DE VONDELING.

Gedurende deze reis was de tijd zeer snel omgegaan en de dag was

bijna aangebroken, waarop mijn meester de gevangenis zou verlaten.

Naarmate wij ons meer en meer van Toulouse verwijderden, werd de

gedachte daaraan voor mij kwellender.

Het was zoo heerlijk op een schip te zijn, zoo geheel zonder zorg of

kommer; maar ik moest terugkeeren en den weg, dien ik op het water

had afgelegd, moest ik te voet terugmaken.

Dat zou minder prettig wezen; ik zou dan geen zacht bed meer hebben,

geen melk drinken of taartjes eten en den avond nooit meer in zulk

een gezelligen kring doorbrengen.

Maar het meest speet mij toch, dat ik Arthur en mevrouw Milligan zou

moeten verlaten; ik zou hun liefde niet langer ondervinden en ook hen

verliezen, evenals ik vrouw Barberin reeds verloren had. Zou ik dan

altijd, wanneer ik van iemand hield, op zulk wreede wijze gescheiden

worden van hen, met wie ik mijn ganse leven zou willen doorbrengen?

Ik moet bekennen, dat dit de eenige sombere gedachte was, die in deze

gelukkige dagen bij mij opwelde.

Eindelijk op een morgen, besloot ik mijn verdriet aan mevrouw Milligan

te vertellen en haar te vragen in hoeveel tijd ik naar Toulouse zou

kunnen terugkeeren, want ik wilde gaarne voor de deur van de gevangenis

staan, als mijn meester die zou verlaten.

Toen ik van vertrekken sprak, begon Arthur te weenen.

--Rémi mag niet vertrekken! riep hij.

Ik gaf hem ten antwoord, dat ik mijn eigen baas niet was, dat ik aan

mijn meester behoorde, aan wien mijn ouders mij verhuurd hadden en

dat ik weder bij hem in dienst moest gaan, zoodra hij mij noodig had.

Ik sprak van mijn ouders, zonder te zeggen, dat zij mijn vader en

mijn moeder niet waren, want dan zou ik tevens hebben moeten bekennen,

dat ik slechts een vondeling was; en die schande te vertellen, kon ik

niet over mij verkrijgen, daar ik altijd onnoemlijk veel geleden had,

als ik zag, hoe de kinderen uit het gesticht in ons dorp behandeld

werden. Een vondeling! Het scheen mij toe, dat er geen ellendiger

wezens op deze wereld waren.

Mijn meester wist, dat ik een vondeling was, maar hij was mijn meester,

en toch zou ik liever op de plaats zelf dood zijn neergevallen, dan

aan mevrouw Milligan en Arthur, die mij in hun kring hadden opgenomen,

bekend te hebben, dat ik een vondeling was; zouden zij mij dan niet

met afkeer van zich hebben gestooten?

--Mama, gij moet Rémi hier houden, vervolgde Arthur, die, als het niet

zijn werk betrof, het meest te zeggen had en alles van haar verkreeg,

wat hij verlangde.

--Ik zou Rémi gaarne bij mij doen blijven, antwoordde mevrouw Milligan,

gij houdt veel van hem en ook ik ben hem zeer genegen; maar om hem

bij ons te houden, moeten wij het eerst omtrent twee voorwaarden eens

zijn, die van u noch van mij afhankelijk zijn. In de eerste plaats:

wil Rémi bij ons blijven....

--O, Rémi wil wel, viel Arthur haar in de rede; niet waar Rémi,

gij wilt liever niet naar Toulouse terugkeeren?

--Ten tweede, vervolgde mevrouw Milligan, zonder mijn antwoord af te

wachten, moet zijn meester eerst van de rechten, die hij op hem heeft,

afstand doen.

--Rémi, Rémi! in de eerste plaats, viel Arthur haar in de rede.

Vitalis was ontegenzeglijk een goed meester voor mij geweest en ik

was hem ook oprecht dankbaar voor zijne lessen, maar er was geen

vergelijking te maken tusschen het leven, dat ik bij hem leidde

en dat, hetwelk mevrouw Milligan mij aanbood; ook zou ik moeilijk

een vergelijking kunnen maken tusschen de genegenheid, welke ik

voor Vitalis gevoelde en die, welke mevrouw Milligan en Arthur mij

inboezemden.

Als ik daaraan dacht, dan zeide ik wel tot mezelf, dat het slecht van

mij was om die vreemde menschen boven mijn meester te stellen, maar het

was de waarheid; ik hield innig veel van mevrouw Milligan en Arthur.

--Voordat Rémi hierop antwoordt, vervolgde zij, moet hij goed bedenken,

dat het geen leven van louter pleizier is, dat ik hem aanbied, maar

dat hij wel degelijk moet werken; hij moet studeeren en Arthur in al

zijn lessen volgen; hij moet dit wel in overweging nemen en vergelijken

met zijn vorige vrijheid.

--Dit kan niet tegen elkander opwegen, mevrouw, dat verzeker ik u en

ik gevoel volkomen welk een waarde uw voorstel voor mij heeft.

--Ziet ge nu wel, mama! riep Arthur, Rémi wil wel.

En hij klapte in zijn handen van genoegen. Blijkbaar had ik hem uit

de ongerustheid geholpen, want toen zijn moeder van werken en boeken

sprak, had zijn gelaat een angstiger uitdrukking aangenomen. Als ik

eens weigerde! en deze vrees moet zeer groot bij hem geweest zijn,

daar hij een afkeer had van boeken. Gelukkig echter koesterde ik

niet denzelfden angst en in plaats dat ik een afkeer van boeken had,

trokken zij mij veeleer aan. Wel is waar, had ik er nog niet veel

gelezen, maar de boeken welke men mij gegeven had, hadden mij altijd

meer genot dan verdriet verschaft. Het aanbod van mevrouw Milligan

maakte mij dan ook zeer gelukkig en ik meende het oprecht, toen ik

haar bedankte voor haar edelmoedigheid. Ik behoefde dus _De Zwaan_

niet te verlaten en van dit heerlijk leven zou ik geen afscheid nemen;

ik behoefde van Arthur en zijn moeder niet te scheiden.

--Wij hebben nu nog slechts de toestemming van zijn meester noodig,

ging mevrouw Milligan voort; ik zal hem schrijven en zeggen, dat hij

ons te Cette vinden kan, daar wij niet meer naar Toulouse kunnen

terugkeeren; ik zal hem de reiskosten overmaken en wanneer ik hem

uitgelegd heb, waarom wij niet met den trein kunnen gaan, dan hoop

ik, dat hij mijn uitnoodiging zal aannemen. Als hij mijn voorstel

goedkeurt, dan behoef ik het nog maar met Rémi's ouders eens te worden,

want ook zij moeten hierin geraadpleegd worden.

Tot nogtoe was het gesprek voor mij geheel naar wensch geloopen;

het was alsof een goede fee mij met haar staf had aangeraakt;

maar deze laatste woorden brachten mij op een wreede wijze tot de

werkelijkheid terug.

Mijn ouders raadplegen!

Ongetwijfeld zouden deze alles vertellen, wat ik verzwijgen wilde. De

waarheid zou aan het licht komen. Een vondeling!

Dan zou Arthur noch zijn moeder mij meer willen kennen; dan zou de

genegenheid, die zij voor mij hadden opgevat, geheel verdwijnen;

de herinnering aan mij zou hun zelfs onaangenaam worden. Arthur

zou met geen vondeling gespeeld hebben; deze zou nooit zijn makker,

zijn vriend, bijna zijn broer zijn geweest.

Ik stond als vastgenageld aan den grond.

Mevrouw Milligan zag mij uiterst verbaasd aan. Zij wilde, dat ik

spreken zou, maar ik durfde hare vragen niet beantwoorden; toen

meende zij echter zeker, dat de gedachte aan de naderende komst van

mijn meester mij zoo aandeed, want zij drong niet langer bij mij aan.

Gelukkig vond dit gesprek 's avonds plaats, weinige uren vóór dat

wij ons te rust begaven; ik kon mij dus spoedig aan de nieuwsgierige

blikken van Arthur onttrekken en mij in mijn hut met mijn angsten en

zorgen opsluiten.

Dat was mijn eerste slapelooze nacht, dien ik op _De Zwaan_ doorbracht.

Wat zou ik zeggen? wat moest ik doen?

Ik vond geen uitkomst.

En nadat ik honderdmaal van gedachten veranderd was, de meest

tegenstrijdige denkbeelden elkander waren opgevolgd, kwam ik eindelijk

tot het besluit niets te doen en niets te zeggen. Ik zou alles zijn

gewonen loop laten gaan en mij aan mijn lot onderwerpen, wat er ook

gebeuren mocht.

Misschien wilde Vitalis geen afstand van mij doen en dan zou de

waarheid ook nooit bekend worden.

En zoozeer vreesde ik, dat de waarheid aan het licht zou komen,

dat ik zelfs begon te hopen, dat Vitalis het voorstel van mevrouw

Milligan niet aannemen zou.

Ik moest van Arthur en zijn moeder scheiden, om ze nooit weer te

zien, maar in elk geval mochten zij geen onaangename herinnering aan

mij houden.

Drie dagen later ontving mevrouw Milligan een brief van mijn meester,

dat hij den daaropvolgenden Zaterdag met den trein van twee uur te

Cette zou komen.

Ik vroeg aan mevrouw Milligan verlof om naar het station te gaan en

de honden en Joli-Coeur met mij mede te nemen, om onzen meester op

te wachten.

De honden waren onrustig, alsof zij eenig vermoeden hadden van

hetgeen gebeuren zou. Joli-Coeur was onverschillig en ik zelf voelde

mij geducht zenuwachtig. Er zou thans een beslissing over mijn leven

genomen worden. O, als ik maar gedurfd had, hoe gaarne zou ik Vitalis

gesmeekt hebben, niet te vertellen, dat ik een vondeling was.

Ik was in een hoekje van het station gaan staan; met mijn drie honden

aan een touw naast mij en Joli-Coeur onder mijn jas, wachtte ik hem

daar op, zonder acht te slaan op hetgeen om mij heen gebeurde.

De honden waarschuwden mij, dat de trein aangekomen was, en zij onzen

meester geroken hadden. Plotseling voelde ik mij voorttrekken en daar

ik niet op mijn hoede was, ontsnapten de honden mij. Zij sprongen

op Vitalis toe en dezen zag ik eensklaps voor mij in zijn bekend

gewaad. Capi was reeds in zijn armen gesprongen en Zerbino en Dolce

klauterden tegen zijn beenen op.

Ik ging thans op mijn beurt naar hem toe, en toen Vitalis Capi op den

grond had gezet, drukte hij mij in zijn armen. Dit deed hij voor de

eerste maal en hij prevelde herhaaldelijk:

--_Buon di, povero caro_!

Mijn meester had mij nooit mishandeld, maar hij was toch ook nooit

bijzonder zacht tegen mij geweest en ik was dergelijke ontboezemingen

niet van hem gewoon; zij troffen mij dus te sterker en de tranen

stonden in mijn oogen, want ik was in een toestand, waarin het hart

zich spoedig ontsluit.

Ik zag hem aan en ik bespeurde, dat hij in de gevangenis veel verouderd

was; hij ging lang zoo recht niet meer; zijn houding was gebogen,

de blos was van zijn wangen verdwenen en zijn lippen waren kleurloos.

--Gij vindt mij veranderd, niet waar? De gevangenis is een ongezond

verblijf en de verveling een kwade ziekte; maar dat zal nu allemaal

wel overgaan.

Hij veranderde toen plotseling van onderwerp en vroeg:

--Hoe hebt gij die dame leeren kennen, die mij geschreven heeft?

Toen vertelde ik hem mijne ontmoeting met _De Zwaan_ en hoe ik sedert

dien tijd bij mevrouw Milligan en Arthur geleefd had, wat wij gezien en

gedaan hadden. Mijn verhaal duurde zeer lang, daar ik bang was om aan

het einde te komen en onderweg te spreken over hetgeen mij zooveel

angst aanjoeg; want ik zou nooit aan mijn meester durven zeggen,

dat ik hem verlaten wilde, om bij mevrouw en Arthur te blijven.

Maar ik behoefde hem deze bekentenis nooit te doen, want wij waren

het hotel genaderd, waar mevrouw Milligan haar intrek genomen had,

vóór dat ik mijn verhaal had geëindigd. Vitalis sprak mij bovendien

in het geheel niet van den brief, dien hij had ontvangen, evenmin

als van het voorstel, dat zij hem waarschijnlijk daarin gedaan had.

--En die dame wacht mij? vroeg hij, toen wij het hotel binnentraden.

--Ja, ik zal u naar haar kamer brengen.

--Dat is onnoodig, zeg mij het nommer maar; dan kunt gij hier met

Joli-Coeur en de honden op mij wachten.

Als mijn meester iets zeide, dan was ik niet gewoon hem tegen te

spreken; toch waagde ik eene opmerking en verzocht hem opnieuw,

hem naar mevrouw Milligan te mogen vergezellen, wat mij niet meer

dan billijk en natuurlijk toescheen; maar met een wenk, legde hij

mij het zwijgen op en ik moest hem wel gehoorzamen. Ik bleef in de

gang, met de honden bij mij, op een bank wachten. Zij wilden hem ook

volgen, maar zij durfden evenmin zich verzetten als ik: Vitalis wist

gehoorzaamd te worden.

Waarom wilde hij niet, dat ik tegenwoordig zou zijn bij het onderhoud,

dat hij met mevrouw Milligan hebben zou? Dit vroeg ik mezelf gedurig

af en beschouwde deze vraag van alle zijden. Ik had zelfs nog geen

antwoord daarop gevonden, toen ik hem reeds zag terugkomen.

--Ga van deze dame afscheid nemen, zeide hij; ik wacht u hier, binnen

tien minuten zijn wij vertrokken.

Ik was buiten mezelf van schrik.

--Welnu, hervatte hij na een oogenblik, begrijpt gij mij niet? Gij

blijft daar staan, alsof ge stom zijt: haast u!

Het was zijn gewoonte niet om mij op zulk een harden toon toe te

spreken, en zoolang ik bij hem was, had hij nog nooit zoo iets tegen

mij gezegd.

Ik stond op om werktuiglijk, zonder hem te begrijpen, hem te

gehoorzamen.

Maar toen ik eenige schreden gedaan had, vroeg ik hem:

--Gij hebt dus gezegd....

--Ik heb gezegd, dat gij mij van dienst waart en dat ik u van het

hoogste nut was; dus, dat ik niet van plan was, om van mijn rechten

afstand te doen; ga en kom spoedig terug.

Dat gaf mij weder eenigen moed, want ik verkeerde geheel-en-al onder

den invloed van het besef een vondeling te zijn en verbeeldde mij,

dat, indien wij binnen tien minuten vertrokken moesten zijn, het was

omdat mijn meester mijn geboorte had verteld.

Toen ik binnentrad, vond ik Arthur in tranen badende, terwijl mevrouw

Milligan zich over hem heenboog, om hem te troosten.

--Gij gaat immers niet vertrekken, Rémi! riep Arthur uit.

Mevrouw Milligan antwoordde hem in mijne plaats en vertelde hem,

dat ik gehoorzamen moest.

--Ik heb uw meester verzocht u bij ons te mogen houden, zeide zij,

op een toon, die mij de tranen in de oogen deed komen, maar hij

wilde er niet in toestemmen en niets heeft hem van zijn besluit

kunnen afbrengen.

--Het is een slechte man! riep Arthur.

--Neen, het is geen slechte man, sprak zijn moeder; gij zijt hem van

dienst en ik geloof bovendien, dat hij veel van u houdt. Uit zijn

spreken kan men opmaken, dat hij een fatsoenlijk man is en dat hij het

vroeger stellig beter gehad heeft. Om mij zijn weigering te verklaren,

zeide hij: "ik houd van dat kind en hij van mij; het leven dat hij

bij mij leidt is hem van meer nut dan de dienstbaarheid waarin hij,

ondanks u zelve, bij u verkeert. Gij zoudt hem laten leeren en een

rijke opvoeding geven, dat is waar; gij zoudt zijn geest vormen, maar

niet zijn karakter. Hij kan uw zoon niet wezen; hij zal de mijne zijn;

dat is beter voor hem, dan dat hij de speelbal van uw ziek kind is,

en hoe goed en braaf deze knaap mij ook schijnt, zal ik hem toch een

opvoeding weten te geven."

--Maar hij is toch de vader niet van Rémi! riep Arthur.

--Hij is zijn vader niet, daar hebt gij gelijk in, maar hij is

zijn meester en Rémi behoort hem toe, daar zijn ouders hem verhuurd

hebben. Voor het oogenblik moet Rémi hem gehoorzamen.

--Rémi mag niet vertrekken.

--Hij moet zijn meester volgen, maar ik hoop slechts voor korten

tijd. Wij zullen aan zijn ouders schrijven en ik zal het met hen wel

in orde brengen.

--O, neen! riep ik uit.

--Wat, niet?

--O, neen, als het u belieft, niet!

--Dat is toch het eenige middel, mijn jongen.

--Och, doe dat niet!

Zeker zou mijn afscheid langer geduurd hebben dan tien minuten,

zoo mevrouw Milligan niet van mijn ouders gesproken had.

--Zij wonen te Chavanon, niet waar? vervolgde zij.

Zonder haar te antwoorden, trad ik naar Arthur toe en hem in mijn

armen nemende, kuste ik hem herhaaldelijk en in mijn kus lag al de

broederlijke genegenheid, die ik voor hem gevoelde. Ik rukte mij toen

uit zijn omhelzing los en mij naar zijn moeder keerende knielde ik

voor haar neder en drukte een kus op haar hand.

--Arme jongen! stamelde zij, terwijl zij zich over mij heenboog en

ook zij gaf mij een kus op het voorhoofd.

Ik richtte mij toen plotseling op en snelde naar de deur.

--Arthur, ik zal altijd van u blijven houden, zeide ik snikkend,

en u mevrouw, nooit zal ik u vergeten.

--Rémi! Rémi! steunde Arthur.

Maar ik hoorde niets meer; ik was verdwenen en had de deur achter

mij gesloten.

Een oogenblik later stond ik naast mijn meester.

--En nu vooruit! zeide hij.

Wij verlieten Cette en sloegen den weg naar Frontignan in.

Zoo verliet ik mijn eersten vriend en tal van lotgevallen werden mijn

deel, waarvoor ik anders bespaard zou zijn gebleven, indien ik niet

het slachtoffer van een afschuwelijk vooroordeel ware geweest en mij

niet door een dwaze vrees had laten beheerschen.

Alleen op de Wereld · 第 30 / 95 题