Toen ik met een bezwaard hart en betraande oogen in de herberg
terugkeerde, zag de waard, die in de gang stond, mij strak aan.
Ik wilde haastig doorloopen om naar de honden te gaan, toen hij
mij tegenhield.
--En wat zeide uw meester? vroeg hij mij.
--Hij is veroordeeld.
--Tot hoelang?
--Tot twee maanden gevangenisstraf.
--En tot hoeveel boete?
--Tot vijftig gulden.
--Twee maanden, vijftig gulden, herhaalde hij drie of vier keer. Ik
wilde doorgaan; opnieuw hield hij mij terug.
--En wat wilt gij gedurende die twee maanden uitvoeren?
--Ik weet het niet, mijnheer.
--Wat, weet ge dat niet? Ge hebt toch zeker geld genoeg om van te
leven en voedsel aan uw dieren te geven, denk ik?
--Neen mijnheer.
--Rekent gij er dan op, dat ik u al dien tijd huisvesting zal geven?
--O neen, mijnheer, ik reken op niets.
Ik sprak de zuivere waarheid; ik rekende op niemand.
--Welnu, kereltje, vervolgde de herbergier, daar hebt gij gelijk in;
uw meester is mij reeds een aanzienlijke som schuldig; ik kan u twee
maanden lang geen krediet geven, zonder te weten of ik op stuk van
zaken betaald zal worden. Gij moet hier dus vandaan.
--Hier vandaan--maar waar moet ik dan heen, mijnheer?
--Dat is mijn zaak niet; ik ben uw vader niet, nog minder uw
meester. Waarom zou ik voor u zorgen?
Ik bleef een oogenblik verstomd staan. Wat zou ik hem antwoorden? De
man had gelijk: waarom zou hij mij bij zich nemen? ik zou hem slechts
tot last wezen.
--Vooruit, jongetje, haal uw honden en aap, zoo gauw mogelijk. Gij
laat de reistasch van uw meester bij mij, dat spreekt vanzelf, en
als hij uit de gevangenis komt, zal hij haar stellig ophalen en dan
kunnen wij tevens onze rekening vereffenen.
Deze woorden brachten mij op een denkbeeld; ik meende een middel
gevonden te hebben om in deze herberg te blijven.
--Daar gij er zeker van zijt, dat alles u dan betaald zal worden,
houd mij dan zoolang bij u en gij kunt dan mijne uitgaven bij die
van mijn meester optellen.
--Gelooft gij dat, ventje? Uw meester zal mij wel voor eenige dagen,
maar niet voor twee maanden kunnen betalen.
--Ik zal heel weinig eten, indien ge dat toestaat.
--En uw dieren dan? Neen, gij ziet wel, dat gij vertrekken moet! Gij
vindt in het een of ander dorp wel voldoende werk, waarmede gij den
kost kunt verdienen.
--Maar mijnheer, waar moet mijn meester mij dan zoeken, wanneer hij
uit de gevangenis komt? Hij zal mij ongetwijfeld hier komen halen.
--Gij kunt dien dag dan terugkomen. Gij kunt van hier uit een tocht
maken van twee maanden en de badplaatsen bezoeken, waar gij stellig
veel geld zult verdienen.
--En als mijn meester mij schrijft?
--Ik zal al zijn brieven bewaren.
--Maar dan kan ik hem niet antwoorden.
--Och, je verveelt mij met al die vragen. Ik heb je gezegd, dat je
vertrekken moet en wel zoo spoedig mogelijk; ik geef je vijf minuten
om je gereed te maken; en zoo ik je hier nog vind, als ik terugkom,
krijg je met mij te doen.
Ik gevoelde wel dat langer bij hem aan te houden, mij niets zou
baten. Zooals de waard zeide, moest ik "hier vandaan." Ik begaf
mij naar den stal, en toen ik de honden en Joli-Coeur bij elkander
geroepen had, na mijn tasch gesloten en die met mijn harp over mijn
schouder gehangen te hebben, verliet ik de herberg.
De waard stond op den drempel mij op te wachten.--Als er een brief
komt, riep hij mij nog na, zal ik hem voor je bewaren.
Ik haastte mij om de stad te verlaten, want mijn honden hadden geen
muilbanden voor. Wat zou ik antwoorden als mij een agent van politie
tegenkwam? Dat ik geen geld had om muilbanden te betalen? Dat was
de waarheid; want als ik al mijn geld optelde, kon ik niet meer bij
elkander krijgen dan elf stuivers. En dat was niet genoeg voor zulk
een toestel. Zou hij mij dan ook niet in hechtenis nemen? Als mijn
meester en ik beiden in de gevangenis waren, wat zou er dan van de
honden en van Joli-Coeur worden! Ik, die geheel alleen op de wereld
stond, die vader noch moeder bezat, was op dit oogenblik directeur
van een tooneelgezelschap en hoofd van een gezin en ik gevoelde dus
de groote verantwoordelijkheid, die op mij rustte.
Terwijl wij haastig voortliepen, hieven de honden telkens hun kopjes
op en zagen mij met een smeekenden blik aan, alsof zij zeggen wilden:
wij hebben honger.
Joli-Coeur, die op mijn reiszak zat, trok mij van tijd tot tijd aan
mijn oor, om mij te dwingen naar hem om te zien. Hij wreef dan over
zijn maag, hetgeen niet minder duidelijk zijn bedoeling te kennen
gaf dan de blik der honden.
Ik had hun ook wel kunnen vertellen, dat ik honger had, want ik had
evenmin als zij ontbeten, maar wat zou dat geholpen hebben?
Mijn elf stuivers konden ons geen ontbijt en een middagmaal
verschaffen; wij moesten ons dus met één maal tevreden stellen, dat
wij middenop den dag zouden gebruiken en dat voor twee gelden moest.
Daar de herberg, die wij verlaten hadden, op den weg naar Monpellier
gelegen was, volgden wij natuurlijk die richting.
In mijn haast om een stad te verlaten, waarin wij gevaar liepen een
agent van politie te ontmoeten, had ik mezelf geen rekenschap gegeven,
waarheen de weg leidde; ik wilde niets liever dan mij zoo ver mogelijk
van Toulouse verwijderen; al het overige was mij onverschillig. Naar
welk land ik heenging, boezemde mij weinig belang in; overal waar
ik at en sliep, zou men geld van mij eischen; de vraag waar ik een
onderkomen zou vinden, was voor mij ook wel van het minste gewicht:
het was in het hartje van den zomer en wij konden dus wel onder den
blooten hemel slapen.
Maar eten?
Ik geloof, dat ik wel twee uur lang, zonder ophouden, voortliep,
niettegenstaande de honden mij telkens smeekend aanzagen en Joli-Coeur
mij aan het oor trok en hoe langer hoe harder zijn maag wreef.
Eindelijk achtte ik me ver genoeg van Toulouse verwijderd om niet
bevreesd te zijn, dat ik mijn honden zou moeten muilbanden en ik trad
den eersten den besten bakkerswinkel binnen. Ik vroeg om een brood
van anderhalf pond.
--Gij moogt er wel een van twee pond nemen, zeide de bakkersvrouw;
daar zult gij met uw menagerie niet eens te veel aan hebben, want
die arme dieren moogt ge wel goed voeden.
De vrouw had gelijk, want al nam ik een brood van twee pond, dan
zouden we elk nog maar een half pond krijgen, maar helaas, dat was
mij te duur. Het brood kostte vijf stuivers het pond en als ik er
twee nam, dan zou mij dat tien stuivers kosten, zoodat ik van mijn
elf stuivers nog slechts een stuiver zou overhouden.
Ik durfde niet tot zulk een groote uitgave overgaan, zonder dat ik
wist, wat ik den anderen dag verdienen kon. Ik zou, wanneer ik nu
slechts anderhalf pond kocht, morgen altijd nog genoeg overhebben om
niet van honger om te komen en naar eene gelegenheid om wat geld te
verdienen uit te zien.
Spoedig had ik deze berekening gemaakt en ik zeide op geruststellenden
toon tot de bakkersvrouw, dat anderhalf pond wel genoeg was en zij
niet meer moest afwegen.
--Goed, goed, gaf zij ten antwoord.
En zij sneed mij van een groot brood, dat wij gemakkelijk geheel
hadden kunnen opeten, de hoeveelheid af en legde die op de weegschaal
waartegen zij even duwde.
--Dat is wat te veel, zeide zij, nu, dat zullen we dan voor die twee
centen rekenen.
En zij liet de acht stuivers in haar laadje glijden.
Ik heb wel eens gezien, dat menschen de centen, die zij ontvingen,
teruggaven met de woorden, dat zij niet wisten, wat daarmede te doen;
ik zou zeker die, welke mij toekwamen, niet hebben afgestaan: toch
durfde ik ze niet terugeischen en verliet ik zonder een woord te
zeggen den winkel met mijn brood onder den arm.
De honden waren uitgelaten van vreugde en deden niets dan tegen mij
opspringen, terwijl Joli-Coeur mij onophoudelijk aan de haren trok.
Wij liepen nu niet ver meer.
Bij den eersten boom aan den weg, legde ik mijn harp en tasch op den
grond en strekte ik mij op het gras uit; de honden gingen over mij
zitten, Capi in het midden en aan weerskanten van haar Zerbino en
Dolce; wat Joli-Coeur betrof, hij bleef staan, daar hij niet vermoeid
was, om de stukjes brood op een onverwacht oogenblik weg te nemen.
Het verdeelen van het brood was nog een zeer moeielijke zaak; ik
maakte vijf zoo gelijk mogelijke deelen, en opdat er geen kruimeltje
verloren zou gaan, sneed ik die weder in kleine stukjes; ieder kreeg
dus op zijn beurt een snede.
Joli-Coeur, die minder voedsel noodig had dan wij, had nog de beste
partij, want hij had geen trek meer, toen wij nog uitgehongerd
waren. Ik nam van zijn deel drie stukjes, die ik in mijn reistasch
opborg om ze voor de honden te bewaren.
Hoewel dit geen feestmaal was, waarbij toosten geslagen moesten worden,
meende ik toch dat het een geschikt oogenblik was om een enkel woord
tot mijn makkers te spreken. Ik beschouwde mij zelf natuurlijk als
het hoofd, maar ik geloofde me toch niet genoeg boven hen verheven
om hen geen deelgenoot te maken van de ernstige omstandigheden,
waarin wij ons bevonden.
Capi had stellig mijne bedoelingen gevat, want zijn verstandige oogen
hield hij strak op mij gericht.
--Ja vrienden, ik heb u een slechte tijding mede te deelen: onze
meester blijft twee maanden van ons weg.
--Ouah! blafte Capi.
--Dat is in de eerste plaats voor hem zeer treurig en ook voor
ons. Want hij verdiende den kost voor ons en gedurende zijn afwezigheid
zullen we ons in een zeer ellendigen toestand bevinden. Wij hebben
geen geld.
Bij deze woorden, die hij zeer goed verstond, stond Capi plotseling
op zijn achterste pooten en liep hij in het rond op de wijze als hij
met zijn bakje de ronde deed bij het geëerde publiek.
--Gij wilt, dat wij onze voorstellingen zullen voortzetten; dat is
zeker een goede raad, dien gij geeft; maar zullen wij daarmede iets
verdienen? Daarop komt alles aan. Als wij niet slagen, dan bestaat
ons geheele fortuin uit drie stuivers. Wij moeten dan onze magen
maar sluiten. Daar de zaken zoo staan, hoop ik, dat gij zult inzien,
in welke droevige omstandigheden wij verkeeren en dat gij al uw
krachten zult inspannen om de gunst van het publiek te winnen. Ik
vraag slechts gehoorzaamheid, matigheid en moed. Laten wij elkander
bijstaan en rekent gij op mij, evenals ik op u reken.
Ik durf niet beweren, dat mijn makkers den schoonen vorm van mijn
redevoering vatten, maar zeker is het, dat zij den algemeenen zin ervan
begrepen. Zij wisten, dat door de afwezigheid van mijn meester er iets
van het grootste gewicht gebeurd was en zij verwachtten van mij eene
verklaring. Indien zij niet alles begrepen, wat ik zeide, zij waren
ten minste voldaan over de wijze, waarop ik tegenover hen handelde,
en zij toonden mij hunne tevredenheid door zeer oplettend te zijn.
Wanneer ik van hun oplettendheid spreek, dan bedoel ik hiermede de
honden, want wat Joli-Coeur aangaat, deze kon onmogelijk zijn geest
lang met hetzelfde onderwerp bezighouden. Naar het eerste gedeelte
van mijne rede had hij met de grootste belangstelling geluisterd; maar
toen ik twintig woorden gesproken had, was hij in den boom geklauterd,
onder welks schaduw wij rustten en hij vond het nu veel aangenamer
om heen en weer te schommelen en van den eenen tak op den anderen te
springen. Als Capi mij een dergelijke beleediging had aangedaan, zou
hij mij gekrenkt hebben, maar van Joli-Coeur verwonderde mij nooit
iets; hij was onbezonnen en gedachteloos; en wel beschouwd was het
ook zeer natuurlijk, dat hij eenige afleiding zocht.
Ik moet eerlijk bekennen, dat ik gaarne hetzelfde zou hebben gedaan en
dat ik met het grootste genot mij zou hebben heen en weder geschommeld,
maar de gewichtige en voorname rol, die ik thans speelde, veroorloofde
mij dergelijk genoegen niet.
Toen wij eenige oogenblikken hadden uitgerust, gaf ik het sein tot
vertrekken; wij moesten ons nachtverblijf opzoeken en in elk geval
zorgen voor het ontbijt van den anderen morgen, nadat wij, zooals wel
waarschijnlijk was, ons hadden beholpen met den blauwen hemel tot dak.
Na eene wandeling van ongeveer een uur kwamen wij aan een dorp,
dat me geschikt toescheen voor de verwezenlijking van mijn plan.
Van verre zag het er nogal erg arm uit en wij hadden dus niet
veel kans om er goede zaken te doen; maar dit ontnam mij den moed
niet. Of ik veel of weinig ontving, was voor mij niet de hoofdzaak;
maar hoe kleiner het dorp was, zooveel te minder gevaar liepen wij
om er agenten van politie te ontmoeten.
Ik kleedde dus mijn personeel aan en zoo ordelijk mogelijk trokken
wij het dorp binnen. Jammer maar, dat wij Vitalis niet hadden om op
de fluit te spelen en door zijn voorkomen, evenals een tamboer-majoor,
de aandacht te trekken. Ik had het geluk niet om zoo lang te zijn als
hij en ik miste ook zijn fraaien kop; mijn gestalte was eer klein dan
middelmatig; bovendien was ik vrij mager en op mijn gelaat stond meer
angst dan zelfvertrouwen te lezen.
Onder het voortgaan wierp ik tersluiks rechts en links een blik, om te
zien welken indruk wij maakten. Maar die was niet bijzonder groot: men
keek eens even op en terstond weder vóór zich en niemand volgde ons.
In het midden van het dorp was een plein met eene fontein, die door
plataanboomen omringd was. Hier zette ik mijn harp neder en begon een
wals te spelen. De muziek was vroolijk; mijn vingers vlug, al was
mijn hart ook nog zoo treurig gestemd, en het was of een loodzware
last op mijn schouders drukte.
Ik deed Zerbino en Dolce dansen; zij gehoorzaamden dadelijk en begonnen
op de maat rond te springen.
Maar niemand gaf zich de moeite om naar ons te komen kijken, en toch
zag ik voor verscheidene huizen vrouwen, die breiden en met elkander
praatten.
Ik speelde maar altijd voort en Zerbino en Dolce bleven
dansen. Misschien zou er eindelijk wel iemand naar ons komen kijken
en als er een was, zou wel een tweede volgen en dan tien en daarna
twintig. Maar of ik al speelde en Zerbino en Dolce al dansten, de
menschen bleven waar zij waren en keken zelfs niet naar de plek waar
wij stonden.
Het was om wanhopend te worden.
Toch gaf ik den moed niet op; ik speelde nog lustiger voort, zoodat
de snaren bijna sprongen.
Eindelijk kwam er een kind uit een der huizen. Het was zoo klein,
dat men haast zeggen zou, dat het voor 't eerst liep. Langzaam
naderde het ons. Zeker zou nu zijn moeder ook wel komen en na de
moeder eene buurvrouw; wij zouden publiek krijgen en dan ook zeker
wel wat ontvangen.
Ik speelde nu wat minder hard, om het kind niet bang te maken en
het spoediger bij ons te doen komen. Met de armpjes uitgestrekt en
waggelend op zijn beentjes naderde het langzaam. Het kwam al dichter
en dichter bij; nog enkele schreden en het was bij ons.
Zijn moeder keek op, verwonderd zeker en ongerust misschien dat het
niet bij haar was.
Daar zag zij haar kind. Maar in plaats van het na te loopen, zooals
ik gehoopt had, riep zij het terug en het gehoorzame kind keerde
dadelijk om.
Misschien hielden die menschen niet van dansen. Dat was ook mogelijk.
Ik beval Zerbino en Dolce te gaan liggen en begon mijn _cansonetta_
te zingen. Nooit deed ik zóó mijn best erop.
Ik hief het tweede couplet aan, toen ik een man met een jas en een
vuilen hoed naar mij toe zag komen.
Eindelijk!
Ik zong nog lustiger.
--Zeg eens! riep hij, wat doe-jij hier, kwajongen!
Ik hield eensklaps op, onthutst door die vraag en bleef hem met open
mond aanstaren, terwijl hij nog dichterbij kwam.
--Komaan, krijg ik haast antwoord?
--Ik zing, mijnheer.
--Heb-je een permissie om in onze gemeente te zingen?
--Neen, mijnheer.
--Maak dan dat je weg komt, als je niet wil, dat ik proces-verbaal
tegen je opmaak.
--Maar mijnheer....
--Noem mij geen mijnheer, maar veldwachter, en ruk uit, luie bedelaar.
Een veldwachter! Ik wist door hetgeen mijn meester overkomen was, wat
men te wachten heeft als men zich tegen politieagenten en veldwachters
verzet. Dus liet ik het mij geen tweemaal zeggen. Ik ging heen zooals
mij gelast was, langs denzelfden weg, dien ik was gekomen.
Bedelaar!--Neen, dat woord was niet verdiend. Ik had niet gebedeld;
ik had gezongen; ik had gedanst; dat was mijn manier van werken,
en welk kwaad had ik daarmede gedaan?
Binnen vijf minuten was ik buiten het zoo weinig gastvrije, maar zoo
goed bewaakte dorp.
Mijne honden volgden mij met hangenden kop; zeker begrepen zij hoe
slecht wij van de reis waren gekomen. Capi liep mij nu en dan vooruit
en zag mij met zijne verstandige oogen nieuwsgierig aan. Ieder ander
in zijne plaats zou mij allerlei vragen hebben gedaan, maar Capi was
te goed opgevoed, te goed gedrild, om zich eene onbescheiden vraag
te veroorloven. Hij bepaalde er zich toe zijne nieuwsgierigheid aan
den dag te leggen, en ik zag hoe zijn kaken beefden, door de pogingen
die hij deed om zijn geblaf te onderdrukken.
Toen wij ver genoeg van het dorp waren verwijderd om zeker te zijn,
dat de booze veldwachter niet meer komen zou, gaf ik een teeken met
mijn hand en dadelijk vormden de drie honden een kring om mij; Capi
stond in het midden en hield onbeweeglijk de oogen op mij gevestigd.
Het oogenblik was gekomen om hun de uitlegging te geven, die zij
wachtten.
--Daar wij geen permissie hadden om te spelen, zeide ik, jaagt men
ons weg.
--En nu? vroeg Capi, met een beweging van zijn kop.
--Nu gaan wij slapen onder den blooten hemel en avondeten hebben
wij niet.
Bij het woord avondeten lieten allen een dof gebrom hooren. Ik liet
mijn drie stuivers zien.
--Ge weet, dat dit alles is wat we bezitten; geven wij vanavond
onze drie stuivers uit, dan hebben wij niets voor ons ontbijt van
morgen. Daar wij vandaag gegeten hebben, komt het mij verstandiger
voor aan den dag van morgen te denken.
Ik stak de drie stuivers in mijn zak.
Capi en Dolce bogen onderworpen den kop, maar Zerbino, die niet altijd
in zijn humeur was en bovendien een lekkerbek, ging voort met brommen.
Na een strengen blik, die hem echter niet tot zwijgen bracht, zeide
ik tot Capi.
--Verklaar eens aan Zerbino wat hij niet schijnt te kunnen
begrijpen. Wij moeten ons vandaag getroosten niet meer te eten,
als wij morgen iets willen hebben.
Dadelijk gaf Capi een slag met zijn poot en eene gedachtenwisseling
tusschen hen volgde.
Dat woord gedachtenwisseling vindt men misschien niet zeer juist,
omdat het hier honden geldt; maar zeker is het toch, dat alle dieren
een eigen manier hebben om elkander iets mede te deelen. Als men in
een huis gewoond heeft onder welks daklijst en kozijnen de zwaluwen
nestelen, krijgt men al zeer spoedig de overtuiging, dat de vogeltjes
niet enkel fluiten om een wijsje te doen hooren, wanneer zij, bij
het aanbreken van den dag, zoo druk met elkander bezig zijn. Het
zijn bepaalde gesprekken die zij met elkander houden; ernstige zaken
behandelen zij, waarin woorden vol teederheid worden gewisseld. En de
mieren van denzelfden stam kruisen, als zij elkander ontmoeten, hunne
voelsprietjes. Moet men ook daaruit niet opmaken, dat zij elkaar het
een of ander mededeelen wat voor haar van belang is? Wat de honden
betreft, deze kunnen niet alleen spreken, maar ook lezen: zie maar
eens hoe zij met hun neus in de lucht of met den kop vlak op den
grond de steenen en planten berieken en dan eensklaps een oogenblik
stilstaan bij een struik of voor een muur. Wij menschen zien niets
op die muren, maar de hond leest daarop allerlei bijzondere dingen
in een geheimzinnig schrift, dat door ons zelfs niet wordt opgemerkt.
Wat Capi aan Zerbino mededeelde, verstond ik niet; want zoo al de
honden de taal der menschen verstaan, de menschen kennen die der dieren
niet; ik zag alleen, dat Zerbino niet naar rede wilde luisteren en erop
aandrong, dat de drie stuivers vandaag nog zouden worden uitgegeven;
Capi moest eindelijk wel boos worden en eerst toen hij zijn tanden
had laten zien, gaf Zerbino, die niet heel dapper was, toe.
De vraag omtrent het avondeten was dus beslist, maar die van het
nachtverblijf moest nog behandeld worden.
Gelukkig was het mooi weer; het was een warme dag geweest en in
dezen tijd van 't jaar onder den blooten hemel te slapen, was zoo erg
niet. Alleen moest men zijne slaapstee zoodanig inrichten, dat men
geen last kon hebben van de wolven, zoo die er waren in dezen omtrek
en--wat mij nog grooter gevaar scheen--van de veldwachters, want voor
ons waren die menschen nog meer te vreezen dan de wilde dieren.
Wij moesten dus maar doorloopen, den weg volgende, tot wij eene goede
schuilplaats hadden gevonden.
Het was een lange weg; de eene mijl volgde op de andere en de laatste
rooskleurige gloed der ondergaande zon was verdwenen, zonder dat wij
nog eene schuilplaats gevonden hadden. Er moest nu wel een besluit
worden genomen.
Toen ik stilstond om op de plek, waar wij waren, den nacht door te
brengen, bevonden wij ons in een bosch, waarin hier en daar eenige
open vlakken waren, in het midden waarvan groote rotsklompen zich
verhieven. De plaats was zeer somber en verlaten, maar wij hadden
geen keus en ik meende, dat wij tusschen die granietblokken wel tegen
de nachtelijke koude beschermd zouden zijn. Ik zeg "wij" en bedoel
hiermede Joli-Coeur en mij zelven, want wat de honden betreft, om hen
behoefde ik mij zoo zwaar niet te bekommeren: zij zouden er de koorts
niet van krijgen of zij al een nachtje buiten sliepen. Maar voor me
zelven moest ik oppassen, want ik besefte al de verantwoordelijkheid,
die op mij rustte. Wat zou er van mijn troep terechtkomen, als ik
ziek werd? Wat zou ik beginnen, als ik Joli-Coeur moest verzorgen?
Wij sloegen nu terzijde van den weg af en volgden de openingen
tusschen de steenen, totdat ik vóór mij een groot rotsblok zag,
zoodanig gevormd, dat er onder eene soort van grot was en het
bovengedeelte als een gewelf erover uitstak. In die grot had de wind
eene groote massa verdorde dennenaalden bijeengedreven. Beter konden
wij niet verlangen; er was een matras om ons op uit te strekken; een
dak om ons te beschutten; er ontbrak ons niets dan een stuk brood tot
avondeten. Maar men moest maar trachten daar niet aan te denken. Het
spreekwoord zegt terecht: wie slaapt voelt geen honger.
Vóór ik insliep deelde ik aan Capi mede, dat wij op zijne waakzaamheid
rekenden en in plaats van zich, evenals wij, op de dennenaalden
neer te leggen, bleef het goede dier buiten onze grot om de wacht
te houden. Ik kon nu gerust zijn, overtuigd, dat niemand bij ons zou
komen vóór ik gewaarschuwd was.
Hoewel hieromtrent gerustgesteld, kon ik toch niet zoo dadelijk op
mijn matras van dennenaalden inslapen bij Joli-Coeur, die in mijn
jas gewikkeld naast mij lag, Zerbino en Dolce aan mijn voeten. Mijne
bezorgdheid was nog grooter dan mijne vermoeienis.
Deze eerste dag van mijn reis was slecht geweest: wat zou de dag van
morgen opleveren? Ik had honger en dorst en ik bezat niet meer dan
drie stuivers. Of ik ze al omkeerde en nog eens omkeerde in mijn zak,
er bleven er altijd maar drie; ik kwam niet boven dat getal.
Hoe zou ik mijn troepje in het leven houden en hoe mij zelven, als ik
morgen en de volgende dagen geen gelegenheid had om voorstellingen
te geven? Muilbanden, een permissie om te zingen--hoe zou ik die
bekomen? Moesten wij dan allen van honger omkomen in een bosch? sterven
onder de struiken?
Terwijl ik over die treurige dingen dacht, keek ik naar de sterren,
die boven mij aan den donkeren hemel flonkerden. Geen windje woei
er. Overal doodelijke stilte; geen blaadje ritselde; geen vogel deed
zich hooren; geen wiel kraakte op den weg; zoo ver mijn blik in die
blauwe diepte reikte, was alles stil en ledig: eenzaam en verlaten
waren wij.
Ik voelde de tranen in mijn oogen komen; opeens begon ik te weenen:
Arme vrouw Barberin! Arme Vitalis!
Ik lag voorover en liet mijn tranen in mijne handen vloeien, zonder
dat ik ze kon tegenhouden. Daar voelde ik een warmen adem in mijn
haren; ijlings richtte ik mij op, eene groote tong, zacht en warm,
lekte mijne wangen. Het was Capi, die mij had hooren weenen en mij
kwam troosten, zooals hij mij ook te hulp was gekomen, den eersten
nacht dat wij op reis waren.
Ik sloeg mijn beide armen om zijn hals en drukte een kus op zijn
vochtigen snuit. Toen onderdrukte hij twee- of driemaal een zacht
gekreun en het scheen, dat hij weende met mij.
Toen ik wakker werd, was het helder dag en Capi zat tegenover me en
keek mij aan. De vogels zongen in het gebladerte; in de verte, heel in
de verte, hoorde ik het _Angelus_ kleppen. De zon, die reeds hoog aan
den hemel stond, wierp hare stralen uit, die warmte en kracht gaven,
zoowel aan de grot als aan ons lichaam. Ons morgen-toilet was spoedig
gemaakt en wij begaven ons op weg in de richting waar we het _Angelus_
hoorden luiden. Daar was een dorp en zeker ook een bakker. Als men
zonder eten is gaan slapen, doet de honger zich spoedig gevoelen.
Ik had mijn besluit genomen. Mijne drie stuivers zou ik uitgeven en
daarna zouden wij zien. Toen ik in het dorp kwam, behoefde ik niet
te vragen waar de bakker woonde; ik rook zijn winkel reeds van verre;
mijn reukorgaan was bijna even fijn als dat van de honden, zoodat reeds
op een afstand de lucht van het warme brood door mij werd waargenomen.
Als het brood vijf stuivers per pond kost, heeft men niet veel voor
drie stuivers, ieder kreeg een klein stukje, zoodat ons ontbijt
spoedig afgeloopen was.
Nu was het oogenblik daar om te denken, hoe wij aan den kost moesten
komen. Ik liep het dorp door, om te zien waar de gunstigste gelegenheid
was voor eene voorstelling en ook om de gezichten der menschen gade
te slaan, teneinde daaruit te ontdekken of ze ons al of niet gezind
zouden wezen. Mijn plan was niet om terstond met de voorstelling te
beginnen, want daarvoor was het uur niet bijzonder geschikt, maar
om de beste plaats uit te kiezen en dan tegen het midden van den dag
daar terug te komen en de kans te wagen.
Met die plannen was ik geheel vervuld, toen ik opeens achter mij
hoorde roepen; ik keek om en zag Zerbino, die door eene oude vrouw
werd nagezet. Het duurde niet lang of ik begreep wat er gaande was:
de hond had bemerkt, dat ik in gepeins was verzonken; hij had mij
verlaten en was een huis binnengeloopen, waar hij een stuk vleesch
gestolen had, dat hij nu nog in den bek droeg.
--Houd den dief! houd den dief! riep de vrouw.
Toen ik die woorden hoorde, voelde ik, dat ik schuldig was, tenminste
verantwoordelijk voor de daad van mijn hond, en begon ik ook hard te
loopen. Wat moest ik zeggen als de oude vrouw mij den prijs vroeg van
het stuk vleesch, dat de hond gestolen had? Hoe zou ik het betalen? Als
ik eens gepakt werd, zou men mij dan niet gevangen houden?
Toen zij me hard zagen wegloopen, bleven ook Capi en Dolce niet achter;
ik voelde ze op mijne hielen, terwijl Joli-Coeur, dien ik op mijn
schouder droeg, zijn poot om mijn hals sloeg om niet te vallen.
Ik behoefde niet bang te zijn, dat men ons zou inhalen, maar men zou
ons kunnen tegenhouden en dit scheen mij het plan van twee of drie
menschen, die van de andere zijde kwamen. Gelukkig lag er tusschen
ons een dwarsstraat; die sloeg ik in, gevolgd door mijne honden,
en weldra waren wij weder in het open veld. Toch bleef ik niet staan
voordat ik geheel buiten adem was, en toen had ik zeker twee kilometer
geloopen. Eerst durfde ik nog niet omzien, maar toen ik eindelijk een
blik achter mij wierp, bemerkte ik, dat niemand ons volgde. Capi en
Dolce waren altijd nog op mijne hielen. Zerbino volgde op een afstand;
hij had onderweg zeker stilgestaan om zijn stuk vleesch op te eten. Ik
riep hem, maar Zerbino begreep, dat hij een strenge kastijding te
wachten had en bleef eerst staan; daarop keerde hij zich om en liep
heen zoo snel hij kon.
Slechts uit honger had Zerbino het vleesch gestolen. Maar dit was
voor mij geen reden van verontschuldiging. Hij had gestolen en de
schuldige moest gestraft worden, of het was uit met de tucht onder mijn
troep. In het volgende dorp zou Dolce het voorbeeld van zijn makker
volgen en Capi zelf zou eindelijk bezwijken voor de verzoeking. Dus
moest Zerbino voorbeeldig gestraft worden. Maar daarvoor moest ik
hem binnen mijn bereik hebben en dat was zoo gemakkelijk niet. Ik
nam mijne toevlucht tot Capi.
--Haal Zerbino, zeide ik.
Dadelijk rende hij weg om den last, die ik hem opdroeg, te
volbrengen. Het scheen mij evenwel toe, dat hij die taak minder
gewillig op zich nam dan anders en uit den blik, dien hij op mij
wierp vóór hij heenging, meende ik te bespeuren, dat hij liever de
advocaat van Zerbino wezen zou dan de gendarme, die hem oppakte.
Ik moest thans de terugkomst afwachten van Capi en zijn gevangene,
wat vrij lang kon duren, daar Zerbino zeker niet zoo dadelijk zou
terugkeeren. Dat wachten vond ik evenwel zoo onaangenaam niet. Ik was
te ver van het dorp om van die zijde iets te vreezen, en daarbij was
ik zoo vermoeid, dat ik gaarne een poos wilde uitrusten. Bovendien,
waarom zou ik mij haasten: ik wist niet waar ik heen moest gaan of
wat ik doen moest. De plek, waar ik stil had gestaan, was tevens
uitmuntend geschikt om er een poos te vertoeven. Zonder te weten
waarheen ik mij in mijn dollen loop gericht had, was ik aan een kanaal
gekomen en na de zandige vlakte te hebben doorkruist, die zich in
de omstreken van Toulouse uitstrekt, was ik nu in een weelderig,
vruchtbaar land gekomen: water, boomen, gras, eene kleine beek, die
tusschen de spleten vloeide van eene dichtbegroeide rots, en telkens
kleine watervallen vormde. Het was hier allerbekoorlijkst en uitnemend
geschikt om de terugkomst der honden af te wachten.
Een uur ging er voorbij en geen van beiden keerde terug. Reeds begon
ik mij ongerust te maken, toen Capi verscheen met hangenden kop.
--Waar is Zerbino?
Capi legde zich in vreesachtige houding voor mij neder en ik zag nu,
dat een van zijn ooren bloedde.
Meer was niet noodig om mij te doen begrijpen wat er gebeurd
was. Zerbino had zich tegen den gendarme verzet; hij had weerstand
geboden aan Capi, die misschien zelf maar met tegenzin gehoorzaamd
had aan het bevel, dat ook hij te streng achtte en hij had zich
laten overwinnen.
Moest ik hem beknorren en ook straffen? Daartoe had ik den moed niet;
ik was niet in eene stemming om anderen te kwellen: ik had al genoeg
aan mijn eigen verdriet.
Daar Capi niet in zijne taak geslaagd was, bleef mij niets anders over
dan af te wachten of Zerbino ook terug zou willen komen. Ik kende hem
genoeg om te weten, dat na een eerste vlaag van verzet, hij zich zou
onderwerpen aan de straf en dat ik hem dus weldra berouwvol voor mij
zou zien.
Ik strekte mij onder een boom uit; Joli-Coeur had ik vastgemaakt, want
ik was bang, dat hij lust zou krijgen om Zerbino te gaan opzoeken. Capi
en Dolce lagen aan mijne voeten.
De tijd ging voorbij. Zerbino keerde nog maar niet terug. Onwillekeurig
maakte de slaap zich van mij meester en ik sliep in. Toen ik wakker
werd, stond de zon recht boven ons; uren waren er voorbijgegaan. Maar
de zon behoefde mij niet te zeggen, dat de tijd voortgegaan was:
mijn maag vertelde me dat er uren waren verstreken sedert ik mijn
stukje brood gegeten had. Van hun kant gaven ook de twee honden en
Joli-Coeur mij op de duidelijkste wijze te kennen, dat zij honger
hadden. Capi en Dolce door hun beklaaglijk voorkomen; Joli-Coeur door
zijne dwaze sprongen. Zerbino was nog altijd niet terug.
Ik riep; ik floot, maar alles tevergeefs; hij verscheen niet; hij had
goed ontbeten en rustte nu waarschijnlijk uit onder eene struik. Mijn
toestand werd moeielijk. Als ik wegging, zou hij ons misschien
kunnen verliezen en nooit meer terugkomen; als ik bleef, miste ik de
gelegenheid om eenige stuivers te verdienen voor een middagmaal. En
de behoefte aan dat middagmaal werd hoe langer hoe grooter. De oogen
van de honden waren wanhopend op de mijne gevestigd en Joli-Coeur
wreef zijn buik en liet nu en dan een nijdig gebrom hooren.
Daar de tijd voorbijging en Zerbino niet kwam, zond ik Capi er
nogmaals op uit om zijn kameraad te halen, maar na verloop van een
halfuur kwam hij weder alleen terug en deed mij begrijpen, dat hij
hem niet gevonden had.
Wat nu te doen? Hoewel Zerbino straf verdiende en ons door zijn schuld
in een alleronaangenaamsten toestand had gebracht, kon ik het niet
over mij verkrijgen om hem te verlaten. Wat zou mijn meester zeggen,
als ik hem zijn drie honden niet terugbracht? En dan.... ik hield
van dien schelm van een Zerbino.
Ik besloot te wachten tot den avond, maar het was onmogelijk al dien
tijd werkeloos te blijven met zulke hongerige magen, want de honger
liet zich te meer gelden nu er niets was, dat ons eenige afleiding
geven kon. Er moest iets gevonden worden dat ons alle vier eenige
afleiding schonk. Als wij maar vergeten konden dat wij honger hadden,
zouden wij hem in deze uren van eenzame verlatenheid zeker minder
voelen. Maar waarmede ons bezig te houden?
Toen ik daarover nadacht, herinnerde ik mij hoe Vitalis mij eens
verteld had, dat in den oorlog, als een regiment vermoeid was door een
langen marsch, men muziek maakte, en bij die vroolijke, meeslepende
melodieën vergaten de soldaten hunne vermoeidheid. Als ik nu ook
eens een vroolijk deuntje speelde, zouden wij misschien ook onzen
honger vergeten. In ieder geval, als ik muziek maakte en de honden
liet dansen met Joli-Coeur, zou de tijd spoediger voorbijgaan.
Ik nam mijn harp, die tegen een boom stond en met mijn rug naar het
kanaal gekeerd, begon ik, na mijn personeel in orde te hebben gebracht,
een dans en daarna een wals te spelen.
Eerst schenen mijne acteurs niet zeer geneigd om te dansen. Het was
duidelijk, dat een stuk brood meer in hun smaak zou zijn gevallen,
maar langzamerhand kwam er meer leven bij hen; de muziek had hare
gewone uitwerking; wij vergaten het stuk brood, dat wij niet hadden en
ik dacht aan niets anders meer dan aan de muziek en zij aan het dansen.
Eensklaps hoorde ik achter mij eene heldere kinderstem, die
"bravo!" riep. Ik keerde mij ijlings om.
Een scheepje voer door het kanaal, met den steven gericht naar den
oever waar ik stond; de twee paarden, die het voorttrokken, liepen
op den anderen oever. Het was een vreemdsoortig schip, zooals ik
er nog nooit een gezien had. Het was veel korter dan de pramen,
welke gewoonlijk gebezigd worden voor de vaart op het kanaal en op
het dek, dat slechts even boven het water uitstak, was een soort van
glazenhuis gebouwd. Op de voorplecht was eene verande aangebracht,
die met slingerplanten was bedekt, waarvan de stengels, die hier
en daar zich aan het glazendak hadden gehecht, als beken van groen
nedervielen. Onder die veranda zag ik twee personen: eene nog jeugdige
dame met een edel, eenigszins droevig voorkomen, en een knaap van
mijn leeftijd ongeveer en die mij toescheen te liggen, terwijl de
dame stond.
Zeker was het die knaap geweest, die bravo had geroepen.
Spoedig was ik van mijne verrassing bekomen, want er was niets in die
verschijning, dat mij bang maakte; ik nam mijn hoed af om te bedanken
voor de toejuiching.
--Speelt ge voor uw pleizier? vroeg de dame mij in een vreemden
tongval.
--Ik deed het om mijn troepje te oefenen en ook.... om mij eenige
afleiding te bezorgen.
De knaap wenkte de dame, die zich over hem heen boog.
--Wilt ge nog wat spelen? vroeg de dame, het hoofd opheffende.
Of ik nog wat wilde spelen! Spelen voor een publiek dat mij zoo juist
van pas kwam. Ik liet me niet bidden.
--Wil u een dans of eene comedie? vroeg ik.
--O, een comedie! riep de knaap.
Maar de dame zeide, dat zij liever een dans wilde zien.
--Een dans duurt zoo kort, zeide de knaap.
--Na den dans kunnen wij verscheidene toeren verrichten zooals die in
het paardenspel te Parijs vertoond worden, indien het geëerde publiek
dit verlangt.
Dit was een uitdrukking van mijn patroon en ik trachtte die met
evenveel waardigheid te uiten. Bij nader inzien was ik blij, dat men
de comedie niet verlangd had, want ik zou vrij wat moeite hebben
gehad om ze behoorlijk van stapel te doen loopen, vooreerst omdat
Zerbino er niet was en ook omdat ik de costumes miste en hetgeen er
verder bijhoorde.
Ik nam dus mijne harp en begon een wals te spelen. Dadelijk sloeg
Capi zijne twee pooten om het lijf van Dolce en zij begonnen rond
te draaien op de maat. Daarop deed Joli-Coeur een dans alleen. Toen
volgden de andere stukken, die wij konden uitvoeren en wij voelden
onze moeheid niet meer. Wat mijne acteurs betrof, die begrepen zeker,
dat zij voor al hun moeite een goed maal zouden krijgen en zij deden
even goed hun best als ik.
Opeens, te midden van een der kunstverrichtingen, zag ik Zerbino
uit het kreupelhout te voorschijn komen, en toen zijne kameraden in
zijne nabijheid waren, nam bij te midden van hen plaats en vervulde
zijne rol.
Terwijl ik speelde en op mijn troepje lette, wierp ik nu en dan een
blik naar den knaap, die zonderling genoeg, hoewel hij veel vermaak
schepte in de vertooning, zich niet verroerde. Hij bleef uitgestrekt
liggen zonder zich te bewegen, nu en dan slechts klapte hij in
de handen.
Was hij lam? Hij scheen op een plank vastgebonden.
Intusschen was het schip tegen den oever komen liggen waar ik stond,
en ik zag nu den jongen alsof ik zelf op de schuit had gestaan. Hij
had blonde haren en zijn gelaat was zeer bleek, zoo bleek, dat men
de blauwe aderen van zijn voorhoofd zien kon onder zijn doorschijnend
vel. Zijn gelaat had iets treurigs en pijnlijks als van een zieke.
--Hoeveel kost een plaats bij uwe vertooning? vroeg de dame.
--Men betaalt naarmate van het genoegen, dat ze gegeven heeft.
--Dan moet u heel veel betalen, mama, zeide de knaap, en hij voegde
er toen iets bij in eene taal, die ik niet verstond.
--Arthur wilde uw diertjes van dichterbij zien.
Ik gaf Capi een teeken, die terstond zijn loop nam en in de boot
sprong.
--En de anderen! riep Arthur.
Zerbino en Dolce volgden hun makker.
--En de aap!
Ook Joli-Coeur kon gemakkelijk den sprong doen; maar als hij eens aan
boord was, kon hij zich wel eens vrijheden veroorloven, die niet in
den smaak der dame vielen.
--Is hij nijdig? vroeg zij.
--O neen, mevrouw, maar hij is niet altijd gehoorzaam en ik ben bang,
dat hij iets doet, wat niet goed is.
--Welnu, kom zelf dan maar met hem mede.
Bij die woorden gaf zij een wenk aan een man, die bij het roer stond
en deze kwam terstond naar de plecht met een plank, waarvan hij het
uiteinde op den kant legde.
Over deze brug kon ik nu op het schip komen zonder den gevaarlijken
sprong te wagen en ik liep er met waardigheid overheen met mijne harp
over den schouder en mijn aap in de hand.
--O, de aap! de aap! riep Arthur.
Ik naderde den knaap en terwijl hij hem streelde, kon ik hem op
mijn gemak gadeslaan. Ik zag nu, dat hij inderdaad op een plank was
vastgebonden, zooals ik terstond reeds had meenen te bemerken.
--Je hebt een vader, niet waar, jongenlief? vroeg de dame.
--Ja, maar thans ben ik alleen.
--Voor hoe lang?
--Voor twee maanden.
--Twee maanden! arme jongen. Hoe komt gij zoo alleen op uw leeftijd?
--Ik moet wel, mevrouw.
--Uw meester dwingt u vast om na twee maanden hem eene bepaalde som
geld te geven?
--Neen, mevrouw, hij dwong mij tot niets. Als ik maar met mijn troepje
leven kan, is dit genoeg.
--En ge hebt tot dusver kunnen leven?
Ik aarzelde met mijn antwoord. Nooit had ik eene dame gezien die mij
zooveel ontzag inboezemde als zij, die mij thans ondervroeg. Toch
sprak zij zoo minzaam tegen mij, hare stem was zoo zacht, haar blik
zoo vriendelijk, zoo bemoedigend, dat ik er eindelijk maar toe besloot
de waarheid te vertellen. Waarom zou ik ook zwijgen?
Ik verhaalde haar dus waarom ik van Vitalis had moeten scheiden, die
tot gevangenisstraf was veroordeeld, omdat hij mij verdedigd had en
hoe ik, sedert ik Toulouse had verlaten, niets had verdiend.
Terwijl ik sprak, speelde Arthur met de honden, maar hij luisterde
toch toe en hoorde wat ik zeide.
--Wat zult ge dan allen honger hebben! riep hij uit.
Op dat woord, dat ze allen verstonden, begonnen de honden te blaffen
en Joli-Coeur wreef zijn buik.
--Hé, mama! zeide Arthur.
De dame begreep zijn bedoeling. Zij sprak eenige woorden in een
vreemde taal tot eene vrouw, wier hoofd te voorschijn kwam door
eene half-geopende deur en bijna onmiddellijk daarna bracht deze een
tafeltje met allerlei spijzen.
--Ga zitten, mijn jongen, zeide de dame.
Ik liet mij niet tweemaal noodigen, zette mijn harp neder en nam
aanstonds plaats aan tafel. De honden schaarden zich om mij en
Joli-Coeur ging op mijne knieën zitten.
--Eten uwe honden brood? vroeg Arthur.
Of ze brood aten; ik gaf hun elk een stuk, dat zij onmiddellijk
verslonden.
--En de aap? vroeg Arthur weder.
Maar hij behoefde dit niet eens te vragen, want terwijl ik de honden
bediende, had hij zich meester gemaakt van een korst, waarin hij
onder tafel bijna stikte.
Op mijn beurt nam ik een sneedje brood en zoo ik er al niet bijna in
stikte, zooals Joli-Coeur, at ik het toch even gulzig op als hij.
--Arm kind! sprak de dame, terwijl zij mijn glas vulde.
Arthur zeide niets, maar sloeg ons gade met wijd geopende oogen. Hij
verbaasde zich zeker over onzen eetlust, want de een was al hongeriger
dan de ander, zelfs Zerbino, die toch meer of minder verzadigd moest
zijn van het vleesch, dat hij gestolen had.
--En waar zoudt gij vandaag gegeten hebben, als wij u niet ontmoet
hadden? vroeg Arthur.
--Ik denk dat wij dan niet zouden gegeten hebben.
--En waar zult gij morgen van eten?
--Misschien zullen wij morgen den een of ander ontmoeten, die zoo
goed is als u.
Arthur sprak niet meer tot mij. Hij wendde zich tot zijne moeder en
zij spraken langen tijd met elkander in de vreemde taal, die ik reeds
van hen gehoord had. Hij scheen iets te vragen, wat zij niet geneigd
was toe te staan, tenminste, waartegen zij veel bezwaar had.
Opeens wendde hij zijn hoofd weder naar mij toe, want zijn lichaam
verroerde zich niet.
--Wilt gij bij ons blijven? vroeg hij.
Ik zag hem aan, maar ik kon geen antwoord geven, zoo verrast was ik
door die vraag.
--Mijn zoon vraagt, of gij bij ons wilt blijven.
--Op dit schip?
--Ja, op dit schip. Mijn zoontje is ziek; de geneesheeren hebben
voorgeschreven, dat hij op eene plank zou worden vastgebonden,
zooals gij ziet. Opdat hij zich niet zou vervelen, doe ik tochtjes
met hem op het water. Gij blijft bij ons. Uwe honden en uw aap zullen
voorstellingen geven voor Arthur, die uw publiek zal uitmaken. En gij,
beste jongen, zult voor ons op uw harp spelen. Daarmede bewijst gij ons
een dienst en wij kunnen u misschien van nut zijn. Gij behoeft niet
elken dag naar een publiek te zoeken, wat misschien op uw leeftijd
u zoo gemakkelijk niet zou vallen.
Op een schip! Ik was nooit op een schip geweest en dat was juist
wat ik het vurigst had verlangd. Ik zou op een schip leven, op het
water! Welk een geluk!
Dit was de eerste gedachte, die zich van mij meester maakte en mij
geheel overstelpte. Welk een droom!
Eenige oogenblikken nadenken deden mij al het geluk beseffen, dat
in die vraag voor mij opgesloten lag en hoe goed de dame was, die ze
tot mij richtte.
Ik greep hare hand en kuste die.
Zij scheen gevoelig voor dit blijk van erkentelijkheid en minzaam,
teeder bijna, streek zij een paar malen met hare hand over mijn
voorhoofd.
--Arm kind, zeide zij.
Daar men verlangd had, dat ik op de harp zou spelen, meende ik terstond
aan dat verlangen te moeten voldoen: die haast was in zekere mate
een bewijs van goeden wil en van mijn streven om mijne dankbaarheid
te toonen.
Ik nam mijne harp, zette mij op de plecht en begon toen te spelen. Op
dat oogenblik haalde de dame een zilveren fluitje te voorschijn en
een schelle toon klonk door de lucht. Ik hield dadelijk op en vroeg
me zelven af waarom zij floot? Was het omdat ik valsch speelde of
omdat ik zou ophouden?
Arthur, die alles opmerkte wat er om hem heen gebeurde, begreep
mijne gedachte.
--Mama heeft gefloten ten teeken dat de paarden weder kunnen voortgaan.
En de boot verwijderde zich dan ook van den oever en doorkliefde
het kalme kanaal, door de paarden voortgetrokken. Het water lekte
de kiel en van weerszijden schenen de boomen ons voorbij te trekken,
verlicht door de schuine stralen van de ondergaande zon.
--Wilt gij spelen? vroeg Arthur.
En met een beweging van zijn hoofd zijne moeder bij zich roepende,
nam hij hare hand en hield die in de zijne gedurende al den tijd, dat
ik de verschillende stukken speelde, die mijn meester mij geleerd had.