Toen wij het dorre en onvruchtbare landschap verlaten hadden, daalden
wij naar het schoone en liefelijke dal van de Dordogne, dat wij bij
kleine dagreizen doortrokken, want een rijk land bevat welgestelde
burgers en daar onze voorstellingen zeer talrijk waren, stroomde het
geld in Capi's bakje.
Een bevallige brug, die in den nevel ons toescheen aan herfstdraden
te hangen, strekt zich boven een breede rivier uit, welke rustig
tusschen hare boorden voortkabbelt; het is de brug van Cubzac en de
rivier is de Dordogne.
Een oude bouwvallige stad met grachten en wallen, met torens en een
klooster, omheind door ingestorte muren, met boschjes waarin de krekel
zich onophoudelijk doet hooren--dat is Saint-Emilion.
Maar dat alles staat mij slechts onbestemd voor den geest, terwijl
een ander schouwspel mij veel meer getroffen heeft, en zulk een diepen
indruk op mij maakte, dat ik het mij nog levendig herinneren kan.
Wij hadden den nacht in een zeer arm dorp doorgebracht, dat wij den
anderen morgen reeds bij het aanbreken van den dag verlieten. Geruimen
tijd hadden wij een zandweg gevolgd, toen wij plotseling, in plaats van
de wingerden, die den weg omzoomden, een open vlakte voor ons zagen,
alsof eensklaps, door een tooverstaf, een gordijn was opgetrokken.
Een breede rivier kronkelde zich zachtkens om den heuvel, dien wij
bestegen, en aan gindsche zijde van die rivier verhieven zich de
daken en torens van een groote stad, waarvan de grens met den horizon
samensmolt. Wat een huizen! Wat een schoorsteenen! De een al hooger
en nauwer dan de ander. Zij stonden daar als pilaren, die een zwarte
rookkolom deden opstijgen, prijsgegeven aan de luimen van een licht
koeltje, en boven de stad pakten zij zich tot een donkere wolk samen.
Middenop die rivier en aan de kade lagen een aantal schepen, die als
boomen van een woud zich verhieven, waarvan tuig en masten, zeilen
en vlaggen in elkander grepen en zich verwarden, wanneer de wind er
onder speelde.
Men hoorde een dof gedreun, het geluid van rammelend ijzer en zware
hamerslagen, terwijl daar bovenuit onafgebroken het ratelen van
rijtuigen klonk, die men in zijn verbeelding over de kade zag rijden.
--Dat is Bordeaux, sprak Vitalis.
Voor een kind, dat eene opvoeding genoten had als ik, en tot nogtoe
slechts arme dorpen of kleine steden had gezien, was het alsof het
plotseling in een tooverwereld verplaatst werd.
Onwillekeurig bleef ik stilstaan en staarde ik strak voor mij uit.
Maar weldra werd mijn blik toch door één punt geboeid: de rivier en
de schepen, die haar bedekten. Ik had mij nooit eene voorstelling
daarvan gemaakt en ik begreep er ook niets van.
Schepen in volle zeilen zakten langzaam de rivier af, bevallig
overhellend naar de eene zijde, terwijl andere vaartuigen de rivier
opvoeren; ook zag ik er sommigen die onbeweeglijk bleven liggen,
alsof zij een eiland waren, en nog anderen weder, die om zich zelf
heendraaiden, zonder dat men bemerken kon, waardoor zij deze wendingen
maakten; eindelijk waren er ook zonder masten, zelfs zonder zeilen,
maar die hadden een schoorsteen, waaruit een dwarrelende kolom van
rook ten hemel steeg; deze bewogen zich met groote snelheid in alle
richtingen en lieten in het gele water voren van wit schuim achter.
--Het is thans vloed, zeide Vitalis, mij het antwoord gevende,
zonder dat ik hem de vraag gedaan had; er zijn daaronder schepen,
die uit volle zee komen en een lange reis achter den rug hebben;
deze zijn verkleurd en bijna verroest; er zijn anderen die eerst
de haven verlaten, in het midden der rivier liggen, om zich zelf
draaien en met behulp van hun ankers steeds den steven bieden aan
den opkomenden vloed. Die welke zooveel rook geven zijn sleepbooten.
Welke vreemde woorden waren dit voor mij! Welke nieuwe gedachten
rezen voor mijn geest!
Toen wij de brug bereikt hadden, die Bastide met Bordeaux verbindt,
had Vitalis den tijd nog niet gehad om mij zelfs maar op een honderdste
gedeelte van mijn vragen, die ik hem doen wilde, een antwoord te geven.
Tot nogtoe was ons verblijf in dorpen nooit van langen duur geweest,
want door den aard van onze voorstellingen waren wij wel genoodzaakt
dagelijks een andere plaats te zoeken, om telkens een nieuw publiek te
hebben. Wanneer wij de vier of vijf stukken, waaruit ons repertoire
bestond, gespeeld hadden, dan moesten wij weder van voren afaan
beginnen.
Maar Bordeaux was eene groote stad, waar wij dikwijls van publiek
konden verwisselen en gerust drie of vier voorstellingen konden geven,
zonder dat de toeschouwers ons zouden uitfluiten.
Van Bordeaux zouden wij naar Pau gaan. Ons reisplan voerde ons over
dat uitgestrekt moeras, dat van de haven van Bordeaux zich tot aan
de Pyreneën uitstrekt en de Landes heet.
Hoewel ik niet de muis uit de fabel ben, die bij alles wat zij ziet
verbaasd is of haar verwondering en schrik daarover te kennen geeft,
kreeg ik toch den eersten dag een schrik, die mijn meester dikwijls
deed lachen en tot aan Pau mij met zijn spot vervolgen deed.
Het was zeven of acht dagen geleden, sedert wij Bordeaux verlaten
hadden en nadat wij eerst de oevers van de Garonne gevolgd waren,
verlieten wij deze en sloegen den weg naar Mont-de-Marsan in, die door
de vlakte voerde. Geen wingerden of weilanden waren het thans, die ons
oog bekoorden, maar bosschen van pijnboomen en heidevelden. De huizen
werden zelfs al spoedig zeldzamer en armer. Daarop bereikten wij een
onmetelijke vlakte, die zoo ver onze blik reikte, zich zacht-golvend
voor ons uitstrekte. Geen bouwland, geen bosch, maar een grijsachtige
bodem in de verte, en langs den weg, bedekt met een zacht mos, dorre
struiken en door den wind geknakt kreupelhout.
--Hier zijn we in de Landes, zeide Vitalis; wij moeten thans nog
twintig of vijfentwintig mijlen door deze woestijn afleggen. Gij
moogt uw beenen dus wel wat moed inspreken.
Niet alleen mijn beenen, maar ook mijn hoofd en hart hadden daaraan
behoefte; want op dezen weg, die nooit scheen te eindigen, werd men
door een onbestemd gevoel van weemoed, ja van wanhoop aangegrepen.
Sedert dien tijd heb ik verscheidene zeereizen gemaakt, en als ik mij
middenop den oceaan bevond, zonder een zeil in het gezicht, maakte
zich altijd weder diezelfde onbeschrijfelijk zwaarmoedige stemming
van mij meester, die ik in deze verlaten streek gevoeld had.
Wij liepen steeds voort, zonder dat wij een oogenblik bemerkten, dat
wij vorderden. Nu en dan werd onze tocht afgewisseld door een klein
groepje boomen, maar deze gaven aan het landschap geen vroolijker
karakter. Het waren gewoonlijk pijnboomen, waarvan de takken aan den
top waren afgesneden. Over den geheelen bast waren diepe insnijdingen
gemaakt en uit die roode wonden droop het witte gekristalliseerde
sap. Als de wind bij vlagen door de takken suisde, veroorzaakte hij
een klagend geluid, alsof de arme gepijnigde boomen zelven over hunne
wonden treurden.
Vitalis had mij gezegd, dat wij dien avond een dorp zouden bereiken,
waar wij een nachtverblijf konden vinden.
Maar toen de avond naderde, bespeurden wij niets, dat ons de nabijheid
van een dorp deed vermoeden: geen bouwland, noch grazend vee, noch
lichten rook, die uit een huis opsteeg.
Wij hadden een geheelen dag geloopen; ik was doodmoê en een gevoel
van uitputting had zich van mij meester gemaakt.
Zou dat vurig gewenschte dorp dan nooit op dezen oneindig langen
weg verschijnen?
Hoe ik ook rondstaarde, ik zag niets anders om mij heen dan de vlakte,
waarvan het lage kreupelhout al meer en meer verdween in de toenemende
duisternis.
Het verlangen naar rust had ons den pas doen versnellen en mijn meester
zelf, niettegenstaande hij gewend was verre tochten te maken, scheen
vermoeid te zijn. Hij wilde zelf een oogenblik aan den kant van den
weg gaan rusten.
Maar in plaats dat ik mij naast hem zette, beklom ik een kleinen
heuvel, die met bremstruiken begroeid was en zich op geringen afstand
van ons verhief, om te zien of ik niet eenig licht kon ontdekken.
Ik riep Capi om met mij mede te gaan; maar Capi was ook moede en
hij deed alsof hij niet hoorde, wat zijn gewoonte was tegenover mij,
als hij geen lust gevoelde om mij te gehoorzamen.
--Zijt gij bang? vroeg Vitalis.
Deze woorden deden mij besluiten om niet langer aan te dringen en
ik ging alleen op mijn ontdekkingstocht uit: ik wilde me ook niet
langer den spot van mijn meester laten welgevallen, daar ik in het
minst geen angst gevoelde.
Het was echter geheel donker geworden; de maan scheen niet, maar
eenige sterren flikkerden aan het uitspansel en verspreidden een
flauw schijnsel, waardoor de lichte nevelen zichtbaar waren.
Terwijl ik voortliep en nu eens rechts dan links blikte, bemerkte
ik, dat deze nevelachtige schemering een zonderlingen vorm aan alle
dingen gaf; ik moest er goed over nadenken, eer ik het kreupelhout,
de bremstruiken en vooral de lage boomen kon onderscheiden; zij
geleken van verre allen op levende wezens, die deel uitmaakten van
een tooverwereld.
Dat was vreemd en het scheen, dat in de schemering de vlakte eene
verandering ondergaan had en zij met geheimzinnige wezens bevolkt
was geworden.
De gedachte kwam in mij op, waarom weet ik zelf niet, dat een ander
in mijn plaats misschien bang zou geworden zijn; dat was zeer wel
mogelijk, daar Vitalis mij gevraagd had of ik vrees koesterde; toch
gevoelde ik voor mezelf in het minst geen vrees.
Naarmate ik hooger klom, werden de struiken ook grooter en het hout
krachtiger; de toppen der boomen reikten zelfs dikwijls boven mijn
hoofd en ik was vaak genoodzaakt mij te bukken.
Toch had ik spoedig de kruin bereikt. Maar hoe ik ook om mij heen
staarde en zocht, ik bespeurde nergens eenig licht. Mijn blik verloor
zich in de duisternis: slechts onbestemde vormen, zonderlinge
gedaanten, braamstruiken, die hun takken naar mij schenen uit te
strekken alsof het lange beweegbare armen waren, soms dansende
struiken schenen.
Toen ik niets kon ontdekken dat mij de nabijheid van een of ander dorp
deed vermoeden, luisterde ik met ingehouden adem of soms eenig geluid,
het loeien van eene koe of het blaffen van een hond, een boerenwoning
mocht verraden.
Nadat ik geruimen tijd met gespannen aandacht alles had waargenomen,
voer plotseling eene rilling mij door de leden; de stilte, welke in de
Landes heerschte, deed mij huiveren, maakte mij angstig. Waarom? Dat
wist ik zelf niet. Zeker was het mijn eenzaamheid en het nachtelijk
uur. In ieder geval, ik gevoelde dat ik in gevaar verkeerde.
Op hetzelfde oogenblik, dat ik in den grootsten angst om mij heen
staarde, bemerkte ik dat een lange gedaante, die boven de struiken
uitstak, zich snel voortbewoog en tegelijkertijd hoorde ik iets in
het kreupelhout ritselen.
Ik trachtte mezelf wijs te maken, dat dit het gevolg was van mijn vrees
en dat hetgeen ik voor een schim hield niets anders dan een boom was,
die mijn aandacht in het eerst was ontgaan.
Maar wat was dan dat gedruisch?
Het was volkomen windstil. Zelfs de kleinste takken bewegen zich
niet vanzelf; het moest, zoo niet de wind, dan een mensch zijn,
die ze heen-en-weer deed gaan.
Een mensch?
Neen, dat groote zwarte lichaam, dat mij naderde, kon geen mensch zijn;
een dier eerder, een reusachtige nachtvogel, of een groote spinnekop
op vier pooten, waarvan de tengere ledematen zich boven het hout en
de struiken verhieven en tegen den bleeken hemel afstaken.
Zeker was het, dat dit dier op ondenkbaar lange pooten meer en meer,
met groote sprongen zelfs, mij naderde.
Zonder twijfel had het mij gezien en het kwam op mij af.
Deze gedachte deed mij mijn krachten herwinnen en mij omkeerende,
snelde ik den berg af om mij weder bij Vitalis te voegen.
Maar, zonderling, ik daalde minder snel, dan ik gestegen was; ik
verwarde mij telkens tusschen het hakhout en wondde mij gedurig aan
de takken, hetgeen mij noodzaakte bij elke schrede stil te staan.
Terwijl ik mij in een boschje verschool, wierp ik een blik achter mij:
het dier naderde nog altijd; het kwam op mij af.
Gelukkig was het kreupelhout aanmerkelijk verminderd en kon ik dus
over het gras harder loopen.
Maar hoe ik mij ook haastte, het dier liep nog sneller, ik behoefde
niet eens meer om te zien, ik voelde het reeds in mijn rug.
Ik haalde geen adem meer, ik stikte bijna van angst en van het harde
loopen; ik waagde toch nog eene laatste poging en viel voor de voeten
van mijn meester neder, terwijl de drie honden, die zich plotseling
hadden opgericht, begonnen te blaffen.
Ik herhaalde werktuigelijk slechts:
--Het beest! het beest!
Onder het blaffen der honden hoorde ik plotseling een luid gelach. Op
hetzelfde oogenblik voelde ik de hand van mijn meester op mijn schouder
rusten en dwong hij mij om mij om te keeren.
--Het beest zijt gij zelf; zie eens om, als ge durft.
Zijn lach meer nog dan zijn woorden, hadden mij weder tot mezelf
gebracht; ik opende mijn oogen en volgde de richting van zijn hand.
De verschijning, die mij zooveel angst had aangejaagd, was stil
blijven staan; zij stond onbeweeglijk op den weg.
Toch gevoelde ik nog eenige vrees en schrik, dat moet ik eerlijk
bekennen, maar ik was niet meer alleen op de vlakte; Vitalis was bij
mij; de honden stonden naast mij; de stilte en de eenzaamheid hadden
nu haar invloed op mij verloren.
Ik vatte moed en staarde flink in het rond.
Was het een dier?
Was het een mensch?
Het had een menschelijk lichaam en ook een hoofd en armen.
Het had echter de harige huid van een dier en twee lange, magere
pooten waarop het stond.
Hoewel het stikdonker was, kon ik die bijzonderheden toch
onderscheiden, want deze groote gedaante teekende zich zwart af
gelijk een silhouette tegen den hemel, waar tallooze sterren een
zacht schijnsel verspreidden.
Waarschijnlijk zou het lang geduurd hebben eer ik mezelf op mijn vraag
eenig antwoord had kunnen geven, zoo mijn meester niet het woord tot
de gedaante gericht had.
--Kunt gij mij ook zeggen of wij nog ver van een dorp verwijderd
zijn? vroeg hij.
Het was dus een mensch, daar men tot hem spreken kon?
Maar tot antwoord hoorde ik niets dan een scherpen lach gelijk aan
het geschreeuw van een vogel.
Het was dus een dier?
Mijn meester ging echter voort met vragen, hetgeen ik als zeer
onverstandig van hem beschouwde, want ieder weet, dat al mogen dieren
somtijds hetgeen men zegt begrijpen, zij toch nooit kunnen antwoorden.
Hoe groot was dus mijne verbazing toen het dier zeide, dat er geen
enkel huis in onze omgeving was, maar slechts een schaapskooi,
waarheen hij ons wilde geleiden.
Hij sprak, maar hoe kwam het dan dat hij pooten had?
Indien ik gedurfd had, zou ik hem zijn genaderd, om te zien hoe zijn
pooten gemaakt waren, en hoewel hij in het geheel niet boosaardig
scheen, had ik toch daartoe den moed niet, en mijn zak opnemende,
volgde ik mijn meester zonder iets te zeggen.
--Hebt gij nu gezien, wat u zooveel schrik heeft aangejaagd? vroeg
hij me onderweg.
--Ja, maar ik weet niet wat het is; zijn er dan reuzen in dit land?
--Ja, wanneer zij op stelten loopen.
Hij vertelde mij toen dat de bewoners van de Landes, om de moerassige
en zandige streken te doorkruisen zonder tot aan de heupen toe door
het slijk te baggeren, zich van lange stokken bedienen, die met een
beugel voorzien zijn en waarop zij hun voeten bevestigen.
--Op deze wijze worden zij voor bange kinderen reuzen met
zevenmijlslaarzen.