VOORWAARTS.

Voorwaarts!

De wijde wereld lag daar voor mij open, het deed er niet toe, naar

welken kant ik mijn schreden richtte, het kwam er niet op aan of

ik naar het noorden of het zuiden, het oosten of het westen ging;

ik was geheel vrij.

Hoewel nog maar een knaap, was ik geheel mijn eigen meester.

Helaas! juist dit was het meest treurige van mijn toestand.

Er zijn kinderen, die dikwijls bij zichzelf zeggen: "O, kon ik maar

doen, wat ik gaarne wilde!" en die met verlangen den dag tegemoetzien,

waarop zij van hun vrijheid kunnen gebruik maken ... om dwaasheden

te begaan.

Ik dacht bij mezelf: "Och, had ik toch maar iemand, die mij kon raden

en leiden."

Tusschen die kinderen en mij was er dus een treurig onderscheid.

Wanneer zij eene dwaasheid begaan, dan hebben zij altijd iemand in

hun nabijheid, die hun de hand reikt, wanneer zij struikelen, of om

hen op te beuren als zij gevallen zijn, terwijl ik niemand had. Als

ik struikelde, zou ik moeten vallen en beproeven alleen op te staan,

zoo ik althans nog in staat was om op te staan.

Ik had genoeg ondervinding om te begrijpen, dat dit mijn toestand

wezen kon--wat mij, ik moet het bekennen, wel eenigen angst aanjoeg.

Hoewel nog zeer jong, was ik reeds vaak door het ongeluk getroffen

en ik was er dus op bedacht voorzichtiger te zijn dan andere kinderen

van mijn leeftijd; maar dat voordeel had ik echter duur moeten koopen.

Vóór ik den weg, die voor mij openlag, betrad, wilde ik eerst hem,

die de laatste jaren een vader voor mij geweest was, bezoeken: daar

tante Katherina mij niet met de kinderen had medegenomen om hem vaarwel

te zeggen, moest ik thans wel alleen afscheid van hem gaan nemen.

Zonder ooit zelf voor schuld in hechtenis te zijn genomen, had ik

er toch genoeg over hooren spreken om zeker te zijn, dat ik hem in

de gevangenis zou vinden. Ik volgde den weg naar de Madeleine, dien

ik zeer goed kende. Daar tante Katherina en de kinderen bij hem waren

toegelaten, zou men ook mij niet weigeren. Ik was immers ook zijn kind,

of liever ik was zijn kind geweest, want hij had mij liefgehad!

Ik durfde, met Capi op mijne hielen, mij niet in alle straten

van Parijs wagen. Wat zou ik den agenten van politie hebben moeten

antwoorden, als zij mij aanhielden? Voor hen was ik het meest bevreesd

geworden, want ik had niet vergeten wat er te Toulouse gebeurd was. Ik

bond Capi dus een touw om den hals, wat hem zeer in zijn eigenliefde

scheen te kwetsen, en daarop begaven wij ons naar de gevangenis

van Clichy.

Er zijn in de wereld dikwijls zeer treurige dingen, die, als wij ze

zien, ons in somber gepeins doen vervallen; ik ken er geen droever en

onaangenamer dan de deur van een gevangenis; dit maakt ons koud om het

harte, meer nog dan de ingang van een grafkelder; de dooden, waarop

een steen rust, gevoelen dien niet; de gevangenen zijn levend begraven.

Ik bleef een oogenblik stilstaan vóór ik de gevangenis van Clichy

durfde binnentreden, zoo bekroop mij de angst, dat men mij er zou

houden, en dat die deur, die zware deur, zich nooit weder voor mij

zou openen.

Ik verbeeldde mij, dat het zeer moeilijk was om een gevangenis

te verlaten, maar ik wist niet, dat er ook heelwat zwarigheden te

overwinnen waren, eer men ze kon binnentreden. Ik ondervond dit thans.

Eindelijk echter gelukte het mij, daar ik mij niet liet afschrikken

of terugzenden, om te worden toegelaten bij hem, dien ik zien wilde.

Men liet mij in een spreekkamer, waar geen tralies voor de vensters

waren, zooals ik dacht, dat er zijn zouden, en vader Acquin trad

ongeboeid binnen.

--Ik verwachtte u, mijn beste Rémi, zeide hij, en ik heb Katherina

beknord, dat zij u niet met de kinderen medegebracht had.

Dien geheelen morgen was ik zeer neerslachtig geweest; zijn woorden

beurden mij eenigszins op.

--Tante Katherina wilde mij niet medenemen.

--Dat was ook onmogelijk, beste jongen; men doet in deze wereld

niet alles wat men wil. Ik ben ervan overtuigd dat gij hard zoudt

gewerkt hebben om uw kost te verdienen, maar mijn zwager Suriot zou

u geen werk hebben kunnen verschaffen. Hij is sluiswachter aan het

kanaal van Nivernais en de sluiswachters, dat weet ge, kunnen geen

tuinlieden gebruiken. De kinderen hebben mij verteld, dat gij weder

wilt gaan zingen. Gij zijt dus vergeten, dat gij bijna van koude en

honger zijt omgekomen.

--Neen, dat ben ik niet vergeten.

--Toen waart gij niet alleen, toen hadt gij iemand, die u leiden kon;

op uw leeftijd, mijn jongen, is het een gewaagde stap om geheel alleen

zulke verre tochten af te leggen.

--Ik heb Capi nog.

Wanneer Capi zijn naam hoorde noemen, begon hij altijd te blaffen,

alsof hij daarmede zeggen wilde: "Ik ben er nog, als gij mij noodig

hebt, hier sta ik."

--Ja, Capi is een goede hond, maar hij is slechts een hond. Hoe zult

gij uw kost verdienen?

--Met zingen en door Capi comedie te laten spelen.

--Capi kan toch alleen geen comedie-spelen.

--Ik zal hem kunstjes leeren, niet waar Capi, gij wilt immers alles

leeren, wat ik wil?

Hij legde zijn poot op de borst.

--Geloof mij, mijn jongen, als gij verstandig doet, moet ge een dienst

zoeken; gij zijt een goed werkman en daarmede kunt gij verder komen

dan met langs den weg te loopen; dat is toch eigenlijk maar goed

voor luiaards.

--Ik ben niet lui, dat weet ge wel en ik heb mij ook nooit beklaagd,

dat ik te veel werk had. Bij u zou ik zooveel gewerkt hebben als ik

kon, en ik zou altijd bij u gebleven zijn, maar ik wil niet bij een

ander in dienst gaan.

Ik zeide deze woorden zeker op zonderlingen toon, want vader Acquin

zag mij aan zonder te antwoorden.

--Gij hebt ons dikwijls verteld, begon hij eindelijk, dat gij niet

wist, wie Vitalis was, en dat gij bij u zelf dikwijls verwonderd

waart over de wijze, waarop hij de menschen aanzag, en over zijn

voorname manieren, waarmede hij ze behandelde; maar weet gij wel, dat

ook gij die manieren hebt en men u, naar uw voorkomen te oordeelen,

ook niet voor een armen drommel zou houden? Gij wilt niet bij anderen

gaan dienen. Nu, misschien hebt gij gelijk en wat ik u daareven zeide

was voor uw bestwil, voor niets anders, geloof dat maar. Ik meende,

dat het mijn plicht was, om zoo tot u te spreken. Maar gij zijt uw

eigen meester, daar gij geen ouders hebt en ik voortaan uw vader niet

meer zijn kan. Een arme ongelukkige, zooals ik ben, heeft geen recht

van spreken.

Zijn woorden hadden mij diep getroffen, vooral daar ik dit ongeveer

tot mezelf ook reeds gezegd had.

Ja, het was gewaagd om geheel alleen langs de groote wegen te loopen;

ik gevoelde dat, ik zag het zelf ook in, en wanneer men, zooals

ik, reeds een zwervend leven geleid had, als men nachten had moeten

doorbrengen als die, toen onze honden door de wolven verslonden werden,

of die als in de steengroeven van Gentilly; wanneer men het eene

dorp na het andere wordt uitgejaagd, zonder een stuiver te verdienen,

zooals mij overkomen was, toen Vitalis in de gevangenis zat, dan wist

men ook aan welke gevaren men zich blootstelde, en welk een ellende

zulk een zwervend leven medebrengt, en men nooit zeker kan zijn van

den dag die volgen moet, als men zelfs niet zeker is van het oogenblik.

Maar zoo ik dit leven varen liet, dan schoot mij slechts één ding over

wat vader Acquin mij ook aan de hand gedaan had--een dienst zoeken,

en ik wilde niet in dienst gaan. Misschien was het een zeer verkeerde

trots van mij, vooral in mijn toestand; maar ik had een meester gehad,

aan wien ik verkocht was geworden, en hoewel deze zeer goed voor mij

was geweest, wenschte ik thans toch geen ander, dat stond bij mij vast.

Wat mij nog eer besluiten deed, bij mijn voornemen te blijven om

een vrij leven te leiden, was de belofte, die ik aan de kinderen van

Acquin had gedaan, want dan zou ik ze aan hun lot moeten overlaten. 't

Is waar, zij konden zeer goed buiten mij, want zij zouden elkander

kunnen schrijven; maar Lize! Lize niet, want zij kon niet schrijven

en tante Katherina evenmin. Lize zou dus voor ons verloren zijn,

als ik haar niet bezocht. Wat zou zij van mij denken? Zij kon niet

anders gelooven, dan dat ik niet meer van haar hield, van haar, die

altijd even lief voor mij geweest was, die mij steeds gelukkig had

gemaakt. Dat was niet mogelijk.

--Wilt gij dan niet, dat ik u nu en dan eenige tijding van hen

breng? vroeg ik hem.

--Zij hebben mij daar iets van verteld; maar ik dacht ook niet aan

ons, toen ik u aanraadde om van uw muzikanten-leven af te zien;

men moet niet eerst aan zich zelf denken en dan aan anderen.

--Juist, vader; gij ziet dus dat gij mij zelf aanwijst, wat mij te

doen staat; wanneer ik van mijn voornemen afzie, uit vrees voor de

gevaren, waarvan gij spreekt, dan zou ik aan mezelf denken en niet

aan u en aan Lize.

Hij zag mij weder aan, maar nu nog langer; daarop vatte hij eensklaps

mijn beide handen.

--Voor die woorden moet ik je danken, mijn jongen; gij hebt een hart

en dat krijgt men niet met de jaren.

Wij waren alleen in de spreekkamer en zaten naast elkander op een

bank. Zijn woorden deden mij goed en ik was er trotsch op hem te

hooren zeggen, dat ik een hart had.

--Ik zeg niets meer, mijn jongen, hervatte hij, dan: God behoede u.

Een oogenblik zwegen wij beiden; de tijd was bijna verstreken en wij

moesten scheiden.

Plotseling stak hij de hand in zijn vestzak en haalde een groot

zilveren horloge daaruit te voorschijn, dat met een koord aan een

knoop van zijn buis bevestigd was.

--Wij mogen niet van elkander scheiden, zonder dat gij een aandenken

van mij hebt. Hier hebt ge mijn horloge. Het heeft niet veel waarde,

want ge begrijpt, dat ik het anders verkocht zou hebben. Het loopt

evenmin goed en nu en dan moet gij er maar eens een duwtje aan

geven. Maar het is al, wat ik op het oogenblik bezit; daarom geef ik

het u.

Dit zeggende, legde hij het in mijn hand; toen ik er mij tegen verzette

om zulk een geschenk van hem aan te nemen, voegde hij er op treurigen

toon bij:

--Gij begrijpt, dat ik hier niet behoef te weten, hoe laat het is;

de tijd duurt hier toch maar al te lang; ik zou er van sterven, als

ik de uren tellen moest. Vaarwel, goede Rémi, geef mij nog een kus;

gij zijt een brave jongen; zorg dat altijd te blijven.

Ik geloof, dat hij mij toen bij de hand nam om mij naar de deur

te brengen; maar wat toen tusschen ons voorviel, wat wij toen tot

elkander zeiden, dat herinner ik mij niet meer; ik was te aangedaan.

Als ik nog aan deze scheiding denk, als ik ze mij weder in het geheugen

terugroep, dan maakt zich weder dezelfde verslagenheid van mij meester.

Ik geloof dat ik geruimen tijd voor de deur van de gevangenis staan

bleef, zonder er toe te kunnen komen om rechts of links te gaan en

misschien zou ik 's avonds daar nog gestaan hebben, als mijn hand

niet toevallig in mijn zak een rond en hard voorwerp gevoeld had.

Werktuiglijk en zonder te weten wat ik deed, stamelde ik: "Mijn

horloge!"

Voor het oogenblik vergat ik al mijn verdriet en kommer; ik dacht

slechts aan mijn horloge. Ik had een horloge, een eigen horloge in mijn

zak, waarop ik zien kon hoe laat het was: het stond op twaalf uur. Dat

was voor mij echter volstrekt van geen belang: mij was twaalf, tien of

twee uur even onverschillig; maar toch was ik blijde, dat het twaalf

uur was. Waarom? ik zou het moeilijk hebben kunnen zeggen; maar het

was zoo. O, twaalf uur, gelukkig reeds twaalf uur! Het scheen mij toe,

alsof een horloge een vertrouwd vriend was, aan wien men raad vraagt

en met wien men een gesprek voert.

--Hoe laat is het, mijn vriend?

--Twaalf uur, beste Rémi.

--O twaalf uur, dan moet ik dit of dat gaan doen.--Zeker.

--Gij hadt gelijk, dat ge mij er aan herinnerdet, want zonder u zou ik

het vergeten hebben.--Ik ben er immers om het u te helpen herinneren?

Met Capi en mijn horloge kon ik dus voortaan spreken.

Mijn horloge! Dat waren een paar heerlijke woorden om uit te

spreken. Ik had altijd naar een horloge verlangd en ik was er steeds

van overtuigd geweest, dat ik er nooit een bezitten zou. En toch had

ik er nu een in mijn zak, een dat voortdurend tikte. Het liep niet erg

goed, had vader Acquin gezegd. Het liep, en dat was voldoende. Nu en

dan moest ik eens aan de wijzers duwen. Dat zou ik van tijd tot tijd

doen en als dat niet hielp, zou ik het zelf wel eens nazien. Dat zou

eerst prettig zijn; ik zou het van binnen bekijken en zien hoe het

liep. Het moest goed loopen, want ik zou het zeer streng behandelen.

Ik had mij zoo geheel door mijn vreugde laten medesleepen, dat ik niet

eens de blijdschap van Capi bemerkte; hij sprong tegen mijn beenen op

en liet van tijd tot tijd een zacht geblaf hooren. Eindelijk gelukte

het hem, om mij in mijn gepeins te storen.

--Wat wilt gij Capi?

Hij keek mij aan en daar ik hem niet terstond begreep, richtte hij

zich op en legde zijn poot op mijn zak, waarin ik het horloge bewaarde.

Hij wilde weten hoe laat het was, om het aan het "geëerde publiek"

te kunnen zeggen, evenals toen hij nog bij Vitalis was.

Ik liet het hem zien; een poos bleef hij er op staren, alsof hij zich

iets wilde herinneren; daarop kwispelde hij met den staart en blafte

twaalf maal: hij had het niet vergeten. Wat een geld zouden wij al

niet met dit horloge verdienen! Dat was nog een kunstverrichting,

waarop ik niet gerekend had.

Dat dit allemaal op straat gebeurde, juist tegenover de deur van

de gevangenis, bleven verscheidene menschen stilstaan om ons gade

te slaan.

Als ik gedurfd had, zou ik onmiddellijk een voorstelling gegeven

hebben, maar uit vrees voor de politie, stelde ik het voorloopig uit.

Het was bovendien twaalf uur en juist een geschikte tijd om opweg

te gaan.

--Voorwaarts!

Ik wierp een laatsten blik, een laatst vaarwel naar de gevangenis,

achter wier muren de ongelukkige Acquin zat opgesloten, terwijl ik

vrij was en gaan kon, waarheen ik wilde. Wij vertrokken.

Wat mij op mijn reizen het meest van pas kon komen, was een kaart van

Frankrijk; ik wist waar ik die koopen kon en begaf mij in de eerste

plaats daarheen.

Toen ik een plein overstak, viel mijn oog op de wijzerplaat van den

toren der Tuileriën en gevoelde ik lust om te zien of de klok en mijn

horloge gelijk gingen. Mijn horloge stond op halfeen en de klok wees

één uur. Wie van beide liep dus te langzaam of te snel? Ik gevoelde

grooten lust om mijn horloge wat vooruit te zetten, maar na een

oogenblik nadenken zag ik hiervan af: het was volstrekt niet zeker, dat

mijn horloge verkeerd liep; het kon zeer wel zijn, dat de klok slecht

ging. Ik borg mijn horloge dus weer in mijn zak en zeide tot mezelf,

dat voor hetgeen ik te doen had, dit juist de geschiktste tijd was.

Het duurde lang eer ik een kaart had, tenminste zoo'n kaart als

ik wenschte te hebben, namelijk een, die op linnen geplakt was en

dichtgevouwen kon worden, en niet duurder dan twee francs, wat voor

mij al zeer veel was. Gelukkig vond ik er een, die geel was geworden

en die ik voor een prijsje kon koopen.

Nu kon ik Parijs verlaten, wat ik dan ook besloot zoo spoedig mogelijk

te doen.

Tusschen twee wegen kon ik kiezen, dien van Fontainebleau naar de

grenzen van Italië of dien van Orléans over Montrouge; de een was mij

even onverschillig als de ander en het toeval wilde, dat ik dien van

Fontainebleau koos.

Toen ik op een bordje den naam van de straat Mouffetard las, kwamen

tal van herinneringen bij mij op: Garofoli, Mattia, Riccardo, de

knaap met zijn marmotjes, de zweep en Vitalis, mijn goede meester,

die gestorven was, omdat hij mij niet verhuurd had aan den _padrone_

in de straat Lourcine; ik meende zelfs bij den ingang van de naburige

kerk in een knaap Mattia te herkennen: hij had hetzelfde groote hoofd,

dezelfde starende oogen en sprekende trekken, kortom, zijn gansche

voorkomen deed mij aan hem denken; maar zonderling, hij was in dien

tusschentijd niet gegroeid.

Ik naderde hem om mezelf te overtuigen; er viel niet meer te twijfelen;

hij was het. Ook hij herkende mij, want op zijn bleek gelaat kwam

een glimlach.

--Gij zijt immers met dien ouden man bij Garofoli geweest, juist toen

ik op het punt stond om naar het hospitaal te gaan? O wat had ik toen

een hoofdpijn!

--En is Garofoli nog altijd uw meester?

Hij wierp eerst een blik om zich heen, vóór dat hij mij antwoordde.

--Garofoli is in de gevangenis; men heeft hem in hechtenis genomen,

omdat hij Orlando doodgeslagen heeft.

Het deed mij genoegen, dat Garofoli in de gevangenis zat en voor

de eerste maal in mijn leven kwam de gedachte bij mij op, dat de

gevangenissen, die mij gewoonlijk zooveel afschuw inboezemden, toch

ook haar nut hadden.

--En de jongens? vroeg ik.

--O, dat weet ik niet; ik was niet bij Garofoli's inhechtenisneming

tegenwoordig. Toen ik het gasthuis verliet, zag Garofoli in, dat ik

niet geschikt was om geslagen te worden, daar ik er altijd ziek van

werd; hij besloot toen om mij weg te zenden en verhuurde mij voor twee

jaar, met vooruitbetaling, aan het paardenspel van Gassot. Kent gij

het paardenspel van Gassot niet? Het is niet heel groot, maar het is er

toch een. Zij hadden daar een knaap noodig om bij den ingang te staan

en Garofoli verhuurde mij aan Gassot. Bij dezen ben ik tot verleden

Maandag gebleven; toen heeft hij mij weggezonden, omdat mijn hoofd

te groot is om achter het loketje te zitten. Ik heb Gisors, waar het

cirque was opgeslagen, verlaten om weder bij Garofoli te komen, maar

deze was nergens te vinden; het huis was gesloten en een buurman heeft

mij verteld, dat Garofoli in de gevangenis zat. Ik ben toen daarheen

gegaan, daar ik niet wist wat te doen of waarheen mij te begeven.

--Waarom zijt ge niet naar Gisors teruggekeerd?

--Omdat dienzelfden dag, toen ik het paardenspel verliet, dit naar

Rouaan vertrok, en hoe zou ik te Rouaan komen? Het is veel te ver en

ik heb geen geld; sedert gisterenmiddag heb ik niets gegeten.

Ik was niet rijk, maar ik had toch geld genoeg om dit ongelukkige kind

niet van honger te laten omkomen; hoe dankbaar zou ik niet geweest

zijn als men mij op weg naar Toulouse, toen ik even hongerig was als

Mattia op dit oogenblik, een stukje brood gegeven had.

--Wacht hier op mij, zeide ik.

Ik liep zoo gauw ik kon naar een bakker, die op den hoek van de straat

woonde en keerde met een stuk brood terug, dat ik hem aanbood; hij

brak het klein en begon er met gulzigheid van te eten.

--En wat wilt gij nu gaan doen? vroeg ik.

--Dat weet ik niet.

--Gij moet toch iets gaan beginnen.

--Ik wilde juist mijn viool gaan verkoopen, toen gij mij aanspraakt

en zeker zou ik ze reeds verkocht hebben, als het mij niet zooveel

kostte om ervan te scheiden. Het is mijn eenig genot en troost. Als

ik mij erg treurig gevoel, dan zonder ik mij af en speel voor mezelf

eenigen tijd en dan zie ik allerlei mooie dingen in den hemel, veel

mooier nog dan in mijn droomen; dat spreekt.

--Waarom speelt gij dan niet op straat op uw viool?

--Ik heb erop gespeeld, maar niemand heeft mij er iets voor gegeven.

Ik wist hoe onaangenaam het was, als niemand eraan dacht om zijn hand

in den zak te steken.

--En gij? vroeg Mattia, wat gaat gij thans doen?

Ik weet niet waarom, maar door een gevoel van ijdelheid gedreven,

zeide ik:

--Wel, ik ben het hoofd van een troep.

Het was de waarheid, dat ik een troep bezat, want Capi maakte er een

deel van uit, maar toch grensden mijn woorden zeer nauw aan een leugen.

--O, als gij dan wilt.... begon Mattia.

--Wàt?

--Mij bij uw troep opnemen.

Toen werd ik weder oprecht.

--Hier hebt gij mijn heelen troep, zeide ik, op Capi wijzende.

--Welnu, wat doet er dat toe, dan zijn we met ons drieën. Ik

bid u, laat mij niet aan mijn lot over; wat zou er van mij

worden? waarschijnlijk zou ik van honger sterven.

Van honger sterven! Allen, die dezen kreet hooren, zullen er

niet denzelfden zin aan hechten en menigeen zal hem zelfs niet

begrijpen. Mij sneed hij door de ziel: ik wist wat het zeggen wilde

van honger te sterven.

--Ik kan werken, vervolgde Mattia; ik speelde viool, ik kan

koorddansen, door een hoepel springen en zingen; gij zult zien, ik zal

alles doen wat gij wilt; ik zal uw knecht zijn, ik zal u gehoorzamen;

ik behoef geen geld, maar slechts voedsel, als ik iets verkeerd doe,

dan kunt gij mij slaan; maar gij moet mij niet op mijn hoofd slaan,

dat moet gij mij beloven, want mijn hoofd is zeer gevoelig, daar

Garofoli mij zoo dikwijls erop geslagen heeft.

Toen ik dien armen Mattia zoo hoorde spreken, voelde ik dat er tranen

in mijn oogen welden. Het zou mij onmogelijk zijn geweest hem zijn

verzoek niet in te willigen. Van honger sterven! Maar had hij met mij

daar niet evenveel kans op als wanneer hij alleen bleef? Ik maakte

hem daarop opmerkzaam, maar hij wilde er niets van hooren.

--Neen, antwoordde hij, met zijn beiden sterft men niet van honger;

men steunt en helpt elkander; hij die iets heeft, geeft aan den ander

een deel van het zijne.

Deze woorden maakten een eind aan mijn aarzeling: daar ik iets had,

moest ik hem dus helpen.

--Nu, sla dan toe, zeide ik.

Hij vatte mijn hand en kuste die, en dit trof mij zoo, dat ik niet

langer mijn tranen bedwingen kon.

Ga met mij mede, zeide ik, maar niet als mijn knecht, als mijn makker.

Ik hing toen mijn harp weder over den schouder.

--Voorwaarts! sprak ik.

Een kwartier later hadden wij Parijs verlaten.

De voorjaarszon had de wegen gedroogd en de grond was zelfs hard,

zoodat wij gemakkelijk konden voortloopen.

Het was zoel in de lucht en de aprilzon stond aan den blauwen,

onbewolkten hemel.

Welk een verschil met dien dag, toen ik voor de eerste maal Parijs

binnentrad, die stad waarnaar ik zoo vurig had verlangd, alsof Parijs

het beloofde land was.

Langs de slooten zag men hier en daar reeds eenige grassprieten en

een meizoentje of krokus kwam van afstand tot afstand uit de aarde

te voorschijn.

Als wij voorbij tuinen kwamen, zagen wij de takjes der seringen

tusschen het groen, dat door een zacht koeltje bewogen werd en soms

viel de bloesem van een vroeg bloeienden boom ons op 't hoofd.

In de tuinen, in het kreupelhout langs den weg, in de hooge boomen,

overal hoorden wij het tjilpen der vogels en voor ons uit scheerden

van tijd tot tijd de zwaluwen langs den weg, om het een of ander

onzichtbaar mugje te vervolgen.

Onze reis begon goed en vol vertrouwen stapte ik voort; Capi, die nu

van zijn touw bevrijd was, sprong om ons heen en blafte alle rijtuigen

en steenhoopen aan, blafte tegen alles en niets, uit louter pleizier

om te blaffen, wat voor de honden waarschijnlijk een even groot genot

moet zijn als voor de menschen om te zingen.

Mattia liep zwijgend naast mij voort; ongetwijfeld dacht hij over

alles na en ik zeide ook niets, daar ik hem niet wilde storen en ik

zelf ook tot nadenken wilde komen.

Waarheen gingen wij met zulk een vastberaden tred?

Eerlijk gezegd wist ik het zelf niet goed, of liever in het geheel

niet.

Voorwaarts!

Maar dan?

Ik had aan Lize beloofd, dat ik eerst Martha en haar broeders zou gaan

zien, vóór ik haar bezoeken zou; maar verder had ik geen afspraak

gemaakt; het was dus hetzelfde met wien ik begon, of ik eerst naar

Cevennes, naar Charente of naar Picardië ging.

Daar ik Parijs in een zuidelijke richting verlaten had, sprak het

vanzelf, dat Benjamin niet in de termen van een bezoek viel, maar

dat ik tusschen Alexis en Martha kiezen moest.

Niet zonder reden had ik Parijs aan die zijde verlaten, want ik had

een onbestemd verlangen om vrouw Barberin terug te zien.

Al heb ik in lang niet over haar gesproken, men moet daaruit niet

opmaken, dat ik haar als een ondankbare vergeten had.

Evenmin moet men mij voor ondankbaar houden, omdat ik haar nooit had

geschreven in al den tijd, dat ik van haar gescheiden was geweest.

Hoe dikwijls kwam de gedachte niet bij mij op om aan haar te schrijven

en haar te zeggen: "Ik denk aan u en ik houd altijd nog veel van u";

maar daar ik bang was voor Barberin, zag ik telkens van dit plan af.

Als Barberin mij eens door middel van mijn brief terugvond, en mij

dan weder bij zich nam; als hij mij nogmaals aan een anderen Vitalis

verkocht, die niet als mijn oude Vitalis zou zijn? Ongetwijfeld had

hij daartoe het recht. En deze gedachte deed mij telkens besluiten,

liever van ondankbaarheid beschuldigd te worden, dan gevaar te loopen

weder in Barberins macht te vallen, hetzij hij daarvan gebruik maakte

om mij te verkoopen, hetzij hij mij onder zijn opzicht zou laten

werken. Liever zou ik sterven--desnoods van honger sterven--dan aan

een dergelijk gevaar te worden blootgesteld, waarvan het denkbeeld

alleen mij reeds schrik aanjoeg.

Maar zoo ik niet aan vrouw Barberin had durven schrijven, scheen het

mij toch toe, dat ik vrij was om te gaan waar ik wilde, en ik kon

tenminste beproeven haar te zien. Zelfs sedert ik Mattia bij mijn

troep had opgenomen, zeide ik tot mezelf, dat het zeer gemakkelijk

gaan zou. Ik zou Mattia vooruitzenden, terwijl ik uit voorzichtigheid

achter zou blijven; hij zou bij vrouw Barberin binnengaan en haar

onder het een of ander voorwendsel laten praten; als zij alleen was,

zou hij haar de waarheid kunnen zeggen, mij komen waarschuwen en ik

zou den drempel van het huis weder betreden, waar ik als kind gewoond

had en mij in de armen werpen van haar, die mij in mijn eerste jeugd

had verzorgd; maar als Barberin tehuis was, dan zou Mattia vrouw

Barberin verzoeken op een bepaalde plaats te komen, en daar zou ik

haar dan komen omhelzen.

Terwijl ik voortliep, bouwde ik deze luchtkasteelen en dit maakte mij

stil, want ik had al mijn gedachten en al mijn overleg wel noodig om

zulk een belangrijk punt vast te stellen.

Ik moest niet alleen de gelegenheid vinden om vrouw Barberin op te

zoeken, maar ik moest ook mezelf overtuigen, dat wij door steden en

dorpen zouden trekken, die ons een voldoende opbrengst zouden geven.

Daarvoor moest ik eerst mijn kaart raadplegen.

Wij waren nu geheel buiten en wij konden zeer goed een oogenblik

uitrusten, zonder dat we bevreesd behoefden te zijn om gestoord

te worden.

--Als gij het goedvindt, zeide ik tot Mattia, dan zullen we hier wat

uitrusten. Vindt ge het goed, dat we nu eens praten?

--Hebt gij mij iets te zeggen?

--Ja.

Ik haalde uit mijn reiszak de kaart te voorschijn en spreidde die op

het gras uit. Het duurde lang eer ik mij goed op de hoogte gesteld had,

maar eindelijk gelukte het mij toch mijn weg af te bakenen: Corbeil,

Fontainebleau, Montargis, Gien, Bourges, Saint-Amand, Montlucour. Wij

konden dus zeer goed naar Chavanon gaan en als het ons nu wat medeliep,

dan zouden we op weg geen honger behoeven te lijden.

--Wat is dat? vroeg Mattia, op de kaart wijzende.

Ik legde hem toen uit wat het was en waartoe het diende, met ongeveer

dezelfde woorden, als Vitalis gebruikt had, toen hij mij de eerste

les in de aardrijkskunde gaf.

Hij luisterde aandachtig, terwijl hij mij strak aanzag.

--Maar dan moet men kunnen lezen.

--Zeker; kunt gij dan niet lezen?

--Neen.

--Wilt gij het leeren?

--Kan men dan op de kaart den weg van Gisors naar Parijs vinden.

--Zeker, zeer gemakkelijk zelfs.

En ik wees hem dien op de kaart.

In het eerst wilde hij niet gelooven wat ik hem vertelde, terwijl ik

met mijn vinger den weg op de kaart volgde.

Ik legde hem toen zoo goed mogelijk, hoewel niet zeer duidelijk,

uit, op welke wijze de afstanden op de kaart worden aangewezen; hij

luisterde wel naar mij, maar scheen niet zeer veel vertrouwen in mijn

wetenschap te stellen.

Toen ik mijn zak geopend had, kwam ik op de gedachte om hem eens

nader te onderzoeken en ik was ook blijde, dat ik al mijn schatten

aan Mattia kon laten zien. Ik legde ze allen op het gras.

Ik bezat drie linnen hemden, drie paar kousen, vijf zakdoeken; alles

was zeer goed in orde, behalve een paar halfversleten schoenen.

Mattia stond als verstomd.

--En wat hebt gij? vroeg ik.

--Ik heb mijn viool en die draag ik altijd bij mij.

--Welnu, zeide ik, wij zullen alles deelen, zooals dat onder makkers

behoort: gij krijgt twee hemden, twee paar kousen en drie zakdoeken;

daar wij alles eerlijk moeten deelen, zullen wij beurtelings elk een

uur lang de reistasch dragen.

Mattia weigerde eerst dit aanbod aan te nemen, maar ik was reeds

gewend om bevelen te geven, wat ik zeer prettig vond--dat moet ik

bekennen--en ik verbood hem dus zich hiertegen langer te verzetten.

Op mijn hemden had ik het werktaschje van Martha uitgestald en het

doosje van Lize daarnaast gelegd; hij wilde dit openen, maar dat

stond ik hem niet toe; ik legde het daarom weder in de tasch zonder

het zelf te openen.

--Zoo ge mij plezier wilt doen, zeide ik, dan zult ge nooit aan dit

doosje komen; dat is een geschenk.

--Goed, hernam hij, ik beloof het u.

Sedert ik weder mijn schapevacht en mijn harp had omgehangen, had

ik toch iets, dat mij hinderde:--het was mijn broek. Ik meende dat

een kunstenaar geen lange broek moest dragen; als men in het publiek

optrad, moest men korte broeken dragen met kousen, waarover gekleurde

schoenlinten kruiselings gebonden waren. Een lange broek was goed

voor een tuinman, maar niet voor mij, die nu kunstenaar was!...

Als men zich eenmaal iets in het hoofd gesteld heeft en meester over

zijn eigen daden is, dan wacht men niet lang om zijn wil ten uitvoer

te brengen. Ik opende Martha's werktaschje en haalde de schaar eruit

te voorschijn.

--Terwijl ik mijn broek in orde maak, zeide ik tot Mattia, moet gij

mij in dien tijd eens laten hooren, hoe gij op de viool speelt.

--O, dat is goed.

Hij nam daarop de viool en begon te spelen.

In dien tusschentijd zette ik dapper de punt der schaar in de stof

van mijn broek, even boven de knie en begon er de beenen af te knippen.

Het was een goede broek van grijs laken, evenals mijn jas en vest,

en toen vader Acquin haar mij gegeven had, was ik er erg mede in

mijn schik geweest; maar het kwam niet bij mij op, dat ik haar geheel

vernielde door er een stuk af te knippen; integendeel.

In het eerst had ik onder het knippen naar Mattia geluisterd, maar

al spoedig had ik de schaar opzijde gelegd en was ik geheel gehoor;

Mattia speelde bijna even mooi als Vitalis.

--En wie heeft u viool leeren spelen? vroeg ik, in de handen klappend.

--Niemand, of liever iedereen, en vooral mezelf, door mij veel

te oefenen.

--En wie heeft u muziek geleerd?

--Dat weet ik niet; ik speel wat ik heb hooren spelen.

--Kent gij de noten?

--Neen.

--Ik zal ze u leeren.

--Gij kent dus alles?

--Dat moet wel, daar ik directeur van een tooneelgezelschap ben.

Men is geen kunstenaar zonder eigenwaan; ik wilde aan Mattia toonen,

dat ik ook musicus was.

Ik nam mijn harp, en zonder eenige inleiding begon ik mijn beroemd

lied.

"Fenesta vascia e

padrona crudele".

En zooals het onder artisten behoort, betaalde Mattia mijn spel met

dezelfde loftuitingen als ik het zijne; hij had veel talent, maar

ook ik had talent en wij waren elkander waardig.

Maar toch konden wij daar niet blijven zitten en elkaar tal van

complimenten maken; wij moesten, na voor ons zelven en ons eigen

genot muziek te hebben gemaakt, muziek maken voor een avondmaal en

een slaapplaats.

Ik sloot mijn reiszak weder, dien Mattia thans over zijn schouder hing.

En nu voorwaarts over den bestoven weg; nu moesten wij in het eerste

dorp, waar wij aankwamen, blijven en daar een voorstelling geven;

"eerste optreden van het gezelschap Rémi."

--Leer mij uw lied, zeide Mattia, wij zullen het dan samen zingen en

ik denk, dat ik het wel spoedig met de viool zal kunnen begeleiden;

dat moet zeer mooi zijn.

Dat zou zeker zeer mooi zijn en het "geëerde publiek" zou wel een hart

van steen moeten hebben om ons niet ruimschoots daarvoor te beloonen.

Die studie werd ons echter bespaard. Toen wij een dorp bereikten en

wij bezig waren een geschikte plaats voor onze voorstelling uit te

zoeken, kwamen wij voorbij een boerderij, waar tal van menschen,

gedost in hun zondagsche kleeren met bloemen en linten versierd,

bij elkander waren; men behoefde niet heel slim te zijn om te raden,

dat dit een bruiloft was.

Plotseling viel het mij in, dat deze menschen het misschien wel prettig

zouden vinden, als wij muziek maakten om hen te laten dansen; ik liep

de plaats dus op, gevolgd door Mattia en Capi, en met mijn hoed in

de hand en eene diepe buiging--de deftige buiging van Vitalis--deed

ik aan den eersten persoon, dien ik tegenkwam, dit voorstel.

Het was een groote jonge man, wiens rood gelaat door een paar stijve

hooge boorden, die tot aan de ooren reikten, was ingesloten; hij zag

er goedhartig en bedaard uit.

Hij gaf mij geen antwoord; maar zich geheel omkeerende tot eenige

bruiloftsgasten--want zijn fonkelnieuwe jas scheen hem in zijn

bewegingen te hinderen--stak hij twee vingers in den mond, en liet

daarop een schel gefluit hooren, waarvan zelfs Capi schrikte.

--Heilo, ho! vrienden! riep hij; wat dunkt u van een stukje

muziek? Hier komen juist eenige muzikanten.

--O ja, ja! muziek, muziek! riepen allen als uit één mond.

--Ruimte voor een quadrille.

En binnen weinige minuten hadden de dansers een kring gevormd en

waren alle kippen en vogels die rondliepen op de vlucht geslagen.

--Hebt gij wel eens een quadrille gespeeld? vroeg ik Mattia fluisterend

in het italiaansch, want ik gevoelde mij in het geheel niet gerust.

--Ja.

En hij begon er een op zijn viool te spelen, toevallig kende ik de

wijs. Wij waren dus gered.

Er werd een karretje uit den stal gehaald en de boomen op den grond

gelegd, zoodat wij er konden instijgen.

Hoewel we nooit samen gespeeld hadden, bleef onze quadrille toch

goed in de maat. Het is waar, ons publiek was niet zeer fijn noch

aan veel gewend.

--Kan een van u op den waldhoren blazen? vroeg de groote man.

--Ja, ik, antwoordde Mattia, maar ik bezit er geen.

--Ik zal er een gaan halen, want ik vind een viool wel heel mooi,

maar ijselijk pieperig.

--Speelt gij dan ook op den waldhoren? vroeg ik in het italiaansch

aan Mattia.

--Ook op de schuiftrompet en de fluit.

Mattia was ongetwijfeld een groote aanwinst voor mij.

De waldhoren was spoedig gehaald en weder begonnen wij quadrilles,

polka's en walsen te spelen.

Wij speelden, zonder een oogenblik op te houden, tot aan den nacht

toe door; dat was voor mij niet heel erg, maar wel voor Mattia, want

hij had de zwaarste partij, daar hij bovendien vermoeid was van de

reis en de ontberingen.

Van tijd tot tijd zag ik hem bleek worden, maar hij speelde toch door,

en blies zoo hard hij kon door den horen.

Gelukkig was ik niet de eenige, die zijn bleekheid opmerkte; de bruid

zag het eveneens.

--Nu is het genoeg, sprak zij, de kleine jongen kan het niet langer

volhouden; nu moet ieder zijn beurs openen voor de muzikanten.

--Als gij het goedvindt, zeide ik, terwijl ik uit den wagen sprong,

dan zal onze kassier met het bakje rondgaan.

Ik wierp Capi mijn hoed toe, dien hij in zijn bek opving.

Allen bewonderden om strijd de bevallige buiging, die hij maakte,

als men hem iets gegeven had, maar wat voor ons nog wel het meeste

waard was, hij haalde zeer veel op; daar ik hem met de oogen volgde,

kon ik telkens een stuk zilver zien glinsteren; bij de bruid kwam

hij het laatst en deze legde er een vijf francs stuk in.

Welk een schat! En daarmede was het nog niet gedaan. Men noodigde

ons in de keuken en zorgde in een schuur voor een slaapplaats. Als

wij den anderen morgen deze gastvrije woning verlieten, zouden wij

minstens dertig francs bezitten.

--Dat hebben we aan u te danken, Mattia, zeide ik tot mijn makker;

alleen zou ik nooit zoo'n orkest hebben kunnen samenstellen.

Toen ik dit zeide, schoten mij plotseling de woorden van vader Acquin

te binnen, toen ik begonnen was met Lize les te geven. Weder had ik

een bewijs, dat men beloond wordt voor het goede, dat men doet.

--Ik had een dwazer streek kunnen begaan dan u in mijn troep op

te nemen.

Met dertig francs in onzen zak waren wij rijk, en toen wij te

Corbeil kwamen, durfde ik, zonder al te onvoorzichtig te zijn, eenige

noodzakelijke inkoopen doen; in de eerste plaats een waldhoren, die

ons bij een oudroest drie francs kostte; hij was wel niet nieuw, maar

toch tamelijk onderhouden en zeker zou hij ons goed te stade komen;

voorts kocht ik rood lint voor onze kousen en een versleten ransel

voor Mattia, want het was minder vermoeiend om altijd een lichten zak,

dan nu en dan een zwaren op den rug te dragen. Wij zouden alles wat

wij dragen moesten eerlijk verdeelen en op die wijze veel vlugger

kunnen loopen.

Toen we Corbeil verlieten, waren wij werkelijk goed ingespannen,

al onze inkoopen waren betaald, en wij hadden nog acht en twintig

francs over, daar onze voorstellingen zeer veel hadden opgebracht. Ons

répertoire hadden we zóó samengesteld, dat we verscheidene dagen

achtereen in dezelfde streek konden blijven, zonder dat we te veel in

herhalingen behoefden te vervallen; gelukkig konden Mattia en ik het

uitmuntend met elkaar vinden en waren wij als broeders voor elkander.

--Gij begrijpt toch wel, dat het al te mooi is, dat de chef van een

troep nooit slaat, zeide hij dikwijls, lachende.

--Gij zijt dus tevreden?

--Of ik tevreden ben! Voor het eerst van mijn leven, sedert ik mijn

land verlaten heb, verlang ik niet naar het ziekenhuis.

Deze gunstige toestand prikkelde mijne eerzucht.

Toen wij Corbeil verlaten hadden, begaven we ons naar Montargis,

welke stad in dezelfde richting ligt als het dorp van vrouw Barberin.

Als ik moeder Barberin ging opzoeken, kweet ik mij tevens van mijn

schuld; toch kon ik haar maar zeer weinig en lang niet voldoende mijn

dank bewijzen.

Als ik eens iets voor haar medebracht....

Nu ik rijk was, mocht ik haar ook wel een geschenk aanbieden.

Wat zou ik haar geven?

Lang zou ik niet behoeven te zoeken.

Eén ding zou haar overgelukkig maken, niet alleen voor het oogenblik,

maar zelfs op haar ouden dag,--een koe, die de plaats van de arme

_Roussette_ zou kunnen innemen.

Hoe blijde zou vrouw Barberin zijn als ik haar een koe gaf, maar welk

een genot zou dit ook voor mij zijn!

Vóór dat wij te Chavanon kwamen, zou ik een koe koopen en

Mattia zou haar dan aan een touw het hek van vrouw Barberin

binnenleiden. Tenminste als Barberin er niet was.--Vrouw Barberin, zou

Mattia zeggen, hier breng ik u een koe.--Een koe! gij zijt verkeerd,

mijn jongen.--En zij zou zuchten.--Neen vrouwtje, ik ben niet verkeerd,

want gij zijt immers vrouw Barberin uit Chavanon? Welnu, bij vrouw

Barberin heeft de prins (evenals in de sprookjes) gezegd, dat ik deze

koe brengen moest.--Welke prins? Ik zou dan te voorschijn komen en mij

in de armen van mijn pleegmoeder werpen, en als we elkaar dan alles

verteld hadden, zouden we wafels gaan bakken, die wij drieën en niet

Barberin zouden eten, zooals op dien Woensdag, toen hij teruggekomen

was en onze pan omgeworpen en de boter voor zijn uiensoep gebruikt had.

Welk een heerlijke droom! Maar om dien te verwezenlijken moest ik

een koe kunnen koopen.

Wat zou een koe wel kosten? Daar had ik volstrekt geen begrip van;

zeker zeer duur; maar hoe duur dan wel?

Ik wilde geen heel groote en geen heel zware koe. Want in de eerste

plaats, hoe zwaarder ze weegt, hoe duurder zij is en bovendien,

hoe vetter een koe is, hoe meer zij eet, en ik wilde niet dat mijn

geschenk vrouw Barberin in verlegenheid zou brengen.

Voor het oogenblik moest ik dus slechts den prijs der koeien weten,

of liever van een koe, zooals ik er een verlangde.

Gelukkig was dit niet zeer moeielijk voor mij en onderweg of 's avonds

in de herberg kwamen wij dikwijls in aanraking met koeiendrijvers of

verkoopers. Niets was dus eenvoudiger dan hun naar den prijs te vragen.

De eerste maal, dat ik deze vraag aan een ossendrijver deed, wiens

eerlijk gelaat mij had aangetrokken, lachte hij mij in mijn gezicht

uit.

De man sloeg met zijn vuist op de tafel, terwijl hij zijn rug in zijn

stoel wierp; daarop riep hij de waardin.

--Weet ge, wat mij die kleine muzikant vraagt? Wat een koe kost, geen

groote en geen zware, maar toch een goede koe. Moet zij misschien

kunstjes leeren?

En wederom begon hij te lachen, maar ik liet mij niet van mijn stuk

brengen.

--Zij moet veel melk geven en niet velen eten.

--Moet zij misschien evenals uw hond aan een touw langs den weg loopen?

Toen hij eindelijk uitgelachen had en zijn spotternijen ophielden,

was hij wel geneigd mij een ernstig antwoord te geven en begon hij

zelfs een gesprek met mij.

Hij had juist wat ik verlangde, een goede koe, die veel melk gaf,

melk zoo dik als room, en bijna niets at; als ik hem tweehonderd

francs gaf, dan kreeg ik de koe.

Hoeveel moeite het mij gekost had om hem tot spreken te krijgen,

het viel mij nog zwaarder om hem te doen zwijgen, toen hij eenmaal

begonnen was.

Eindelijk konden wij naar bed gaan en ik had alle gelegenheid om over

zijn woorden na te denken.

Tweehonderd francs, zoo'n som zou ik nog in langen tijd niet bij

elkander hebben.

Zou ik die kunnen verdienen? Het scheen mij onmogelijk toe en toch,

als het ons nu evenzoo bleef medeloopen als in de eerste dagen het

geval was, dan zou ik er misschien kunnen komen. Maar ik moest er

den tijd voor hebben.

Ik kwam toen op een andere gedachte; als wij inplaats van naar Chavanon

te gaan, eerst Varses bezochten, daarmede zouden wij dan tevens tijd

winnen, daar het een omweg was.

We moesten dus eerst naar Varses trekken en vrouw Barberin op onzen

terugweg bezoeken; ik zou dan zeker mijn honderd gulden hebben en

wij konden ons tooneelstuk: "_De koe van den Prins_" vertoonen.

Den anderen dag maakte ik Mattia met mijn plan bekend, en deze verzette

er zich volstrekt niet tegen.

--Laten wij naar Varses gaan, zeide hij; de mijnen zijn zeer

belangrijk, vooral daar ik er nooit een gezien heb.

Alleen op de Wereld · 第 48 / 95 题