Den anderen dag zou mijn meester begraven worden en Acquin had mij
beloofd, dat ik daarbij tegenwoordig mocht wezen.
Maar den anderen morgen was ik niet in staat mij op te richten,
want dien nacht had ik eene hevige koorts gekregen, die met een
rilling begon en in een bad van zweet eindigde; het was mij, of een
stuk vuur op mijn borst brandde en ik gevoelde mij zeker even ziek
als Joli-Coeur, toen hij een nacht in een boom en in de sneeuw had
geslapen.
Ik had een heftige longontsteking, veroorzaakt door de koude, welke
ik den nacht, waarin mijn meester gestorven was, doorstaan had.
Deze ziekte deed mij nog meer de goedheid van de familie Acquin op
prijs stellen, en vooral bleek mij toen welk een zorgvolle huishoudster
Martha was.
Hoewel men bij minder gegoede huisgezinnen niet spoedig de hulp van
een dokter inroept, deden zich bij deze ziekte zulke onrustbarende
verschijnselen voor, dat men voor mij een uitzondering maken moest
op dezen regel, die even natuurlijk als algemeen is.
De geneesheer behoefde mij niet lang te onderzoeken om een volledig
verslag van mijn ongesteldheid te geven; hij verklaarde terstond,
dat men mij naar het gasthuis brengen moest.
Dit was inderdaad het eenvoudigste en gemakkelijkste wat men doen
kon. Toch weigerde de tuinman dezen raad op te volgen.
--Daar hij voor onze deur is gevallen en niet voor die van het
gasthuis, moeten wij hem ook bij ons houden!
De geneesheer trachtte op allerlei wijzen hem van dit denkbeeld af
te brengen, maar niets mocht baten. Men wilde mij houden en men hield
mij bij zich.
En bij al haar drukke bezigheden nam Martha nog de rol van
ziekenverpleegster op zich; zij verzorgde mij liefderijk, geheel
volgens het voorschrift, evenals de zusters dat in het gasthuis doen,
zonder ooit eenig ongeduld daarbij aan den dag te leggen. Als zij
mij een oogenblik verlaten moest om haar huishouden te besturen, nam
Lize haar plaats in en dikwijls zag ik deze in mijn koorts, aan het
voeteinde van mijn bed, terwijl zij haar groote oogen aanhoudend op
mij gevestigd hield. In mijn verward brein meende ik, dat zij mijn
beschermengel was en ik sprak haar toe, zooals men tot een engel
spreekt, aan wien men zijn wenschen en verlangen vertelt.
Sedert dien tijd gewende ik mij, haar als een ideaal wezen te
beschouwen, dat door een soort van stralenkrans omgeven was en ik
kon nooit mijn verbazing bedwingen, wanneer ik haar zag deelnemen
aan het gewone huiselijke leven, juist wanneer ik meende, dat zij
haar groote witte vleugels zou uitspreiden.
Ik leed veel gedurende mijn lange ziekte; telkens stortte ik weder in,
zoodat bloedverwanten misschien den moed zouden hebben opgegeven. Maar
Martha verloor haar geduld niet en bleef mij trouw oppassen. Nachten
achtereen moest er bij mij gewaakt worden, want ik had dikwijls zulke
benauwdheden, dat men bevreesd was, dat ik er in stikken zou. Alexis
en Benjamin waakten beurtelings bij mij.
Eindelijk vertoonde zich eenige beterschap; maar daar ik nu eens erger
dan weder beter was, moest ik wachten tot het voorjaar aanbrak en de
velden bij de Glacière met een groen waas overtogen waren.
Lize, die niet werkte, nam weder de plaats van Martha in. Met haar
wandelde ik langs de oevers van de Bièvre. Tegen den middag, als de
zon hoog aan den hemel stond, begaven we ons samen hand aan hand op
weg, door Capi gevolgd. Het was een mooi en zacht voorjaar, tenminste
ik heb dien lieflijken indruk ervan behouden, hetgeen toch eigenlijk
op hetzelfde neerkomt. Dagelijks bezochten wij het dal dat niet ver
van onze woning verwijderd lag.
Natuurlijk sprak Lize onderweg nooit, maar zonderling genoeg, wij
hadden ook geen woorden noodig, want als wij elkander zagen, lazen
wij in elkaars blik hetgeen we wilden zeggen, zoodat ik zelf meestal
ook zweeg.
Langzamerhand kreeg ik mijn krachten terug en zou ik in den tuin kunnen
arbeiden; ik zag dien tijd met ongeduld tegemoet, want ik verlangde
er naar om voor de anderen te doen, hetgeen zij voor mij gedaan
hadden: voor hen te werken en naarmate mijn krachten het vergunden,
terug te geven, hetgeen ze mij gegeven hadden. Ik had nooit gewerkt,
want hoe vermoeiend verre tochten ook zijn mochten, zij zijn niet
te vergelijken met den bestendigen arbeid, die veel goeden wil en
ijver eischt; maar het scheen, dat ik goed werkte, tenminste dat ik
met lust het voorbeeld van hen, die mij omringden, volgde.
Het was de tijd, waarop de viooltjes naar de markt te Parijs gebracht
werden en vader Acquin had aan deze bloemen al zijn zorg gewijd;
in onzen tuin stonden er van allerlei soort en kleur en 's avonds,
vóór dat de ramen gesloten werden, was de lucht met de geur van deze
bloemen vervuld.
De taak, die men mij had opgedragen, was in evenredigheid met mijn
krachten; zij bestond voornamelijk om 's morgens de ramen van de
broeikasten af te lichten, wanneer de vorst voorbij was, en ze 's
avonds daarmede weder te bedekken, vóór dat deze inviel; overdag moest
ik zorgen, dat zij met rietmatten overdekt werden, wanneer de zon soms
al te fel scheen. Dat was moeilijk noch zwaar, maar het duurde toch
lang, daar ik wel een paar honderd pannen tweemaal daags verleggen
en aanhoudend moest zorgen, dat het te warm noch te koud werd.
Gedurende dien tijd bleef Lize altijd bij het toestel, dat diende
om het water voor de besproeiing op te pompen, en als de oude Coco,
wiens oogen met een lederen klap waren geblinddoekt, vermoeid van het
rondloopen, wilde stilstaan, dan klapte zij met haar kleine zweep;
een van haar broeders stortte de emmers uit, die gevuld opgehaald
werden en de ander hielp zijn vader; zoo had iedereen zijn werk en
niemand liet tijd verloren gaan.
In mijn dorp had ik de boeren menigmaal aan het werk gezien, maar
ik had in het minst geen denkbeeld van den moed en de inspanning,
welke de arbeid van de tuinlieden in den omtrek van Parijs vereischt,
die 's morgens nog vóór het opkomen der zon reeds moeten opstaan,
en eerst laat in den avond zich ter rust kunnen begeven, zich geheel
aan hun werk wijden en daarvoor hun beste krachten inspannen; ik had
ook het land zien bebouwen, maar ik wist niet hoeveel schatten dit
kon voortbrengen, indien men het voortdurend bewerkte: ik was in een
goede leer bij vader Acquin.
Ook werd ik niet altijd in de broeikasten gebruikt; toen ik weder
geheel hersteld was, mocht ik ook bloemen planten en smaakte ik het
genot, die te zien groeien; dat was mijn werk, mijn eigendom, mijn
schepping en dat maakte mij trotsch; ik was dus tot iets geschikt en
ik gaf hiervan de bewijzen. Maar wat mij nog gelukkiger maakte was,
dat ik zelf gevoelde, dat ik het goed deed, hetgeen de moeite dubbel
loont; dit verzeker ik u.
Ondanks de vermoeienissen, dat dit nieuwe leven voor mij medebracht,
gewende ik mij toch spoedig aan al deze werkzaamheden, die zoo weinig
geleken op mijn vorig zwervend leven. Inplaats van vrij rond te loopen,
zooals vroeger, steeds den grooten weg te volgen, moest ik mij thans
tusschen vier muren van een tuin opsluiten en van den morgen tot
den avond hard werken, terwijl het hemd mij aan het lijf kleefde,
met de gieters aan mijn arm en mijn voeten in beslijkte schoenen;
maar iedereen werkte zoo hard; de gieters van den vader waren nog
zwaarder dan de mijne en zijn schoenen niet minder vuil. Het doet
ons goed, als wij, wanneer ons iets moeite kost, zien, dat anderen
hetzelfde lot met ons deelen. Bovendien had ik hier wat ik niet dacht
dat ik ooit genieten zou: het leven in een huiselijken kring. Ik was
niet langer alleen, ik was niet meer het verlaten kind; ik had een
eigen bed; ik had een plaats aan de tafel, waaraan wij ons altijd
vereenigden. Zoo Alexis of Benjamin nu en dan eens met mij vochten,
spoedig hadden wij onze twisten weder vergeten en 's avonds, als we
de soep aten, waren wij weer de beste vrienden.
Om de waarheid te zeggen, moet ik bekennen, dat we niet altijd werkten
en ons vermoeiden; wij hadden ook onze uren van rust en uitspanning;
zij waren wel kort, maar daarom juist des te prettiger.
Des Zondagsmiddags kwamen wij allen in een met wingerden begroeid
prieel bij elkander; ik nam dan mijn harp van den muur, die de gansche
week daaraan hangen bleef, en liet de kinderen dansen. Geen van allen
had dansen geleerd, maar de jongens hadden eens een bal bijgewoond
en hun geheugen kwam hen bij die gelegenheid te hulp.
Wanneer zij het dansen moe waren, verzochten zij mij om iets voor
hen te zingen en wanneer ik mijn napolitaansch lied zong, dan kwamen
altijd, evenals de eerste maal, de tranen in Lize's oogen.
Om haar dan eenige afleiding te geven, liet ik terstond een vroolijk
stukje volgen, waarbij Capi kon optreden. Voor hem waren die Zondagen
ook feestdagen; zij herinnerden hem aan het verleden en wanneer hij
zijn rol afgespeeld had, zou hij die gaarne weer van voren af aan
begonnen zijn.
Twee jaren gingen er op deze wijs voorbij, en daar de tuinman mij
dikwijls naar de markt medenam of soms ook wel naar andere tuinlieden,
bij wie wij onze planten brachten, begon ik langzamerhand Parijs te
leeren kennen en te begrijpen, dat het geen stad van marmer en goud
was, gelijk ik mij vroeger verbeeldde, maar dat het evenmin slechts
vuil en slijk was, wat men er zag, zooals op den avond, toen wij voor
de eerste maal hare straten doorkruisten.
Ik zag praalgraven en monumenten, ik wandelde langs de kaden en over
de boulevards, in het Luxemburg, de Tuileriën en de Champs Elysées.
Ik zag beelden. Ik bleef de menigte vol bewondering gadeslaan. Ik
begon mij een denkbeeld te vormen van het leven, dat men in een
hoofdstad leidt.
Gelukkig bestond mijn opvoeding niet alleen in hetgeen ik toevallig op
mijn wandelingen of mijn tochten door Parijs zag. Voordat "de vader"
zich zelf als tuinman gevestigd had, was hij werkzaam geweest in
de boomkweekerij van den Plantentuin en daar was hij in aanraking
gekomen met wetenschappelijke en gestudeerde menschen, door wier
omgang het verlangen bij hem levendig was geworden om te lezen en
te studeeren. Verscheidene jaren had hij van zijn inkomen gespaard
om boeken te koopen en die in zijn vrijen tijd te lezen. Maar toen
hij getrouwd was en kinderen had, kreeg hij minder vrijen tijd, want
hij moest toen zorgen, dat allen aan den kost kwamen; zijn boeken
bleven van toen af gesloten, maar hij bewaarde ze zorgvuldig in een
kast. De eerste winter dien ik in zijn huisgezin doorbracht, duurde
zeer lang en hoewel het werken in den tuin niet geheel gestaakt werd,
viel er toch maanden achtereen weinig te arbeiden.
Des avonds vereenigden wij ons dan bij den haard; de oude boeken
werden te voorschijn gehaald en onder ons verdeeld. Voor het grootste
gedeelte handelden zij over planten en kruiden en de geschiedenis
daarvan; voorts waren er eenige reisverhalen. Alexis en Benjamin
hadden echter niet dien lust in lezen en studeeren, dien hun vader
in zijn jeugd bezat; geregeld vielen zij dan ook gerust over hun boek
in slaap. Ik voor mij, die minder slaperig of misschien leergieriger
was, bleef, totdat wij naar bed gingen, doorlezen: de eerste lessen,
welke Vitalis mij gegeven had, waren dus niet verloren gegaan, en
wanneer ik dit bij mezelf zeide, terwijl ik mij uitkleedde, dacht ik
altijd met dankbaarheid aan hem.
Mijn lust tot leeren herinnerde Acquin weder aan den tijd, toen hij op
zijn eten zooveel mogelijk uitzuinigde om zich boeken aan te schaffen;
hij bracht mij soms ook wel nieuwe boeken uit Parijs mede. Zijn keus
liet hij aan het toeval over en dikwijls zelfs ging hij alleen op
de titels af; in elk geval, het waren boeken en al mochten zij mijn
geest een weinig in de war brengen, met den tijd zou dat wel in orde
komen en ontegenzeglijk is mij veel goeds daarvan bijgebleven.
Lize kon niet lezen, maar toen zij mij, zoodra ik een uur vrij had,
in een boek verdiept zag, verlangde zij te weten, wat mij zooveel
belangstelling inboezemde. In het eerst wilde zij mij altijd de boeken
afnemen, die mij beletten om met haar te spelen; maar toen zij zag,
dat ik, ondanks alles, toch altijd weer naar mijn boeken terugkeerde,
verzocht zij mij haar te vertellen, wat erin stond. Een nieuwe band
vormde zich daardoor tusschen ons. Daar zij vaak in zichzelf gekeerd
was en haar verstand goed ontwikkeld was, zonder dat zij ooit kon
deelnemen aan beuzelachtige of onbeduidende gesprekken, moest zij
een groote vergoeding in het lezen vinden, hetgeen zij er dan ook
werkelijk in vond: een afleiding en voedsel voor haar geest.
Hoeveel uren hebben wij niet samen doorgebracht: zij naast mij, geen
oogenblik haar oogen van mij afwendende, terwijl ik verdiept was
in een boek. Dikwijls hield ik even op, als ik een woord of een zin
niet begreep, en dan zag ik haar aan. Langen tijd zochten wij dan,
en wanneer wij het niet te weten kwamen, dan beduidde zij mij met
een gebaar, dat ik maar moest voortgaan, alsof zij zeggen wilde:
"later". Ik leerde haar ook teekenen, dat wil zeggen, zooals ik
teekenen kon. Dit duurde echter lang en was veel moeilijker, maar
het gelukte mij toch. Ik was zelf geen groot meester, maar wanneer
meester en leerling het met elkander eens zijn, is dit dikwijls meer
waard dan talent. Welk een vreugde was het, toen zij eenige lijnen
kon zetten, waaruit men kon opmaken, wat zij voorstellen wilde! Vader
Acquin drukte mij toen een kus op het voorhoofd.
--Ik had wel een grooter domheid in mijn leven kunnen begaan dan u
in huis te nemen, zeide hij. Lize zal er u later wel voor betalen.
Later, dat wil zeggen, wanneer zij weder spreken kon, want men had de
hoop nog niet opgegeven, dat zij eenmaal haar spraak zou terugkrijgen;
de dokters hadden echter gezegd, dat zij voor het oogenblik er niets
aan doen konden en zij de krisis moesten afwachten.
"Later" beteekende ook een treurig schudden met haar hoofd, wanneer ik
een van mijn liedjes voor haar gezongen had. Zij had ook op de harp
willen leeren spelen en al spoedig liet zij even vlug als ik haar
vingers over dat instrument glijden. Maar natuurlijk kon ik haar niet
leeren zingen en dat speet haar. Dikwijls zag ik tranen in haar oogen,
die mij het bewijs waren, hoeveel zij er onder leed. Maar bij zulk
een goed en zacht karakter duurt het verdriet niet lang; zij wischte
hare tranen af en met een glimlach beduidde zij mij dat het "later"
wel gebeuren zou.
Door vader Acquin als kind aangenomen en door zijn zoons als een
broeder beschouwd, zou ik waarschijnlijk mijn levenlang op de Glacière
gebleven zijn, zoo er niet een gebeurtenis plaats had gegrepen, die
plotseling weder een verandering in mijn leven bracht; want het stond
geschreven, dat ik niet lang gelukkig zou kunnen zijn, en dat juist
wanneer ik meende het zekerst van mijn rust te zijn, het oogenblik
was aangebroken, waarop ik weder, door omstandigheden onafhankelijk
van mijn wil, tot een leven vol avonturen en zonderlinge lotgevallen
zou terugkeeren.