk onze stem nog dof.

--Zeg eens wat.

--Wat zal ik zeggen?

--Alles wat ge wilt, zeg maar wat, het eerste wat u invalt.

Ik sprak eenige woorden.

--Goed, nu wat zachter. Juist, goed.

--Hebt ge uw verstand verloren, zeg, schoolmeester? vroeg er een.

--Wordt ge krankzinnig van angst?

--Denkt gij, dat ge dood zijt?

--Ik geloof dat hier het water ons niet zal kunnen bereiken en dat,

al mochten wij hier omkomen, wij niet zullen verdrinken.

--Dat beduidt....

--Kijk eens naar uw lamp.

--Wel, zij brandt.

--Zooals altijd?

--Neen, de vlam is sterker, maar kleiner.

--Is hier dan mijngas?

--Neen, antwoordde de schoolmeester, daarvoor behoeven wij ook niet

bevreesd te zijn; het mijngas evenmin dreigt ons, als thans het water,

dat geen voet meer stijgt.

--Doe maar niet of ge een toovenaar zijt.

--Dat is mijn plan ook niet; wij bevinden ons als onder een stolp,

waar de lucht niet in doordringt en juist daardoor wordt het water

belet er in op te stijgen; de zijgang, die aan het einde afgesloten is,

is thans voor ons, wat een duikerklok voor een duiker is; de lucht

die door het water is opgedrongen, is in deze gang samengeperst,

biedt nu aan den stroom weerstand en dringt dien terug.

Toen wij den schoolmeester hoorden uitleggen, dat wij ons in een soort

van duikerklok bevonden, waarin het water ons niet kon bereiken, daar

het door de lucht tegengehouden werd, hoorde men van verschillende

zijden halfluide opmerkingen die getuigden, dat niemand er geloof

aan sloeg.

--Wat een onzin! Heeft het water dan niet de meeste kracht?

--Ja, wanneer het buiten, geheel in vrijheid stroomt; maar als ge

een glas het onderstboven in een emmer dompelt, dan zult gij zien,

dat het water niet tot bovenin uw glas doordringt. Een gedeelte blijft

ledig. Welnu, in die ledige ruimte bevindt zich de lucht. Hier heeft

thans hetzelfde plaats; wij zijn bovenin het glas, het water zal niet

tot ons komen.

--Dat begrijp ik, hernam oom Gaspard, en ik zie nu in, dat gij allen

ongelijk hebt om den schoolmeester te bespotten; hij weet dingen,

die wij niet verstaan.

--Wij zijn dus gered?

--Gered? Dat zeg ik niet. Wij zullen niet verdrinken, dat beloof

ik u. Wij zijn gered, doordat de zijgang gesloten was en de lucht

niet ontsnappen kon; maar juist wat ons nu redt, kan ons het leven

kosten; de lucht kan er niet uit, ze is opgesloten. Maar wij zijn

ook opgesloten en wij kunnen de gang niet verlaten.

--Als het water gaat dalen....

--Zal het dalen? dat weet ik niet; om dat te weten, moeten wij eerst

bekend zijn met de oorzaak der stijging, en wie kan dat zeggen?

--En gij zegt dat het een overstrooming is?

--Welnu, wat dan nog? Het is een overstrooming, dat is zeker, maar waar

komt ze vandaan? Is de Divonne buiten haar oevers getreden en heeft

zij de putten doen volloopen; is het een stortregen, een bron, die den

omtrek overstroomd heeft, of is het een aardbeving? Wij zouden boven

moeten zijn om dat te kunnen beoordeelen en ongelukkig zijn we beneden.

--Misschien is de stad weggespoeld?

--Misschien....

Een oogenblik heerschte er een diepe stilte en waren we allen hevig

ontsteld.

Het gedruisch van het water had opgehouden; van tijd tot tijd hoorde

men nog slechts een dof gerommel en nu en dan voelde men een schok.

--De mijn moet vol zijn, sprak de schoolmeester, het water dringt er

niet langer in door.

--En Marius! riep een der werklieden, wanhopend.

Marius was zijn zoon en, evenals hij, houwer, die in de derde laag in

de mijn werkte. Tot op dit oogenblik had de zorg voor eigen veiligheid,

die altijd het krachtigst spreekt, hem belet om aan zijn zoon te

denken; maar toen de schoolmeester zeide, dat de mijn gevuld was,

begon hij aan zijn kind te denken.

--Marius! Marius! riep hij op hartverscheurenden toon; Marius!

Maar hij kreeg geen antwoord, zelfs de echo weerkaatste de stem niet,

die binnen de wanden van de gang besloten bleef.

--Hij zal ook een zijgang hebben opgezocht, hernam de schoolmeester;

honderdvijftig menschen zullen toch niet verdrinken; dat zou vreeselijk

zijn.

Dit echter sprak hij niet op denzelfden overtuigenden

toon. Honderdvijftig menschen minstens waren 's morgens de mijn

ingegaan; hoeveel hadden haar door de schacht kunnen verlaten of een

schuilplaats kunnen opzoeken, zooals wij? Al onze makkers omgekomen,

verdronken, dood! Niemand durfde een woord spreken.

Maar in een toestand als de onze, wordt het hart niet door medelijden

of sympathie blijvend beheerscht.

--En wij dan? vroeg een ander, na een poos gezwegen te hebben, wat

zullen wij doen?

--Wat wilt gij doen?

--Er schiet ons niets anders over dan geduldig af te wachten, hernam

de schoolmeester.

--Wat afwachten?

--Wachten; want zoudt gij dan die veertig of vijftig meters, die ons

van het daglicht scheiden, met het haakje van uw lamp willen doorboren?

--Maar wij zullen van honger sterven.

--Dat is niet het grootste gevaar, dat ons bedreigt.

--Kom, meester, zeg ons wat gij ervan denkt, gij maakt ons waarlijk

bang; waar schuilt dan het gevaar, het grootste gevaar?

--Aan den honger kan men weerstand bieden; ik heb wel eens gelezen,

dat mijnwerkers, die, evenals wij, door het water overvallen waren,

vier-en-twintig dagen zonder eten gebleven zijn; het is vele jaren

geleden, het gebeurde tijdens de godsdienstoorlogen, maar al was het

gisteren gebeurd, dan zou dit hetzelfde wezen. Neen, ik ben voor den

hongerdood niet bang.

--Waarvoor zijt ge dan bevreesd, daar ge zelf beweert, dat het water

niet meer stijgt?

--Voelt gij u niet zwaar in het hoofd, geen kloppen of bonzen? Haalt

gij gemakkelijk adem?

--Ik niet.

--Ik heb hoofdpijn.

--Ik voel mij of ik in zwijm zal vallen.

--Mijn slapen bonzen geducht.

--Ik ben krachteloos.

--Juist, daarin schuilt het gevaar. Hoelang kunnen wij in deze

lucht leven? Dat weet ik niet. Als ik een geleerde, inplaats van

een domkop was, dan zou ik het u zeggen. Thans weet ik het niet. Wij

bevinden ons een veertig el onder den grond; waarschijnlijk hebben

wij vijf-en-dertig of veertig meter boven ons: dat beteekent dat de

lucht een drukking van vier of vijf atmosferen ondergaat. Hoelang

kan men in zulke samengeperste lucht leven? dat moeten wij in de

eerste plaats weten en misschien zullen wij het ten koste van ons

eigen leven te weten komen.

Ik kon mij in het minst geen denkbeeld vormen wat samengeperste

lucht was en dit misschien was de oorzaak, dat de woorden van den

schoolmeester mij zoo hevig ontstelden; mijn makkers schenen ook

niet minder verschrikt dan ik; zij wisten het evenmin en op hen,

evenals op mij, maakte het onbekende een diepen indruk.

De schoolmeester verloor geen oogenblik zijn tegenwoordigheid van

geest in dezen wanhopenden toestand, en hoewel hij zelf zeer goed

het hachelijke van de zaak inzag, dacht hij slechts aan de middelen,

die hij tot ons behoud kon aanwenden.

--Het voornaamste is thans om ons hier zóó in te richten, dat wij

niet door het water meegesleept worden.

--Wij hebben holten gemaakt.

--Gelooft gij, dat ge ook niet vermoeid zult worden door voortdurend

in dezelfde houding te moeten blijven?

--Denkt gij dan, dat we hier lang moeten blijven?

--Weet ik dat?

--Men zal ons zeker hulp zenden?

--Zeker, maar om ons hulp te verleenen, moet men daartoe instaat

zijn. Hoelang zal het duren, eer men in onze redding slaagt? Zij,

die boven den grond zijn weten dat alleen. Wij, die er onder zijn,

moeten ons zoo goed mogelijk inrichten, want indien een van ons

uitglijdt, dan is hij verloren.

--Wij moeten ons aan elkander vastmaken.

--En de touwen?

--Wij moeten elkander een hand geven.

--Ik geloof, dat we het best doen, door treden uit te houwen, en een

trap te maken; wij zijn met ons zevenen, op twee treden kunnen we

dus allen gemakkelijk staan: vier op de eerste, drie op de tweede.

--Waarmede zullen we ze uithouwen?

--Wij hebben geen houweelen.

--Met onze lampehaken in het zachte gedeelte, met onze messen in

het harde.

--Daarin zullen we nooit slagen.

--Zeg dat toch niet, Pagès; in onzen toestand kan men alles als het

op zelfbehoud aankomt; als op dit oogenblik een van ons door den

slaap overvallen wordt, dan is hij verloren.

Door zijn koelbloedigheid en vastberadenheid had de schoolmeester weder

zijn heerschappij over ons verkregen, die hoe langer hoe machtiger

werd; wij beseften allen, dat zijn zedelijke moed grooter was dan de

onze en allen verwachtten hulp van deze kracht.

Wij begonnen te werken, want blijkbaar was het uithouwen dier treden

het eerst wat wij doen moesten; wij moesten trachten ons zoo goed

mogelijk in te richten, tenminste zoo, dat wij niet konden uitglijden

in de diepte, die zich onder onze voeten uitstrekte. Vier lampen waren

aangestoken en deze verspreidden voldoende licht om ons bij het werk

te leiden.

--Laten we een plaats uitzoeken, die het best geschikt is voor het

uithouwen, hernam de meester.

--Luistert, sprak oom Gaspard, ik heb u een voorstel te doen;

als iemand van ons goed zijn verstand heeft, dan is het wel de

schoolmeester; toen wij half waanzinnig van angst waren, behield hij

zijn kalmte; hij is een man en hij heeft bovendien een goed hart. Hij

is evenals wij trouw geweest, en hij weet van heel veel dingen meer

dan wij. Laat hij ons thans leiden en het werk verdeelen.

--De schoolmeester! viel een der anderen in, waarom ik niet? Ik ben

even goed opperman als hij.

--Hij is geen opperman; hij is een man en nog wel de dapperste van

ons allen.

--Gisteren zeidet gij dat ook niet.

--Gisteren was ik even dom als gij, ik dreef evenals gij den spot

met hem en wilde zijn meerderheid niet erkennen. Vandaag verzoek ik

hem over ons te bevelen. Kom meester, zeg maar wat ik doen moet! Ik

heb sterke armen, dat weet gij. En wat zegt gij?

--Kom, meester, wij gehoorzamen u.

--En wij zullen u gehoorzamen.

--Luistert, sprak hij: daar gij wilt, dat ik mij aan het hoofd zal

stellen, stem ik daarin toe; maar op die voorwaarde, dat gij alles

doet, wat ik u zeg. Wij kunnen hier lang blijven, verscheidene dagen;

ik weet niet wat er gebeuren zal; wij zijn hier als schipbreukelingen

op een wrak in den meest hachelijken toestand, want op een wrak heeft

men lucht en licht, men ademt en kan naar redding uitzien; wat er

ook gebeuren moge, als ik uw leidsman ben, moet gij mij gehoorzamen.

--Men zal u gehoorzamen! riepen allen.

--Als gij gelooft, dat alles wat ik verzoek billijk is, ja, dan zult

gij gehoorzamen; maar wanneer gij het niet gelooft?

--Wij zullen het gelooven.

--Men weet, dat gij een verstandig man zijt, meester.

--En een moedig man.

--En een man van ondervinding.

--Gij moet ons het spotten vergeven, meester.

Ik bezat toen nog niet de ondervinding, die ik op later leeftijd

verkreeg, en ik was verbaasd, hoe zij, die eenige uren geleden nog

duchtig den spot met hem dreven, thans al zijne goede hoedanigheden

erkenden. Ik wist toen niet hoezeer de omstandigheden de meeningen

en gevoelens van sommige menschen kunnen doen veranderen.

--Gij zweert het mij dus? sprak de schoolmeester.

--Wij zweren, antwoordden allen tegelijk.

Wij begonnen toen te werken; wij hadden allen een mes in onzen zak,

goede, stevige messen, die veel konden verdragen.

--Drie moeten de zijgang onderhanden nemen; de drie sterksten en

de zwaksten, waaronder Rémi en ik behooren, zullen de uitgehouwen

steenen wegwerpen.

--Neen, gij moet niet werken, zeide een krachtige kerel, gij zijt

niet sterk genoeg; de ingenieurs bevelen, maar werken zelf niet.

Een ieder stemde hierin toe; men gevoelde van hoeveel nut hij ons

was in gevaar, zoodat men wel alles had willen aanwenden om hem voor

verdere ongelukken of rampen te bewaren: hij was onze loods.

Het werk, dat wij moesten verrichten, was zeer eenvoudig geweest,

zoo we ons gereedschap gehad hadden, maar met messen duurde het

langer en was het moeilijker. Wij moesten twee treden in den wand

uitgraven en opdat wij geen gevaar zouden loopen om in den afgrond te

storten, moesten die treden vrij breed zijn en er voor drie of vier

personen plaats op wezen. De opzichter sloeg ons werk met de grootste

aandacht gade. Terwijl wij groeven, vonden wij onder het zand eenige

stukjes hout, die ons van zeer veel nut waren om te beletten, dat de

uitgehouwen steenen weggleden.

Toen wij drie uren gewerkt hadden, zonder een oogenblik te rusten,

hadden wij een vloer uitgehouwen, waarop wij konden zitten.

--Voor het oogenblik is het genoeg, beval de schoolmeester; later

zullen wij den houten vloer verbreeden, zoodat wij erop kunnen liggen;

wij moeten onze krachten niet noodeloos verspillen, want we zullen

ze nog te veel moeten gebruiken.

Wij namen plaats: vier op de benedenste en drie op de bovenste trede.

--Wij moeten ook zuinig met ons licht zijn, waarschuwde de meester,

laten we de lampen dus, op een na, uitdooven.

Deze bevelen werden terstond opgevolgd. De lampen zouden uitgedraaid

worden, maar plotseling wenkte hij, dat men hiermede niet moest

voortgaan.

--Wacht even, hernam hij, een tocht kan ons licht uitdooven; het is

niet waarschijnlijk, maar wij moeten zooveel mogelijk op alles rekenen;

wie heeft er lucifers bij zich?

Hoewel het streng verboden was om in de mijn licht aan te steken,

hadden bijna alle werklieden lucifers in den zak, en daar de

opzichter niet tegenwoordig was om deze inbreuk op de wet te straffen,

antwoordden vier stemmen op deze vraag: Ik.

--Ik heb ze ook, vervolgde de meester, maar zij zijn vochtig.

Dit was met de anderen eveneens het geval, want ieder had de lucifers

in zijn broekzak en wij waren tot aan de borst of de schouders in

het water geweest.

Een der arbeiders, Carrory, sprak toen:

--Ik heb ze ook.

--Vochtig?

--Dat weet ik niet, ze zijn in mijn muts.

--Geef dan uw muts hier.

Inplaats van zijn muts te geven, zooals men hem verzocht, een zwarte

bonten muts, reikte hij ons zijn lucifersdoosje; dank zij de goede

bewaarplaats, waren deze tenminste niet vochtig geworden.

--Blaast nu de lampen uit, beval de schoolmeester.

Eén lamp bleef nog branden, maar deze verlichtte ternauwernood onze

steenen stolp.

Alleen op de Wereld · 第 54 / 95 题