Van Pau heb ik een zeer aangenamen indruk ontvangen: in deze stad
waait het bijna nooit.
En daar wij haar in den winter bezochten, over dag op straat waren
of op openbare pleinen onze voorstellingen gaven, kan men begrijpen,
dat het verblijf daar voor mij een genot was.
Toch was dit niet de oorzaak, dat wij, in strijd met onze gewoonte,
zoolang op een zelfde plaats bleven; het was eene andere, zeer
overwegende reden, namelijk: de overvloedige opbrengst van onze
voorstellingen.
Wij hadden gedurende den winter steeds een talrijk kinderpubliek
dat ons repertoire nooit moede scheen te zijn en nooit riep: "Is het
alweer hetzelfde."
Voor het grootste gedeelte waren het engelsche kinderen: opgeschoten
knapen met roode wangen en kleine meisjes met groote oogen, die bijna
even mooi waren als die van Dolce. Bij die gelegenheid leerde ik de
_Albert's_, de _Huntley's_ en andere lekkernijen kennen, waarmede zij,
vóór dat ze naar de voorstelling gingen, altijd hun zakken vulden om ze
dan met milde hand tusschen Joli-Coeur, de honden en mij te verdeelen.
Toen de lente zich door eenige warme dagen aankondigde, werd ons
publiek minder talrijk en na de voorstelling kwamen de kinderen ons
bezoeken; zij kwamen nu afscheid van ons nemen, want den anderen dag
zouden zij vertrekken.
Weldra stonden wij weder geheel alleen op de pleinen en moesten wij
er ook weder aan gaan denken andere plaatsen op te zoeken.
Op een morgen begaven we ons op weg en weldra hadden wij de stad
geheel uit het gezicht verloren.
Ons zwervend leven had opnieuw een aanvang genomen en wij volgden
weder den grooten weg.
Geruimen tijd, hoeveel dagen en weken weet ik niet, liepen wij steeds
recht toe, recht aan, nu eens een dal doortrekkende, dan weder een
heuvel beklimmende, terwijl aan onze rechterzijde de blauwe toppen
der Pyreneën zich verhieven.
Eindelijk bereikten wij op een avond een groote stad, die aan den
oever van een rivier gelegen was, en door de vruchtbaarste velden was
omringd; de huizen waren meerendeels zeer leelijk en geheel uit roode
steen gebouwd; de straten waren belegd met puntige keien, welke erg
veel pijn deden aan de voeten van reizigers, die reeds een twaalftal
mijlen per dag hadden afgelegd.
Vitalis zeide mij, dat het Toulouse was en dat wij daar lang zouden
vertoeven.
Zooals gewoonlijk, was den anderen dag ons eerste werk om te zorgen,
dat wij een geschikte plaats voor onze voorstellingen hadden.
Wij vonden er verscheidene, want Toulouse heeft een aantal pleinen,
vooral in de nabijheid van den Dierentuin, en reeds bij onze eerste
voorstelling hadden wij een talrijk publiek.
Ongelukkig echter keurde een agent van politie onze vertooning zeer
af en hetzij hij niet van honden hield, of dat wij hem zijn dienst
er moeielijker maakten, of om welke andere reden ook, hij wilde ons
deze plaats doen verlaten.
Misschien ware het van ons verstandiger geweest om deze plagerij in
te willigen, want in een strijd tusschen arme zwervers, zooals wij,
en een politieagent, staan de partijen niet gelijk; maar mijn meester
was van een andere meening.
Hoewel hij slechts honden en apen vertoonde, bezat hij toch een zeker
gevoel van trots, of liever zijn gevoel van recht was sterk bij hem
ontwikkeld; daarom gaf hij zijn overtuiging te kennen, zooals hij zelf
verklaarde, dat hij beschermd moest worden, zoolang hij niets deed,
wat met de wet of met eenige politieverordening in strijd was.
Hij weigerde dus om aan den agent te gehoorzamen, toen deze ons van
het plein wilde wegjagen.
Als mijn meester zich niet door zijn drift wilde laten beheerschen
of wel lust gevoelde om eene zaak in een bespottelijk daglicht
te stellen--hetgeen hem dikwijls overkwam--, dan overdreef hij de
italiaansche beleefdheid in de hoogste mate en ook thans zou men
bijna meenen, als men hem hoorde spreken, dat hij het woord tot een
der aanzienlijkste overheidspersonen richtte.
--Vertegenwoordiger der overheid, zeide hij, terwijl hij met zijn hoed
in de hand den agent antwoordde, kunt gij mij een verordening toonen,
welke van die overheid is uitgegaan en waarbij het aan toneelspelers,
zooals wij, verboden is, hun weinig winstgevende zaak op publieke
plaatsen te drijven?
De agent gaf hierop ten antwoord, dat hier niet te twisten, maar te
gehoorzamen viel.
--Zonder twijfel, sprak Vitalis, en dat begrijp ik ook zeer goed;
ik beloof u ook mij geheel volgens uw bevelen te gedragen, zoodra
gij mij de voorschriften daaromtrent hebt getoond.
Dien dag keerde de agent ons den rug toe, terwijl mijn meester,
met zijn hoed in de hand, den arm in de zijde en in eenigszins
voorovergebogen houding hem lachend een eind vergezelde.
Maar den anderen morgen kwam hij terug, stapte hij zelfs over het
touw heen, waarmede ons terrein was afgesloten en stoorde hij ons
midden in onze voorstelling.
--Gij moet uw honden muilbanden, zeide hij op barschen toon tot
Vitalis.
--Mijn honden muilbanden?
--Er bestaat eene politieverordening; dat moest gij weten. Deze
stoornis deed onder de toeschouwers een gemompel van afkeuring ontstaan
en zij riepen:
--Stoor hem niet!
--Laat eerst de voorstelling eindigen!
Maar met een enkele beweging van de hand beval Vitalis stilte.
Hij zette daarop zijn hoed, die met pluimen versierd was, af, en boog
zeer onderdanig voor het publiek, naderde den agent met drie diepe
buigingen en zeide toen:
--Vertegenwoordiger der overheid, hebt gij gezegd, dat ik mijn
komedianten moet muilbanden?
--Ja, uw honden en zoo spoedig mogelijk.
--Muilbanden Capi, Zerbino en Dolce! riep Vitalis, meer tot het
publiek dan tot den agent, maar u kunt dat niet meenen! Hoe zou de
geleerde dokter Capi, die wereldberoemd is, zijn geneesmiddelen kunnen
voorschrijven om den knikker uit de maag van den heer Joli-Coeur
te verwijderen, wanneer de heer Capi een muilband voor zijn neus
droeg? Het zou nog gaan, wanneer het een ander toestel ware, dat
meer in overeenstemming was met zijn vak, maar dat volstrekt niet
voor een menschenneus geplaatst wordt.
Deze woorden wekten zeer den lachlust van het publiek op.
Vitalis, aangemoedigd door deze toejuichingen, vervolgde:
--En hoe zou onze bekoorlijke Dolce, onze ziekenoppasseres, aan hare
welsprekendheid kunnen voldoen, en op hare bevallige wijze onzen zieke
kunnen overreden, zijn ingewanden te laten schoonmaken, indien zij
aan de punt van haar neus het toestel droeg, dat de vertegenwoordiger
der overheid haar wil geven? Ik vraag het geëerde publiek om dit
te beslissen?
Het geëerde publiek, welks hulp aldus werd ingeroepen, gaf niet
terstond antwoord, maar het lachen was reeds voldoende; men gaf
Vitalis gelijk en bespotte den agent, en vooral schepte men behagen
in de dwaze gezichten, die Joli-Coeur trok, achter den rug van den
vertegenwoordiger der overheid.
Geërgerd door de woorden van Vitalis, wanhopend over het lachen van
het publiek, keerde de agent, die niet tot de geduldigste menschen
scheen te behooren, zich plotseling om.
Maar hij ontdekte toen den aap, die met zijn hand in de zijde als
een kampvechter stond; eenige seconden lang bleven de man en het dier
tegenover elkander staan en zagen zij elkaar strak aan, in afwachting,
wie van beiden het eerst den blik zou nederslaan.
Het uitbundig gelach maakte een einde aan dit tooneel.
--Als uw honden niet gemuilband zijn, riep de agent, terwijl hij ons
met de vuist dreigde, dan maak ik proces-verbaal op; meer zeg ik niet.
--Tot morgen, signor, tot morgen, zeide Vitalis.
En terwijl de agent zich met groote schreden verwijderde, bleef Vitalis
als in tweeën gevouwen, zoo eerbiedig mogelijk staan; daarop werd de
voorstelling vervolgd.
Ik dacht dat mijn meester de muilbanden voor zijn honden zou gaan
koopen; maar hij deed het dien avond niet en sprak zelfs in het geheel
niet over zijn twist met den agent.
Ik verstoutte mij toen om zelf dat onderwerp ter sprake te brengen.
--Als u wilt, dat Capi morgen gedurende de voorstelling zijn
muilband niet stuk zal maken, dan moogt gij hem van te voren wel eens
passen. Hij zal er dan misschien aan gewend zijn.
--Meent ge dan, dat ik ze zoo'n ijzeren masker zal opzetten?
--Mij dunkt, dat die agent zeer veel lust heeft om u in moeielijkheden
te brengen.
--Gij zijt maar een boerenknaap, en evenals alle boeren zijt ge bang
voor de politie en de gendarmes. Maar stel u gerust; ik zal morgen
wel zorg dragen, dat hij geen proces-verbaal kan opmaken en tevens
er voor waken, dat mijn leerlingen zich niet al te ongelukkig gevoelen.
Van den anderen kant zal ik ook trachten het publiek eenig genoegen
te verschaffen. Die agent moet ons een goede ontvangst bezorgen en
een dwaze rol spelen in het stuk, dat ik gereedmaak; dat zal nog
eenige afwisseling in ons repertoire brengen en ons zelven eenig
voordeel kunnen geven. Daarom gaat gij morgen alleen naar het terrein
met Joli-Coeur; gij moet de koorden spannen en een stukje op de harp
spelen; wanneer gij u omringd ziet van een groot publiek en de agent er
is, dan zal ik met mijn honden komen. Dan eerst neemt de voorstelling
een aanvang.
Ik vond het niets prettig om alleen deze toebereidselen voor de
voorstelling te gaan maken; maar ik begon mijn meester reeds een
weinig te leeren kennen en wist in welke gevallen ik hem weerstand
kon bieden. Het was meer dan waarschijnlijk dat, in de gegeven
omstandigheden, er voor mij weinig kans bestond om hem zijn plan te
doen opgeven; ik besloot dus hem te gehoorzamen.
Den anderen dag begaf ik mij naar het plein en spande daar het
touw. Nauwelijks had ik eenige akkoorden aangeslagen of van alle
kanten snelde men toe.
In den laatsten tijd, vooral gedurende ons verblijf te Pau, had
mijn meester mij dikwijls op de harp laten spelen en ik kende thans
eenige stukjes van buiten. Vooral had ik een napolitaansch lied,
dat ik met zang begeleidde en dat mij den algemeenen bijval van het
publiek deed verwerven.
Ik was in zeker opzicht reeds een kunstenaar in mijn hart, want ik
geloofde, dat als onze troep veel succes had, dit ook aan mijn talent
moest worden toegeschreven; toch was ik dien morgen verstandig genoeg
om de talrijke opkomst van het publiek niet met mijn lied in verband
te brengen.
Zij, die den vorigen avond bij den twist tusschen den agent en mijn
meester tegenwoordig waren geweest, kwamen thans terug en hadden zelfs
hun vrienden medegebracht. De agenten van politie waren bij de inwoners
van Toulouse, evenals in de meeste andere steden, niet gezien en men
was nieuwsgierig hoe de oude Italiaan, zich van deze zaak zou afmaken
en met zijn vijand zou omspringen. Hoewel Vitalis niets anders gezegd
had, dan: "tot morgen, signor," had toch iedereen begrepen, dat die
woorden de aankondiging waren van eene groote voorstelling, waarbij men
in de gelegenheid zou worden gesteld ten koste van anderen te lachen.
Vandaar de talrijke opkomst van het publiek.
Toen zij mij dus alleen met Joli-Coeur zagen, stoorde men mij bij
herhaling in mijn spel, om mij te vragen waar de "Italiaan" bleef.
--Hij komt zoo straks.
En ik vervolgde mijn _canzonetta_.
Niet mijn meester, maar de agent van politie kwam. Joli-Coeur zag
hem het eerst en zette terstond de hand weer in de zijde, en, terwijl
hij het hoofd in den nek wierp, liep hij statig ons terrein op en neer.
Het publiek barstte los in een schaterlach en juichte hem van alle
kanten toe.
De agent raakte eenigszins van zijn stuk en wierp mij een woedenden
blik toe.
Dit wekte nog meer den lachlust van het publiek op.
Ik zelf gevoelde lust om hem te bespotten, maar toch was ik niets op
mijn gemak. Wat zou hiervan het gevolg wezen? Als Vitalis er nu maar
was, dan zou hij den agent ten minste te woord kunnen staan. Maar ik
was geheel alleen en ik moet eerlijk bekennen, dat ik niet weten zou,
wat ik den agent antwoorden moest, wanneer hij mij aansprak.
Het voorkomen van den agent stelde mij volstrekt niet gerust; hij
zag er kwaad uit en het scheen dat hij zeer driftig was.
Hij liep langs het touw heen en weer en zoo vaak hij dicht bij
mij kwam, zag hij mij aan met een paar oogen, die niet veel goeds
voorspelden.
Joli-Coeur, die volstrekt het ernstige van dezen toestand niet inzag,
schepte behagen in de houding van den agent en bootste hem getrouw
in alles na.
Ik wilde de wanhoop van den agent niet tot het uiterste drijven en
riep Joli-Coeur bij mij, maar deze wilde niet gehoorzamen en ontsnapte
mij telkens, wanneer ik op het punt was hem machtig te worden.
Ik weet niet hoe het kwam, maar de agent, wiens drift hem scheen te
verblinden, dacht juist, dat ik den aap aanhitste en stapte over het
touw heen.
In twee sprongen stond hij voor mij en ik werd bijna omver geworpen
door een geduchten oorveeg.
Toen ik weder opstond en mijn oogen opende, stond Vitalis tusschen
mij en den agent, dien hij bij zijn kraag vasthield.
--Ik verbied u dit kind te slaan, zeide hij; wat gij gedaan hebt is
een laagheid.
De agent wilde zijn hand losmaken, maar Vitalis drukte deze in
de zijne.
Gedurende eenige minuten zagen de beide mannen elkander strak aan.
De agent was buiten zich zelven van woede.
Mijn meester had een schoon, voornaam voorkomen, zijn indrukwekkend
grijs hoofd hield hij steeds recht opgeheven en op zijn gelaat stond
de hoogste verontwaardiging te lezen.
Het was mij alsof hij den agent met zijn blik in den grond wilde
boren, maar dat gebeurde niet; eensklaps rukte deze zijn hand los,
greep mijn meester bij den kraag en wierp hem op zijde.
Vitalis viel bijna op den grond, met zooveel kracht stootte de
agent hem van zich af; maar hij bleef nog juist staan en gaf met de
rechterhand zijn vijand een geduchten slag.
Mijn meester was wel is waar een krachtig gebouwd man, maar hij was
een grijsaard; de agent een jeugdig man, in den bloei des levens en
de strijd tusschen hen kon dus niet van langen duur zijn.
Maar er was geen strijd.
--Wat wilt gij? vroeg Vitalis.
--Ik neem u in hechtenis; volg mij naar het bureau.
--Waarom hebt gij dit kind geslagen?
--Geen praatjes, volg mij.
Vitalis gaf geen antwoord, maar wendde zich tot mij.
--Keer naar de herberg terug, blijf daar met de honden, ik zal u wel
nader bericht zenden.
Hij kon niets meer zeggen; de agent trok hem mede.
Zoo eindigde op een zeer treurige wijze de voorstelling, welke mijn
meester aardig had willen maken.
De honden wilden eerst hun baas volgen, maar toen ik hun beval bij mij
te blijven, kwamen zij, gewoon om te gehoorzamen, terug. Ik zag toen,
dat zij gemuilband waren, maar in plaats dat hun neus in een ijzeren
toestel of een netwerk besloten was, droegen zij slechts een zijden
lapje, dat met een lint om hun snoet gebonden was. Capi, die wit was,
had een rooden doek; Zerbino, zwart van haar, een witten; de grijze
Dolce was met een blauwen lap getooid. Het waren muilbanden die voor
het tooneel waren bestemd en ongetwijfeld had Vitalis de honden zoo
uitgedost, om den agent een poets te spelen.
Het publiek was terstond uiteen gegaan; eenige toeschouwers waren
nog blijven staan om het gebeurde met elkaar te bepraten.
--De oude had gelijk.
--Hij had ongelijk.
--Waarom heeft de agent het kind geslagen, dat hem niets gezegd noch
gedaan had?
--Het is een leelijk geval; de oude zal er niet zonder gevangenisstraf
afkomen, als de agent hem van oproerige bedoelingen beschuldigt.
Ik keerde zeer bedroefd en in de grootste onrust naar de herberg terug.
Vitalis boezemde mij geen vrees meer in, en eerlijk gezegd had dat
gevoel ook maar zeer kort bij mij geduurd. Al spoedig had ik mij aan
hem gehecht en mijne genegenheid voor hem was met den dag sterker
geworden. Wij leidden hetzelfde leven, waren van den morgen tot den
avond samen en dikwijls deelden wij denzelfden stroozak. Een vader zou
niet beter voor zijn kind hebben kunnen zorgen dan hij voor mij. Hij
had mij lezen, zingen, schrijven en rekenen geleerd. Op onze lange
wandelingen had hij mij onderweg altijd iets geleerd, wat betrekking
had op hetgeen wij zagen of ondervonden. Bij koud weder had hij zijn
dek met mij gedeeld; wanneer het zeer warm was, had hij mij altijd
geholpen in het dragen van de vele dingen, waarmede ik beladen was. Van
het eten gaf hij mij nooit het slechtste en zich zelven het beste. Nu
en dan trok hij mij wel eens bij mijn ooren en gaf hij mij soms een
schop, die wat harder aankwam, dan die een vader zou gegeven hebben;
maar al die kleine bestraffingen deden mij toch nooit zijn zorgen
vergeten, noch zijn goede woorden of bewijzen van genegenheid een
oogenblik minder waardeeren. Hij hield van mij en ik van hem.
Deze scheiding deed mij dus innig leed.
Wanneer zouden wij elkander weerzien?
Ik had over de gevangenis hooren spreken. Hoelang zou die straf
kunnen duren?
Wat zou ik in dien tijd doen? Hoe en waarvan zou ik moeten leven?
Mijn meester droeg steeds al zijn geld bij zich en vóór dat hij zich
door den agent had laten medevoeren, had hij geen tijd gehad mij geld
te geven.
Ik had slechts eenige centen in mijn zak; zouden die voldoende wezen
om Joli-Coeur, de honden en mij te voeden?
Twee dagen brachten wij in den grootsten angst door, zonder dat ik
de herberg durfde verlaten, en mij aanhoudend met Joli-Coeur en de
honden bezighield, die eveneens in de grootste onrust verkeerden.
Eindelijk, den derden dag, bracht een man mij een brief van Vitalis.
In dien brief deelde mijn meester mij mede, dat men hem gevangen
hield om den volgenden Zaterdag voor de correctioneele rechtbank te
verschijnen, beschuldigd van weerspannigheid tegen een ambtenaar der
openbare macht en feitelijk verzet tegen dezen gepleegd.
"Ik heb zeer verkeerd gedaan, dat ik mij heb laten medesleepen door
mijn drift," voegde hij er bij, "een fout, die mij duur te staan kan
komen. Maar het is te laat om deze te herstellen. Kom op de zitting;
gij kunt er altijd wat leeren."
Hij gaf mij toen nog eenigen raad, hoe ik mij te gedragen had en
eindigde zijn brief met een hartelijk woord, terwijl hij mij verzocht
Capi, Joli-Coeur, Dolce en Zerbino eens voor hem te liefkoozen.
Terwijl ik dezen brief las, was Capi naderbij gekomen en hield zijn
blik op het papier gevestigd; aan zijn kwispelstaarten en zijn snuiven
bemerkte ik, dat hij, door den reuk, wist dat dit papier van zijn
meester kwam; sedert drie dagen was dit het eerste teeken van leven
en vroolijkheid, dat hij gaf.
Ik vroeg eenige inlichtingen en vernam dat de zitting om tien uur 's
morgens begon. Tegen negen uur stond ik dien Zaterdagochtend reeds
tegen den post van de deur geleund en ik was de eerste, die het
lokaal binnentrad. Langzamerhand vulde zich de zaal en ik herkende
vele personen, die bij de voorstelling tegenwoordig geweest waren.
Ik wist niet wat een rechtbank was, maar uit instinct boezemde zij mij
vrees in; het kwam mij voor, dat, al betrof het hier mijn meester,
ik zelf toch ook in gevaar verkeerde; ik verschool mij achter een
groote kachel en, terwijl ik mij tegen den muur drukte, maakte ik
mij hoe langer hoe kleiner.
Mijn meester stond niet het eerst terecht; hem vooraf gingen dieven,
twistzoekers, die allen zich voor onschuldig verklaarden, doch allen
veroordeeld werden.
Eindelijk kwam Vitalis op de bank zitten, tusschen twee gendarmen in.
Wat er in het begin gesproken werd, wat men hem vroeg en wat hij
antwoordde, daar hoorde ik allemaal niets van; ik was te aangedaan
om dat te hooren of liever om het te begrijpen. Ik dacht er dan ook
niet aan om te luisteren; ik staarde slechts voor mij.
Ik keek naar mijn meester, die recht overeind stond met zijn grijze
haren naar achteren geworpen, in de houding van een man die beschaamd
en vernederd was; ik zag naar den rechter, die hem ondervroeg.
--Alzoo, zeide deze, erkent gij dat ge slagen hebt toegebracht aan
den agent die u in hechtenis heeft genomen?
--Geen slagen, mijnheer de rechter, maar een slag; toen ik op de
plaats kwam, waar onze voorstelling zou plaats hebben, zag ik den
agent het kind, dat mij vergezelde, een oorveeg geven.
--Dat is uw kind niet?
--Neen, mijnheer de rechter, maar ik ken hem, alsof het mijn eigen
zoon is. Toen ik hem een klap zag geven, liet ik mij door mijn drift
medesleepen. Ik vatte de hand van den agent om hem te verhinderen,
het kind een tweeden slag toe te brengen.
--Hebt gij zelf ook den agent geslagen?
--Dat is te zeggen, toen deze mij bij mijn kraag vatte, vergat ik,
wie de man was, die mij aangreep; ik zag in hem slechts den aanvaller
en niet den agent en ik kon mezelf niet beheerschen.
--Op uw leeftijd moet men zich zelf weten meester te blijven.
--Men _moest_ zich zelf beheerschen; maar men doet helaas! niet altijd
wat men moet; dat voel ik thans ook.
--Wij zullen nu den agent hooren.
Deze vertelde de feiten zooals zij gebeurd waren, maar trachtte meer
de aandacht te laten vallen op den spot, dien men met zijn persoon
gedreven had, dan dat hij van den slag sprak, dien hij ontvangen had.
Bij deze verklaring zag Vitalis, in plaats van aandachtig te luisteren,
de zaal rond. Ik begreep, dat hij mij zocht. Ik besloot toen mijn
schuilplaats te verlaten en terwijl ik tusschen de menigte doorschoof,
gelukte het mij eene plaats vooraan te krijgen.
Hij ontdekte mij en op zijn zwaarmoedig gelaat kwam een blijde trek te
voorschijn; ik gevoelde, dat hij gelukkig was mij te zien en ondanks
mezelf, vulden mijn oogen zich met tranen.
--Is dat al wat gij tot uw verdediging hebt in te brengen? vroeg de
rechter eindelijk.
--Ik voor mij heb er niets bij te voegen, maar voor het kind,
waarvan ik houd en dat nu alleen overblijft, voor hem roep ik de
toegevendheid der rechters in en smeek hen ons zoo kort mogelijk van
elkander te scheiden.
Ik dacht dat men mijn meester in vrijheid zou stellen. Maar daar
gebeurde niets van.
Een andere rechter sprak nog eenige minuten, daarop zeide de president
met een ernstige stem, dat Vitalis veroordeeld was tot twee maanden
gevangenisstraf en een boete van vijftig gulden.
Twee maanden gevangenisstraf!
Door mijn tranen heen zag ik Vitalis door dezelfde deur, waardoor hij
was binnengetreden, de zaal verlaten; een gendarme volgde hem en de
deur werd weder gesloten.
Twee maanden zouden wij van elkander gescheiden zijn. Waar moest
ik heen?