Toen ik ontwaakte lag ik in een bed; een heerlijk knappend vuur
brandde in de kamer, waarin ik te slapen lag.
Ik keek eens rond.
Ik kende die kamer niet.
Evenmin kende ik de personen, die mij omringden: een man in een grijze
jas en op gele klompen; drie of vier kinderen, waaronder een meisje
van vijf of zes jaar was, die mij met de grootste verbazing stond
aan te staren; het waren zonderlinge sprekende oogen.
Zij verdrongen zich om mij heen.
--Vitalis? vroeg ik.
--Hij vraagt naar zijn vader, zeide een meisje, dat de oudste der
kinderen scheen.
--Hij is mijn vader niet, hij is mijn meester; waar is hij? Waar
is Capi?
Vitalis had men voor mijn vader gehouden, en men vreesde daarom zeker
mij van hem te spreken; maar nu hij slechts mijn meester bleek te zijn,
was men van meening, dat ik gerust de waarheid vernemen mocht en men
vertelde mij toen het volgende:
De deur die in de heining was, waartegen wij ons hadden gelegd,
behoorde aan een tuinman. Tegen twee uur in den morgen had de tuinman
deze deur geopend om naar de markt te gaan, en had ons toen onder het
stroo gevonden. Men was begonnen met ons te zeggen, dat wij moesten
opstaan, om den wagen voorbij te laten gaan; maar toen wij ons geen
van beiden verroerden en Capi slechts tot onze verdediging kon blaffen,
had men ons bij den arm genomen en ons eens terdege geschud. Toen zelfs
bewogen wij ons nog niet. Men had daarop gemeend, dat het wel een zeer
ernstig geval kon zijn. Er was een lantaarn gehaald; de uitslag van
dit onderzoek was geweest, dat Vitalis dood en van koude gestorven was,
en dat ik er al even slecht aan toe was als hij. Dank zij echter Capi,
die op mijn borst gelegen had, kon ik nog ademhalen. Men had mij toen
in de tuinmanswoning gebracht en in het bed van een der kinderen
gelegd. Zes uur lang was ik meer dood dan levend geweest; gelukkig
had mijn bloedsomloop zich hersteld, was de ademhaling langzamerhand
weder op haar kracht gekomen en ontwaakte ik uit mijn bezwijming.
In welk een staat van verdooving, hoe afgemat ik van lichaam en geest
ook was, zoo had ik mijn denkvermogen toch voldoende herkregen om de
woorden, die ik vernam, in hun geheelen omvang te begrijpen. Vitalis
was dood!
De man met de grijze jas, of liever de tuinman, deed mij dit verhaal;
terwijl hij sprak had het kleine meisje, met haar verbaasde oogen,
haar blik niet van mij afgewend. Toen haar vader vertelde, dat Vitalis
dood was, besefte zij zeker, als bij ingeving, welk een zware slag
deze tijding voor mij wezen moest, want zij trad naar haar vader toe,
legde haar handje op zijn arm en uitte daarbij een zonderlingen klank,
die niets van de menschelijke stem had, maar veel op een stillen,
medelijdenden zucht geleek.
Bovendien was die beweging zoo welsprekend, dat zij er geen woord
behoefde bij te voegen; in haar blik en haar geheele houding raadde
ik onwillekeurig een gevoel van sympathie en voor de eerste maal,
sedert ik van Arthur gescheiden was, maakte zich een onbeschrijflijk
gevoel van mij meester, dat mij vertrouwen en genegenheid inboezemde,
evenals in dien goeden tijd, toen vrouw Barberin mij zoo liefderijk
aanstaarde, vóór zij mij een kus gaf. Vitalis was dood, ik stond dus
heel verlaten op de wereld en toch scheen het mij toe alsof ik niet
geheel alleen was en hij nog naast mij stond.
--Ja, lieve Lize, sprak haar vader, terwijl hij zich over het kind heen
boog; gij hebt gelijk, het smart hem, maar ik moet hem toch de waarheid
vertellen, want als wij het niet deden, dan doet de politie het toch.
Hij ging toen voort mij mede te deelen, dat hij de politie gewaarschuwd
had en deze Vitalis had medegenomen, terwijl men mij in het bed van
Alexis, den oudsten zoon, gelegd had.
--En Capi, vroeg ik, toen hij zweeg.
--Capi?
--Ja, de hond.
--Ik weet het niet, hij is plotseling verdwenen.
--Hij is de baar gevolgd, zeide een van de kinderen.
--Hebt gij hem gezien, Benjamin?
--Ik geloof het wel, hij volgde de dragers met hangenden kop en van
tijd tot tijd zelfs sprong hij op de burrie, en toen zij hem begroeven,
liet hij een klagend geluid hooren alsof hij zacht huilde.
Arme Capi! hij, die zoo menigmaal als een goed acteur de begrafenis
van Zerbino gevolgd was en dan altijd zulk een treurige houding wist
aan te nemen en daarbij zoo steunde en jammerde, dat soms de kleinen
aan zijn verdriet geloofden....
De tuinman en zijn kinderen lieten mij toen alleen en zonder zelf
recht te weten wat ik deed of wat ik wilde doen, stond ik op.
Mijn harp lag aan het voeteinde van mijn bed; ik hing het koord
om mijn hals, en begaf mij naar de kamer, waar de tuinman en zijn
kinderen zaten. Ik moest wel vertrekken, maar waarheen, dat wist ik
niet.... ik had er zelfs niet het minste begrip van, maar ik gevoelde
dat ik vertrekken moest.... en ik vertrok.
Toen ik in het zachte bed ontwaakte, gevoelde ik mij niet ziek,
een weinig stijf en mijn hoofd brandde mij als vuur; maar toen ik
eenmaal op was, dacht ik, dat ik zou neerstorten en ik moest mij
aan een stoel vastgrijpen. Toch, na een oogenblik gerust te hebben,
opende ik de deur en toen was ik weder bij den tuinman en de kinderen.
Zij zaten aan een tafel, bij een helder vuur, dat in een hoogen
schoorsteen brandde, en ze waren bezig een lekkere warme soep te eten.
De reuk van de soep wekte weder mijn honger op; ik voelde dat ik in
onmacht raakte en wankelde. Mijn machteloosheid lag op mijn gelaat
te lezen.
Zijt gij niet wel, mijn jongen? vroeg de tuinman mij op deelnemenden
toon.
Ik antwoordde, dat ik mij ongesteld gevoelde en, als men het mij
toestond, ik gaarne een oogenblik bij het vuur ging zitten.
Maar aan warmte gevoelde ik thans geen behoefte, meer aan voedsel;
het vuur bracht mij niet bij en de damp, die uit den soepketel steeg,
het rinkelen der borden, het klokken van de tong van hen, die aten,
dat alles deed mijn zwakte nog toenemen.
Als ik gedurfd had, zou ik om een bord soep gevraagd hebben, maar
Vitalis had mij geen bedelen geleerd en ook had de natuur mij niet
tot een bedelaar geschapen; liever zou ik van honger omgekomen zijn
dan mijn honger bekend te hebben. Waarom, dat weet ik zelf niet;
misschien omdat ik nooit om iets heb willen vragen, wat ik niet terug
heb kunnen geven.
Het meisje met haar verwonderde oogen, dat geen woord sprak en door
haar vader Lize genoemd werd, had haar lepel nedergelegd en staarde
mij onafgebroken aan. Eenklaps stond zij van tafel op, nam haar bord,
dat nog vol soep was en bracht dat mij.
Ik deed een poging om haar ervoor te bedanken, daar ik zelf de kracht
tot spreken miste; maar hiertoe liet haar vader mij zelfs den tijd
niet.
--Neem het gerust aan, mijn jongen; wat Lize geeft is goed gedaan en
als ge trek hebt, is er nog wel weer een ander te krijgen.
Als ik trek had! Het bord soep was in een oogwenk ledig. Toen ik
mijn lepel neerlegde, uitte Lize, die voor mij was blijven staan, een
onverstaanbaren kreet, hetgeen thans geen zucht maar een uitroep van
tevredenheid beduidde. Zij nam toen het bord en reikte het haren vader
over om het nogmaals te vullen; toen het gevuld was, bracht zij het
mij weder, met een glimlach zoo zacht en bemoedigend, dat ik ondanks
mijn honger, een oogenblik dien honger vergat en het bord niet aannam.
Evenals de eerste maal, was de soep in een oogwenk verdwenen; geen
glimlach speelde er meer om de lippen van de kinderen, die mij
omringden; allen lachten luidkeels.
--Wel, vriendje, sprak de tuinman, gij zijt een goede eter.
Ik kleurde tot achter de ooren; maar ik begreep terstond, dat ik
beter deed, hem de waarheid te zeggen, dan mij van gulzigheid te
laten beschuldigen, en ik gaf hem daarop ten antwoord, dat ik sedert
den vorigen dag niets gegeten had.
--En ontbeten?
--Ook niet ontbeten.
--En uw meester?
--Hij had evenmin iets gegeten.
--Dus is hij eigenlijk van honger en koude omgekomen.
De soep had mij weder kracht gegeven, ik stond op om te vertrekken.
--Waar wilt gij heen? vroeg de vader.
--Vertrekken.
--Waarheen wilt gij gaan?
--Dat weet ik niet.
--Hebt gij vrienden in Parijs?
--Neen.
--Geen menschen, die uit dezelfde streek komen als gij?
--Niemand.
--Waar woont gij?
--Wij hadden geen woning; wij zijn eerst gisteren hier gekomen.
--Wat wilt gij doen?
--Op de harp spelen, liedjes zingen om daarmede mijn kost te verdienen.
--Waar?
--Te Parijs.
--Gij zoudt beter doen met naar uw land, naar uw bloedverwanten of
ouders terug te keeren.
--Ik heb geen ouders.
--Gij zeidet dat die grijsaard uw vader niet was?
--Ik heb geen vader.
--En uw moeder?
--Ik heb geen moeder.
--Gij hebt toch stellig wel een oom of tante, een nicht of neef?
--Neen, niemand.
--Waar komt gij vandaan?
--Mijn meester heeft mij gekocht van den man van mijn voedster. Gij
hebt mij met goedheid behandeld en ik ben u daarvoor hartelijk
dankbaar; zoo gij wilt, zal ik Zondag terugkomen en voor u op de harp
spelen, als u dat genoegen kan doen.
Al pratende, was ik de deur genaderd; maar nauwelijks had ik eenige
schreden gedaan of Lize, die mij gevolgd was, greep mij bij de hand
en wees lachende op mijn harp.
Ik kon mij niet bedriegen.
--Wilt gij, dat ik voor u speel?
Zij knikte toestemmend en klapte in de handen.
--Kom, ja, speel een deuntje.
Ik nam mijn harp en hoewel ik niet den minsten lust tot dansen
gevoelde, begon ik een wals te spelen, die ik het best kende. O,
hoezeer wenschte ik toen te kunnen spelen als Vitalis, om het jonge
meisje genoegen te geven, wier oogen mij tot diep in de ziel roerden!
Eerst luisterde zij, terwijl zij mij bleef aanstaren, maar daarop begon
zij de maat met haar voetjes te trappelen; spoedig echter, alsof zij
door de muziek werd medegesleept, begon zij in de keuken te dansen,
terwijl haar twee broeders en zuster rustig bleven zitten; zij walste
echter niet, maakte ook niet de gewone passen, maar draaide en wendde
zich geheel verrukt in de meest bevallige en sierlijke houdingen.
Haar vader, die bij den schoorsteen zat, verloor haar geen oogenblik
uit het oog; hij scheen getroffen en klapte telkens in de handen.
Toen de wals geëindigd was, hield ik op met spelen. Zij ging toen voor
mij staan en maakte een diepe buiging. Zij klopte vervolgens met haar
vinger op mijn harp, hetgeen wilde zeggen: "speel het nogmaals."
Ik zou den geheelen dag wel voor haar hebben willen spelen, maar
haar vader zeide, dat het lang genoeg geduurd had, daar hij vreesde,
dat zij te vermoeid zou worden.
Inplaats van een wals of een dans te spelen, zong ik een napolitaansch
lied, dat Vitalis mij geleerd had, en dat mijn lievelingsstukje was.
Zoodra Lize dat hoorde, ging zij tegenover mij staan en terwijl zij
mij strak aanzag, bewoog zij hare lippen, alsof zij mijne woorden
herhaalde; toen mijn lied droever werd, ging zij eenige passen
achteruit en bij het laatste couplet viel zij snikkend in haar
vaders armen.
--Genoeg, zeide deze.
--Hoe dwaas! riep haar broeder Benjamin, om eerst te dansen en dan
te huilen.
--Niet zoo dwaas als gij! Zij begrijpt het, sprak haar zuster,
terwijl zij zich over haar heenboog om haar te kussen.
Terwijl Lize zich in haar vaders armen had geworpen, hing ik de harp
om mijn hals en begaf mij naar de deur.
--Waar gaat gij heen? vroeg hij weder.
--Ik ga weg.
--Gij houdt dus zeer veel van muziek?
--Ik ken niets anders.
--Gij zijt dus niet bang om alleen zulke verre tochten te maken?
--Ik heb geen thuis.
--Toch zullen de nacht en de angsten, die gij doorgestaan hebt,
u wel tot nadenken gebracht hebben?
--Zeker, en ik houd ook meer van een goed bed en een knappend vuur.
--Wenscht gij dat bed en dat vuur, tenminste als gij ervoor werken
wilt, wel te verstaan? Als gij wilt, kunt gij hier werk vinden en
bij ons blijven. Gij begrijpt, dat ik u geen schatten kan aanbieden,
maar evenmin dat ik luiheid zou dulden. Wanneer gij het aanneemt,
dan zult gij u veel moeite moeten getroosten, des morgens vroeg
opstaan, overdag hard werken, en uw geld in het zweet uws aanschijns
verdienen. Maar gij kunt op een stuk brood staatmaken; 's nachts
zult ge niet meer onder den blooten hemel behoeven te slapen,
en geen gevaar loopen van in een sloot of greppel om te komen; 's
avonds zult gij uw bed gespreid vinden, en wanneer gij de soep eet,
dan zult ge de voldoening genieten, dat gij ze zelf verdiend hebt,
hetgeen ze nog wel dubbel zoo lekker smaken doet; dat verzeker ik
u. En wanneer gij een oppassende jongen zijt--wat ik wel geloof--dan
zult gij door ons als kind behandeld worden.
Lize had zich omgewend en door haar tranen heen, zag zij mij lachend
aan.
Door dit voorstel verrast, bleef ik een oogenblik besluiteloos staan,
zonder mezelf rekenschap te geven van hetgeen ik hoorde.
Lize kwam toen naar mij toe en mij bij de hand nemende, trok zij mij
voort naar een gekleurde plaat, die tegen den muur hing: zij stelde
den heiligen Johannes voor in een schapevacht.
Zij wenkte haar vader en broeders om naar de plaat te zien en
tegelijkertijd strekte zij de hand naar mij uit, streek over mijn
schapevacht en wees naar mijn haren, welke, evenals die van Johannes,
in het midden gescheiden waren en golvend over mijn schouders hingen.
Ik begreep, dat zij een gelijkenis tusschen Johannes en mij vond en
zonder te weten waarom, deed mij dit toch genoegen en trof het mij.
--Het is waar, sprak haar vader; hij lijkt op den heiligen Johannes.
Lize klapte in de handen.
--Welnu, hernam haar vader, op zijn voorstel terugkomende; hebt gij
lust om in ons gezin te worden opgenomen?
Een gezin!
Ik zou dus een gezin hebben! O, hoe menigmaal bleek deze geliefkoosde
droom ijdel geweest te zijn: vrouw Barberin, mevrouw Milligan, Vitalis,
de een na de ander waren mij ontvallen.
Ik zou niet langer alleen op de wereld zijn.
Mijn toestand was vreeselijk: ik had een man zien sterven, met wien
ik jaren achtereen geleefd had en die voor mij altijd een vader
was geweest. Op hetzelfde oogenblik had ik een metgezel verloren,
een makker, een vriend, mijn goeden, besten Capi, van wien ik zooveel
hield en die ook een groote gehechtheid voor mij had opgevat en toch,
toen de tuinman mij voorstelde om bij hem te blijven, begon ik weder
eenig vertrouwen in mijn toekomst te stellen.
Alles was dus nog niet voor mij verloren: het leven kon dus weder
voor mij beginnen.
En wat mij nog het meest aantrok, meer nog dan het brood, dat ik
verdienen zou, was die kring, dat huiselijk leven, dat men mij
beloofde.
Die jongens zouden mijne broeders zijn.
Die mooie lieve Lize mijne zuster.
In mijn kinderlijke droomen had ik mij meer dan eens voorgesteld,
dat ik mijn vader en moeder zou weervinden, maar nooit had ik aan
broeders en zusters gedacht.
En nu boden zij zich aan.
Zij waren het niet in werkelijkheid, dat was waar, maar door hun
vriendschap konden zij het worden; ik behoefde ze daarvoor slechts
lief te hebben (en ik voor mij wenschte niets liever) en om mij door
hen te laten beminnen zou niet moeilijk zijn, want zij schenen mij
allen even goed toe.
Haastig ontdeed ik mij van mijn harp.
--Dat is zijn antwoord, zeide de vader lachende, en het is een goed
ook, want men ziet dat het u genoegen geeft. Hang uw instrument aan
dien spijker, mijn jongen, en wanneer de dag soms mocht aanbreken,
waarop gij het niet langer met ons vinden kondt, dan neemt gij het
daar weder af om te vertrekken; als gij dan maar het voorbeeld van
de zwaluwen en de nachtegalen volgt en een beter jaargetijde tot
reizen kiest.
Het huis, voor welks deur wij ons ter ruste hadden gelegd, behoorde
aan de _Glacière_ en de tuinman, die het bewoonde, heette Acquin. Toen
ik door hem in zijn huiselijken kring opgenomen werd, bestond zijn
gezin uit vijf personen: de vader, dien men vader Peter noemde, twee
zoons Alexis en Benjamin, en twee dochters, Martha de oudste en Lize
de jongste der kinderen.
Lize was stom, maar niet stom geboren; dat wil zeggen, dat geen
doofheid van haar gebrek de oorzaak was. Twee jaar lang had zij
gesproken, maar plotseling, kort vóór haar vierde jaar, had zij haar
spraak verloren, tengevolge van hevige stuipen. Gelukkig echter had het
op haar verstand geen invloed uitgeoefend; dit had zich integendeel met
een buitengewone snelheid ontwikkeld; zij begreep niet alleen alles,
maar wist ook alles uit te drukken. In arme gezinnen en dikwijls zelfs
bij gezeten families ook wordt zulk een kind verstooten of aan zijn
lot overgelaten.
Maar dit was met Lize het geval niet geweest; haar lieftalligheid en
levendige geest, haar zacht en goedhartig karakter hadden haar voor
zulk een rampzalig lot weten te bewaren. Haar broeders zorgden altijd,
dat zij haar ongeluk vergat; de vader had slechts oogen voor haar en
de oudste zuster aanbad haar.
Vroeger was het recht van den oudste bij adellijke geslachten een
groot voordeel; tegenwoordig is het bij arbeidersfamiliën dikwijls een
groote verantwoordelijkheid, welke de eerstgeborene erft. De vrouw
van Acquin was een jaar na de geboorte van Lize gestorven en sedert
dien dag was Martha, die slechts twee jaar ouder was dan haar broeder,
een moeder voor het gezin geworden. Inplaats van naar school te gaan,
moest zij tehuis blijven, het eten klaarmaken, het linnengoed van haar
vader en broeders herstellen en Lize verzorgen; men had vergeten, dat
zij de dochter, de zuster was en was haar spoedig als een dienstbode
gaan beschouwen, die men zelfs in geen enkel opzicht ontzag, want
men wist, dat zij nooit zou wegloopen of boos worden.
Martha had geen jeugd gekend, want toen ze nog een kind was, droeg ze
Lize reeds in haar armen, paste op Benjamin, werkte den ganschen dag
voor het huishouden, stond 's morgens reeds vroeg op, om haar vader,
vóór dat hij zich naar de markt begaf, zijn soep te geven, ging laat te
rust om alles op te bergen; waschte het linnengoed, begoot de bloemen,
zoodra zij een uurtje vrij had, en verliet menigmaal des winters midden
in den nacht haar bed om de stroomatten uit te leggen, wanneer de vorst
plotseling was ingevallen. Op haar veertiende jaar lag er op haar
gelaat een treurige, zwaarmoedige trek, alsof zij reeds dertig jaar
oud was, maar tevens een uitdrukking van zachtheid en onderwerping.
Nog geen vijf minuten hing mijn harp aan den spijker, terwijl ik nog
bezig was mijn lotgevallen te vertellen, of wij hoorden krabben tegen
de deur en een klagend geblaf.
--Dat is Capi! zeide ik opstaande.
Maar Lize was mij reeds voor, zij snelde naar de deur en opende ze.
De arme Capi was in een sprong bij mij en, toen ik hem in mijn armen
drukte, lekte hij mijn gezicht en gaf door een zacht janken zijn
blijdschap te kennen: hij beefde over zijn geheele lichaam.
--En Capi? vroeg ik.
Mijn vraag werd goed verstaan.
--Wel, Capi blijft bij u.
Het was of hij het begreep, want hij sprong op den grond en terwijl
hij den rechterpoot op zijn hart legde, maakte hij een buiging.
Hierin hadden de kinderen groot pleizier en vooral Lize, maar toen ik
Capi een stuk van zijn repertoire wilde laten spelen, weigerde hij
mij te gehoorzamen en sprong weder op mijn knieën om mij te lekken;
daarop begon hij mij aan de mouw van mijn jas te trekken.
--Hij wil dat ik zal uitgaan.
--Om u bij uw meester te brengen.
De politie, die Vitalis had medegenomen, had gezegd, dat zij
mij een verhoor zou doen ondergaan en in den loop van den dag zou
terugkomen. De tijd viel mij lang. Ik verlangde naar eenige tijding
van Vitalis. Misschien was hij niet dood, zooals men meende. Ik was ook
niet dood. Hij kon, evenals ik, uit zijn bewusteloosheid ontwaakt zijn.
De vader giste mijn bezorgdheid en nam mij naar het bureau van
politie mede, waar men mij de eene vraag na de andere stelde die
ik eerst beantwoordde, toen men mij verzekerd had, dat Vitalis
dood was. Hetgeen ik wist was zeer weinig en in korte woorden te
vertellen. Maar de commissaris wilde meer weten en ondervroeg mij
geruimen tijd naar alles, wat betrekking had op Vitalis en mij.
Wat mezelf betrof kon ik hem antwoorden, dat ik geen ouders had en
dat Vitalis mij voor een som geld, die hij aan den echtgenoot van
mijn voedster had gegeven, gehuurd had.
--En wat gaat gij nu doen? vroeg de commissaris.
Acquin antwoordde hem hierop voor mij.
--Daarvoor zullen wij zorgen, indien gij hem aan ons wilt
toevertrouwen.
Niet alleen stemde de commissaris hierin toe, maar hij prees den
tuinman zelfs voor deze goede daad.
Ik moest nu alles vertellen, wat ik van Vitalis wist: dat viel mij
moeilijk, want ik wist niets of bijna niets van hem.
Toch was er een geheimzinnig punt, dat ik zou hebben kunnen aanhalen:
hetgeen bij onze laatste voorstelling had plaats gehad, toen het
zingen van Vitalis zoozeer de bewondering en verbazing van die
dame had opgewekt; evenzoo de bedreigingen welke Garofoli hem had
toegevoegd; maar ik vroeg mij af, of ik niet beter deed, dit voor
mijzelf te houden.
Wat mijn meester bij zijn leven zoo zorgvuldig bewaard had, mocht
toch na zijn dood niet openbaar worden gemaakt.
Maar een kind kan moeilijk voor een commissaris van politie iets
verzwijgen, want deze heeft een manier om zoo te vragen, dat ieder
spoedig alles moet bekennen.
Dat gebeurde ook met mij.
Eer er vijf minuten verloopen waren, had de commissaris mij alles
laten vertellen, wat ik hem juist verbergen wilde.
--Het beste is om hem bij Garofoli te brengen, zeide hij tot een
agent; wanneer hij in de straat Lourcine is, dan zal hij het huis
wel herkennen; gij moet dan maar met hem naar boven gaan en dien
Garofoli ondervragen.
Wij begaven ons alle drie op weg; de agent, de vader en ik.
Zooals de commissaris vermoed had, zou ik spoedig het huis herkennen
en wij gingen naar de vierde verdieping. Ik zag Mattia niet, die was
waarschijnlijk reeds naar het gasthuis gebracht. Toen Garofoli den
agent zag en mij herkende, verbleekte hij; zeker was hij bang.
Maar spoedig werd hij gerustgesteld, toen hij de reden van ons
bezoek vernam.
--Zoo, is de arme oude dood?
--Kendet gij hem?
--Ja, zeer goed.
--Welnu, zeg mij dan alles, wat gij van hem weet.
--Dat is heel eenvoudig. Hij heette niet Vitalis; zijn naam was Carlo
Balzani, en zoo gij een dertig of veertig jaar geleden in Italië
geleefd hadt, zoudt gij weten, wie deze persoon was, naar wien gij
thans onderzoek doet. In dien tijd was Balzani de beroemdste zanger
en oogstte op het tooneel vele lauweren; hij heeft overal gezongen,
te Napels, Rome, Milaan, Venetië, Florence, Londen en Parijs. Maar eens
brak de dag aan, waarop hij zijn stem verloor; toen was hij niet langer
de koning der zangers; hij wilde niet, dat zijn roem zou verminderen
door in schouwburgen van minder rang op te treden. Hij deed afstand
van den naam Carlo Balzani en is Vitalis geworden; voor een ieder
die hem in zijn goeden tijd gekend had, hield hij zich verborgen. Hij
moest echter leven, maar is nooit kunnen slagen, wat hij ook beproefd
heeft, zoodat hij steeds lager en lager zonk en eindelijk met dieren
ging rondreizen. Maar hoe ellendig zijn toestand ook was, zijn trots
behield hij, en hij zou van schaamte gestorven zijn zoo het publiek
te weten ware gekomen, dat de gevierde Carlo Balzani de arme Vitalis
geworden was. Een toeval heeft mij dit geheim verraden.
Dit was dus het geheim, dat mij altijd zooveel belang had ingeboezemd.
Arme Carlo Balzani, goede, beste Vitalis!