Wat de doorbrekende dag had aangekondigd, werd vervuld. De zon
schitterde aan den wolkeloozen hemel en hare zwakke stralen werden
weerkaatst door de vlekkelooze sneeuw. Het bosch, den vorigen dag
zoo treurig en somber, schitterde thans van een glans, die de oogen
verblindde.
Van tijd tot tijd stak Vitalis de hand onder den deken om naar
Joli-Coeur te voelen; maar deze werd niet warmer en toen ik mij over
hem heenboog, hoorde ik hem klappertanden.
Weldra kregen wij de overtuiging, dat wij op deze wijze het bloed in
zijne aderen niet konden verwarmen.
--Wij moeten het een of ander dorp zien te bereiken, zeide Vitalis,
opstaande, anders gaat Joli-Coeur hier dood. Het zal nog een geluk
wezen, wanneer hij niet sterft onderweg. Kom, laat ons op weg gaan.
De deken werd nog eens goed verwarmd en vervolgens de aap erin
gewikkeld; mijn meester nam hem toen onder zijn jas en wij waren
gereed om heen te gaan.
--Dat is een herberg, die ons de gastvrijheid, welke ze ons bood,
duur heeft laten betalen, sprak Vitalis.
Hij zeide dit met bevende stem.
Hij ging vooruit en ik volgde hem op de voet.
Wij moesten Capi roepen, die op den drempel van de hut was blijven
staan, met zijn neus in de richting van de plek, waar zijne makkers
waren overvallen.
Tien minuten nadat wij weder op den grooten weg waren gekomen,
ontmoetten wij een wagen, waarvan de voerman ons mededeelde, dat wij
na een uur gaans aan een dorp zouden komen.
Dit deed ons met moed onzen tocht vervolgen, maar het gaan was even
moeilijk als pijnlijk door de sneeuw, waarin ik halverlijf wegzonk.
Van tijd tot tijd vroeg ik aan Vitalis hoe het met den aap ging,
en hij antwoordde, dat hij hem nog altijd voelde sidderen.
Eindelijk zagen wij aan den voet van een berg de witte daken van een
groot dorp. Nog eene laatste poging en dan waren wij er.
Wij plachten niet in de voornaamste herbergen onzen intrek te nemen,
in die, welke door haar welvarend voorkomen eene goede ligging en
eene goede tafel beloofden. Integendeel; gewoonlijk zochten wij een
onderkomen in de eerste huizen van het dorp of in eene buitenwijk,
bij voorkeur in eene armelijke woning, waar men ons niet zou afwijzen
en ook niet te veel geld zou vragen.
Ditmaal echter weken wij van onze gewoonte af; inplaats van in het
begin van het dorp stil te houden, ging Vitalis naar eene herberg,
waarvoor een fraai verguld uithangbord heen-en-weer bengelde. Door
de keukendeur, die wagenwijd openstond, zag men eene tafel bedekt
met vleeschschotels en op een breed fornuis ontwaarde men een aantal
pannen van roodkoper, die allerverleidelijkst pruttelden en kleine
witte wolkjes naar boven zonden. Reeds op straat rook men den lekkeren
geur van een soep, die onze hongerige magen alleraangenaamst aandeed.
Mijn meester, die zijn voorkomen van een heer hier aannam, trad de
keuken binnen met den hoed op en het hoofd in den nek. Hij verlangde
eene goede kamer met vuur.
Eerst had de eigenaar der herberg, die er zeer welvarend uitzag, ons
niet eens met een blik verwaardigd, maar de voorname manieren van mijn
meester maakten toch indruk op hem en hij gaf aan een dienstmeisje
last om ons eene kamer te wijzen.
--Gauw, kruip in bed, zeide Vitalis, terwijl het dienstmeisje de
kachel aanmaakte.
Een oogenblik stond ik verwonderd: waarom moest ik gaan slapen? Ik had
veel meer trek mij aan tafel te zetten dan in mijn bed te gaan liggen.
--Gauw! herhaalde Vitalis.
Ik gehoorzaamde.
Er lag een donzen dekbed op het ledekant; Vitalis stopte mij tot mijn
neus daaronder.
--Doe je best zoo warm mogelijk te worden, zeide hij; hoe warmer
hoe beter.
Het kwam mij voor, dat Joli-Coeur veel meer behoefte aan warmte had
dan ik, want ik was volstrekt niet koud.
Terwijl ik onbeweeglijk onder het dekbed lag en trachtte warm te
worden, wentelde Vitalis, tot groote verbazing van het dienstmeisje,
Joli-Coeur om-en-om alsof hij hem wilde roosteren.
--Heb je 't warm? vroeg hij mij na eenige oogenblikken.
--Ik stik bijna.
--Dat is juist wat ik wenschte.
Toen kwam hij bij mij, legde Joli-Coeur in mijn bed en beval mij hem
zoo dicht mogelijk tegen mijn lijf te houden.
Het arme dier, dat anders zoo weerbarstig was, wanneer men iets met
hem deed dat niet naar zijn zin was, onderwierp zich nu aan alles.
Het drukte zich tegen mij aan zonder eene enkele poging om zich te
verzetten. Het was niet koud meer; zijn lijf brandde.
Mijn meester was naar de keuken gegaan en kwam weldra met een groote
kom warmen wijn met suiker terug.
Hij wilde Joli-Coeur eenige lepels van dien drank ingeven, maar het
dier kon zijn bek niet openen.
Met zijn schitterende oogen zag hij ons treurig aan, als smeekte hij
ons, dat wij hem niet langer zouden plagen.
Tegelijk stak hij een van zijn pooten uit bed en strekte die naar
ons uit.
Ik begreep die beweging niet, die het dier telkens herhaalde, maar
Vitalis gaf mij er de verklaring van.
Voor ik deel uitmaakte van het gezelschap, had Joli-Coeur eene
bloedspuwing gehad en men had hem adergelaten. Thans voelde hij zich
wederom ziek en stak ons een arm toe, om hem nogmaals ader te laten
en te genezen, zooals de eerste maal.
Was dit niet aandoenlijk?
Vitalis werd er dan ook niet alleen door aangedaan, maar het
verontrustte hem ook.
Blijkbaar was de arme Joli-Coeur ziek en hij moest zich dan ook wel
ziek gevoelen, dat hij den zoeten wijn weigerde, waarvan hij anders
zooveel hield.
--Drink den wijn uit, zeide Vitalis, en blijf in bed; ik ga een
dokter halen.
Ik moet bekennen, dat ik veel van warmen zoeten wijn hield en dat ik
een geduchten honger had. Ik liet het mij dan ook geen tweemaal zeggen,
en na de kom te hebben uitgedronken kroop ik weder onder het dekbed,
waaronder ik nu, ook tengevolge van den wijn, bijna stikte.
Mijn meester bleef niet lang uit, weldra kwam hij terug met een heer
met een gouden bril; dat was de dokter.
Daar hij vreesde, dat zulk een gewichtig man niet zou komen, als het
maar voor een aap was, had Vitalis hem niet gezegd voor welke zieken
hij hem kwam roepen; toen hij mij dan ook op bed zag liggen zoo rood
als een pionieroos, kwam de dokter bij me en terwijl hij zijn hand
op mijn voorhoofd legde, zeide hij: congestie, waarbij hij het hoofd
schudde op eene wijze, die alles behalve geruststellend was.
Het was tijd dat ik hem uit de dwaling hielp, anders zou hij op mij
misschien ook een aderlating hebben toegepast.
--Ik ben niet ziek, zeide ik.
--Niet ziek? herhaalde de dokter. De knaap ijlt.
Zonder te antwoorden sloeg ik het dek een weinig op en wees op
Joli-Coeur, die zijn poot om mijn hals had geslagen.
--Dat is de zieke, zeide ik.
De dokter deed twee stappen achteruit en wendde zich tot Vitalis.
--Een aap, riep hij uit. Is het voor een aap, dat gij mij met zulk
een weer uit mijn huis hebt gehaald?
Ik dacht dat hij verontwaardigd zou wegloopen.
Maar mijn meester was een slim man, die niet licht van zijn stuk
was te brengen. Zeer beleefd en met de voornaamheid hem eigen wist
hij den dokter te bewegen om te blijven. Eerst bracht hij hem op de
hoogte van den toestand; hoe wij overvallen waren door de sneeuw en
Joli-Coeur, uit vrees voor de wolven, in een boom was geklauterd en
daar kou had gevat.
--'t Is waar, de zieke was maar een aap, maar welk een geniale
aap! Bovendien was hij een makker, een vriend van ons. Hoe zou men
zulk een merkwaardig dier, dat zoo voortreffelijk komedie speelde
aan de behandeling van een eenvoudig veearts toevertrouwen? Iedereen
wist dat de dorpsveeartsen groote domooren waren; terwijl iedereen
ook wist, dat alle geneesheeren, ofschoon in verschillende mate,
wetenschappelijke mannen zijn, zoodat men zelfs in het kleinste
dorp zeker kon wezen dat men de hulp van een edelmoedig en bekwaam
man bekomt, wanneer men maar bij een dokter aanschelt. Bovendien,
ofschoon de aap slechts een dier is, volgens de natuurkundigen,
komt hij een mensch zoo nabij, dat hij ook de ziekten van een mensch
heeft. Was het niet van belang, ook uit een wetenschappelijk oogpunt,
om na te gaan in hoeverre die ziekten met de menschelijke ziekten
overeenstemmen, of daarvan afwijken?
De Italianen bezitten grooten tact om te vleien en de dokter kwam
eindelijk bij het bed.
Terwijl mijn meester sprak, had Joli-Coeur, die zeker geraden had
dat die heer met zijn bril een dokter was, wel tien keer zijn pootje
uitgestoken om gelaten te worden.
--Zie nu eens hoe verstandig die aap is; hij begrijpt dat u een dokter
is en hij steekt zijn poot uit, om zijn pols te laten voelen.
Dit gaf voor den dokter den doorslag.
--In ieder geval, zeide hij, is de zaak misschien niet van belang
ontbloot.
Voor ons was die zaak echter hoogst treurig en verontrustend; de arme
Joli-Coeur werd door een bloedspuwing bedreigd.
Het pootje, dat hij zoo dikwijls had uitgestoken, nam de dokter in
zijne hand en met zijn lancet opende hij een ader, zonder dat het
dier een kreet slaakte.
Hij wist dat dit het middel was om te genezen.
Na de aderlating kwamen de pappen en de drankjes.
Natuurlijk bleef ik niet in bed; ik werd de ziekenoppasser onder
leiding van Vitalis.
De arme Joli-Coeur wilde gaarne door mij verpleegd worden en hij
beloonde me met zijn vriendelijksten glimlach; zijn blik had iets
erg menschelijks.
Hij, anders zoo vroolijk, zoo dartel, zoo weerbarstig en altijd er op
uit om ons een streek te spelen, was thans de rust en gehoorzaamheid
zelve.
Het scheen dat hij behoefte had, dat men hem vriendschap betoonde;
hij vroeg die zelf van Capi, dien hij zoo vaak geplaagd had.
Als een bedorven kind wilde hij ons allen bij zich hebben en hij was
boos, als een van ons de kamer verliet.
Zijne ziekte had den gewonen loop, dien alle borstaandoeningen hebben;
weldra begon hij te hoesten en die hoest matte hem af door de gestadige
schokken, waaraan zijn lichaam was blootgesteld.
De vijf stuivers, die mijne geheele bezitting uitmaakten, besteedde
ik om sucre d'orge voor Joli-Coeur te koopen.
Ongelukkigerwijze werd hij daardoor erger inplaats van beter.
Aan zijn gewone opmerkzaamheid toch ontging het niet, dat ik hem
sucre d'orge gaf zoo dikwijls hij hoestte.
Van die opmerking maakte hij gebruik om elk oogenblik te hoesten,
teneinde zooveel te vaker het geneesmiddel te krijgen, dat hij zoo
lekker vond, zoodat hem dit, inplaats van te genezen erger maakte.
Toen ik zijn list had begrepen, hield ik mijn sucre d'orge terug, maar
dit ontmoedigde hem niet; hij begon mij met smeekende oogen aan te zien
en, als dit niet baatte, ging hij op zijn kussen zitten, en, in tweeën
gevouwen, met zijn hand op zijn buik, hoestte hij zoo erg als hij maar
kon; zijn gelaat werd rood; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op;
de tranen liepen hem over de wangen en hij eindigde met bijna te
stikken; thans was het geen komediespel meer, maar volkomen ernst.
Mijn meester had mij nooit inzage in zijne zaken gegeven en slechts
door eene toevallige omstandigheid had ik vernomen, dat hij zijn
horloge had moeten verkoopen, om mij een schapevacht te bezorgen. In
de moeilijke omstandigheden, welke wij nu beleefden, meende hij van
den regel te moeten afwijken.
Op een morgen, dat hij van het ontbijt terugkwam, terwijl ik bij
Joli-Coeur was gebleven, dien wij niet alleen lieten, deelde hij me
mede, dat de herbergier betaling gevraagd had voor hetgeen wij hem
schuldig waren en dat wij na de voldoening van diens rekening slechts
een gulden overhielden.
Wat nu te doen?
Natuurlijk wist ik geen antwoord op die vraag.
Hij zelf wist ook geen ander antwoord, dan dat wij nog dienzelfden
avond eene voorstelling gaven.
Eene voorstelling zonder Zerbino, zonder Dolce, zonder Joli-Coeur! Dit
scheen me onmogelijk.
Maar wij waren niet in een toestand om ons zelfs door het onmogelijke
te laten weerhouden. Wij moesten, wat het ook kosten mocht,
Joli-Coeur verplegen en redden; de dokter, de medicijnen, het vuur,
de kamer, alles eischte dat wij onmiddellijk tenminste twintig gulden
bijeenbrachten, teneinde den herbergier te betalen, die, als hij maar
ééns geld van ons gezien had, ons wel langer krediet zou geven.
Twintig gulden in dit dorp, met dit koude weer en de middelen die
ons ten dienste stonden--het zou wel een wonder zijn, als wij daarin
slaagden.
Inplaats dat mijn meester daarover bleef peinzen, nam hij terstond
maatregelen om hetgeen hij verlangde te verwezenlijken.
Terwijl ik onzen zieke verpleegde, zocht hij eene plaats waar wij
eene voorstelling konden geven op de overdekte markt, want in de
open lucht was het niet mogelijk bij zulk eene koude. Hij maakte
een tooneel met behulp van eenige planken en besteedde den gulden
om kaarsen te koopen, die hij half doorsneed om het aantal lichtjes
dubbel zoo groot te maken.
Uit het raam van onze kamer zag ik hem heen-en-weer loopen in
de sneeuw, bij herhaling de herberg voorbijgaande en niet zonder
angst vroeg ik mijzelven af, waaruit de voorstelling van dien avond
bestaan zou.
Weldra kwam ik ook dit te vernemen: de tamboer van het dorp, met
zijn roode soldatenmuts op het hoofd, hield voor de herberg stand,
en na een prachtigen langen roffel las hij het programma voor.
Hoe dit was samengesteld, laat zich wel denken. Vitalis had de
buitensporigste dingen beloofd: er was sprake van een "kunstenaar
door het gansche heelal beroemd",--dat was Capi--en van een jeugdigen
zanger, die een "wonderkind" was.--Dat wonderkind was ik.
Maar het belangrijkste gedeelte van dit programma was de slotbepaling:
men behoefde niets te betalen; wat men geven wilde liet Vitalis geheel
over aan de mildheid van het geachte publiek, dat eerst zijn giften
zou offeren na gehoord, gezien en toegejuicht te hebben.
Dit scheen me nogal gewaagd toe, want het was zeer de vraag óf
men ons zou toejuichen. Capi verdiende werkelijk beroemd te worden
genoemd; maar ik voor mij was volstrekt niet overtuigd, dat ik een
wonderkind was.
Toen hij den tamboer hoorde, had Capi vroolijk geblaft en Joli-Coeur
had zich half opgelicht, ofschoon hij op dat oogenblik erg ziek was;
beiden hadden begrepen, dat het eene voorstelling gold.
Dit idée, dat ook bij mij opkwam, werd spoedig bevestigd door eene
pantomime van Joli-Coeur; die wilde volstrekt opstaan en ik kon hem
met geen geweld terughouden; hij verlangde zijn generaals-uniform,
zijn rooden rok en broek met goud galon en zijn steek met pluimen.
Hij vouwde de handen en wierp zich op de knieën om mij te smeeken.
Toen hij zag, dat hij door smeeken niets verkreeg, werd hij boos en
eindelijk stortte hij tranen.
Het leed geen twijfel, of wij zouden groote moeite hebben om hem
te bewegen afstand te doen van zijn plan om dien avond eene rol te
vervullen en ik dacht, dat het onder deze omstandigheden het best was,
om ons vertrek voor hem geheim te houden.
Ongelukkig hoorde hij het bevel van Vitalis, die niet wist wat er
gedurende zijne afwezigheid had plaats gegrepen, dat ik mijne harp en
alles wat voor eene voorstelling noodig was, in gereedheid zou brengen.
Bij die woorden, die Joli-Coeur maar al te goed begreep, begon hij
opnieuw te smeeken, maar nu wendde hij zich tot onzen meester. Al had
hij kunnen spreken, dan had hij zeker zijn wensch niet beter kunnen
uitdrukken dan hij nu deed door de verschillende geluiden, welke hij
maakte, door het vertrekken van zijn gelaatsspieren en de beweging van
zijn geheele lichaam. Het waren echte tranen, die langs zijn wangen
biggelden en echte kussen, die hij op de handen van Vitalis drukte.
--Wil-je meespelen? vroeg deze.
--Ja, ja, gaf Joli-Coeur met zijn gansche lichaam te kennen.
--Maar je bent ziek, arme Joli-Coeur.
--Ik ben niet meer ziek, antwoordde hij met zijne sprekende gebaren.
Het was roerend te zien hoe de arme, kleine zieke die slechts met
moeite ademhaalde, bad en smeekte en de grimassen die hij maakte,
en de houdingen die hij aannam, om ons te bewegen; maar toe te staan
wat hij vroeg, ware zijn doodvonnis geweest.
Het oogenblik was gekomen, dat wij ons naar de markt moesten begeven;
ik maakte een lekker vuur aan met eenige beukenblokken, die lang
konden branden. Toen wikkelde ik hem in zijn dekens en de arme, kleine
Joli-Coeur weende heete tranen en omhelsde mij keer op keer. Toen
gingen wij heen.
Terwijl wij over de sneeuw voortschreden, vertelde mij Vitalis wat
ik doen moest.
Er kon natuurlijk geen sprake wezen van onze gewone voorstellingen,
daar onze voornaamste acteurs ontbraken; maar Capi en ik moesten nu
ook al ons talent ten beste geven. Het was volstrekt noodig dat wij
twintig gulden ontvingen.
Twintig gulden! Dat was een vreeselijke som.
Alles was door Vitalis in orde gemaakt; wij behoefden nog maar de
kaarsen aan te steken, maar dit was eene weelde, waartoe wij eerst
overgingen toen de zaal nagenoeg gevuld was, immers wij moesten zorgen,
dat het licht niet uitging vóór het einde van de voorstelling.
Terwijl wij ons tooneel in bezit namen, ging de tamboer nogmaals
voor het laatst trommelend de straten door en wij hoorden zijn roffel
nu eens van verre dan van dichterbij, naarmate de straten verder of
minder ver van ons verwijderd lagen.
Nadat ik Capi en mijzelven had aangekleed, vatte ik post achter een
pilaar, om te zien wie er kwam.
Weldra naderde de tamboer weder en wij hoorden een onbestemd gedruisch
op straat: het was het gedreun van een twintigtal straatjongens,
die in den pas liepen, den tamboer volgende.
Zonder met zijn roffel op te houden, zette de tamboer zich tusschen
een paar lichten neder, die aan den ingang van ons tooneel waren
gesteld en het publiek behoefde slechts plaats te nemen in afwachting,
dat de voorstelling beginnen zou.
Helaas! het kwam slechts zeer traag op en nochtans ging de tamboer
voort aan den ingang zijn ram-plam-plam te doen hooren. Al de
straatjongens hadden plaats genomen, maar van hen hadden wij geen
twintig gulden te wachten: wij moesten gezeten burgers hebben met eene
goed gevulde beurs en geneigd om die te openen. Eindelijk besloot mijn
meester de voorstelling te doen beginnen, hoewel de zaal op verre na
niet gevuld was. Maar wij konden niet langer wachten, daar de kaarsen
waren aangestoken.
Het eerst moest ik zelf op het tooneel komen. Ik zong twee liederen,
mij met mijn harp accompagneerende. Openhartig moet ik erkennen,
dat de toejuichingen zeer schaarsch waren.
Ik heb nooit groote eigenliefde gehad als acteur, maar in deze
omstandigheden deed mij die koelheid van het publiek zeer veel
leed. Immers nu ik niet toegejuicht werd, was er niet veel kans op
eene ruime ontvangst. Het was waarlijk niet om de eer, dat ik zong:
't was voor mijn armen Joli-Coeur. O, hoe gaarne had ik dat publiek
willen behagen, neen, in verrukking brengen, met geestdrift vervullen;
maar voor zooveel ik zien kon in dit gewelf, door allerlei zonderlinge
schaduwen gevuld, scheen het mij toe, dat men in mij volstrekt geen
wonder zag.
Capi was gelukkiger; men juichte hem bij herhaling en luide toe.
De voorstelling duurde voort; dank zij Capi, eindigde zij onder luide
bravo's; niet slechts klapte men in de handen, maar men trapte zelfs
met de voeten.
Het beslissende oogenblik was gekomen. Terwijl ik, door Vitalis
geaccompagneerd, een spaanschen dans uitvoerde, ging Capi met het
bakje in zijn bek alle banken van het publiek langs.
Ik was buiten adem; toch danste ik nog altijd voort, want ik mocht
niet ophouden vóór dat Capi was teruggekomen; hij haastte zich niet
en als hij niets kreeg, tikte hij met zijn pootjes op den zak van hen,
die niets wilden geven.
Eindelijk zag ik hem terugkomen en ik was op het punt mijn dans te
eindigen, toen Vitalis mij een wenk gaf, dat ik voort zou gaan.
Ik danste dus voort en bij Capi komende, zag ik dat het bakje op
verre na niet gevuld was.
Vitalis zelf had met een oogopslag het bedrag van het ontvangen geld
begroot. Hij stond op en zeide:
--Ik geloof, zonder ons te vleien, te mogen verklaren, dat wij ons
programma zijn nagekomen; evenwel daar de kaarsen nog branden zal
ik, met goedvinden van het geëerde publiek, nog een paar liederen
voordragen. Capi zal dan nog eene inzameling houden en de heeren
en dames, welke den toegang tot hun zak nog niet konden vinden bij
zijn eersten omgang, zullen misschien ditmaal gelukkiger en handiger
zijn. Ik verzoek hun zich alvast gereed te maken.
Ofschoon Vitalis mijn onderwijzer in het zingen was geweest, had ik
hem zelf eigenlijk nog nooit hooren zingen en althans niet zooals
dien avond.
Hij koos twee liederen, die iedereen kent, maar die voor mij toen nog
vreemd waren. Ik was toen nog te jong om te kunnen beslissen of hij
mooi of leelijk zong, met of zonder kunst, maar dit mag ik zeggen,
dat de gewaarwording, welke zijne manier van zingen in mij opwekte,
mij in tranen deed uitbarsten, terwijl ik op een uithoek van het
tooneel aandachtig naar hem luisterde.
Door den nevel heen, die mijne oogen verduisterde, zag ik eene jonge
dame op den voorsten rang met geestdrift toejuichen. Ik had haar
vroeger al opgemerkt, want ze was geen boerin, zooals de andere vrouwen
onder het publiek. Zij was eene wezenlijke dame, schoon en, naar ik
opmaakte uit haar bont en mantel, de rijkste van het dorp. Naast haar
zat een knaapje, dat ook bijzonder toejuichte als Capi zijn kunstjes
deed. Het was zeker haar kind, want hij geleek sprekend op haar.
Na het eerste lied had Capi weder zijne inzameling gehouden en met
verbazing zag ik, dat de rijke dame niets op het bakje legde.
Toen mijn meester zijn lied geëindigd had, wenkte zij mij met de
hand. Ik ging naar haar toe.
--Ik wenschte uw meester te spreken, zeide zij.
Het verwonderde mij wel eenigszins dat die aanzienlijke dame mijn
meester wilde spreken. Zij had, dacht mij, beter gedaan met haar gift
op het bakje te leggen; maar ik deelde aan Vitalis haar wensch mede,
terwijl Capi onderwijl bij ons kwam.
De tweede inzameling had nog minder opgebracht dan de eerste.
--Wat wil de dame van mij? vroeg Vitalis.
--Zij wil u spreken.
--Ik heb haar niets te zeggen.
--Zij heeft niets gegeven aan Capi; misschien wil ze het hem nu geven.
--Dan moet Capi naar haar toe gaan en niet ik.
Nochtans ging hij, maar nam Capi met zich.
Ik volgde hem.
In dien tusschentijd was een bediende met een lantaarn en een reisdeken
gekomen en had achter de dame en den knaap postgevat.
Vitalis was haar genaderd en had gegroet, maar zeer koel.
--Ik vraag u verschooning dat ik u lastig val, maar ik wilde u mijn
compliment maken.
Vitalis boog zonder te antwoorden.
--Ik beoefen de muziek, ging zij voort, en dit zal wel voldoende zijn
om u te doen beseffen, dat ik gevoelig ben voor zulk een groot talent
als het uwe.
Een groot talent! En dat zou Vitalis bezitten, een straatzanger,
een man met gedresseerde honden! Ik was buiten mijzelven van verbazing.
--Een oud alledaagsch man als ik heeft geen talent, zeide Vitalis.
--Geloof niet dat onbescheiden nieuwsgierigheid mij beweegt, sprak
de dame.
--Ik zou anders zeer bereid zijn die nieuwsgierigheid te
bevredigen. Gij waart verwonderd een man met gedresseerde honden te
hooren zingen, of althans te doen of hij zong?
--Verrukt zelfs.
't Is evenwel doodeenvoudig; ik ben niet altijd geweest wat ik nu
ben. Voorheen, in mijne jeugd--dat is dus lang geleden--ben ik.... ja
ben ik de bediende van een groot zanger geweest, en uit zucht tot
nabootsing heb ik, als een papegaai, de stukken nagezongen, die mijn
meester instudeerde. Dat is de heele zaak.
De dame antwoordde niet, maar zij vestigde langen tijd haar blik op
Vitalis, die in verlegen houding voor haar bleef staan.
--Tot weerziens, mijnheer, sprak zij, den klemtoon op dit laatste woord
leggende, dat zij op een bizonderen toon uitsprak.--Tot weerziens, en
ontvang nogmaals mijn dank voor het genot, dat gij mij geschonken hebt.
Daarop boog zij zich tot Capi en legde een goudstuk in zijn bakje.
Ik dacht dat Vitalis deze dame naar haar plaats zou terugbrengen,
maar hij deed het niet, en toen zij zich verwijderd had, hoorde ik
hem eenige Italiaansche vloeken mompelen.
--Maar zij heeft aan Capi een goudstuk gegeven, zeide ik.
Ik dacht dat ik een klap zou krijgen; hij trok echter zijn opgeheven
hand terug.
--Een goudstuk, zeide hij, alsof hij uit een droom ontwaakte, o ja, het
is waar; arme Joli-Coeur, ik vergat hem; kom laten we naar hem toegaan.
Onze zaken waren spoedig geborgen en wij keerden naar de herberg terug.
Ik ging het eerst de trap op en trad de kamer snel binnen; het vuur
was niet uitgedoofd, maar toch zag men geen enkele vlam meer.
Ik stak haastig een kaars aan en zocht naar Joli-Coeur, daar ik hem
niet hoorde.
Hij lag op zijn mat uitgestrekt in zijn generaalsuniform en scheen
te slapen.
Ik bukte mij over hem heen en vatte hem bij een poot, om hem wakker
te maken.
Zijn poot was koud.
Op dit oogenblik trad Vitalis binnen.
Ik wendde mij tot hem.
--Joli-Coeur is koud.
Vitalis knielde naast mij neder.
--Helaas, sprak hij, hij is dood! Dat moest gebeuren. Ziet gij, Rémi,
het was verkeerd van mij, dat ik u niet bij mevrouw Milligan liet. Ik
ben ervoor gestraft. Zerbino, Dolce, en thans Joli-Coeur. En daarmede
is het nog niet gedaan.