HET OUDERLIJKE HUIS.

--Wel, vroeg vrouw Barberin, toen wij tehuis kwamen, wat heeft de

burgemeester gezegd?

--Wij hebben hem niet gezien.

--Hoe, hebt gij hem niet gezien!

--Neen, ik heb eenige vrienden in _Notre-Dame_ aangetroffen en toen wij

daar vandaan kwamen, was het te laat; morgen zullen wij er heengaan.

Barberin had dus voorgoed afgezien van zijn plan om mij aan den

hondenman te verkoopen.

Onderweg had ik mezelf gedurig afgevraagd, of in dit naar huis

gaan niet de een of andere listige streek lag opgesloten; maar de

laatste woorden maakten een einde aan den twijfel, die nog bij mij

bestond. Daar wij den anderen morgen naar het dorp zouden terugkeeren

om den burgemeester te bezoeken, had Barberin zeker het voorstel van

Vitalis van de hand gewezen.

Toch zou ik, ondanks de bedreigingen, zeker mijn vrees aan vrouw

Barberin hebben medegedeeld, als ik mij slechts een oogenblik met

haar alleen had bevonden, maar Barberin verliet den ganschen avond

zijn woning niet en ik begaf mij te bed, zonder dat de gelegenheid

waarop ik wachtte, zich had voorgedaan.

Ik sliep in met de gedachte, dat ik den anderen morgen aan mijn hart

wel zou kunnen lucht geven.

Maar toen ik den volgenden morgen opstond, was vrouw Barberin niet

te vinden.

Toen ik haar in den omtrek van het huis zocht, vroeg Barberin wat

ik wilde.

--Moeder.

--Zij is naar het dorp en komt eerst van middag terug.

Zonder te weten waarom, maakte die afwezigheid mij zeer ongerust. Zij

had den vorigen avond niet gezegd, dat zij naar het dorp zou

gaan. Waarom had zij niet op ons gewacht, daar wij toch ook denzelfden

weg gingen? Zou zij weder tehuis zijn vóór wij vertrokken?

Een onbestemde vrees maakte zich van mij meester; zonder mezelf

rekenschap te geven van het gevaar dat mij dreigde, gevoelde ik toch

dat mij iets boven het hoofd hing.

Barberin zag mij aan met een uitdrukking, die weinig geschikt was om

mij gerust te stellen.

Daar ik dien blik niet langer wilde verdragen, ging ik in den tuin.

Die tuin was niet groot; maar voor ons toch van veel waarde, want door

hem werden wij gevoed en behalve brood, kregen wij, er bijna alles

uit: aardappelen, boonen, kool, wortels en knollen. Geen plekje was

dan ook ongebruikt gebleven. Toch had vrouw Barberin mij een stukje

grond afgestaan, waarin ik een onnoemelijk aantal planten, kruiden en

verschillende soorten van mossen geplant had, die ik aan den rand van

het bosch of in de nabijheid der heggen had gezocht, terwijl ik onze

koe liet weiden en die ik dan des middags in mijn tuin overplantte.

Het was volstrekt geen mooie tuin met fraai onderhouden paden en nette

bloemperken, waarin de zeldzaamste bloemen prijkten; zij, die hier

voorbijkwamen, zouden niet eens stilstaan om over de heg te gluren;

maar zooals hij was, had ik hem lief; hij was van mij; het was mijn

grond en mijn werk; ik kon er in doen wat ik wilde of mij inviel,

en wanneer ik er over sprak, wat wel twintigmaal daags gebeurde,

dan sprak ik altijd van "mijn" tuin.

Den vorigen zomer had ik mijn kweekerij eerst aangelegd, dus eerst

tegen de lente zouden de bloemen uitkomen; sommige misschien reeds

bij het einde van den winter.

Mijn nieuwsgierigheid werd dus in de hoogste mate opgewekt.

De krokussen vertoonden reeds eenige gele knoppen en de madeliefjes

staken even hun kopje boven den grond, nog tusschen de bladeren

verscholen.

Hoe zou dat alles in bloei staan?

Daar ging ik iederen dag naar kijken.

Maar er was nog een gedeelte van mijn tuin, dat ik elken dag met

nog grooter belangstelling, ja zelfs met een gevoel van spanning

bezocht. In dat gedeelte had ik een vrucht geplant, die ik gekregen

had en die in ons dorp maar weinig bekend was--peerappelen. Men had

mij verzekerd, dat zij veel beter bollen kreeg dan de aardappelen,

en de smaak aangenamer was dan die der artisjokken en knollen en

nog vele andere gewassen. Deze voorstelling had mij op de gedachte

gebracht om vrouw Barberin eene verrassing te bezorgen. Ik vertelde

haar niets van dit geschenk; ik plantte de bollen in mijn tuin; toen

zij begonnen uit te botten zeide ik, dat het bloemen waren, en wachtte

nu tot ik eindelijk op een mooien morgen, wanneer zij rijp waren,

van de afwezigheid van vrouw Barberin gebruik zou kunnen maken om

ze uit den grond te trekken en ze dan zelf te koken. Hoe? dat wist

ik niet, maar mijn verbeelding bekommerde zich niet over zulk eene

kleinigheid, en als vrouw Barberin weder tehuis zou zijn, wilde ik

ze haar bij het avondeten voorzetten.

Wat zou ik haar dan verrassen!

En wat zou ze in haar schik wezen!

Want dan zouden wij een nieuw gerecht hebben, dat onze aardappelen

in alle opzichten kon vervangen en vrouw Barberin zou dan niet meer

gebukt behoeven te gaan onder den verkoop van onze _Roussette_.

En de uitvinder van dit nieuwe gerecht zou ik zijn, ik Rémi; ik zou

dus ook nuttig wezen.

Met zulke plannen in mijn hoofd was ik, dat valt te begrijpen,

bijzonder begaan met mijn bollen; iederen dag ging ik naar het plekje

waar ik ze geplant had, en in mijn oog was het of zij nooit zouden

uitkomen.

Ik lag geknield op den grond, met mijn handen onder het hoofd en mijn

neus vlak op mijn knollen, toen ik plotseling op ongeduldigen toon

mij bij mijn naam hoorde roepen. Het was Barberins stem.

Wat wilde hij van mij?

Ik haastte mij om naar huis terug te keeren.

Hoe groot was mijn verbazing toen ik bij den schoorsteenmantel

Vitalis en zijn honden zag staan. Ik begreep terstond wat Barberin

van mij wilde.

Vitalis kwam mij halen en zeker had Barberin zijne vrouw uitgezonden

om geheel heer en meester te kunnen zijn.

Ik besefte wel, dat Barberin volstrekt geen medelijden met mij

hebben zou, noch mij eenige hulp verleenen wilde; ik snelde dus naar

Vitalis toe.

--Ach mijnheer, riep ik, neem mij, als je blieft, niet mede.

En ik barstte in snikken los.

--Kom, mijn jongen, zeide hij vriendelijk, gij zult niet ongelukkig bij

mij wezen; ik sla nooit kinderen en bovendien zullen mijn leerlingen

u gezelschap houden en zij zijn lang niet onaardig. Wie zoudt gij

betreuren?

--Vrouw Barberin! vrouw Barberin!

--In elk geval zoudt gij toch niet hier blijven, sprak Barberin,

terwijl hij mij ruw bij mijn arm greep; gij hebt te kiezen tusschen

dezen man en het gesticht.

--Neen! vrouw Barberin.

--Kom, gij begint mij te vervelen, zeide Barberin toornig; als gij wilt

dat ik u hier met stokslagen vandaan jaag, hebt gij het maar te zeggen.

--Het kind wilde liever bij zijn moeder Barberin blijven, zeide

Vitalis; gij moet hem daarvoor niet slaan; het is een bewijs, dat

hij een hart heeft.

--Als gij hem beklaagt, dan gaat hij nog harder schreeuwen.

--Laten wij thans tot onze zaken overgaan.

Terwijl hij dit zeide, wierp Vitalis acht stukken van vijf francs op

tafel, die Barberin met een enkele beweging van de hand in zijn zak

liet glijden.

--Waar is het pakje? vroeg Vitalis.

--Hier, gaf Barberin ten antwoord, terwijl hij hem een blauw geruiten

zakdoek overhandigde, waarvan de vier hoeken waren saamgeknoopt.

Vitalis maakte ze los en onderzocht toen alles wat deze doek bevatte:

slechts twee hemden en een broek waren daarin.

--Dat hebben we niet afgesproken, zeide Vitalis; gij moet mij al zijn

kleedingstukken geven en dit zijn eenige lompen.

--Hij heeft niets anders.

--Als ik het aan den knaap vroeg, zou hij zeggen, dat het een leugen

was. Maar ik wil daarover niet met u twisten. Ik heb geen tijd

daartoe. Ik moet weg. Kom ventje, hoe heet gij?

--Rémi.

--Kom Rémi, neem nu het pakje en ga vooruit, Capi.

Ik stak eerst hem en daarop Barberin mijn hand toe, maar beiden

keerden het hoofd om en ik voelde dat Vitalis mij bij den pols greep.

Ik moest loopen.

O, mijn dierbaar huis! het was mij, toen ik den drempel overschreed,

of ik een gedeelte van mijn leven daar achterliet.

Ontroerd wierp ik nog een blik om mij heen; mijn oogen vulden zich

met tranen toen ik niemand zag, aan wien ik hulp kon vragen; niemand

op weg, niemand in mijn onmiddellijke nabijheid.

Ik riep:

--Moeder, moeder Barberin!

Maar niemand gaf eenig antwoord op mijn angstkreet, die in een snik

eindigde.

Ik moest Vitalis volgen, die mijn pols niet had losgelaten.

--Goede reis! riep Barberin.

En hij ging weder in huis. Helaas! Er viel thans niets meer aan

te veranderen.

--Kom Rémi, laten wij nu ook gaan, sprak Vitalis. En hij trok mij

bij den arm mede.

Ik ging toen naast hem loopen. Gelukkig versnelde hij zijn pas niet

en ik geloof zelfs, dat hij hem naar mijn stap regelde.

De weg, dien wij volgen moesten, was bergopwaarts en bij elke

kronkeling, die hij maakte, zag ik het huis van vrouw Barberin, maar

telkens al kleiner en kleiner. Menigmaal had ik dit pad beklommen en

ik wist dan ook, dat ik bij den laatsten hoek ons huis nog slechts

eenmaal zien zou en zoodra wij de vlakte bereikt hadden, dit geheel

uit het oog zou verliezen; ik zou het dan nooit wederzien en vóór mij

strekte zich het onbekende uit en achter mij lag het huis, waarin ik

tot op dezen dag gelukkig geweest was en dat ik nooit in mijn leven

weder betreden zou.

Gelukkig moesten wij geruimen tijd klimmen; eindelijk bereikten wij

dan ook den top.

Vitalis had mij steeds bij de hand gehouden.

--Mag ik een oogenblik rusten? vroeg ik hem.

--Met alle genoegen, mijn jongen. En voor de eerste maal liet hij

mijn hand los.

Maar op hetzelfde oogenblik zag ik, dat hij zijn blik op Capi vestigde

en hem een teeken gaf, dat deze scheen te begrijpen.

Capi deed als een herdershond: hij verliet terstond het hoofd van

zijn kudde en plaatste zich achter mij.

Deze beweging was voldoende om mij het teeken te verklaren; Capi was

mijn bewaker; indien ik een poging deed om te ontsnappen, dan zou

hij zeker tegen mij opspringen.

Ik zette mij op het gras en Capi volgde mij.

Toen ik zat, was mijn eerste werk om met mijn betraande oogen het

huis van vrouw Barberin te zoeken.

Aan onze voeten strekte zich het dal uit, waarin bosch en weiland

elkander afwisselden, en geheel in de diepte lag mijn ouderlijk huis,

de woning waarin ik was opgevoed.

Zij was zeer gemakkelijk tusschen het geboomte te onderscheiden,

want een lichte rookwolk steeg uit den schoorsteen op en terwijl die

zich statig omhoog verhief, rees zij tot ons op.

Was het verbeelding of werkelijkheid, maar het was mij of die rook

den geur der eikebladen met zich bracht, die gedroogd waren tusschen

de stapels takkenbossen, waarmede wij altijd het vuur aanmaakten;

het kwam mij voor of ik nog in het hoekje bij den haard zat op mijn

bankje met mijn voeten in de asch, terwijl de wind door den schoorsteen

gierde en de rook ons in het gelaat sloeg.

Ondanks den afstand en de hoogte, waarop ik mij bevond, kon ik alle

voorwerpen duidelijk onderscheiden en hadden zij denzelfden vorm en

gedaante, maar eenigszins verkleind, behouden.

Op den mesthoop liep onze kip heen en weer, de laatste, die ons was

overgebleven, maar zij had niet dezelfde grootte en als ik haar niet

zoo goed kende, zou ik haar voor een duif gehouden hebben. Achter het

huis zag ik den pereboom met zijn krommen stam, dien ik zoovele jaren

tot mijn paard gebruikt had. Verderop, naast de beek, die zich als een

zilveren lijn tusschen het donkere groen kronkelde, zag ik het kanaal

dat tot afleiding van het water diende en dat ik met zooveel moeite

gegraven had om mijn molenrad, dat ik zelf had gemaakt, in beweging te

brengen; helaas! het had, ondanks al mijn werk, nooit willen draaien.

Alles stond op zijn gewone plaats, mijn kruiwagen en mijn ploeg,

die ik van een knoestigen boomtak gemaakt had en het konijnennest en

mijn tuin, mijn heerlijke tuin!

Wie zou nu mijn mooie bloemen zien bloeien? Wie zou mijn peerappelen

rooien? Barberin zeker, die nare Barberin!

Nog een stap verder en alles zou voor mijn oogen verdwenen zijn.

Eensklaps ontdekte ik op den weg, die van het dorp naar het huis leidt,

heel in de verte een witte muts. Zij verdween achter een groep boomen,

maar kwam oogenblikkelijk weder te voorschijn.

Zij was op zulk een afstand van mij, dat ik slechts de witte muts

onderscheiden kon, die als een vlinder met bleeke kleuren tusschen

de boomen fladderde.

Maar er zijn oogenblikken in het leven, waarin het hart beter en verder

ziet dan de scherpste blik: ik herkende moeder Barberin; zij was het,

daar was ik zeker van; ik voelde dat zij het was.

--Kom, zeide Vitalis, zullen we verder gaan?

--Och mijnheer, als je blieft, nog niet.

--Het is dan toch een leugen die men mij vertelt heeft; gij hebt geen

beenen: nu reeds moe te zijn; dat belooft niet veel goeds.

Maar ik gaf geen antwoord, ik staarde slechts voor mij.

Het was vrouw Barberin, het was haar muts, het was haar blauwe japon,

kortom zij was het.

Zij liep snel voort, alsof zij haast had om thuis te komen.

Toen zij het hek bereikt had, duwde zij het open en liep met groote

schreden de tuin door.

Ik sprong plotseling van het gras op, zonder op Capi te letten,

die eveneens opsprong.

Vrouw Barberin bleef niet lang in huis. Zij kwam spoedig weer uit de

deur en liep in den tuin heen en weer; zij zocht mij.

Ik boog mij voorover en uit alle macht riep ik:

--Moeder!

Maar mijn stem kon niet tot haar doordringen, noch het kabbelen van

de beek overstemmen; zij ging in de lucht verloren.

--Wat hebt gij? vroeg Vitalis, ik geloof, dat gij gek wordt.

Zonder te antwoorden hield ik de oogen op vrouw Barberin gevestigd,

maar zij wist niet, dat ik zoo dicht bij haar was en zij zag niet

naar boven.

Zij had nu den tuin ten einde geloopen en liet haar oog naar alle

kanten gaan.

Ik riep nog luider, maar evenals de eerste maal, was het ook thans

tevergeefs.

Vitalis giste toen de waarheid en beklom ook de helling.

Hij bespeurde terstond de witte muts.

--Arme jongen! fluisterde hij.

--Och, als je blieft, riep ik, aangemoedigd door zijn medelijden,

laat mij toch teruggaan.

Maar hij vatte mij bij de hand en liep den weg op.

--Nu zijt gij uitgerust en kunnen we dus verder gaan.

Ik wilde mij losrukken, maar hij hield mij stevig vast.

--Capi! zeide hij, Zerbino! en de beide honden omringden mij. Capi

achter mij, Zerbino vooruit.

Ik moest Vitalis dus wel volgen.

Toen wij eenige schreden gedaan hadden, wendde ik het hoofd om.

Wij daalden nu den heuvelrug af en ik kon noch het dal, noch mijn

woning meer zien; heel in de verte niets dan de blauwe heuvels,

die tot den hemel schenen te reiken: mijn blik verloor zich in de

oneindige ruimte.

Alleen op de Wereld · 第 12 / 95 题