Het leven van een mijnwerker is niet ongezond en behalve nu en dan
een kleine ongesteldheid, die het gevolg is van gebrek aan licht en
lucht, welke bloedarmoede veroorzaakt, is de mijnwerker even gezond als
de boer, die op het land woont; hij heeft zelfs nog dit boven dezen
voor, dat hij niet blootgesteld is aan de guurheden van het klimaat,
aan regen, koude of bovenmatige hitte.
Voor hem echter bestaat het groote gevaar in mijninstortingen,
ontploffingen en overstroomingen, en tevens in de ongelukken, die
niet zijn arbeid gepaard gaan en het gevolg zijn van onvoorzichtigheid
of onhandigheid.
Den avond vóór mijn vertrek keerde Alexis huiswaarts met een gekneusden
arm, daar een zwaar blok steenkool op hem was nedergevallen; een van
zijn vingers was bijna geheel verbrijzeld en de geheele hand gekwetst.
De geneesheer kwam hem verbinden en deze verklaarde, dat zijn toestand
niet gevaarlijk was, dat zijn hand en vinger ongetwijfeld genezen
zouden, maar dat rust een eerste vereischte was.
Oom Gaspard had de gewoonte om het leven te nemen, zooals het viel,
zonder ooit verdrietig of moedeloos er onder te worden; slechts één
ding was instaat hem zijn goed humeur te doen verliezen: een tijdelijke
verhindering om te werken.
Toen hij hoorde dat Alexis gedwongen was om verscheidene dagen rust te
houden, was hij zeer knorrig: wie zou nu het wagentje voortrollen? hij
had niemand, die het werk van Alexis kon waarnemen; wanneer het
voor vast was, dan zou hij wel iemand vinden, maar voor enkele dagen
slechts was het op dit oogenblik zelfs onmogelijk; er bestond gebrek
aan mannen en vooral aan kinderen.
Hij stelde wel pogingen in het werk om er een op te sporen, maar
keerde onverrichterzake huiswaarts.
Hij begon toen weder te klagen en te jammeren; 't was waarlijk om
wanhopend te worden, want hij zou nu ook genoodzaakt worden zijn werk
te laten rusten, en hiertoe stelde zijn beurs hem niet instaat.
Toen ik dit zag en de reden van zijn wanhoop begreep, gevoelde ik,
dat het bijna mijn plicht was om in zulke omstandigheden hem de mij
betoonde gastvrijheid te betalen; ik vroeg hem of het moeilijk was
om die betrekking te vervullen.
--Niets is gemakkelijker; men behoeft slechts een wagen voort te duwen,
die over rails loopt.
--Is die wagen zwaar?
--Niet erg zwaar, daar Alexis hem kan voortduwen.
--Welnu, als Alexis het kan, dan zou ik het ook wel kunnen.
--Gij?
En hij begon hartelijk te lachen, maar werd spoedig weder ernstig.
--'t Is waar, gij zoudt het kunnen, zoo ge wildet.
--Ik wil het, daar ik u dan van dienst kan zijn.
--Gij zijt een goede jongen en het blijft afgesproken; morgen gaat gij
met mij naar de mijn; gij zult mij daar werkelijk van dienst kunnen
wezen; misschien is het voor u zelf ook wel nuttig; als ge lust
mocht gevoelen mijnwerker te worden, was dat stellig wel zoo goed,
dan langs den weg te loopen. In de mijnen behoeft men voor wolven
niet bevreesd te zijn.
Wat zou Mattia doen, terwijl ik in de mijn was? Hij kon oom Gaspard
toch niet tot overlast zijn?
Ik vroeg hem of hij alleen met Capi voorstellingen in den omtrek
wilde geven, waarin hij terstond toestemde.
--Ik ben blij, dat ik nu alleen geld voor de koe kan verdienen,
zeide hij lachende.
Sedert de drie maanden, dat wij samen in de open lucht leefden,
geleek Mattia volstrekt niet meer op het ziekelijke, bleeke kind
dat ik bij de kerk, bijna van honger stervende, gevonden had en nog
minder op den mismaakten knaap, dien ik voor het eerst op den zolder
van Garofoli ontmoette, bezig diens soep te koken en die van tijd
tot tijd zijn gezwollen hoofd in de handen moest laten rusten.
Hij had thans geen hoofdpijn meer; hij had geen verdriet en voelde
zich nooit ziek; de straat Lourcine maakte hem zoo treurig; de zon
en de lucht schonken hem zijn gezondheid en zijn vroolijkheid terug.
Gedurende onze reis was hij zeer opgewekt geweest en beschouwde hij
alles altijd van de goede zijde, schepte in alles behagen, was met een
kleinigheid gelukkig en trachtte steeds in het slechte het goede te
erkennen. Wat zou er zonder hem van mij geworden zijn? Hoe menigmaal
maakten vermoeidheid en zwaarmoedigheid mij niet wanhopend?
Dit verschil tusschen ons kwam ongetwijfeld door ons karakter en onze
natuur, maar ook door de verscheidenheid van afkomst en ras.
Hij was Italiaan en bezat eene zorgeloosheid, eene gemakkelijkheid
om zich in alle moeilijkheden zonder morren of klagen te schikken,
hetgeen mijn landgenooten niet kunnen, daar zij meer tot verzet en
strijd geneigd zijn.
--Wat is dan uw land? zult gij vragen, hebt gij dan een land?
Dat zal ik eerst later beantwoorden; voor het oogenblik bedoel ik
hiermede slechts, dat Mattia en ik niets op elkander geleken, waaraan
juist onze goede verstandhouding moet toegeschreven worden, die zelfs
dan niet minder werd, wanneer ik hem de noten en letters leerde. De
muziekles leverde volstrekt geen bezwaren op, maar met het lezen was
dit niet het geval geweest en licht had er een twist tusschen ons
kunnen ontstaan, daar ik niet het geduld en de toegevendheid bezat van
hen, die gewoon zijn kinderen te onderwijzen. Gelukkig kwam het nooit
tot eene uitbarsting tusschen ons, en zelfs wanneer ik onrechtvaardig
handelde, hetgeen meermalen gebeurde, werd Mattia niet boos.
Wij besloten dus, dat, terwijl ik in de mijn werkte, Mattia eenige
voorstellingen zou geven, om ons inkomen te vermeerderen en Capi, dien
ik met deze schikking bekend maakte, scheen het evenzoo te begrijpen.
Den anderen morgen gaf men mij het werkpak van Alexis.
Nadat ik Mattia en Capi nogmaals op het hart gedrukt had om toch
vooral voorzichtig te wezen, volgde ik oom Gaspard.
--Pas op, zeide hij, terwijl hij mij het licht overhandigde, volg
mijne schreden en als gij de ladder afdaalt, laat dan nooit de eene
trede los, vóór dat gij een andere vasthebt.
Wij verdwenen in de gangen, hij vooruit en ik hem op de hielen
volgende.
--Als gij op de ladder uitglijdt, vervolgde hij, laat u dan nooit
vallen, maar houd u tegen, want de bodem is diep en hard.
Ik had zijn waarschuwingen niet noodig om ontroerd te wezen; ik
was uit mezelven reeds ontroerd genoeg, want niet zonder een zeker
gevoel van angst verlaat men het daglicht, om den nacht tegemoet te
treden, de oppervlakte van de aarde te verwisselen met haar peillooze
diepten. Onwillekeurig keerde ik mij om, maar wij waren reeds te ver
in de gang gevorderd en het daglicht in dien langen donkeren koker
was niet meer dan een witte schijf, evenals de maan wanneer ze aan
een donkeren hemel zonder sterren schijnt. Ik schaamde mij over deze
werktuiglijke beweging, die slechts een oogenblik duurde en volgde
terstond zijn schreden.
--De trap, zeide hij weldra.
Wij bevonden ons voor een donker gat, in welks voor mij bodemlooze
diepte tallooze lichtjes flikkerden, die bij den ingang vrij groot
waren, maar slechts puntjes werden, naarmate zij meer van ons
verwijderd waren. Het waren de lampen der mijnwerkers, die vóór
ons de mijn waren binnengegaan; het geluid hunner stemmen drong als
een dof gemurmel tot ons door, voortgedragen door een zwoele lucht,
die ons in het gelaat woei; die lucht had een geur, dien ik voor het
eerst in mijn leven rook; hij was echter met iets aromatisch vermengd.
Na de trap volgden de ladders en na de ladders een andere trap.
--Nu hebben we de eerste laag bereikt, zeide hij.
Wij waren in een gewelfde gang met rechte wanden, waarvan de muren
waren gemetseld. Het gewelf was niet hooger dan een manslengte, maar
op enkele plaatsen moest men zich bukken om erdoor te gaan, hetzij
omdat het gewelf gezakt was, of omdat de grond hooger was geworden.
--Dat is het gevolg van de verschuiving van het terrein, sprak
Gaspard. Daar de berg overal doorgraven is en zich telkens holten
vormen, zakt de aarde en wanneer zij te zwaar drukt, dan worden de
gangen saamgeperst.
Op den grond lagen spoorwegrails en naast de gang stroomde een beekje.
--Deze beek vereenigt zich met andere, die, evenals zij, het
doorgesijpelde water in zich opnemen: zij storten zich allen in een
put. Duizend of twaalfhonderd kubiek meter water moet de machine
dagelijks in de Divonne werpen. Wanneer zij stilstond, zou er
onmiddellijk een overstrooming volgen. Op dit oogenblik bevinden we
ons juist onder de Divonne.
Toen ik een onwillekeurige beweging maakte, begon hij hartelijk
te lachen.
--Op vijftig meter diepte bestaat er volstrekt geen gevaar, dat zij
in uw hals zal vallen.
--Als ze een gat boorde?
--O ja, een gat. Wel tien gangen loopen onder de rivier; er zijn
mijnen, waarin men voor overstroomingen bevreesd is, maar dat is bij
deze het geval niet; hier hebben we genoeg aan ontploffingen van het
mijngas en de instortingen.
Toen wij onze werkplaats genaderd waren, legde Gaspard mij uit, wat
ik te verrichten had, en toen onze wagen vol steenkolen geladen was,
duwde hij hem voort om mij te wijzen hoe ik hem naar den put moest
rollen en wat ik doen moest, als ik een anderen wagen tegenkwam.
Hij had gelijk, toen hij zeide, dat het geen moeilijk werk was,
en al was ik binnen weinige uren geen bekwaam arbeider, kon ik hem
toch voldoende bijstaan. Wel had ik er nog den slag niet van en was
ik ook niet handig, en wanneer men deze beide eigenschappen mist,
dan slaagt men zelden in een vak. Ik was dus genoodzaakt om mij meer
in te spannen, waarvan langzamer werken en grooter vermoeidheid het
gevolg was.
Gelukkig was ik bestand tegen dergelijke vermoeienissen door mijn
levenswijze en vooral door de laatste reis; ik beklaagde mij dus
niet en oom Gaspard verklaarde, dat ik een flinke jongen was en later
ongetwijfeld een goed mijnwerker worden zou.
Maar had ik grooten lust gevoeld om in de mijn af te dalen, ik had
weinig zin om er in te blijven; mijn nieuwsgierigheid had mij er toe
doen besluiten, maar toch gevoelde ik voor het mijnwerken niet de
minste roeping.
Om onder den grond te leven moet men bijzondere hoedanigheden
bezitten, die ik miste; men moet van stilte en eenzaamheid en een
in-zich-zelf gekeerd leven houden. Men moet urenlang, geheele dagen,
verdiept in eigen mijmeringen, zonder ooit met iemand een woord te
kunnen wisselen, noch zich eenige afleiding te kunnen verschaffen,
in de mijn doorbrengen. En tot zulk een bestaan was ik ten eenemale
ongeschikt, daar ik te veel gewend was aan een zwervend leven, waarbij
ik zingen en loopen kon zooveel ik wilde; ik gevoelde mij al dien tijd,
dat ik het wagentje door die donkere gangen voortrolde, treurig en
droefgeestig gestemd; het flauwe licht, dat uit mijn lampje straalde,
het geluid van het rollen der andere wagens in de verte, het kletteren
van het water in de beek en nu en dan de kruitontploffingen in de mijn,
die in deze doodelijke stilte nog akeliger en zwaarder klonken--dat
alles viel niet in mijn geest.
Daar het reeds een zwaar werk is, om de mijn binnen te gaan of ze te
verlaten, blijft men den ganschen dag, die twaalf uren duurt, er in
en men komt niet boven om te eten; men gebruikt het middagmaal onder
den grond.
In de mijn van oom Gaspard was een opperman werkzaam, die inplaats
van een kind te zijn, zooals ik en de anderen, integendeel een oud
man was met een witten baard. Als ik zeg met een witten baard, moet
men daarbij wel in aanmerking nemen, dat die slechts des Zondags wit
was, wanneer de man zich goed had gewasschen, want in de week begon
hij des Maandags met grijs te zijn, om des Zaterdags geheel zwart
te wezen. De man was ongeveer zestig jaar oud. In zijn jeugd was hij
tuinman geweest; daarna moest hij zorgen voor het onderhoud van het
hout, dat in de gangen aangebracht was; maar bij een instorting waren
drie zijner vingers verbrijzeld, zoodat hij zijn taak niet langer had
kunnen volhouden. De maatschappij in wier dienst hij was, had hem een
klein jaargeld verstrekt, want deze ramp had hem getroffen, terwijl
hij drie zijner makkers redde. Gedurende eenige jaren had hij van dit
jaargeld geleefd. De maatschappij was toen failliet gegaan, en hij
verloor daarbij zijn pensioen en was wel genoodzaakt om als opperman in
de mijn van Truyère te gaan werken. Men noemde hem _de schoolmeester_,
omdat hij veel wist, dat de andere mijnwerkers niet wisten, en omdat
hij gaarne daarvan vertelde en trotsch was op zijn wetenschap.
In de schofturen maakte ik kennis met hem en spoedig had hij een
groote genegenheid voor mij opgevat; ik was een onvermoeid vrager en
hij een onvermoeid prater. Wij werden zelfs onafscheidelijk. In de mijn
spreekt men gewoonlijk weinig en men noemde ons dan ook de babbelaars.
Alexis had mij niet alles verteld wat ik weten wilde, en evenmin
hadden de antwoorden, die oom Gaspard mij gaf, mij kunnen voldoen,
want als ik hem vroeg: "Wat is steenkool?" gaf hij mij ten antwoord:
"Dat zijn kolen, die men onder den grond vindt."
Zulke antwoorden konden mij niet bevredigen, daar Vitalis mij geleerd
had om mij niet zoo spoedig tevreden te stellen. Toen ik dezelfde vraag
herhaalde aan den schoolmeester, kreeg ik de bekende verklaringen,
dat steenkolen gevormd waren door de versteening van geheele levende
bosschen.
--Wij hebben thans geen tijd om veel te praten, maar morgen is het
Zondag, kom dan maar eens bij mij, dan zal ik u allerlei soort van
steenkolen laten zien. Zij noemen mij den schoolmeester, maar gij zult
zien, dat die schoolmeester toch tot iets deugt. De mensch heeft zijn
leven niet alleen in zijn hand, maar ook in zijn hoofd. Evenals gij,
stelde ik op uw leeftijd in veel dingen belang; ik leefde in de mijn
en ik wilde alles, wat ik iederen dag in mijn omgeving zag, kennen;
ik heb veel van de ingenieurs geleerd, wanneer deze mij iets wilden
mededeelen en ik heb veel gelezen. Na mijn ongeluk heb ik veel vrijen
tijd gehad en dien heb ik nuttig besteed; als men oogen heeft om te
zien, en als men op die oogen de bril zet, die de boeken u geven, dan
eindigt men met veel op te merken. Nu heb ik niet veel tijd tot lezen,
en ik bezit geen geld om boeken te koopen, maar ik heb nog oogen en
die houd ik open. Kom morgen bij mij, dan zal ik u een massa dingen
laten zien. Men weet niet welk zaad een woord kan doen ontkiemen,
dat in een vruchtbaar oor gevallen is. Ik heb naar de mijnen te
Bessèges een geleerd man, Brouguiart genaamd, gevolgd en van dezen
heb ik gedurende zijn onderzoekingen veel gehoord, wat mij op het
denkbeeld bracht zelf te gaan leeren en dat is de oorzaak waarom ik
thans wat meer weet dan mijne makkers. Tot morgen.
Den volgenden dag zeide ik aan oom Gaspard, dat ik den schoolmeester
een bezoek ging brengen.
--O zoo, zeide hij lachend, hij heeft eindelijk een geduldig oor
gevonden; ga, mijn jongen, daar uw hart het u ingeeft; gij zult toch
wel gelooven, wat ge zelf wilt. Wanneer gij echter iets van hem leert,
wees er dan niet zoo ijdel op; als de schoolmeester niet zoo pedant
was, zou hij een beste kerel zijn.
De schoolmeester woonde niet, evenals zijn makkers, in de kom van
de gemeente, maar op een kleinen afstand in een zeer onaanzienlijk
en armoedig gedeelte. Hij woonde bij een oude vrouw, de weduwe van
een mijnwerker, die bij een ontploffing het leven verloren had. Zij
verhuurde hem een soort kelder, waarin hij op de droogste plek zijn
bed geplaatst had, die echter zoo droog niet was of er groeiden nog
paddestoelen onder. Maar voor een mijnwerker, die gewend is met de
voeten in het water te staan en den ganschen dag water op zijn lijf
voelt druppelen, was dit iets van weinig belang. Hij had deze woning
gekozen, omdat hij dan in de nabijheid der kolenlagen zou zijn,
en daarin zijn nasporingen kon voortzetten en vooral omdat hij hier
naar welbehagen over steenkolen met afdrukken, fossielen enz. voor
zijn verzameling kon beschikken.
Hij kwam mij halverwege te gemoet, toen ik binnentrad en op vroolijken
toon zeide hij:
--Ik heb ook voor een lekker kostje gezorgd, want evengoed als de
jeugd ooren en oogen heeft, heeft zij een maag en die moet ook gevuld
worden; men voldoet dan aan alle eischen.
Het lekkere kostje bestond uit gebraden kastanjes, die in witten wijn
gedoopt worden, wat men in de Cevennes voor een groote lekkernij houdt.
--Als we dat op hebben, vervolgde de schoolmeester, dan zal ik u mijn
verzameling eens laten zien.
Hij sprak het woord "_mijn verzameling_" op een toon, die het verwijt
van zijn makkers volkomen rechtvaardigde en ongetwijfeld kon een
conservator van een museum er niet trotscher op zijn. Bovendien
scheen mij de collectie zeer rijk toe, tenminste voor zoover ik er
over oordeelen kon, en zij nam bijna zijn geheele kamer in beslag,
daar de kleine stukken op de stoelen en de tafel waren uitgestald
en de grootere op den grond lagen. Twintig jaren lang had hij alles
verzameld, wat hij bij zijn werk vond en de moeite waard achtte om
te bewaren, en daar de mijnen van Cère en Divonne zeer rijk zijn
aan delfstoffen, bezat hij inderdaad zeldzame stukken, die een
natuurvorscher of een geoloog gelukkig gemaakt zouden hebben.
Hij verlangde evenzeer om te spreken als ik om te luisteren; wij
hadden dus in zeer korten tijd onze kastanjes naar binnen gewerkt.
Hij vertelde mij toen alles, wat ik gaarne weten wilde, terwijl hij
mij de verschillende namen zijner steenen opnoemde. De avond begon
reeds te vallen, eer hij hiermede geëindigd had, maar ik was toen
wel gedwongen, om naar de woning van oom Gaspard terug te keeren.