AANKOMST TE PARIJS.

Wij waren nog een geducht eind van Parijs verwijderd.

Aanhoudend moesten wij wegen volgen, waarop de sneeuw hoog lag

opgestapeld, en van den morgen tot den laten avond woei een scherpe

wind ons in het gelaat.

Hoe akelig waren die lange wandelingen! Vitalis liep altijd voorop,

terwijl ik hem volgde, en Capi weder vlak achter mij.

Zoo liepen wij in een rij, zonder dat we, uren lang, een woord met

elkander wisselden, met een gelaat blauw van koude, natte voeten en

leege maag; en de menschen, die wij tegenkwamen, stonden stil om ons

voorbij te zien trekken.

Blijkbaar maakten wij een zonderlingen indruk op hen en zij vroegen

zichzelf af: waarheen brengt deze grijsaard dien knaap en dien hond?

Die stilte was mij ondraaglijk; ik had groote behoefte om te spreken

en mijn hart eens lucht te geven, maar Vitalis gaf mij altijd een kort

antwoord op mijn vragen en keerde zich nooit naar mij om. Gelukkig

was Capi hartelijker, en dikwijls voelde ik, onder het loopen, zijn

natte, warme tong op mijn hand; Capi likte deze alsof hij daarmede

zeggen wilde:

--Gij weet toch wel, dat ik, uw vriend Capi, er nog ben.

Ik streelde dan even zijn kop, zonder stil te staan.

Hij scheen met dit bewijs van mijn genegenheid zeer in zijn schik,

evenals ik met het zijne; wij begrepen elkander; wij hielden van

elkaar.

Voor mij was hij een steun en ik weet zeker, dat ik dit ook voor

hem was; het hart van een hond is niet minder gevoelig dan dat van

een kind.

Deze liefkoozingen schonken Capi veel troost, zoodat zij hem wel

eenigszins den dood van zijn makkers vergeten deden; de kracht der

gewoonte behaalde ook de overhand en dikwijls stond hij eensklaps

stil, om evenals vroeger, toen hij nog korporaal over zijn troep was,

deze in oogenschouw te nemen. Maar dat duurde ook slechts kort;

spoedig kwam zijn geheugen hem te hulp en herinnerde hij zich,

waarom zijn troep niet volgde. Hij snelde ons dan voorbij en keek

Vitalis aan, alsof hij hem wilde laten zien, dat hij er nog was;

zoo Dolce en Zerbino niet kwamen, was het, omdat zij niet konden

komen. Hij vertelde hem dit met zulke welsprekende blikken, die van

zooveel verstand en smart getuigden, dat wij medelijden met hem kregen.

Dit maakte onze wandeling ook niet vroolijker en toch hadden wij

groote behoefte aan eenige afleiding; ik tenminste.

Over het geheele landschap lag een bed van sneeuw gespreid; het was

een grauwe, gure dag, waarover de zon haar stralen niet zou werpen;

op het veld was niet de minste beweging te ontdekken; geen enkele

boer was aan zijn werk. Noch het hinneken van een paard noch het

loeien van een koe trof ons oor; slechts het gekras der raven, die

in de hoogste toppen der kale boomen zaten en van honger piepten,

daar zij geen enkele plaats op den grond zagen waar zij een wormpje

zouden kunnen vinden; in de dorpen waren alle huizen gesloten, alles

was stil en verlaten; de koude was vinnig, een ieder bleef bij het

hoekje van den haard, of men arbeidde op de zolders en in schuren.

En wij liepen steeds voort op den gladden en hobbeligen weg, zonder

een oogenblik stil te staan en zonder eenige andere rust genoten te

hebben, dan onze nachtrust in een stal of schaapskooi. Met een klein

stuk brood moesten wij ons 's avonds tevreden stellen, en dat brood

gold ook voor ons middagmaal. Als we het geluk slechts hadden van in

een schaapskooi een onderkomen te vinden, dan werden wij tenminste

door de warmte der schapen voor de koude bewaard; ook was het juist

tijd, dat de schapen hun jongen zogen en dikwijls kregen wij verlof

om een schaap te melken; wij zeiden wel niet, dat we bijna van honger

omkwamen, maar Vitalis vertelde met zijn gewone slimheid, "dat het

kereltje zooveel van schapemelk hield, daar hij als kind gewend was

geweest die te drinken en het hem aan zijn land herinnerde." Dit

verhaal gelukte niet altijd. Maar het was een heerlijke avond,

wanneer het geloofd werd. Ik hield werkelijk veel van schapemelk en

wanneer ik ze gedronken had, dan gevoelde ik mij den volgenden dag

veel krachtiger en beter tot loopen instaat.

Mijlen en uren volgden elkander op en de eene wandeling kwam na de

andere; meer en meer naderden wij Parijs en als de boomen, die langs

den weg geplant stonden, mij niet gewaarschuwd hadden, dan zou ik het

toch reeds bemerkt hebben aan het grooter vertier op de wegen en ook

aan de kleur der sneeuw, die hier lang zoo helder wit niet meer zag,

als op de vlakten van Champagne.

Het verbaasde mij ten hoogste, maar het landschap werd niet fraaier

en de dorpen niet mooier dan die, welke wij vroeger bezochten. Ik

had zoo dikwijls over de wonderen van Parijs hooren spreken, dat ik

in mijn onwetendheid mij voorgesteld had, dat deze wonderen reeds

van verre door het een of ander buitengewoons zich zouden toonen. Ik

wist niet recht wat ik eigenlijk verwachtte en durfde het ook niet

vragen; ik bleef dus op een wonder hopen: gouden appelen, straten met

marmeren paleizen en wandelaars geheel in fluweel en satijn gedost;

dat zou ik alles zeer natuurlijk gevonden hebben.

Hoewel ik geen oog had dan voor de gouden boomen, die ik zocht,

bemerkte ik toch wel, dat de voorbijgangers ons niet meer nastaarden;

waarschijnlijk hadden zij te veel haast, of zij waren gewend aan nog

treuriger tafereelen, dan wij thans aanboden.

Dat stelde mij niet zeer gerust.

Wat zouden wij te Parijs doen? en vooral in den ellendigen toestand

waarin wij ons bevonden?

Dit vroeg ik mezelf dikwijls af en gedurende de verre tochten hield

dit meestal mijn geest geheel bezig.

Gaarne zou ik het eens aan Vitalis gevraagd hebben, maar ik durfde

niet, want hij zag er zoo treurig uit en hij gaf mij altijd een zeer

kort antwoord.

Eens echter ging hij naast mij zitten en uit de wijze, waarop hij

mij aanzag, begreep ik, dat ik thans zou vernemen wat ik reeds zoo

lang gewenscht had te weten.

Het was nog vroeg in den ochtend; wij hadden den nacht in een

boerderij doorgebracht, die niet ver van een groot dorp verwijderd

lag, dat Boissy-Saint-Léger heette. Wij hadden ons bij het aanbreken

van den morgen op weg begeven, en nadat wij geruimen tijd den muur

van een park gevolgd waren en het dorp in zijn geheele lengte hadden

doorloopen, waren we op een hoogte gekomen, vanwaar wij een zwarten

rook boven een groote stad zagen opstijgen, maar waarvan wij slechts

eenige hooge gebouwen konden onderscheiden.

Ik deed mijn oogen wijd open om tusschen dat tal van daken, klokken en

torens, die zich in den nevel en den rook verloren, op mijn verhaal

te komen, toen Vitalis plotseling langzamer ging loopen en naast mij

kwam zitten.

--Uw leven is thans veranderd, zeide hij tot mij, alsof hij een

gesprek voortzette; binnen vier uur zijn wij te Parijs.

--O, is dat Parijs, dat daar vóór ons ligt?

--Ja.

Op het oogenblik zelf, toen Vitalis mij zeide, dat het Parijs was,

brak een lichtstraal door den grijzen hemel, die plotseling, als een

bliksemstraal, een gouden kleed over alles verspreidde.

Ik had mij dus niet vergist; ik zou daar gouden boomen vinden.

Vitalis vervolgde:

--In Parijs moeten wij van elkander scheiden.

Plotseling echter viel de duisternis in en ik zag de gouden boomen

niet meer.

Ik zag Vitalis aan; ook hij hield den blik op mij gericht en de

bleekheid van mijn gelaat, het trillen mijner lippen zeiden hem,

wat er in mij omging.

--Gij zijt bang, en het doet u ook verdriet, ik geloof het best.

--Moeten wij scheiden! riep ik, toen het eerste oogenblik van schrik

voorbij was.

--Arme jongen!

Deze woorden en vooral de toon, waarop zij werden uitgesproken,

deden mij de tranen in de oogen komen; het was zoo lang geleden,

sedert ik een hartelijk woord van hem gekregen had.

--O, gij zijt zoo goed voor mij! riep ik uit.

--Gij zijt een goede jongen, een dapper kereltje. Weet je, er zijn

oogenblikken in het leven, waarop men geneigd is dit te erkennen en

zich te laten overreden. Wanneer het ons in de wereld goed gaat, dan

volgt men zijn weg, zonder er ooit aan te denken, wie ons vergezelt;

maar wanneer alles tegenloopt, als men beseft, dat men een verkeerd pad

is ingeslagen en vooral als men oud wordt, dat is te zeggen, wanneer

men niets meer van de toekomst verwacht, dan heeft men behoefte om

op iemand te steunen en men gevoelt zich gelukkig, wanneer zoo iemand

dan bij ons is. Dat ik op u steun, dat verbaast u waarschijnlijk, niet

waar? En toch is het zoo. En gij hebt mij reeds veel troost geschonken,

toen ik u tranen zag storten, terwijl gij naar mij luisterdet. Want

ook mij, Rémi, doet het scheiden smart.

Eerst later, toen ik iemand liefhad, gevoelde ik de waarheid van

zijn woorden.

--Het is ongelukkig, ging Vitalis voort, dat men juist dan van elkander

scheiden moet, wanneer men zich nader tot elkander voelt aangetrokken.

--Maar, vroeg ik verlegen, gij zult mij in Parijs toch niet aan mijn

lot overlaten?

--Neen, zeker niet, ik zal u niet alleen laten. Wat zoudt gij, geheel

verlaten, in Parijs doen? En ik kan u ook gerust zeggen, dat ik het

recht daartoe niet heb.

Toen ik u niet aan de zorg van die goede dame wilde toevertrouwen,

die u als haar zoon wenschte op te voeden, heb ik de belofte afgelegd,

u eene opvoeding te geven, zoo goed als eenigszins in mijn vermogen

was. Ongelukkig loopt het mij niet mede. Op het oogenblik kan ik niets

voor u doen en daarom ben ik van plan van u te scheiden, wel niet voor

altijd, maar toch voor eenige maanden, opdat wij het laatste gedeelte

van dit slechte jaargetijde elk op ons zelf kunnen leven. Binnen

weinige uren zijn wij te Parijs. Wat zouden wij daar moeten beginnen

met een tooneelgezelschap, dat slechts uit Capi bestaat?

Toen de hond zijn naam hoorde noemen, ging hij voor ons staan en toen

hij zijn poot bij het oor gebracht had, om ons zijn militairen groet

te brengen, legde hij dien op zijn hart, alsof hij daarmede wilde

zeggen, dat wij op zijn genegenheid konden rekenen.

In den toestand, waarin wij ons bevonden, stemde ons dit niet minder

treurig.

Vitalis zweeg een poos om hem den kop te streelen.

--Gij zijt ook een goede, dappere hond; maar helaas, men leeft in

deze wereld niet alleen van goedheid; wij moeten iets overhebben

voor het geluk van hen, die ons omringen en ook nog iets anders,

hetgeen ons juist ontbreekt.

Wat zullen wij met Capi alleen ontvangen? Gij begrijpt het, nietwaar,

dat wij thans geen voorstellingen kunnen geven?

--Dat is waar.

--De jongens zouden ons bespotten en ons met vuil naar het hoofd gooien

en wij zouden geen halven franc ophalen; denkt gij, dat wij alle drie

van een halven franc daags zouden kunnen leven, en daarbij de kans

nog hebben, wanneer het koud is, regent of sneeuwt, niets te verdienen?

--Maar mijn harp?

--Als ik twee kinderen had, zooals gij, dan zou het misschien

nog gaan, maar een grijsaard en een knaap, neen, dat gaat niet

samen. Ik ben nog niet oud genoeg. Als ik nog wat gebrekkiger was

of misschien blind.... Maar ongelukkig ben ik wat ik ben, dat is te

zeggen, dat ik niet in een toestand ben om medelijden op te wekken,

en om in Parijs de belangstelling te wekken van menschen, die allen

evenveel haast hebben, moet men al in een zeer beklagenwaardigen

toestand verkeeren. Men moet zich dan ook bovendien niet schamen om

een beroep te doen op de publieke liefdadigheid, en daartoe zou ik

nooit kunnen besluiten. Wij moeten dus wat anders bedenken. Ik zal u

zeggen wat ik gedacht heb en waartoe ik dan ook besloten ben. Tot aan

het einde van den winter zal ik u bij een _padrone_ in den kost doen,

die u met andere kinderen op de harp zal leeren spelen.

Aan zulk een plan had ik niet gedacht.

Vitalis liet mij echter den tijd niet om hem in de rede te vallen.

--Ik zal, vervolgde hij, les geven op de harp, op de _piva_ of op

de viool aan Italiaansche kinderen, die op straat muziek maken. Ik

ben in Parijs bekend, waar ik verscheidene malen gewoond heb, en

van waar ik kwam, toen ik uw dorp bezocht; ik behoef slechts om een

les te vragen, dan krijg ik er meer dan ik er geven kan. Wij kunnen

dan elk op ons eigen leven. Terwijl ik les geef, kan ik tevens een

paar andere honden dresseeren, die Zerbino en Dolce zullen moeten

vervangen. Ik zal hun opvoeding voltooien en wanneer het dan weder

voorjaar is, dan kunnen wij samen weder op weg gaan, Rémi, om niet

weer van elkander te scheiden, want de fortuin begunstigt steeds

hen, die moedig weten te strijden. Ik verg thans slechts moed en

onderwerping van u. Later zal alles beter gaan; dit is een moeilijk

en voorbijgaand oogenblik. In de lente neemt ons vrij leven weder een

aanvang. Ik zal u dan naar Duitschland en naar Engeland brengen. Gij

zijt dan ouder en verstandiger geworden. Ik zal u alles leeren en een

man van u maken. Dit heb ik mevrouw Milligan beloofd. En die belofte

zal ik houden. Juist met het oog op die reizen, zal ik u Engelsch

gaan leeren; gij kent nu Fransch en Italiaansch en dat is al veel voor

een kind op uw leeftijd; gij zijt nu ook veel sterker. Gij zult zien,

Rémi, dat alles nog niet verloren is.

Dit was misschien nog het beste, waartoe wij in onzen toestand

besluiten konden. En wanneer ik er nu nog aan denk, dan moet ik

erkennen, dat mijn meester al zijn best gedaan heeft om ons uit dien

hachelijken toestand te redden. Maar niet dezelfde gedachten bezielen

ons wanneer wij in onze herinneringen de een of andere gebeurtenis

herdenken, als op het oogenblik, toen deze plaats greep.

In hetgeen hij mij toen zeide, stonden twee dingen mij slechts

duidelijk voor oogen:

Onze scheiding.

En de _padrone_.

Op onze tochten door dorpen en steden hadden wij verscheidene van die

_padrones_ ontmoet, die de kinderen, welke zij in dien tusschentijd

hadden gehuurd, met stokslagen gedrild hadden.

Zij geleken volstrekt niet op Vitalis; zij schenen mij wreed,

onrechtvaardig en veeleischend toe, en waren meestal dronken en

vloekten aanhoudend.

Het was zeer wel mogelijk, dat ik in handen van zulk een meester

zou vallen.

En al voerde het toeval mij bij een die goedhartiger was, dan zou

het toch eene groote verandering voor mij wezen.

Na mijn pleegmoeder, Vitalis.

Na Vitalis, alweer een ander.

Zou het altijd zoo met mij gaan?

Zou ik dan nooit, mijn geheele leven lang, aan iemand mij mogen

hechten?

Langzamerhand had ik mij aan Vitalis gehecht, alsof hij mijn vader was.

Ik zou dus nooit een vader hebben?

Nooit een bloedverwant?

Zou ik dan altijd alleen op de wereld wezen?

Altijd op die groote wereld moeten rondzwerven, zonder mij ooit ergens

te kunnen vestigen?

Op al die vragen had ik gaarne eenig antwoord gehad en zij waren mij

bijna van de lippen gevloeid, zoo ik ze niet met moeite teruggehouden

had.

Mijn meester had van mij moed en onderwerping gevraagd; ik wilde hem

gehoorzamen en zijn verdriet niet vermeerderen.

Bovendien zat hij al niet meer naast me; alsof hij bang was al deze

vragen te moeten aanhooren, die hij eveneens voorzien had, was hij

eenige schreden vooruitgeloopen.

Ik volgde hem en spoedig hadden wij een rivier bereikt waarover een

brug lag, die hier vreeselijk slikkerig was; de sneeuw was geheel

zwart en men zakte tot aan de enkels in de modder.

Aan het einde van die brug bevond zich een dorp met enge straten;

daarna was men weder geheel buiten, maar men zag hier geen arme

woningen in vervallen toestand.

Op den weg volgden en kruisten elkander tal van rijtuigen. Ik ging

naast Vitalis loopen en Capi kwam vlak achter ons.

Spoedig was men niet meer in de vrije natuur, maar kwamen wij in een

straat, waarvan het einde niet te zien was; aan beide zijden verhieven

zich huizen, maar het waren vuile, arme en lang zulke mooie huizen

niet als te Bordeaux, te Toulouse en te Lyon.

De sneeuw lag hier en daar opgehoopt en op die zwarte stapels had

men asch, verrotte groente en allerlei vuil geworpen; een onaangename

lucht kwam ons tegemoet, de kinderen, die voor de deur speelden, zagen

er bleek en ongezond uit; telkens reden zware wagens ons voorbij,

die zij met de grootste behendigheid wisten te ontwijken zonder er

ooit acht op te slaan.

--Waar zijn wij nu? vroeg ik aan Vitalis.

--Te Parijs, mijn jongen.

Te Parijs!....

Was het mogelijk! Was dat Parijs?

Waar stonden mijn marmeren paleizen?

Waar liepen de menschen in fluweel en satijn?

Hoe leelijk en akelig was de werkelijkheid!

Dat was dan het Parijs, waarnaar ik zoo vurig verlangd had.

Daar zou ik dus den winter doorbrengen, gescheiden van Vitalis.... en

van Capi!

Alleen op de Wereld · 第 36 / 95 题