MIJN EERSTE OPTREDEN.

Den anderen morgen begaven wij ons reeds vroeg op weg.

Het regende niet meer; het was een effen blauwe lucht, en, dank zij

den harden wind, die gedurende den nacht was opgestoken, waren de

wegen vrij schoon. De vogels zongen lustig in het geboomte en de

honden sprongen vroolijk om ons heen. Van tijd tot tijd zette Capi

zich op zijn achterpooten en blafte mij aan; ik begreep zeer goed

wat dit te beduiden had.

--Houd maar moed, houd maar moed, beteekende het.

Want hij was een zeer verstandige hond, die alles begreep en zich zeer

verstaanbaar wist te maken. Dikwijls heb ik hooren beweren, dat hem het

spreken slechts ontbrak. Maar dat heb ik nooit gedacht. In zijn staart

alleen had hij meer geest en welsprekendheid dan vele menschen in hun

tong of oogen. In ieder geval hebben wij nooit aan woorden behoefte

gevoeld; van den eersten dag af, hebben we elkander terstond begrepen.

Daar ik nooit mijn dorp verlaten had, was ik zeer nieuwsgierig om

een stad te zien.

Ik moet evenwel bekennen, dat Ussel mij in het minst niet trof. De

oude huizen met hun torentjes, die zeer waarschijnlijk oudheidkundigen

in verrukking zouden brengen, lieten mij geheel onverschillig.

Het is waar, ik zocht in die huizen ook volstrekt niet het

schilderachtige.

Eén gedachte slechts bezielde mij: voor niets anders had ik oogen

dan voor een schoenmakerswinkel.

Mijn schoenen, de schoenen, die Vitalis mij beloofd had, zouden thans

spoedig aan mijn voeten zijn.

Waar was de heerlijke winkel, die ze mij leveren zou?

Dien winkel zocht ik: het overige, torens, daken en gevels, niets

boezemde mij eenig belang in.

Het eenige wat ik mij dan ook van Ussel nog herinner, is die sombere

bedompte winkel in de nabijheid van de markt. Voor de deur stonden

oude geweren, een jas met zilveren epauletten, eenige lampen en een

groote mand met een menigte verroeste sloten en sleutels.

Wij moesten drie trapjes afdalen om in den winkel te komen; wij

kwamen toen in een groot vertrek, waarin het zonlicht stellig nooit

was doorgedrongen, sedert het dak op het huis gezet was.

Hoe was het mogelijk, dat zulke fraaie dingen als schoenen op zulk

een afschuwelijke plaats verkocht werden!

Vitalis wist echter best wat hij deed, toen hij dezen winkel uitkoos

en spoedig smaakte ik het genot van schoenen met spijkers te mogen

aantrekken, die wel tienmaal zoo zwaar wogen als mijn klompen.

Hiertoe bepaalde zich de edelmoedigheid van mijn meester niet;

hij kocht mij een blauw fluweelen jas, een bombazijnen broek en een

kastoren hoed; kortom alles wat hij mij beloofd had.

Ik zou een fluweelen jas krijgen, ik, die tot nu toe niets dan katoen

had gedragen, en schoenen, en een hoed! en ik had tot hoofddeksel

nooit anders dan mijn haren gehad; hij was bepaald de beste man der

wereld, ongetwijfeld de edelste en rijkste.

Het fluweel was, wel is waar, eenigszins vergaan en het bombazijn

wat versleten; ook kon men moeielijk de kleur meer onderscheiden

van het kastoor, zoozeer had het door den regen en het stof geleden;

maar verblind door zooveel pracht, was ik ongevoelig voor de gebreken,

die zich onder den glans verscholen. Ik verlangde vurig om die nieuwe

kleederen aan te trekken, maar vóór ik ze aantrok deed Vitalis ze

een verandering ondergaan, die mij innig leed deed.

Toen wij in de herberg terugkwamen, haalde hij een schaar uit zijn

tasch te voorschijn en sneed de beide pijpen van mijn broek af,

ongeveer op de hoogte van de knieën.

Terwijl ik hem met verbazing gadesloeg, zeide hij:

Dit is het eenige middel om u niet op iedereen te doen gelijken. Wij

zijn in Frankrijk en nu kleed ik u als een Italiaan; wanneer wij

naar Italië gaan, wat zeer wel mogelijk is, dan kleed ik u als een

Franschman.

Deze uitlegging deed mij niet van mijn verbazing bekomen.

--Wat zijn wij? Kunstenmakers niet waar? komediespelers, die door hun

uiterlijk de aandacht moeten trekken. Meent gij, dat wanneer wij zoo

straks als eerzame burgers gekleed naar de een of andere publieke

plaats gaan, iemand voor ons zou blijven stilstaan om ons aan te

kijken? Neen, niet waar? Weet, dat in het leven schijn dikwijls

noodzakelijk is; 't is jammer, maar wij kunnen er niets aan doen.

Zoo veranderde ik dus van een Franschman, die ik 's morgens was,

's avonds in een Italiaan.

Mijn broek reikte slechts tot aan mijn knieën; Vitalis bond daaronder

mijn kousen vast met roode banden, die verscheidene malen over mijn

beenen werden gekruist; ook mijn hoed werd met gekleurd lint en eenige

gemaakte bloemen versierd.

Ik weet niet wat anderen over mij gedacht zullen hebben, maar ik

moet eerlijk bekennen, dat ik me zelf prachtig vond; en dat moest ook

wel zoo zijn, want mijn vriend Capi, na mij geruimen tijd te hebben

opgenomen, reikte mij zeer voldaan een poot.

De goedkeuring, welke Capi aan mijn gedaanteverwisseling schonk,

deed mij vooral genoegen, omdat Joli-Coeur, terwijl ik mij in mijn

pakje stak, vóór mij op den grond was gaan liggen en aanhoudend mijn

gebaren in het overdrevene had nagebootst. Toen mijn toilet gemaakt

was, had hij zijn voorpooten in de zijde gezet, zijn kop in den hals

geworpen en telkens een spottend gelach doen hooren.

Ik heb meermalen hooren zeggen, dat het een wetenschappelijk vraagstuk

is of apen kunnen lachen. Ik denk dat zij, die zulk een vraag gesteld

hebben, kamergeleerden waren, die nooit een aap hebben bestudeerd.

Ik voor mij, die jarenlang een zeer vertrouwelijken omgang met

Joli-Coeur gehad heb, durf gerust beweren, dat zij wel degelijk lachen,

dikwijls zelfs op een wijze, die mij geducht ergeren kon. Zijn lach was

wel niet precies dezelfde als die van een mensch, maar wanneer de een

of andere gebeurtenis zijn vroolijkheid opwekte, trok hij de hoeken

van zijn mond naar achteren en zijn oogen samen; zijn kaken gingen

dan snel op en neêr en zijn zwarte oogen schenen vuur te schieten,

alsof het doove kolen waren, die men aanblies.

Zelfs bemerkte ik al spoedig, dat hij die eigenaardige teekenen

van lachen vertoonde, bij gelegenheden die zeer pijnlijk voor mijn

eigenliefde waren.

--Nu uw toilet in orde is, sprak Vitalis, terwijl ik mijn hoed opzette,

zullen wij aan het werk gaan, om morgen met den marktdag eene groote

voorstelling te geven, waarbij gij voor de eerste maal zult optreden.

Ik vroeg wat optreden was, en Vitalis legde mij toen uit, dat dit

was voor de eerste maal als tooneelspeler in het publiek verschijnen.

--Morgen zullen we onze eerste voorstelling geven, zeide hij, en daarin

zult gij optreden. Gij moet dus de rol, die ik voor u bestemd heb,

eerst repeteeren.

Mijn verbaasde blik zeide hem, dat ik niets van dat alles begreep.

--Men verstaat onder een rol, al datgene wat men gedurende een

voorstelling te doen heeft. Ik heb u niet medegenomen louter en

alleen om u eene pleizierige wandeling te bezorgen. Daar ben ik niet

rijk genoeg toe. Gij moet werken. En uw werk bestaat daarin, dat gij

tooneelvoorstellingen met mijn honden en Joli-Coeur geeft.

--Maar ik kan geen komedie spelen! riep ik verschrikt uit.

--Juist daarom zal ik het u leeren. Gij begrijpt toch wel dat Capi

niet van nature zoo bevallig op zijn beide achterpooten loopt, evenmin

als Dolce voor haar pleizier touwtje springt. Capi heeft het geleerd

om op zijn achterste pooten te staan en Dolce heeft touwtje leeren

springen; zij hebben zelfs hard en lang moeten werken om deze talenten

te verkrijgen, evenals om bekwame tooneelspelers te wezen. Welnu,

gij moet ook werken, om de verschillende rollen te leeren, die gij

met hen te vervullen hebt. Laten we dus beginnen.

Ik had in dien tijd zonderlinge begrippen van werken. Ik meende,

dat werken bestond in den grond om te spitten, of een boom te kappen,

of steenen te bikken en kon mij geen andere bezigheden voorstellen.

--Het stuk, dat wij zullen geven, vervolgde Vitalis, heet _De knecht

van den heer Joli-Coeur of de domste van de twee is niet dien men

denkt_. Ik zal u het onderwerp mededeelen: De heer Joli-Coeur heeft

tot nogtoe een knecht gehad, over wien hij zeer tevreden was, dat is

Capi. Maar Capi wordt oud; en van den anderen kant wil ook de heer

Joli-Coeur wel een nieuwen bediende. Capi neemt het op zich om hem

een ander te bezorgen.

Maar het zal geen hond zijn, dien hij hem tot opvolger geeft: het

zal een knaap wezen, een boer, Rémi genaamd.

--Zooals ik?

--Neen, niet zooals gij, maar gij zelf. Gij hebt uw dorp verlaten om

in dienst te treden van Joli-Coeur.

--Apen hebben geen bedienden.

--In een komedie wel. Gij meldt u dus aan, maar de heer Joli-Coeur

vindt dat ge er te dom uitziet.

--Dat is niet prettig.

--Wat doet er dat toe, het is immers gekheid? Stel u dus voor, dat ge

werkelijk bij een heer uw dienst komt aanbieden en dat men u beveelt,

de tafel te dekken. Hier staat er juist een die in onze voorstelling

gebruikt kan worden. Ga dus uw gang.

Op die tafel lagen borden, een glas, een vork, een roes en servetten.

Hoe moest men dat alles leggen?

Terwijl ik hierover stond na te denken en de armen slap langs mijn

lijf liet hangen, een weinig voorovergebogen en met half geopenden

mond, niet wetende, waarmede te beginnen, klapte mijn meester in de

handen en riep lachend uit:

--Bravo! Bravo! dat is uitmuntend. Uw mimiek is uitstekend. De knaap,

dien ik vóór u had, zette een slim gelaat, dat duidelijk te kennen gaf:

"gij zult eens zien hoe dom ik wezen kan." Gij daarentegen zegt niets

en uw ongekunsteld gezicht is bewonderenswaardig.

--Ik weet niet wat ik doen moet.

--Juist daarom is uw spel zoo goed. Morgen, binnen weinige dagen,

dan zult gij wel weten, wat gij doen moet; maar dan moet gij u de

verlegenheid herinneren, waarin gij thans verkeert en veinzen hetgeen

gij dan niet meer gevoelt. Als gij dan deze uitdrukking en houding

kunt aannemen, dan voorspel ik u een prachtig succès: Wat moet gij

in mijn stuk voorstellen? Een boerenknaap, die niets gezien heeft en

niets weet; deze komt bij een aap en hij is veel onhandiger en veel

onwetender dan de aap, vandaar de tweede titel. "_De domste van de

twee is niet dien men denkt._" Dommer te zijn dan Joli-Coeur, dat

is uw rol; om die nu goed te vervullen, behoeft ge slechts te wezen,

zooals ge thans zijt; maar daar dit op den duur onmogelijk is, moet

ge u voor den geest brengen wat gij geweest zijt en met eenige kunst

worden, wat gij van nature niet meer wezen zult.

_De knecht van den heer Joli-Coeur_ was geen groot stuk en de

voorstelling duurde niet langer dan twintig minuten. Maar voor onze

repetitie waren drie uur noodig; Vitalis liet ons twee-, vier-,

ja tienmaal hetzelfde overdoen, zoowel de honden als mij.

Deze toch hadden gedeelten van hun rol vergeten en moesten die thans

opnieuw leeren.

De zachtheid en het geduld, die mijn meester hierbij aan den dag legde,

verbaasde mij ten sterkste. Zoo behandelde men de dieren niet in ons

dorp, waar vloeken en slaan het eenige middel was, dat men tot hun

opvoeding aanwendde.

Hij maakte zich, gedurende deze lange repetitie, geen enkele maal boos;

hij vloekte in het geheel niet.

--Laten wij nog maar eens beginnen, zeide hij op ernstigen toon,

wanneer hetgeen hij gevraagd had niet gelukt was; dat is niet goed,

Joli-Coeur; gij Capi, gij let niet op, ik zal u moeten beknorren.

Dat was alles; maar toch was het genoeg.

--Welnu, vroeg hij mij, toen de repetitie geëindigd was, gelooft gij,

dat gij aan het komedie spelen gewoon zult raken?

--Ik weet het niet.

--Verveelt het je?

--Neen, integendeel.

--Dan zal het wel gelukken; gij hebt geest en wat nog meer waard is,

gij zijt oplettend; met oplettendheid en ijver komt men er altijd. Zie

mijn honden eens en vergelijk ze met Joli-Coeur. Joli-Coeur is

misschien levendiger en verstandiger, maar hij heeft geen ijver. Hij

neemt gemakkelijk aan wat men hem leert, maar hij vergeet het even

spoedig. Bovendien doet hij het ook nooit met hart en ziel; gaarne zou

hij zich altijd verzetten en altijd wil hij het tegenovergestelde. Dat

is zoo zijn natuur en daarom word ik ook nooit boos op hem; de aap

heeft niet, zooals de honden, een geweten dat hem gebiedt zijn plicht

te doen, en daarom staat hij veel lager dan zij. Begrijpt gij dat?

--Ik geloof het wel.

--Wees dus oplettend, mijn jongen, en ijverig; doe hetgeen gij

doen moet, altijd zoo goed mogelijk. Daarop slechts komt het in het

leven aan.

Terwijl hij zoo tot mij sprak, waagde ik het hem te zeggen, wat mij het

meest onder de repetitie verwonderd had: zijn onuitputtelijk geduld,

waarvan hij het bewijs had gegeven, zoowel met Joli-Coeur en de honden

als met mij.

Hij glimlachte toen even.

--Men kan wel zien, dat gij tot nogtoe slechts met boeren geleeft

hebt, die hun dieren zeer wreed behandelen en die meenen, dat men ze

slechts met stokslagen regeeren kan. Dat is een zeer groote dwaling:

door geweld krijgt men weinig gedaan, terwijl men met zachtheid alles

overwint. Ik heb van mijn dieren juist door een zachte behandeling

gemaakt wat ze thans zijn. Als ik ze geslagen had, zouden zij bang

voor mij wezen en de vrees benevelt het verstand. Bovendien zou ik,

wanneer ik driftig werd, niet wezen wie ik ben en ik zou thans niet

dat onuitputtelijk geduld bezitten, dat mij uw vertrouwen heeft

doen winnen. Hij, die anderen onderwijst, onderwijst tevens zich

zelf. Mijn honden hebben mij evenveel lessen gegeven als zij van mij

ontvangen hebben. Ik heb hun verstand ontwikkeld, zij hebben mijn

karakter gevormd.

Hetgeen ik hoorde scheen mij uiterst zonderling toe, en ik kon niet

nalaten er om te lachen.

--Gij vindt dat zeer zonderling, niet waar, dat een hond een mensch

kan leeren? En toch is het waar. Denk maar eens na: Neemt gij aan,

dat een hond onder den invloed van zijn meester staat?

--O, zeer zeker.

--Dan zult gij ook begrijpen, dat de meester verplicht is over

zich zelf te waken, wanneer hij de opvoeding van een hond op zich

neemt. Stel u maar eens voor, dat ik op een oogenblik, terwijl ik Capi

onderwijs gaf, mij zelf vergat en driftig werd. Wat zou Capi doen? Hij

zou eveneens driftig en boos worden. Dat wil zeggen, dat hij mijn

voorbeeld zou volgen, en hij zou glad bedorven worden. De hond is

bijna altijd het evenbeeld van zijn meester; wie den een ziet ziet

den ander. Laat mij uw hond zien, dan zal ik zeggen wie ge zijt. De

hond van een roover is een nijdig dier, die van een dief steelt;

de domme boer heeft een hond zonder begrip, maar de beschaafde,

wellevende man heeft een vriendelijken, verstandigen hond.

Mijn makkers, de honden en de aap, hadden dit op mij vooruit, dat

zij gewoon waren om voor het publiek op te treden, zoodat zij den

anderen dag zonder eenige vrees tegemoet zagen. Voor hen was het niet

anders dan iets te doen, wat zij reeds honderdmaal, ja duizendmaal

verricht hadden.

Maar ik voor mij deelde die heerlijke onbezorgdheid niet. Wat zou

Vitalis wel zeggen, als ik slecht speelde? Wat zouden de toeschouwers

zeggen?

Deze gedachten beletten mij den slaap te vatten en toen ik insliep,

zag ik in mijn droom verscheidene menschen, die bijna omvielen van

het lachen.

Ook gevoelde ik mij den anderen dag zeer zenuwachtig, toen wij de

herberg verlieten om naar de markt te gaan, waar onze voorstelling

zou plaats vinden.

Vitalis opende den stoet; met het hoofd fier omhoog, de borst vooruit,

gaf hij met zijn armen en beenen den pas aan, terwijl hij een wals

speelde op een metalen fluitje.

Achter hem liep Capi, op wiens rug de heer Joli-Coeur stond, in het

kostuum van een engelsch generaal met een roode broek en rok, welke met

goud waren afgezet en een hoed met een breeden rand en een witte pluim.

Verder op eerbiedigen afstand volgden naast elkander Zerbino en Dolce.

Ik sloot den optocht, die, dank zij den afstand, welken de meester

ons had aangewezen, een vrij groote lengte in de straat besloeg.

Maar hetgeen nog meer de aandacht trok dan ons luisterrijk gezelschap,

waren de doordringende tonen van de fluit die tot in het achtergedeelte

der huizen de nieuwsgierigheid der bewoners wekten. Men snelde naar

de deur om ons te zien en alle gordijnen werden opgetrokken.

Eenige kinderen begonnen ons te volgen, verscheidene verbaasde boeren

voegden zich bij hen en toen wij de markt hadden bereikt, hadden wij

een ganschen troep achter ons.

Ons tooneel was spoedig opgeslagen; het bestond slechts uit een touw,

dat aan vier boomen werd vastgemaakt, zoodat het een langwerpig

vierkant vormde, in welks midden wij ons plaatsten.

Het eerste gedeelte der voorstelling bestond uit verschillende toeren

door de honden uitgevoerd; maar welke deze toeren waren, zou ik zelf

niet weten te zeggen, daar ik te zeer vervuld was met mijn rol en in

de grootste onrust verkeerde.

Alles wat ik mij herinner is, dat Vitalis niet meer op zijn fluit

speelde, maar die met een viool verwisseld had, waarmede hij de

oefeningen der honden begeleidde, en waarop hij nu eens dansmuziek,

dan weder lieve, vroolijke deuntjes speelde.

De menigte was al spoedig tot aan het koord doorgedrongen, en wanneer

ik meer werktuigelijk dan wel met een bepaalde bedoeling om mij heen

blikte, dan zag ik dat aller oogen op ons waren gevestigd.

Toen het eerste stuk geëindigd was, nam Capi een houten bakje in

zijn bek en deed hij op zijn achterste pooten de ronde bij het

"geachte publiek." Wanneer er geen centen in het bakje vielen, dan

zette hij dit eerst op den grond buiten het bereik der omstanders en

legde vervolgens zijn beide pooten op den weerspannigen toeschouwer,

blafte eenige malen en klopte zachtjes op diens zak, alsof hij dezen

wilde openen. Onder het publiek ging dan een algemeen gelach op en

ieder deelde in die vroolijkheid.

--Het is een slimme poedel; hij weet wiens zak het best gevuld is.

--Kom, steek uw handen in uw zak.

--Hij zal wat geven!

--Neen hij geeft niets!

--Uit de erfenis van uw oom zult gij het terugkrijgen.

Eindelijk kwam het geld dan ook te voorschijn uit het alleronderste

puntje van den zak.

Intusschen hield Vitalis, zonder een woord te spreken, aanhoudend

zijn blik op het bakje gericht en speelde eenige vroolijke deuntjes

op zijn viool, die hij volgens de maat op en neer bewoog.

Capi kwam weldra bij zijn meester terug, terwijl hij het bakje

zegevierend in de hoogte hield.

Nu was het de beurt van Joli-Coeur en van mij om op te treden.

--Dames en heeren, zeide Vitalis, terwijl hij met de eene hand

zijn strijkstok zwaaide en met de andere met zijn viool eenige

bewegingen maakte, onze voorstelling zal besloten worden door een

fraai tooneelstuk, getiteld: _De knecht van den heer Joli-Coeur of de

domste van de twee is niet dien men denkt_. Een man, zoo als ik ben,

vernedert zich niet om vooruit zijn stukken en zijn tooneelisten te

prijzen; ik zeg slechts: zie goed toe, open de oogen wijd en maakt

uwe handen vast klaar om te applaudisseeren.

Hetgeen hij een fraai tooneelstuk noemde, was in werkelijkheid

een pantomime; dat wil zeggen een stuk, dat met gebaren en zonder

woorden gespeeld wordt. En dat moest ook zoo zijn, daar twee der

hoofdpersonen, Joli-Coeur en Capi, niet konden spreken en de derde,

(ik zelf) niet in staat zou geweest zijn twee woorden te uiten. Tot

opheldering van het stuk en om het spel der acteurs gemakkelijker te

maken, laschte Vitalis van tijd tot tijd een woordje er in, dat een

verklaring gaf aan de verschillende toestanden. Zoo ook speelde hij

zachtkens een krijgsmarsch bij het optreden van den heer Joli-Coeur

als engelsch generaal, die zijn rang en zijn fortuin door een oorlog

in Indië verworven had. Tot heden had de heer Joli-Coeur geen anderen

knecht dan Capi, maar hij wilde liever een oppasser, daar zijn middelen

hem deze kleine weelde veroorloofden; de dieren zijn lang genoeg de

slaven der menschen geweest; het werd dus hoog tijd, dat hij hierin

eene verandering bracht.

Terwijl hij op de komst van dien oppasser wachtte, liep de generaal

in zijn kamer op en neer en rookte een sigaar. Men moest eens zien

welke rookwolken hij het publiek in het gelaat blies.

De generaal werd ongeduldig en rolde met zijn oogen, als iemand die

op het punt is in drift uit te barsten; hij beet op zijn lippen en

stampte met zijn pooten op den grond.

Toen hij voor de derde maal stampte, moest ik met Capi binnen komen.

Al zou ik mijn rol vergeten zijn, dan zou de hond mij die wel hebben

herinnerd. Op het gegeven oogenblik, strekte hij zijn poot naar mij

uit en bracht hij mij bij den generaal.

Toen deze mij zag, hief hij zijne beide handen wanhopend ten

hemel. Wat, moest dit zijn knecht worden? Hij bekeek mij toen

nauwkeuriger en liep eenige malen schouderophalend om mij heen.

De uitdrukking van zijn gelaat was zoo dwaas, dat het geheele publiek

schaterde van lachen: men begreep dat hij mij voor een grooten domkop

hield; ook het publiek verkeerde in dien waan.

Het stuk was er natuurlijk geheel op ingericht om aan het publiek

mijne domheid te doen zien; in ieder tooneel moest ik de eene of andere

onhandigheid begaan, terwijl Joli Coeur daarentegen telkens gelegenheid

moest vinden om zijn verstand en slimheid aan den dag te leggen.

Toen hij mij langen tijd had aangestaard nam de generaal mij uit

medelijden in dienst en beval hij mij zijn tafel te dekken.

--De generaal gelooft dat de knaap minder dom zal wezen, als hij wat

gegeten heeft, zeide Vitalis; wij zullen eens zien of dit zoo is.

Ik plaatste mij aan een tafeltje, waarop alles gereed stond.

Wat moest ik met een servet doen?

Capi maakte mij duidelijk, dat ik mij bedienen moest.

Maar hoe?

Toen ik lang er over gedacht had, snoot ik mijn neus er in.

De generaal barstte toen in een hartelijken lach los en Capi viel op

den grond en spartelde met zijn pooten in de lucht, uit ergernis over

mijn domheid.

Toen ik zag, dat ik mij vergiste, bekeek ik weder het servet en vroeg

mezelf af, op welke wijze ik het gebruiken moest.

Eindelijk schoot mij iets te binnen; ik rolde het servet op en bond

het als een das om mijn hals.

Wederom begon de generaal te lachen en Capi viel nogmaals op den grond.

En zoo vervolgens tot op het oogenblik, dat de generaal wanhopend

mij van mijn stoel rukte, op mijn plaats ging zitten en het eten,

dat voor mij bestemd was, opat.

O, _hij_ wist wel wat hij met een servet moest doen. Hoe netjes maakte

hij het in het knoopsgat van zijn uniform vast en spreidde hij het

over zijn knieën uit. Hoe keurig brak hij zijn brood en dronk hij

zijn glas leeg.

Maar dan vooral maakten zijn fijne vormen een onweerstaanbaren indruk,

wanneer hij na afloop van het dejeuné een tandenstoker vroeg en

daarvan een behendig gebruik maakte. Dan barstten van alle zijden de

toejuichingen los en de voorstelling eindigde met een waren triomf. Hoe

verstandig was de aap, hoe dom de knecht!

Toen wij in onze herberg terugkwamen, maakte Vitalis mij zijn

compliment en ik was zulk een komediant, dat ik trotsch was op zijn

lofspraak.

Alleen op de Wereld · 第 16 / 95 题