EEN PADRONE UIT DE STRAAT LOURCINE.

Hoewel ik al wat mij omringde even leelijk vond, moest ik toch mijn

oogen wijd openen om alles aandachtig op te nemen en vergat ik bijna

in welk een ernstigen toestand ik mij bevond.

Hoe verder wij in Parijs doordrongen, hoe minder het aan mijn

kinderlijke droomen en mijne verwachtingen beantwoordde: de bevroren

grachten wasemden een vuilen geur uit; de slijk werd hoe langer

hoe zwarter en wanneer zij niet meer uit ijs of sneeuw bestond,

dan spatte zij om de wielen der rijtuigen en bemorste de ruiten der

onaanzienlijke winkels.

Parijs kon ongetwijfeld niet bij Bordeaux vergeleken worden.

Toen wij geruimen tijd een breede straat, die minder onaanzienlijk was

dan die welke wij reeds waren doorgegaan, hadden gevolgd en waarin de

winkels hoe langer hoe beter werden naarmate wij verder kwamen, sloeg

Vitalis rechts om en een oogenblik later bevonden we ons in een zeer

armoedige wijk der stad met hooge huizen, die door hun zwarte gevels

nog hooger schenen; het water liep uit de ontdooide goten midden door

de straat en zonder zich om dat vuile water te bekommeren, schreed

een dichte menigte over de modderachtige steenen voort. Nooit had

ik zulke bleeke gezichten gezien als van deze menschen; evenzoo trof

mij de onbeschaamdheid der kinderen; in de vele kroegen zaten mannen

en vrouwen of stonden zij aan de toonbank te drinken, terwijl zij om

het hardst schreeuwden.

Op den hoek van een straat las ik den naam _Lourcine_.

Vitalis, die den weg scheen te kennen, ontweek behoedzaam de

voorbijgangers, die hem den doortocht belemmerden en ik volgde hem

op den voet.

--Pas op, dat gij mij niet verliest, zeide hij.

Maar deze aanbeveling was noodeloos; ik liep vlak achter hem en voor

alle zekerheid hield ik een pand van zijn jas vast.

Nadat wij een groote plaats en een gang waren doorgegaan, bereikten

wij een soort van loods, die zeer donker en vermolmd er uitzag,

en waarin de zon zeker nooit hare stralen had geworpen. Dit was nog

leelijker en verschrikkelijker dan alles, wat ik tot nogtoe gezien had.

--Is Garofoli tehuis? vroeg Vitalis aan een man, die allerlei lompen

tegen den muur ophing en zichzelf met een lantaarn bijlichtte.

--Ik weet het niet; ga maar naar boven; gij kent den weg; de bovenste

trap, dan hebt ge de deur recht voor u.

--Garofoli is de padrone van wien ik u gesproken heb, zeide Vitalis,

terwijl wij de trap bestegen, waarvan de treden met een laag slijk

en aarde waren bedekt, alsof zij uit vochtige klei gehouwen waren;

hier woont hij.

De straat noch het huis of de trap waren geschikt om mij in een

vroolijker stemming te brengen. Hoe zou de bewoner wel zijn?

Wij klommen tot de vierde verdieping; Vitalis duwde, zonder te kloppen,

de deur open en wij bevonden ons in een ruim vertrek, op een soort

van zolder. In het midden was een groote ruimte ledig gebleven,

terwijl langs de wanden een dozijn ledekanten geschaard stonden. De

muren en de zoldering waren van een niet meer te onderscheiden kleur;

ofschoon vroeger waarschijnlijk wit geweest, waren zij door rook,

stof en onzindelijkheid zwart geworden en op verscheidene plaatsen

zag men zelfs gaten; naast een kop met houtskool geteekend hingen

eenige gebeeldhouwde bloemen en vogels.

--Garofoli, sprak Vitalis, terwijl hij binnentrad, zijt gij thuis? Ik

kan niets zien, dus geef mij eenig antwoord; ik ben Vitalis.

Het scheen inderdaad of er zich niemand in de kamer bevond, zoo flauw

was deze door een kleine hanglamp verlicht; maar op de vraag van mijn

meester antwoordde een zachte en sleepende kinderstem:

--Signor Garofoli is uitgegaan; eerst over een paar uur komt hij terug.

Op hetzelfde oogenblik stond hij, die ons antwoord gegeven had,

voor ons: het was een kind van omstreeks tien jaar oud; het kwam

met een sleependen tred naar ons toe en ik was zoozeer door zijn

uiterlijk getroffen, dat ik het thans nog vóór mij zie; het had

eigenlijk geen lichaam en zijn groot hoofd, dat niet in de minste

evenredigheid met zijn voorkomen was, scheen onmiddellijk op zijn

beenen te rusten, evenals op die karikatuurplaten, die eenige jaren

geleden zooveel opgang maakten. Op zijn gelaat lag een pijnlijke en

zachte uitdrukking en uit zijn blik las men een groote gelatenheid,

terwijl zijn geheele voorkomen iets wanhopends had. Zoo gevormd, kon

hij niet schoon wezen en toch gevoelde men zich tot hem aangetrokken,

hetzij uit medelijden of wel door zijn vriendelijk, trouwhartig oog

en den verstandigen trek, die er op zijn gelaat lag.

--Zijt gij zeker, dat hij binnen twee uren thuis zal zijn? vroeg

Vitalis.

--O, heel zeker, signor, dan is het etenstijd en hij alleen geeft

ons het eten.

--Welnu, zoo hij soms vroeger terug mocht komen, zeg hem dan, dat

Vitalis over twee uur bij hem terugkomt.

--Over twee uur, goed signor.

Ik wilde mijn meester volgen, maar deze wees mij terug en zeide:

--Blijf gij hier, gij kunt hier uitrusten; ik kom terug.

Ik kon mijn angst niet verbergen.

--Ik verzeker u, dat ik terugkom, herhaalde hij.

Liever was ik, ondanks mijn groote vermoeidheid, Vitalis gevolgd,

maar wanneer hij iets gebood, dan was ik gewoon hem te gehoorzamen

en ik bleef dus staan.

Toen wij zijn zware stappen niet meer op de trap hoorden, vroeg het

kind, dat met zijn oor tegen de deur aandachtig geluisterd had:

--Zijt gij uit het land? Hij vroeg mij dit in het

italiaansch. Gedurende mijn omgang met Vitalis had ik genoeg

italiaansch geleerd om bijna alles in die taal te verstaan, maar zelf

was ik ze niet voldoende machtig om ze gaarne te spreken.

--Neen, antwoordde ik in het fransch.

--O, zuchtte hij en zag mij met zijn groote oogen strak in het gelaat:

dat is jammer, ik had gehoopt dat gij ook uit het land waart.

--Uit welk land?

--Uit Lucca; gij zoudt mij misschien eenige tijding hebben

medegebracht.

--Ik ben een Franschman.

--O, des te beter.

--Houdt gij dan meer van de Franschen dan van de Italianen?

--Neen, ik zeg het ook niet voor mezelf, maar voor u, want als gij

een Italiaan waart, dan zoudt gij waarschijnlijk in dienst van signor

Garofoli komen; en men zegt niet des te beter tot hen, die bij dezen

in dienst treden.

Deze woorden waren nu juist niet zeer geruststellend voor mij.

--Is hij kwaad?

Het kind gaf op deze vraag geen antwoord, maar de blik, waarmede hij

mij aanzag, was welsprekend genoeg. Daarop, alsof hij dit onderwerp

niet langer wilde voortzetten, keerde hij mij den rug toe, en begaf

hij zich naar den schoorsteen aan het einde van de kamer.

Een heerlijk vuur van takkenbossen brandde daarin en op dat vuur

stond een groote ketel.

Ik ging voor het vuur staan, om mij wat te verwarmen en ontdekte

toen dat deze ketel iets bijzonders had, wat ik in het begin niet

had opgemerkt. Het deksel met een smal tuitje bovenop, waaruit de

stoom ontsnapte, was aan den pot bevestigd, aan de eene zijde met

een scharnier en aan de andere zijde met een hengsel.

Ik begreep, dat ik geen onbescheiden vragen omtrent Garofoli doen

mocht, maar toch wel wat den pot betrof.

--Waarom is deze ketel op slot?

--Omdat ik er niet uit snoepen zou. Ik moet de soep wel gaarmaken,

maar de meester vertrouwt mij niet.

Ik kon een glimlach niet onderdrukken.

--Gij lacht erom, vervolgde hij op verdrietigen toon, want gij denkt

zeker, dat ik snoepziek ben. In mijn plaats zoudt gij het misschien

ook zijn. Ik ben ook eigenlijk geen snoeper, maar ik ben uitgehongerd

en de reuk van de soep, die uit het tuitje ontsnapt, doet mijn honger

nog grooter worden.

--Signor Garofoli laat u dus hongerlijden?

--Wanneer gij in zijn dienst komt, dan zult gij wel ondervinden, dat

men van honger niet sterft, maar wel ontzettend veel erdoor lijden

kan. En vooral ik, want voor mij is het eene straf.

--Een straf, hongerlijden?

--Ja; en ik durf het u gerust vertellen, want als Garofoli soms uw

meester wordt, dan zou mijn voorbeeld u van nut kunnen zijn. Signor

Garofoli is mijn oom en hij heeft mij uit liefdadigheid bij zich

genomen. Gij moet weten, dat mijn moeder weduwe en dus, zooals gij

wel begrijpen kunt, niet rijk is. Toen Garofoli het vorige jaar onze

streek bezocht, om kinderen op te halen, stelde hij mijn moeder voor

mij met zich te nemen. Het kostte haar heelwat om mij van zich af te

zenden; maar gij begrijpt als iets noodzakelijk is! En het was noodig,

want wij waren met ons zessen thuis, waarvan ik de oudste was. Liever

had Garofoli mijn broeder medegenomen, die op mij volgt, want Lenardo

is mooi, terwijl ik leelijk ben. En als men geld verdienen moet, dan

moet men niet leelijk zijn; zij, die leelijk zijn, krijgen niets dan

slaag en slechte woorden. Maar mijn moeder wilde Lenardo niet afstaan;

Mattia is de oudste, zeide zij, en wanneer er een weggaan moet, dan

is het Mattia; de goede God heeft het zoo besloten en er valt niets

aan den wil van God te veranderen." Ik ben dus met mijn oom Garofoli

op reis gegaan; gij begrijpt, dat het mij hard viel om de ouderlijke

woning en mijn moeder, die luid weende, te verlaten en vooral de

kleine Christina, die veel van mij hield, omdat zij de jongste was

en ik haar altijd droeg. Ook speet het mij, dat ik mijn broeders,

mijn makkers en mijn land vaarwel moest zeggen.

Ik wist bij ondervinding hoe wreed zulk een scheiding was en ook

ik kon mij de aandoening nog levendig herinneren, toen ik voor de

laatste maal de witte muts van vrouw Barberin zag.

De kleine Mattia vervolgde zijn verhaal.

--Ik was geheel alleen met Garofoli, toen ik mijn woning verliet,

maar acht dagen later waren wij reeds met ons twaalven en begaven we

ons op weg naar Frankrijk.

O, hoe lang viel die weg aan mij en mijn makkers, die even treurig

waren als ik. Eindelijk toch kwamen wij te Parijs; wij waren

toen nog met ons elven, daar een onzer in het gasthuis te Dijon

was achtergebleven. In Parijs werd er een keus uit ons gedaan; de

sterksten kwamen bij schoorsteenvegers of rookverdrijvers in dienst;

die niet krachtig genoeg voor een ambacht waren, gingen op straat

zingen en op de lier spelen. Garofoli gaf mij twee witte muizen,

die ik op straat en voor de deuren moest laten kijken en hij rekende

uit, dat ik daarmede vijftien stuivers daags zou verdienen. "Zooveel

stuivers als daaraan ontbreken, wanneer gij 's avonds tehuis komt,

zooveel stokslagen krijgt gij van me." Vijftien stuivers was moeilijk

bij elkander te zamelen; maar stokslagen waren evenmin prettig, wanneer

Garofoli ze toediende. Ik spande dus alles in om die som op te halen,

maar ondanks al mijn moeite, gelukte het mij niet dikwijls. Mijn

makkers hadden gewoonlijk het aantal stuivers en ik bijna nooit. Dit

maakte Garofoli nog boozer. "Die domkop van een Mattia, wat voert die

dan toch uit?" vroeg hij. Een ander kind, dat evenals ik, met witte

muizen rondliep, moest twee francs inbrengen, hetgeen hij getrouw

iederen avond deed. Dikwijls ging ik met hem mede, om te zien, wat

hij deed en waarin hij zich handiger gedroeg dan ik. Ik begreep toen

waarom hij zoo gemakkelijk zijn twee francs en ik zoo moeilijk nog

een franc bij elkander kreeg.

Als een heer en een dame ons iets gaven, dan zeide de dame altijd:

"Geef het aan dien aardigen en niet aan dien leelijken jongen." De

leelijke was ik. Ik ging nooit meer met mijn makker mede, want al is

het naar stokslagen te krijgen als men tehuis komt, het is toch nog

akeliger op straat in tegenwoordigheid van iedereen een hard woord te

hooren. Gij kent dat gevoel niet, daar men u nooit gezegd heeft, dat

gij leelijk waart; maar ik.... Kortom, toen Garofoli zag, dat slaag

tot niets leidde, bedacht hij een ander middel. "Voor elken stuiver,

die er ontbreekt, krijgt gij 's middags een aardappel minder, zeide

hij. Daar uw huid tegen slagen bestand schijnt te zijn, zal ik eens

zien of uw maag misschien voor den honger gevoeliger is." Hebben

bedreigingen ooit eenigen vat op u gehad?

--Dat hangt ervan af.

--Nu, op mij nooit; bovendien kon ik niet anders doen dan ik tot nogtoe

gedaan had; en ik kon onmogelijk tot hen, die ik mijn hand reikte,

zeggen: "Als gij mij geen centen geeft, dan krijg ik vanavond geen

aardappelen." Menschen die een aalmoes aan kinderen geven, laten zich

nooit door zulke redenen overhalen.

--En door welke dan wel? Men geeft om iemand genoegen te doen.

--O, wat zijt ge nog jong; men geeft om zich zelf genoegen te doen

en niet voor het pleizier van anderen; men geeft gaarne iets aan

een aardig kind; dat is nog de beste reden, ook wel als men een

kind verloren heeft of men gaarne zoo'n kind zou willen hebben; men

geeft wanneer men het zelf warm heeft en het kind van koude loopt

te rillen. O, ja, ik weet het allemaal heel goed; ik heb al den tijd

gehad om het te leeren. Het is koud vandaag, niet waar?

--Zeer koud.

--Welnu, ga voor een deur staan en steek uw hand eens uit naar een

heer, die haastig voortloopt en een kort overjasje draagt en vertel

mij dan eens, wat hij u gegeven heeft. Strek daarentegen uw hand eens

uit naar een heer, die langzaam loopt en in een jas met bont gewikkeld

is, dan zult gij misschien een stuk zilvergeld van hem krijgen. Nadat

ik ongeveer een maand deze manier gevolgd had was ik er niet dikker

op geworden; ik zag er bleek en ziekelijk uit en dikwijls hoorde ik

in het voorbijgaan zeggen: dat kind sterft van honger. Mijn lijden

gaf mij dus, wat ik door schoonheid niet had kunnen verkrijgen;

het gaf aan mijn gelaat een uitdrukking die belangstelling scheen

in te boezemen en het maakte mijn oogen grooter; de menschen uit de

buurt kregen medelijden met mij, en al haalde ik niet altijd geld op,

ik kreeg dikwijls brood of soep. Dat was een goede tijd! Ik kreeg

geen slag, maar ook geen aardappelen, hoewel het laatste mij minder

hinderde, daar ik gewoonlijk 's middags wat te eten gehad had. Maar

eens betrapte Garofoli mij toen ik bij een fruitverkooper een bord

soep at en hij begreep toen, waarom ik mij nooit beklaagde, dat ik

geen aardappelen kreeg. Hij besloot toen mij niet meer uit te laten

gaan en mij voortaan tehuis te houden om op de soep te passen en het

huishouden te doen. Maar daar ik onder de hand best van de soep zou

kunnen snoepen, verzon hij er op, om ze in dezen ketel te koken;

iederen morgen, voordat hij uitgaat, doet hij het vleesch en de

groenten in den pot en sluit het deksel met een hangslot; ik behoef

dan maar te zorgen, dat het gaar wordt; ik kan dan alleen het vleesch

ruiken, maar ervan proeven, dat begrijpt gij, dat zou nooit door zulk

een smal tuitje gaan. Sedert ik in de keuken gekomen ben, heb ik

zulk een vale kleur gekregen, want de reuk voedt niet, integendeel

hij doet den honger nog erger worden. Zie ik er erg bleek uit? Daar

ik thans niet meer op straat kom, hoor ik het ook niet meer zeggen

en er hangt hier geen spiegel.

Ik had toen nog niet veel ondervinding, maar toch wist ik, dat men

een zieke nooit beangst moet maken door hem te zeggen, dat hij er

ziek uitziet.

--Gij ziet er niet bleeker uit dan een ander, antwoordde ik.

--Ik merk wel, dat gij dit zegt om mij gerust te stellen, maar ik

vind het prettig, als ik er bleek uitzie, want dat bewijst dat ik

zeer ziek ben en ik wil gaarne heelemaal ziek zijn.

Ik zag hem met de grootste verbazing aan.

--Gij begrijpt mij niet, vervolgde hij glimlachend, en het is toch

heel eenvoudig. Als men erg ziek is, dan wordt men òf goed opgepast

òf men sterft.

Als ik dood ga, dan is alles uit, dan heb ik geen honger meer en krijg

ook geen slaag; en men beweert ook, dat, als men dood is, men in den

hemel komt. Als ik in den hemel ben, dan zie ik mijn moeder weer en

dan zal ik misschien aan onzen lieven Heer kunnen vragen, om mijn

zuster Christina gelukkig te maken. Als men mij goed wil verzorgen,

dan zendt men mij naar het gasthuis en dat zou ik gelukkig vinden.

Het gasthuis boezemde mij altijd grooten afkeer in en dikwijls, als

ik onderweg uitgeput was van vermoeienis, behoefde ik slechts aan

het hospitaal te denken, om weder kracht tot loopen te vinden. Het

verbaasde mij dus zeer, toen ik Mattia op deze wijze daarover hoorde

spreken.

--Als gij eens wist hoe goed men het in het gasthuis heeft, vervolgde

hij; eens ben ik daar reeds geweest; men heeft daar een dokter,

een grooten man met blonde haren, die altijd klontjes in zijn zak

heeft. Het zijn wel gebroken klontjes, want die zijn goedkooper,

maar daarom smaken ze niet minder lekker; en de verpleegsters zijn

ook altijd even vriendelijk: "Kom, doe dat, mijn jongen, steek uw tong

uit, arm kind." Ik vind het prettig als men zoo vriendelijk tegen mij

spreekt, dan zou ik wel kunnen weenen en als ik daarin lust heb, dan

ben ik ook gelukkig. Dat is dom, niet waar? Maar mijn moeder sprak

altijd zoo vriendelijk tegen mij. Die pleegzusters spreken juist

zooals mijn moeder en al zijn het niet dezelfde woorden, dan is het

toch dezelfde muziek. En als men beter wordt, dan krijgt men bouillon

en wijn. Ik vond het prettig, toen mijn krachten hier langzamerhand

begonnen af te nemen, omdat ik niet meer at. Ik zeide toen tot mezelf:

Ik word ziek en Garofoli zal mij naar het gasthuis zenden. O, ik

word erg ziek; nu ben ik nog niet ziek genoeg; ik voel het zelf wel,

maar het is nog niet zóó erg, dat ik Garofoli hinder; hij heeft mij

bij zich gehouden. Het is vreemd, maar ongelukkige menschen zijn

taai. Gelukkig heeft Garofoli het niet verleerd om mij evenals de

anderen te tuchtigen. En acht dagen geleden heeft hij mij een slag

met zijn stok op het hoofd gegeven. Ik hoop nu dat het beslist is;

mijn hoofd is erg gezwollen; gij ziet daar dien grooten witten bult

wel. Hij zeide dat het misschien een gezwel was; ik weet niet wat

een gezwel is, maar zooals hij erover sprak, moet het wel erg zijn;

in elk geval heb ik er vreeselijk pijn aan. Soms voel ik onder mijn

haren zoo hevig steken en trekken, nog veel erger dan wanneer ik

kiespijn heb. Mijn hoofd is zwaar, alsof het honderd pond weegt;

vaak krijg ik duizelingen en alles waggelt mij voor de oogen, en 's

nachts zelfs in mijn slaap, lig ik te steunen en te kermen. Nu geloof

ik zeker, dat ik over een dag of drie, vier, wel naar het gasthuis zal

gezonden worden; want ge begrijpt, een jongen die 's nachts lastig is,

hindert ook de anderen en Garofoli wordt niet gaarne gehinderd. Hoe

gelukkig dat hij mij een slag met zijn stok gegeven heeft! Zeg nu

eens eerlijk of ik niet erg bleek zie?

Terwijl hij dit zeide, ging hij vlak voor mij staan, en keek hij mij

strak aan. Ik had nu geen reden om langer te zwijgen; toch wilde ik

hem niet de volle waarheid zeggen, en hem bekennen welk een akeligen

indruk zijn groote glinsterende oogen, zijn magere, ingevallen wangen

en zijne bleeke lippen op mij maakten.

--Ik geloof wel, dat gij ziek genoeg zijt om naar het hospitaal

te gaan.

--Eindelijk!

En met zijn hinkend been trachtte hij eene buiging te maken. Daarop

ging hij weder naar de tafel en begon deze af te vegen.

--Nu heb ik genoeg gepraat, zeide hij, Garofoli komt zoo dadelijk

tehuis, en dan vindt hij niets gereed: nu gij meent, dat ik genoeg

slaag heb gehad, om naar het hospitaal te gaan, nu is het ook niet

langer noodig om er meer bij te krijgen; dat zou slechts verloren

moeite zijn en bovendien schijnen die, welke ik thans krijg, mij veel

harder dan de klappen, die hij mij eenige maanden geleden gaf. Zij,

die beweren dat men aan alles went, hebben gelijk, niet waar?

Terwijl hij sprak, liep hij hinkende om de tafel en legde de borden en

lepels en vorken op hun plaats. Twintig borden telde ik, dus twintig

kinderen had Garofoli onder zijn leiding; daar ik slechts twaalf bedden

zag staan, sliepen zij dus zeker twee aan twee. En welke bedden waren

het! geen lakens, maar versleten wollen dekens lagen erop, die zeker

uit een stal afkomstig waren, toen zij niet warm genoeg meer waren

voor paardendekken.

--Is het overal zooals hier? vroeg ik angstig.

--Waar, overal?

--Overal, waar men knapen opvoedt.

--Dat weet ik niet; ik ben nooit ergens anders geweest, maar tracht

gij ergens anders te komen.

--Waar?

--Dat weet ik niet, dat doet er ook niet toe; ergens waar gij beter

zijt dan hier.

"Het doet er niet toe waar", dat was zeer onbestemd en hoe zou ik

het aanleggen, om Vitalis op zijn besluit te doen terugkomen?

Terwijl ik hierover stond na te denken, ging de deur open en trad een

knaap binnen; hij had een viool onder zijn arm en in zijn andere hand

hield hij een stuk hout, dat van afbraak afkomstig was. Dat stuk hout,

dat veel geleek op de stukken, welke onder den schoorsteen lagen,

deed mij plotseling begrijpen, vanwaar Garofoli zijn voorraad hout

opdeed en hoeveel deze hem kostte.

--Geef mij uw stuk hout! zeide Mattia, terwijl hij naar den

nieuwaangekomene toetrad.

Maar inplaats van het stuk hout aan zijn makker te geven, hield hij

het achter zijn rug.

--Neen, zeker niet, zeide hij.

--Geef het mij, dan wordt de soep beter.

--Als gij meent, dat ik het voor de soep medegebracht heb, dan vergis

je je, want ik heb niet meer dan vijftien stuivers kunnen ophalen

en ik reken op dit hout, om mij de vijf stuivers, die mij ontbreken,

niet te duur door Garofoli te laten betalen.

--Dat zal dat stuk hout niet beletten; je moet ze toch betalen,

ieder krijgt zijn beurt.

Mattia zeide dit op bitsen toon, alsof hij blijde was, dat zijn makker

ook eens gestraft zou worden. Ik was verbaasd over den harden trek,

die er plotseling op zijn zacht gelaat kwam. Eerst later heb ik

begrepen, dat, wanneer men aanhoudend met slechte menschen omgaat,

men zelf ook slecht wordt.

Het uur, waarop de leerlingen van Garofoli gewend waren tehuis te

komen, scheen aangebroken te zijn; na het eene kind met het stuk hout,

kwam het tweede en na dit nog wel tien anderen. Elke jongen hing,

zoodra hij binnenkwam, zijn instrument aan een spijker boven zijn bed;

de een zijn viool, de ander een harp, een derde een fluit of _piva_;

zij, die geen muzikanten waren, maar slechts met dieren rondliepen,

gingen hun marmotten of barbarijschen biggen voedsel geven.

Een zware tred klonk op de trap; ik voelde, dat het Garofoli was;

ik zag daarop een klein, beweeglijk mannetje, met een waggelenden

gang binnentreden: hij droeg geen italiaansche kleederdracht, maar

had een grijze overjas aan.

Hij wierp het eerst een blik op mij; een blik, die mijn hart deed

verstijven.

--Wat doet die jongen hier?

Mattia haastte zich om hem zoo beleefd mogelijk te antwoorden en hem

mede te deelen wat Vitalis hem opgedragen had.

--O, is Vitalis in Parijs, antwoordde hij, wat wil hij van mij?

--Dat weet ik niet, hernam Mattia.

--Ik spreek niet tot jou, maar wel tot dien knaap.

--De _padrone_ komt zoo straks, zeide ik, zonder hem de waarheid te

durven vertellen: hij zal u zelf wel zeggen wat hij wenscht.

--Nu, dat ventje weet zijn woorden te wikken en te wegen. Gij zijt

geen Italiaan?

--Neen, ik ben een Franschman.

Zoodra Garofoli binnengekomen was, waren twee knapen hem genaderd en

eerbiedig naast hem blijven staan, totdat hij uitgesproken had. Wat

wilden zij van hem? Spoedig zou ik een antwoord ontvangen op deze

vraag, die mijn nieuwsgierigheid gaande had gemaakt.

De een nam zijn hoed en legde dezen zorgvuldig op een bed; de ander

schoof een stoel naderbij; dit alles gebeurde met den grootsten eerbied

en plechtigheid en hieruit kon men opmaken hoe gevreesd Garofoli was,

want zeker was het niet uit genegenheid, dat zij hem met zooveel

ijver bedienden.

Toen Garofoli gezeten was, bracht een andere knaap hem zijn pijp,

die gestopt was en een vierde snelde met een brandende lucifer naar

hem toe.

--Die ruikt naar zwavel, kwajongen! riep hij, toen hij de lucifer

bij zijn pijp bracht en hij wierp ze in de kachel.

De schuldige haastte zich om den misslag te herstellen. Hij nam eene

andere lucifer, die hij weder aanstak en na ze even te hebben laten

branden zijn meester aanbood.

Maar deze nam ze niet aan:

--Jij niet, domkop, zeide hij, terwijl hij hem van zich afstiet. Daarop

wendde hij zich met een glimlach, hetgeen zeker een bewijs van zijn

gunst was, tot een anderen knaap:

--Riccardo, beste jongen, geef mij eens een lucifer.

En de beste jongen voldeed fluks aan zijn verlangen.

--En nu, begon Garofoli, toen hij alles had, wat hij behoefde en

zijn pijp brandde, nu zullen we onze rekeningen eens opmaken, beste

jongens. Mattia, geef het boek.

Het was inderdaad een groote gunst, wanneer Garofoli zich verwaardigde

te spreken, want zijn leerlingen toonden zich zoo bezorgd om aan zijn

minste wenschen te voldoen, dat zij ze reeds gisten, vóór hij ze nog

te kennen gegeven had.

Nauwelijks had hij het gevraagd, of Mattia bracht hem een vuil boek.

Garofoli wenkte en het kind, dat hem een verkeerde lucifer gegeven had,

trad naderbij.

--Ik moet nog een stuiver van gisteren van je hebben; je hebt beloofd,

dat je mij die vandaag zoudt geven; hoeveel breng je er mij thans?

De knaap aarzelde eer hij antwoord gaf; een donkere blos overtoog

zijn gelaat.

--Ik kom een stuiver te kort.

--Zoo, een stuiver, en gij durft mij dat zoo kalm mededeelen?

--Het is niet de stuiver van gisteren; het is de stuiver, dien ik

vandaag moet geven.

--Dan zijn het twee stuivers? Ik heb nooit zoo'n jongen gezien.

--Ik kan het niet helpen.

--Geen onzin; gij kent onze wetten: maak uw kiel los; twee slagen

voor gisteren en twee voor vandaag; en bovendien krijgt gij voor uw

schandelijke onbeschaamdheid vanmiddag geen aardappelen. Riccardo,

beste jongen, gij hebt door zoo goed op te passen, wel eene belooning

verdiend; haal de riem.

Riccardo was de knaap, die de goede lucifer gegeven had; hij nam van

den muur een karwats met een kort handvatsel, en dat uit twee lederen

riemen met dikke knoopen bestond. In dien tusschentijd knoopte de

schuldige zijn kiel los en liet zijn hemd tot aan zijn middel toe

zakken.

--Wacht even, zeide Garofoli met een boozen lach, gij zijt misschien

de eenige niet en het is altijd prettig om gezelschap te hebben;

bovendien is Riccardo er dan met één keer af.

De kinderen stonden onbeweeglijk voor hun meester; deze wreede

spotternij perste hun allen een gedwongen lachen af.

--Ik ben er zeker van, vervolgde Garofoli, dat hij, die het hardst

lacht, de meeste stuivers te kort komt. Wie heeft er hard gelachen?

Allen wezen naar den knaap, die het eerst met zijn blok hout tehuis

gekomen was.

--Nu, zeg eens eerlijk, hoeveel kom jij te kort? vroeg Garofoli.

--Ik kan het niet helpen.

--Voortaan zal hij, die zegt: "ik kan het niet helpen", een zweepslag

meer krijgen, dan hem toekomt; hoeveel ontbreken er bij je?

--Ik heb een stuk hout medegebracht; dit mooie stuk hout.

--Dat is wat; ga er mede naar den bakker en vraag hem in ruil een

brood. Zal hij het je geven? Hoeveel stuivers komt ge te kort? Kom,

spreek.

--Ik heb vijftien stuivers.

--Vijf stuivers ontbreken er dus aan, ellendige schooier, vijf

stuivers, en gij durft nog vóór me verschijnen! Riccardo, je bent

een gelukkige duivel! Je zult pleizier ervan hebben! Doe je vest los.

--Maar mijn blok hout!

--Ik geef het je voor je middagmaal.

Deze domme scherts deed de andere jongens, die niet veroordeeld

waren, lachen.

Gedurende dit verhoor waren een tiental knapen binnengekomen; allen

kwamen op hun beurt met hem afrekenen; behalve de twee eersten,

kwamen er nog drie, welke evenmin het aantal stuivers hadden opgehaald.

--Vijf schelmen bestelen en plunderen mij dus? riep Garofoli met

donderende stem; dat komt ervan, wanneer men te edelmoedig is; waarvan,

denkt gij wel, dat ik het vleesch en de aardappelen, die ik je geef,

betalen moet, als jelui niet werken wilt? Gij speelt liever; wie in

het bosch is, moet met de wolven huilen en gij lacht liever. Gelooft

gij niet, dat ge beter deedt, wanneer gij schijnbaar huilend uw hand

uitsteekt, dan wanneer gij in ernst huilt en me den rug toekeert? Kom,

trek uw jassen uit!

Riccardo stond met zijn zweep in de hand, en de vijf schuldigen om

hem geschaard.

--Gij weet, Riccardo, dat ik niet naar je omzie; want ik kan niet

tegen zulke bestraffingen; maar ik hoor ze wel, en daaruit kan ik

zeer goed opmaken, met hoeveel kracht je ze geeft: doe het maar met

hart en ziel, mijn jongen, je werkt voor je brood.

En hij ging met zijn gelaat naar het vuur staan, alsof hij onmogelijk

deze tuchtiging zien kon. Ik zat in een hoekje te sidderen van

verontwaardiging en angst. Deze man zou mijn meester worden; als

ik de twintig of dertig stuivers, die hij van mij eischen kon,

niet ophaalde, zou ik Riccardo ook mijn rug moeten aanbieden. O,

ik begreep toen, waarom Mattia zoo kalm en met eenig verlangen over

zijn dood spreken kon.

Toen ik den eersten zweepslag hoorde, sprongen de tranen mij in de

oogen. Ik dacht, dat niemand op mij lette, maar ik had mij bedrogen,

want Garofoli sloeg mij gade, hetgeen hij ook spoedig blijken liet.

--Dat kind heeft een goed hart, zeide hij, terwijl hij met zijn vinger

naar mij wees; hij is niet zooals jelui, die allen groote schelmen

zijt en om je makkers ongeluk en mijn verdriet lacht. Al behoort hij

niet tot jelui, neem toch maar een voorbeeld aan dien makker.

Het woord makker deed mij van het hoofd tot de voeten rillen en beven.

Garofoli hief zijn hand op en Riccardo liet de zweep hangen.

Ik dacht, dat hij hun genade wilde schenken, maar daarom was het hem

niet te doen.

--Gij weet hoe slecht ik dat gillen kan verdragen, zeide Garofoli

op vriendelijken toon tot zijn slachtoffer; gij weet, dat al doet de

zweep je op je huid pijn, je kreten mij nog meer aan het hart gaan;

ik waarschuw je dus, voor elk nieuwe gil krijgt gij een zweepslag

meer: en dan is het je eigen schuld; pas op, dat gij mij niet van

verdriet ziek maakt; als gij een weinig van mij hieldt, een beetje

dankbaarheid gevoeldet, zoudt ge je mond houden. Kom, vooruit Riccardo!

Deze hief de zweep op en de riem viel weder op den rug van den

ongelukkige.

--Moeder! moeder! riep deze.

Gelukkig behoefde ik niet langer van dit tooneel getuige te zijn,

want de deur ging open en Vitalis trad binnen.

Met een oogopslag begreep hij de kreten, die hij op de trap gehoord

had; hij snelde naar Riccardo toe en rukte hem de zweep uit de handen;

daarop keerde hij zich tot Garofoli en zag hem ernstig aan, terwijl

hij zijn armen over de borst kruiste.

Dit alles had zoo snel plaats gehad, dat Garofoli een oogenblik als

verstomd staan bleef, maar hij herstelde zich spoedig en zeide met

zijn zoetsappigen glimlach:

--Niet waar, het is vreeselijk; die jongen heeft geen hart.

--Het is een schande! riep Vitalis.

--Dat zeg ik ook, viel Garofoli hem in de rede.

--Geen gekheid, vervolgde mijn meester ernstig, gij weet wel, dat

ik niet tot dien knaap spreek, maar tot u; ja, het is een schande,

een laagheid om kinderen, die zich niet verdedigen kunnen, zoo te

mishandelen.

--Waar bemoeit gij u mede, oude dwaas? vroeg Garofoli, plotseling

van toon veranderende.

--Waar de politie zich mede bemoeien moest.

--De politie! riep Garofoli, terwijl hij opstond; gij dreigt mij met

de politie?

--Ik, ja, ik, hernam Vitalis zonder zich door den boozen _padrone_

van zijn stuk te laten brengen.

--Luister Vitalis, begon deze op bedaarden, zelfs eenigszins spottenden

toon, gij moet u niet zoo boos toonen, en mij dreigen, dat gij klappen

zult, want ik zou van mijn kant evengoed dat kunnen doen. En wie zou

er dan het ergst aan toe zijn? Gij kunt erop rekenen, dat ik er niets

van aan de politie zeggen zal; uw zaken gaan haar niets aan. Maar er

zijn andere menschen, die er belang in stellen en als ik hun eens

vertelde wat ik wist, als ik hun maar een naam, een enkelen naam

noemde, wie zou dan zijn schande moeten verbergen?

Mijn meester zweeg een oogenblik. Zijn schande! Ik stond

versteend. Vóór ik den tijd nog gehad had om van mijn verbazing,

door deze zonderlinge woorden opgewekt, te bekomen, had hij mij bij

de hand genomen.

--Volg mij.

Hij trok mij mede naar de deur.

--Kom, zeide Garofoli lachende, laten we weer goede vrienden zijn,

oude: gij wildet mij spreken.

--Ik heb u niets meer te zeggen.

En zonder een woord verder te uiten, zonder zich zelfs om te keeren,

ging hij de trap af, mij altijd vasthoudende. Met welk een verlicht

hart volgde ik hem! Ik ontsnapte dus aan Garofoli; als ik gedurfd had,

zou ik Vitalis wel hebben willen omhelzen.

Alleen op de Wereld · 第 38 / 95 题