HET HUISGEZIN WORDT OPGEBROKEN.

Als ik alleen zat, dacht ik dikwijls bij mezelf: "Gij zijt te gelukkig,

jongen; dat zal niet lang meer duren."

Welk ongeluk mij overkomen moest, dat kon ik niet voorzien, maar ik

was bijna zeker, dat het, van welken kant ook, zou komen opdagen.

Dit stemde mij dikwijls treurig, maar toch had het in één opzicht veel

goeds, daar ik in alles zooveel mogelijk mijn best deed om het ongeluk

te vermijden, en mij verbeeldde, dat het mijn eigen schuld zou zijn,

wanneer ik weder door een ramp getroffen werd.

Het was echter niet door mijn toedoen, maar als ik mij niet bedrieg,

besefte ik het ongeluk in zijn geheelen omvang.

Ik zeide reeds, dat vader Acquin hoofdzakelijk viooltjes teelde. Deze

zijn zeer gemakkelijk te kweeken en de tuinlieden, die in den omtrek

van Parijs wonen, slagen erin wonderen daarvan voort te brengen,

getuige de groote planten, die van boven tot onderen met bloemen

beladen zijn en die zij in de maanden April en Mei naar de markt

brengen. De tuinman, die van viooltjes zijn werk maakt, moet er slechts

op letten, dat hij de dubbele planten uitkiest, omdat de dames de

enkelen niet verlangen. Daar het zaad, in evenredigheid tenminste,

meestal evenveel dubbele als enkele planten doet ontkiemen, is het

van het grootste belang, dat men slechts de dubbelen behoudt; want

anders loopt men gevaar, dat men met de grootste zorg vijftig op de

honderd planten kweekt, die men moet wegwerpen, wanneer zij beginnen

te bloeien, dat wil zeggen, een jaar nadat zij gezaaid zijn.

Wanneer zij, die viooltjes telen, de dubbelen van de enkelen moeten

uitzoeken, dan wenden zij zich tot andere tuinlieden die met het

geheim bekend zijn en deze gaan naar de stad, om, evenals de dokters

of deskundigen, een consult te houden. Vader Acquin behoorde onder

de knapste bloemkweekers van Parijs; wanneer de tijd was aangebroken

waarop de viooltjes uitgezocht moesten worden, was hij den ganschen dag

bezig. Dan was het voor ons en vooral voor Martha een slechte tijd,

want als vrienden bij elkaar komen, wordt er in den regel menig glas

gedronken en als hij dan na zulk een dag tehuis kwam, had hij een

hooge kleur, kon moeilijk uit zijn woorden komen en dikwijls beefden

zijn handen.

Martha ging niet naar bed voordat hij tehuis was, hoe laat in den

nacht dit ook wezen mocht.

Als ik dan nog wakker was, of door het gedruisch, dat hij veroorzaakte,

ontwaakte, hoorde ik vanuit mijn kamer, wat zij spraken.

--Waarom zijt ge niet naar bed gegaan? vroeg de vader.

--Omdat ik wilde zien, of gij soms nog iets noodig mocht hebben.

--Dat wil zooveel zeggen, als dat gij mij bespied.

--Als ik niet meer wakker was, tot wien zoudt u dan spreken?

--Gij wilt zien of ik nog goed kan loopen; zie nu maar, of ik niet

heel goed tot aan gindsche deur kan gaan zonder een oogenblik van de

streep af te wijken.

Ik hoorde hem in de keuken eenige ongeregelde schreden doen; daarop

volgde er een stilte.

--Gaat het met Lize goed?

--Ja, zij slaapt, wilt gij zorgen dat gij geen leven maakt.

--Ik maak geen leven; ik loop recht voor mij uit; ik moet wel

recht voor mij uit loopen, daar de dochters anders haar vader

beschuldigen. Wat zeide zij wel, toen ze mij niet bij het avondeten

zag?

--Niets; zij heeft aanhoudend naar uw plaats gekeken.

--O, zag zij naar mijn plaats?

--Ja.

--Dikwijls? Zag zij er dikwijls naar?

--Dikwijls.

--En wat zeide zij?

--Haar oog zeide, dat gij daar niet zat.

--Toen vroeg zij u zeker, waarom ik er niet was en gij hebt haar toen

verteld, dat ik bij mijn vrienden was?

--Neen, zij vroeg mij niets en ik heb haar ook niets verteld, zij

wist wel waar gij waart.

--Zij wist het, zij wist dat.... Is zij spoedig gaan slapen?

--Neen; eerst een kwartier geleden heeft zij den slaap kunnen vatten;

zij wilde op u wachten.

--En wat wildet gij?

--Ik wilde niet hebben, dat zij u thuis zag komen.

Na een oogenblik stilte.

--Martha, gij zijt een goede dochter; luister eens; morgen ga ik naar

Louisot, ik beloof u plechtig, dat ik dan bijtijds terug zal wezen;

ik wil niet, dat gij zoo lang op mij moet wachten; ik wil niet,

dat Lize ongerust gaat slapen.

Maar die beloften werden gewoonlijk niet nagekomen en dikwijls kwam

hij weer even laat thuis. In huis was Lize almachtig, buitenshuis

werd zij vergeten.

Weet ge, men drinkt zonder er bij te denken, omdat men het zijn

vrienden niet weigeren wil; men drinkt de tweede maal, omdat men de

eerste maal gedronken heeft en men is dan vast besloten om geen derden

keer te drinken: maar drinken geeft nadorst. De wijn stijgt dan naar

het hoofd; men weet, dat, als men een goed glas gebruikt heeft, men de

zorgen vergeet; men denkt niet langer aan schuldeischers; alles ziet

men van de zonnige zijde; het is of men in een andere wereld komt,

in die wereld, waarin men zoo gaarne zou willen zijn. En men blijft

voortdrinken; daar schuilt het gevaar.

Ik moet eerlijk zeggen, dat het niet dikwijls gebeurde. Bovendien

duurde die tijd niet lang en als deze voorbij was, dan had vader Acquin

ook geen reden om van huis te gaan. Hij was geen man, die uit luiheid

of om zijn tijd zoek te brengen, naar kroegen of herbergen liep.

Toen de viooltjes uitgebloeid waren, gingen we onze zorg aan andere

planten wijden, want een tuinman mag nooit een plekje in zijn tuin

onbebouwd laten: zoodra de eene plant verkocht is, moet er een andere

voor in de plaats komen.

De kunst van den tuinman die zijn bloemen naar de markt brengt, bestaat

hoofdzakelijk daarin, dat hij het juiste oogenblik weet te kiezen,

dat de marktprijzen het hoogst staan, en vader Acquin vergiste zich

daarin nooit.

De maand Augustus beloofde veel goeds, alle planten stonden zoo

voordeelig mogelijk en hij zeide dikwijls tot zijn zoons, terwijl

hij vergenoegd de handen wreef:

--Alles staat prachtig. En bij zichzelf rekende hij reeds uit,

hoeveel de bloemen hem zouden opbrengen.

Er was hard gewerkt om het zoover te brengen; wij hadden geen uur

vrijaf gehad en zelfs Zondags was ons geen rust gegund. Alles was

thans ook in orde en, tot belooning van ons werken, zouden wij op een

Zondag bij een vriend van Lize's vader gaan eten; Capi zelfs mocht van

de partij zijn. Wij zouden tot een uur of drie werken en dan zou alles

gereed zijn en we mochten het huis sluiten en ons op weg begeven; wij

zouden echter niet laat terugkeeren, daar wij vroeg naar bed moesten

gaan, om den anderen morgen bijtijds den arbeid te kunnen hervatten.

Wat waren wij in onzen schik.

Alles bleef zoo afgesproken, en eenige minuten vóór vieren draaide

Acquin den sleutel om in de groote deur en zeide met een verheugd

gezicht:

--En nu voorwaarts!

--Vooruit, Capi!

Ik vatte Lize bij de hand en snelde met haar vooruit, terwijl Capi

ons blaffende volgde en vroolijk tegen ons opsprong. Misschien meende

hij, dat onze verre tochten weder een aanvang namen, wat hij stellig

prettiger vond, dan thuis te blijven, waar hij zich verveelde, daar

ik mij niet altijd met hem kon bezighouden--en dit vond hij toch nog

altijd het prettigste van alles.

Wij hadden allen onze beste kleeren aan; de menschen bleven zelfs

stilstaan, om ons na te kijken. Ik weet niet hoe ik zelf er uitzag,

maar Lize met haar stroohoedje, haar blauw jurkje en grijs linnen

laarzen, was het mooiste kind, dat men zich denken kon; zij was

levendig en bevallig; haar geheele voorkomen, al haar gebaren en

bewegingen, spraken van het genot, dat deze wandeling haar verschafte.

De tijd ging voorbij, zonder dat ik eraan dacht; alles wat ik er mij

van kan herinneren is, dat, toen ons middagmaal bijna was afgeloopen,

wij donkere wolken aan den hemel zich zagen samenpakken, daar onze

tafel in de open lucht onder een vlierboom gedekt was, konden wij

gemakkelijk het onweder zien opkomen.

--Kinderen, zeide Acquin, wij moeten ons haasten om tehuis te komen.

Bij deze woorden riepen wij van alle kanten:

--Nu reeds!

Lize zeide niets, maar zij gaf door gebaren duidelijk haar tegenzin

te kennen.

--Als de wind opsteekt, ging Acquin voort, dan kan hij de pannen van

de broeikasten afwerpen: dus vooruit!

Hier viel niets tegen te zeggen, want wij wisten allen, dat de

glazenpannen het fortuin van den tuinman uitmaken, en wanneer de wind

ze breekt, dit zijn ondergang is.

--Ik ga alvast vooruit, zeide vader Acquin; Benjamin en Alexis zullen

met mij medegaan. Rémi, Martha en Lize volgen ons dan wel.

En zonder meer te zeggen, vertrok hij in allerijl, met niet minder

haastigen tred door ons gevolgd.

Nu was het geen tijd meer voor scherts; wij speelden geen krijgertje,

noch verscholen ons achter boom of struik.

De lucht betrok hoe langer hoe meer en het onweder kwam steeds

dichterbij, door een hevige windvlaag voorafgegaan, die de stof

van alle kanten opjoeg. Als wij ons midden in zulk een wervelwind

bevonden, moesten we blijven stilstaan, ons omkeeren en onze handen

voor de oogen houden, want al het zand woei ons in het gelaat. Als

wij niet voorzichtig ademhaalden, kwam onze mond vol stof.

De donder rolde reeds in de verte en naderde langzaam, vergezeld van

een oogverblindend licht.

Martha en ik hadden Lize bij de hand genomen en trokken haar bijkans

voort, maar zij had moeite om ons te volgen en wij konden dus niet

zoo hard loopen als we wel gewenscht hadden.

Zouden wij nog vóór het onweder tehuis zijn?

Zouden Acquin en zijn zoons hun woning nog bijtijds bereiken?

Voor hen was dit van nog meer gewicht dan voor ons, daar wij alleen

door-en-door nat konden worden, terwijl zij hun broeikasten voor

geheele verwoesting moesten behoeden.

Telkens volgden de donderslagen elkander met kortere tusschenpoozen op,

terwijl de wolken steeds zwaarder geworden waren, zoodat het bijna

nacht was. Als ze door den wind uiteengedreven werden, zag men hare

donkere scherpe omtrekken. Waarschijnlijk zouden die wolken op een

gegeven oogenblik plotseling losbarsten.

Zonderling, temidden van die donderslagen, hoorden wij een

oorverdoovend geraas naderkomen; het scheen wel of een troep ruiters

het onweder haastig ontvluchtte; maar dat was onmogelijk; hoe zouden

in deze streek ruiters komen?

Eensklaps begon het te hagelen; eerst troffen enkele hagelsteenen

ons gelaat, maar oogenblikkelijk daarop volgde een dichte bui, zoodat

wij onder een afdak moesten schuilen.

Wij zagen toen zulk een geduchte hagelbui, als we er ons moeilijk

een konden voorstellen; in een oogenblik lag er een witte laag

over de straat alsof we midden in den winter waren; de hagelsteenen

waren zoo groot als duiveneieren en terwijl zij vielen, maakten zij

een dof geraas, dat van tijd tot tijd door het rinkelen van glazen

afgewisseld werd.

--Hoe jammer van onze pannen, zeide Martha.

Hetzelfde had ik gedacht.

--Misschien zijn ze nog bijtijds gekomen.

--Al zijn ze nog vóór deze hagelbui thuis geweest, dan hebben zij

toch geen tijd gehad om het stroo over de kasten te leggen; alles

zal verloren zijn.

--Men zegt wel eens, dat hagel maar op enkele plaatsen valt.

--Wij zijn te dicht bij huis, dan dat onze tuin gespaard zou zijn

gebleven; als de bui daar evenzoo nedervalt als hier, dan zijn we

geruïneerd. Arme, beste vader! Wat had hij niet op een voordeeligen

oogst gerekend; vooral daar hij zooveel geld noodig heeft!

Ik wist niet juist hoeveel deze pannen kostten, maar toch had ik

dikwijls gehoord, dat glazen pannen zeer kostbaar zijn en ik begreep

dus, dat, zoo er vijf- of zeshonderd braken, wij een aanzienlijke

som verliezen zouden, zonder nog de verwoesting te rekenen, die het

onweder in de serres en onder de bloemen had aangebracht.

Ik had gaarne aan Martha willen vragen hoe zij er over dacht, maar wij

konden elkander nauwelijks verstaan en Martha scheen ook geen lust te

gevoelen om met mij te praten; ik keek met zulk een wanhopend gelaat

naar deze hagelsteenen, als menschen naar hun woning zien wanneer

die afbrandt.

Die vreeselijke stortbui duurde niet langer dan een minuut of vijf,

zes, en zij hield even plotseling op, als zij gevallen was; de wolken

trokken af en spoedig konden wij onze schuilplaats verlaten. In de

straten rolden de harde en ronde hagelsteenen onder onze voeten,

als de schelpen, die uit de zee worden opgeworpen en vormden weldra

zulk een dikke laag, dat wij er tot over de enkels inzonken.

Lize kon met haar linnen schoentjes niet over deze bevroren

hagelsteenen loopen en ik nam haar op mijn rug; op haar gezichtje,

dat in het gaan zoo vroolijk en opgeruimd was geweest, lag nu een

droeve trek, terwijl tranen haar langs de wangen biggelden.

Spoedig bereikten wij ons huis, waarvan de deur open was blijven staan;

onmiddellijk begaven we ons naar den tuin.

Welk een tooneel! alles was verbrijzeld en lag in stukken over den

grond verspreid: pannen, bloemen, glas en hagelsteenen vormden een

verwarde massa, waarin niets meer te herkennen viel; de tuin, welke

dien morgen nog zoo fraai was, zoo vol bloemen stond, was thans in

een puinhoop veranderd.

Waar was vader?

Wij zochten hem overal, maar zagen hem nergens; toen wij bij de groote

broeikast kwamen, waarvan ook geen enkel glas heel was gebleven, vonden

wij hem op een bankje zitten, temidden van de treurige overblijfselen,

welke den grond bedekten, terwijl Benjamin en Alexis onbeweeglijk

naast hem stonden.

--O, mijn arme kinderen! riep hij, het hoofd opheffende, toen hij

ons hoorde naderen, doordat wij het glas, dat onder onze voeten kwam,

stuk trapten. O, mijn arme kinderen!

Toen hij Lize in de armen drukte, begon hij te weenen, zonder een

woord meer te spreken.

Wat zou hij ook gezegd hebben? Het was een ramp, zóó groot dat wij

nauwelijks erover durfden nadenken; maar nog vreeselijker waren de

gevolgen, welke zij na zich sleepte.

Spoedig vernam ik door Martha en de jongens, dat hun vaders wanhoop

zeer te verklaren was. Tien jaar geleden had Acquin dezen tuin gekocht

en er zelf het huis naast gebouwd. De persoon, die hem den grond had

afgestaan, had hem ook geld geleend, om hem in staat te stellen,

zich de noodige gereedschappen aan te schaffen, die hij voor zijn

arbeid noodig mocht hebben. Alles zou binnen de vijftien jaar worden

betaald door een jaarlijksche aflossing. Tot nogtoe had hij jaarlijks

deze aflossing kunnen betalen, door ijverig te werken en zeer zuinig

te leven. Die geregelde aflossing was vooral onvermijdelijk, daar

zijn schuldeischer de eerste de beste gelegenheid zou aangrijpen,

om den grond en het huis terug te nemen en natuurlijk ook de tien

aflossingen, die hij reeds ontvangen had, tevens te behouden; het

scheen zelfs een speculatie van hem te zijn en daar hij overtuigd was,

dat in vijftien jaren wel ééns een dag zou aanbreken, waarop Acquin

zijn schuld niet zou kunnen voldoen, had hij deze speculatie durven

wagen, zonder bevreesd te zijn, daarbij te verliezen--terwijl zijn

schuldenaar daarentegen altijd gebonden bleef.

Eindelijk was dan die dag gekomen, dank zij den hagelslag.

Wat zou er nu gebeuren? Niet lang verkeerden wij hieromtrent in de

onzekerheid, want den anderen dag moest de tuinman juist een gedeelte

weder aflossen met de opbrengst van zijn planten. Wij zagen toen

een in het zwart gekleed heer binnentreden, die er niet heel beleefd

uitzag en ons een verzegeld papier overhandigde, waarop hij eenige

woorden schreef op een oningevulden regel.

Het was een deurwaarder.

Van dien dag af bezocht hij ons dagelijks en eindelijk leerde hij

zelfs onze namen kennen.

--Dag Rémi zeide hij, hoe maakt het Alexis, en hoe gaat het juffrouw

Martha?

Hij gaf ons dan lachend het verzegeld papier, alsof wij de beste

vrienden met hem waren.

--Tot weerziens, jongens.

--Loop naar den drommel!

Acquin bleef niet meer tehuis, hij ging dagelijks naar de stad. Waar

ging hij heen? dat wisten wij geen van allen, want al vertelde hij

ons vroeger alles, thans zweeg hij meestal. Hij ging naar advocaten,

misschien ook naar de rechtbank.

De gedachte daaraan alleen deed mij huiveren; Vitalis was ook voor de

rechtbank verschenen en ik wist nog maar al te goed, wat het gevolg

daarvan geweest was.

Bij hem duurde het echter veel langer, eer hij den uitslag vernam; de

gansche winter verliep er zelfs mede. Daar wij niet in staat geweest

waren om onze serres te herstellen, begonnen we in den tuin groenten

en bloemen te planten, die onder den blooten hemel gekweekt konden

worden; deze brachten echter niet veel op, maar in elk geval was het

toch een kleine verdienste en bezorgde het ons werk.

Op een avond kwam Lize's vader tehuis, treuriger gestemd en meer

terneergeslagen dan ooit.

--Kinderen, sprak hij, het is met ons gedaan.

Ik wilde mij verwijderen, want ik begreep, dat iets gewichtigs zou

gebeuren, daar hij uitsluitend tot zijn kinderen sprak en ik meende,

dat ik onbescheiden handelde, als ik daarbij bleef.

Maar hij wenkte mij te blijven.

--Behoort gij ook niet tot mijn gezin? vroeg hij; hoewel gij nog

niet oud genoeg zijt om hetgeen ik u ga mededeelen te begrijpen,

zijt gij reeds meermalen door het ongeluk beproefd geworden om mijn

bedoelingen te vatten. Kinderen, ik ga u verlaten.

Deze woorden werden door een uitroep en een kreet van smart beantwoord.

Lize wierp zich snikkend in zijn armen.

--O, gij begrijpt, dat ik niet vrijwillig besluit om zulke goede

kinderen als gij zijt te verlaten en mijn lieve kleine Lize niet meer

te zien.

Hij drukte Lize met kracht tegen de borst.

--Maar men heeft mij tot betalen veroordeeld, en daar ik geen geld heb,

gaat men hier alles verkoopen en waarschijnlijk zal dit zelfs niet

toereikend zijn en zal ik naar de gevangenis moeten gaan, waarin ik

dan vijf jaren blijven moet; daar ik het niet met mijn geld doen kan,

zal ik mijn schuld met mijn lichaam, met mijn vrijheid moeten aflossen.

Wij begonnen allen te weenen.

--Ja, dat is heel treurig, maar er valt tegen de wet niets te doen en

het is de wet; vroeger was deze nog strenger, zeide mij een advocaat;

als toen een schuldenaar zijn schuldeischers niet betalen kon,

dan hadden dezen het recht zijn lichaam in stukken te snijden en

het tusschen elkander in zooveel deelen te verdeelen, als zij maar

wilden; mij zet men eenvoudig in de gevangenis, binnen weinige dagen

zal dat waarschijnlijk gebeuren. Wat zal er in die vijf jaren van u

worden? Dat is het ergste.

Hij zweeg toen; ik weet niet welke gedachten deze stilte bij de

anderen teweegbracht, maar voor mij was zij een van de vreeselijkste

uit mijn leven.

--Gij kunt wel nagaan, dat ik hierover veel nagedacht heb en ik zal

u mijn besluit mededeelen, waardoor gij dan niet, nadat ik u verlaten

heb, alleen zult behoeven achter te blijven.

Ik kreeg weder eenige hoop.

--Rémi zal aan mijn zuster Katherina Suriot schrijven; zij is een

zeer verstandige vrouw en zal ons, wanneer zij hier is, stellig ten

beste raden.

Het was voor de eerste maal, dat ik een brief schreef: het was een

moeilijke en zware taak, die mij werd opgelegd.

Hoewel, na alles wat Acquin ons had medegedeeld, voor ons niet veel

overschoot waarop wij konden rekenen, behielden we toch altijd nog

eenige hoop en in den toestand, waarin wij verkeerden, was deze hoop

van veel waarde voor ons.

Wat hoopten wij?

Dat wisten we zelf niet; maar wij hoopten; Katherina zou bij ons

komen en zij was een vrouw, die verstand van zaken had; dat was voor

onwetende en eenvoudige kinderen, zooals wij waren, reeds voldoende.

Zij kwam echter niet zoo spoedig als wij ons hadden voorgesteld en

de deurwaarder en de justitie verschenen eerder dan zij.

Vader Acquin wilde zich juist naar een zijner vrienden begeven,

toen hij, zijn huis verlatende, plotseling tegenover hen stond; ik

vergezelde hem en in een oogwenk waren we allen om hem heen. Maar

hij wilde niet vluchten. Ik zag hem verbleeken en met een zwakke stem

vroeg hij de agenten verlof, zijn kinderen vaarwel te mogen zeggen.

--Gij moet er niet zoo wanhopend onder zijn, vriendlief; wanneer men

voor schulden in de gevangenis gaat, is het nog zoo erg niet.

Wij keerden in huis terug, door de agenten gevolgd.

Ik ging de jongens uit den tuin roepen.

Toen wij weer bij hun vader kwamen, hield deze Lize in zijn armen,

die luid weende.

Een van de agenten fluisterde hem toen iets in, wat ik niet verstaan

kon.

--Ja, gij hebt gelijk; het moet, antwoordde Acquin.

Hij richtte zich eensklaps op, zette Lize op den grond, die zich

echter aan hem vastklemde en zijn hand niet wilde loslaten.

Hij drukte toen Martha, Alexis en Benjamin een kus op het voorhoofd.

Ik had mij in een hoekje teruggetrokken om ongestoord mijn tranen te

kunnen laten vloeien, hij riep mij:

--En gij Rémi? komt gij mij niet goedendag zeggen? zijt gij ook geen

kind van mij?

Wij waren buiten ons zelf van smart.

--Blijf, beval Acquin, ik beveel het u.

En haastig vertrok hij, nadat hij Lize's hand in die van Martha

gelegd had.

Ik wilde hem volgen en begaf mij reeds naar de deur, toen Martha

mij terughield.

Waar zou ik zijn heengegaan en wat zou ik gedaan hebben?

Wij bleven allen geheel verbijsterd en terneergeslagen in de keuken

staan; wij weenden allen en geen van ons kon een woord spreken.

Wat zouden wij ook gezegd hebben?

Wij wisten allen dat eenmaal de dag zou aanbreken, waarop hij

gevangen zou genomen worden, maar wij hadden gedacht dat Katherina

er dan geweest zou zijn en Katherina, meenden wij, zou ons weten

te verdedigen.

Maar Katherina was er niet.

Zij verscheen echter ongeveer een uur nadat vader Acquin in hechtenis

was genomen en vond ons allen zwijgend bij elkaar in de keuken. Zij,

die ons tot nogtoe altijd tot steun en raad was geweest, stond nu

op hare beurt sprakeloos; Martha, die zoo krachtig was, alles altijd

moedig had gedragen, was thans even zwak als wij; zij sprak ons geen

moed in, en al haar wilskracht scheen verdwenen; ternauwernood was zij

instaat zich een oogenblik te beheerschen om Lize te troosten. De loods

was in zee gevallen en de kinderen waren zonder stuurman, zonder baak

om hun den weg te wijzen, zonder eenig hulpmiddel, dat hen veilig de

haven kon binnenvoeren, zonder zelfs te weten of er een haven voor hen

bestond, bleven zij als versteend, midden in dien levensoceaan staan,

aan de willekeur van den wind overgelaten, onbekwaam om iets te doen

of te denken, radeloos van schrik en met de wanhoop in het hart.

Tante Katherina was een flinke vrouw, die gewend was te handelen

en haar wil door te drijven; zij had te Parijs tien jaar lang als

kindermeid gediend; zij was met de moeilijkheden des levens bekend

geworden en, zooals zij zelve zeide, zij wist ermede om te springen.

Het was een groote uitkomst voor ons, toen wij haar eenige bevelen

hoorden geven en wij die moesten opvolgen; wij hadden nu weer een

wegwijzer gevonden en gevoelden ons in staat om op onze beenen

te staan.

Voor een boerin zonder opvoeding en zonder geld, zou zulk een

gebeurtenis een zeer groote verantwoordelijkheid hebben medegebracht,

waardoor de moedigsten zelfs in verlegenheid zouden zijn geraakt:

te zorgen voor eenige weezen, waarvan de oudste zestien jaar telde

en de jongste stom was. Wat zou zij met die kinderen aanvangen? Hoe

zich er mede te belasten, wanneer men zelve moeite heeft om aan den

kost te komen?

Zij had bij een notaris gediend en deze ging zij raadplegen wat zij

met ons zou beginnen. Diens raadgevingen beslisten over ons lot. Zij

begaf zich daarop naar de gevangenis, waar zij een onderhoud met den

tuinman had en acht dagen na haar komst te Parijs, zonder ons ooit

haar plannen en overwegingen te hebben medegedeeld, maakte zij ons

haar besluit bekend.

Daar wij te jong waren om alleen te werken, zou ieder kind in huis

komen bij een oom of tante, die het wilde opnemen.

Lize zou bij tante Katherina blijven in Bretagne.

Alexis naar een oom gaan, die mijnwerker te Varses was in de Cevennes.

Benjamin naar een anderen oom, die tuinman was te Saint-Quentin.

En Martha bij een tante, die gehuwd was te Charente, aan den oever

van de zee, te Esnandes.

Ik luisterde naar al deze schikkingen, terwijl ik wachtte totdat de

beurt aan mij kwam. Maar daar tante Katherina zweeg, vroeg ik:

--En ik?

--Gij? wel gij behoort niet tot dit gezin.

--Ik zal voor u werken.

--Gij behoort niet tot dit gezin.

--Vraag het aan Alexis, aan Benjamin, of ik niet vlijtig werk.

--Ja, en ook goed soep eet, niet waar?

--Ja, ja, hij hoort wel tot ons gezin! riepen allen uit één mond.

Lize trad naar haar tante toe en vouwde smeekend de handjes, hetgeen

meer zeggen wilde dan een vloed van woorden.

--Arme kleine, zeide tante Katherina, ik begrijp u; gij zoudt willen,

dat hij met u medeging; maar, weet gij, in het leven doet men niet,

wat men gaarne wil. Gij zijt mijn nichtje en als wij thuis komen

en mijn man zich er tegen verklaart of bevreesd is, dat wij niet

zullen uitkomen, dan kan ik altijd antwoorden: zij behoort tot onze

familie en wie anders kan zich haar lot aantrekken, dan wij? En zoo

gaat het ook met de anderen. Men neemt zijn bloedverwanten op, maar

geen vreemdelingen; het stukje brood kan wel een familie voeden,

maar niet de geheele wereld.

Ik gevoelde wel, dat ik hiertegen niets kon inbrengen, niets kon

antwoorden. Hetgeen zij zeide was maar al te waar: "ik behoorde niet

tot de familie." Ik kon niets eischen; als ik iets vroeg, dan bedelde

ik. En toch zou ik niet meer van hen hebben kunnen houden, dan wanneer

ik tot hun gezin behoord had. Waren zij niet mijn broeders? Waren

Martha en Lize geen zusters voor mij? Hield ik dan niet genoeg van

hen? En hield Lize niet evenveel van mij als van Alexis en Benjamin?

Tante Katherina stelde het nooit lang uit om een eenmaal genomen

besluit ten uitvoer te brengen; zij deelde ons mede, dat wij den

anderen dag van elkaar zouden scheiden en zond ons daarop naar bed.

Zoodra wij in onze kamer waren, kwamen zij allemaal naar mij toe

en viel Lize mij weenend om den hals. Ik begreep toen, dat ondanks

het smartelijke van deze scheiding, zij meer aan mij dachten en

mij beklaagden en ik gevoelde, dat ik inderdaad een broeder van hen

was. Plotseling schoot mij toen een gedachte te binnen, of liever--want

ik moet zoowel het goede als het kwade zeggen--een stem des harten

drong tot mijn geest door.

--Luister, zeide ik tot hen; ik zie wel, dat uw bloedverwanten niets

van mij willen weten, maar gij neemt mij toch tot uw familie aan?

--Ja, zeiden zij alle drie; gij zult altijd een broeder van ons zijn.

Lize, die niet kon spreken, drukte mij de hand, terwijl zij mij met

tranen in de oogen aanzag.

--Welnu, ja, ik zal het zijn en zal het u bewijzen.

--Waar zult gij een betrekking zoeken? vroeg Benjamin.

--Bij Pernuit is de dienst open; zal ik morgen voor u

daarheengaan? vroeg Martha.

--Ik wil niet in een betrekking gaan; wanneer ik dat deed, dan zou ik

u niet meer zien, want dan zou ik te Parijs moeten blijven. Ik hang

mijn schapevacht weder om de schouders, neem mijn harp en bezoek u dan

beurtelings, en zoo zult gij voor mij dan altijd te zamen zijn. Ik heb

mijn liedjes en wijsjes niet vergeten en zal mijn kost wel verdienen.

Op ieders gelaat kwam terstond een trek van voldoening en ik zag, dat

dit plan geheel met hun bedoelingen overeenkwam; in al mijn verdriet

gevoelde ik mij toch gelukkig. Nog geruimen tijd spraken wij over ons

plan, over de scheiding en wanneer wij elkander zouden terugzien, over

ons verleden en over de toekomst. Martha zeide toen, dat wij naar bed

moesten gaan, maar geen van allen deden we dien nacht een oog dicht.

Bij het aanbreken van den morgen nam Lize mij mede naar den tuin en

ik begreep toen, dat zij mij iets te zeggen had.

--Hebt gij mij iets te zeggen?

Zij knikte toestemmend.

--Het spijt u, dat wij van elkander moeten scheiden; gij behoeft mij

dat niet te zeggen, ik lees het in uw oogen en mijn hart zegt het mij.

Zij gaf mij te kennen, dat hiervan geen sprake was.

--Over veertien dagen kom ik te Dreuzy.

Zij schudde het hoofd.

--Wilt gij niet, dat ik naar Dreuzy ga?

Om elkander te begrijpen, deed ik gewoonlijk verscheidene vragen die

zij door een knikje met het hoofd beantwoordde.

Zij zeide mij, dat zij gaarne wilde, dat ik te Dreuzy zou komen;

maar--zij wees met haar hand in drie verschillende richtingen--waarmede

zij bedoelde, dat ik eerst haar broeders en zusters moest bezoeken.

--Gij wilt dat ik eerst naar Varses, Esnandes en Saint-Quentin ga?

Zij glimlachte en scheen blijde, dat ik haar begrepen had.

--Waarom? Ik wilde juist u het eerst zien.

Zij beduidde mij toen, waarom zij dit wenschte. Ik zal het u

mededeelen.

--Daar ik gaarne eenige tijding van Martha, Alexis en Benjamin zou

willen hebben, zoo moet gij met hen beginnen; daarop bezoekt gij mij

te Dreuzy en gij kunt mij dan alles van hen vertellen.

Lieve, goede Lize!

Zij moesten dien dag om acht uur vertrekken en tante Katherina had een

groot rijtuig besteld, waarmede zij eerst naar hun vader zou rijden en

daarop elk, met hun eigen pakje kleeren, naar den trein zou brengen,

die hen naar de plaats hunner bestemming zou voeren.

Tegen zeven uur nam Martha mij mede naar den tuin.

--Wij zullen over een uur elkaar verlaten, zeide zij; ik wilde u

gaarne eene herinnering geven; neem dit: het is een naaitaschje, gij

zult daarin eenig garen, naalden en ook een schaar vinden, die mijn

peet mij gegeven heeft; op uw reizen zult gij dat alles noodig hebben,

want ik ben er dan niet om uw kleeren te verstellen of een knoop voor

u aan te zetten. Wanneer gij dit gebruikt, dan kunt gij aan ons denken.

Gedurende dit gesprek was Alexis ook in den tuin gekomen en zoodra

Martha in huis teruggekeerd was, naderde hij mij.

--Ik heb twee gulden, zeide hij, en gij zoudt mij veel genoegen doen,

een daarvan aan te nemen.

Van ons vijven was Alexis de eenige, die iets voor geld gevoelde en

wij plaagden hem steeds met zijn gierigheid; hij bespaarde altijd

elke cent en hij was niet weinig in zijn schik, wanneer hij er zooveel

bij elkander had, dat hij ze voor zilvergeld kon inwisselen.

Zijn aanbod trof mij daarom des te dieper; ik wilde weigeren, maar

hij drong er zoo op aan, en eindelijk liet hij er een van in mijn

hand glijden. Ik besefte toen, hoe sterk de genegenheid was, die hij

voor mij gevoelde, daar deze hem afstand van zijn schat deed doen.

Benjamin vergat mij evenmin; hij wilde mij ook een geschenk geven,

maar eischte in ruil daarvan een stuiver, "daar een mes de vriendschap

afsnijdt."

Het uur ging snel voorbij; nog een kwartier en vijf minuten, en dan

zouden wij van elkaar moeten scheiden; zou Lize niet aan mij denken?

Toen wij het rijtuig over den weg hoorden rollen, kwam zij uit de

kamer van tante Katherina en wees mij, haar in den tuin te volgen.

--Lize! riep tante Katherina.

Maar Lize gaf geen antwoord en liep snel voort.

Bloemisten en moezeniers gebruiken altijd elk plekje van hun tuin zoo

nuttig mogelijk; toch groeide in onzen tuin een prachtige bengaalsche

stamroos, die in een verloren hoekje was blijven staan.

Lize begaf zich daarheen en sneed een tak van deze roos af; zij keerde

zich daarop tot mij, verdeelde het takje, waaraan twee knoppen zaten,

die bijna uitliepen en gaf mij er een van.

O, hoe welsprekend waren hare stomme lippen en wat lag er niet in

haar blik te lezen! Hoe koud en onverschillig zijn woorden, vergeleken

bij dien blik!

--Lize! Lize! riep tante.

Alle pakjes waren reeds in het rijtuig gezet.

Ik nam mijn harp en riep Capi, die, toen hij mijn instrument en

mijn vroegere kleederdracht weder zag, die niets vreeselijks voor

hem hadden, vroolijk om mij heen sprong, daar hij begreep, dat wij

weder op reis zouden gaan en hij zijn vrijheid daarmede herkreeg,

wat voor hem wel zoo verkieslijk was.

Het oogenblik van scheiding was aangebroken. Tante Katherina zorgde,

dat het van korten duur zou wezen; zij liet Martha, Alexis en Benjamin

instijgen en beval mij, Lize op haar schoot te zetten.

Toen ik geheel terneergeslagen bleef staan, duwde zij mij een weinig

weg en sloot het portier.

--Vooruit! zeide zij.

En het rijtuig reed weg.

Door mijn tranen heen zag ik Lize's gezichtje nog even uit het

rijtuig steken en wuifde zij met de hand. Een oogenblik later sloeg

het rijtuig een hoek om en zag ik niets dan een grijze stofwolk.

Alles was voorbij.

Op mijn harp geleund, met Capi aan mijn voeten, bleef ik gedachteloos

voor mij uitstaren en het stof gadeslaan, dat op straat neerviel.

Een buurman zou ons huis sluiten en de sleutels voor den eigenaar

bewaren; hij stoorde mij in mijn overpeinzing en bracht mij in de

werkelijkheid terug.

--Blijft gij hier? vroeg hij.

--Neen, ik vertrek.

--Waar gaat gij heen?

--Recht toe recht aan.

Waarschijnlijk gevoelde hij medelijden met mij, want hij reikte mij

de hand.

--Als gij hier wilt blijven, kunt gij bij mij komen, maar zonder iets

te verdienen; want gij zijt niet sterk genoeg; later misschien wel.

Ik bedankte hem.

--Zooals gij wilt, het was voor uw bestwil, goede reis!

En hij verwijderde zich. Het rijtuig was vertrokken; het huis gesloten.

Ik hing mijn harp over den schouder; dit had ik vroeger zoo menigmaal

gedaan en het trok thans Capi's aandacht; hij richtte zich op en keek

mij met zijn glinsterende oogen aan.

--Kom Capi!

Hij begreep dit en sprong blaffende tegen mij op. Ik wendde mijn

oogen van het huis af, waarin ik twee jaar lang gelukkig had mogen

zijn en waarin ik altijd had willen blijven.

Ik zag recht voor mij uit.

De zon stond hoog aan den hemel; het was een heldere lucht en zeer

warm; het had niets van dien kouden nacht, waarin ik uitgeput van

vermoeienis voor deze deur nederviel.

Die twee jaren waren slechts een oponthoud geweest en thans was ik

weder genoodzaakt mijn weg te hervatten.

Maar dit oponthoud had weldadig op mij gewerkt.

Het had mij krachtiger gemaakt. En hetgeen nog dubbel zooveel voor

mij was, ik gevoelde, dat ik vrienden had gekregen.

Ik was niet meer alleen op de wereld.

Ik had voortaan een doel in mijn leven: hun die van mij hielden en

van wie ik hield, nuttig te zijn en genoegen te geven.

Een nieuw leven opende zich voor mij.

Voorwaarts!

Alleen op de Wereld · 第 46 / 95 题