Dien nacht sliep ik, door angst en vrees vermeesterd, zeer onrustig,
en toen de morgen aanbrak, was bij mijn ontwaken mijn eerste zorg om
mijn bed aan alle kanten te betasten en eens in het rond te zien om
mij te overtuigen, dat men mij niet weggebracht had.
Den ganschen ochtend sprak Barberin geen woord tot mij en ik meende
reeds, dat hij het plan om mij naar het gesticht te zenden had
opgegeven. Zeker had vrouw Barberin een goed woordje voor mij gedaan
en waarschijnlijk had zij hem overgehaald mij bij zich te houden.
Maar toen het twaalf uur sloeg, beval Barberin mij om mijn pet op te
zetten en hem te volgen.
Verschrikt zag ik vrouw Barberin aan en smeekte haar met mijn blik
om hulp. In het voorbijgaan wenkte zij me, dat ik maar gehoorzamen
moest; terwijl zij met een beweging van haar hand mij geruststelde,
alsof zij zeggen wilde: ge behoeft niet bang te wezen.
Zonder tegenspreken volgde ik dus Barberin.
Wij wonen ver van het dorp, bijna een uur gaans. Dat geheele uur ging
voorbij, zonder dat hij een woord tot mij sprak. Hij liep langzaam
vooruit, met zijn manken voet, wendde nooit zijn hoofd om, maar bleef
van tijd tot tijd stilstaan en keerde zich dan geheel om teneinde
zich te overtuigen, dat ik hem nog altijd volgde.
Waar bracht hij mij naar toe? Die vraag drong zich gedurig bij mij op,
ondanks den geruststellenden wenk van vrouw Barberin, en om aan een
gevaar dat ik voelde naderen te ontkomen, peinsde ik over een middel
om te ontvluchten.
Met dit doel trachtte ik achter te blijven; als ik op een verren
afstand van hem ben, dacht ik, zal ik in de sloot gaan liggen en dan
zal hij mij niet kunnen vinden.
Eerst bepaalde hij zich tot het bevel dat ik vlak achter hem moest
blijven; maar al spoedig scheen hij mijn voornemen te gissen en nam
hij mij bij de hand.
Ik kon nu niet wel anders dan met hem meegaan en deed dit dan ook.
Wij hadden het dorp bereikt en ieder, die ons tegenkwam, keerde zich
om en staarde ons na, want ik zag er uit als een nijdige hond dien
men aan een touw moet houden.
Toen wij voorbij het koffiehuis kwamen, verzocht een man, die op den
drempel stond, ons om binnen te treden.
Barberin vatte mij bij mijn oor en liet mij eerst binnengaan; daarop
sloot hij de deur.
Ik gevoelde mij een weinig geruster; het koffiehuis scheen mij geen
gevaarlijke plaats toe; en dit was het koffiehuis, waar ik zoo langen
tijd reeds heen had willen gaan.
Het koffiehuis en de herberg _Notre Dame_! Hoe zou het daar wel
uitzien?
Dikwijls had ik menschen dit koffiehuis met waggelenden en zwaaienden
gang zien verlaten; wanneer ik er voorbijkwam hoorde ik gewoonlijk
schreeuwen en zingen, zoo luid soms dat de vensters er van rinkelden.
Wat deed men daar? Wat gebeurde er achter die roode gordijnen?
Ik zou dat thans te weten komen.
Terwijl Barberin zich met den waard aan tafel zette, sloop ik naar
een hoek van het vertrek bij den schoorsteen en nam alles om mij heen
eens op.
In den hoek tegenover den ingang zat een grijsaard, die een zeer
zonderlinge kleeding droeg, zooals ik nog nooit in mijn leven
gezien had.
Zijn haren, die in lange lokken over zijn schouders vielen, waren voor
een gedeelte door een kastoren hoed bedekt, met groene en roode veeren
versierd. Een schapevacht, waarvan de wol naar binnen was gekeerd,
bedekte zijn borst. Deze huid had geen armsgaten en door twee openingen
bij de schouders, kwamen een paar armen te voorschijn, die met een
soort van fluweelen stof, welke vroeger blauw geweest moest zijn,
bedekt waren. Voorts droeg hij lange slobkousen, die tot aan zijn
knieën reikten, met roode banden waren toegebonden en verscheidene
malen over zijn beenen gekruist waren.
Hij lag op zijn stoel uitgestrekt, terwijl zijn kin in de rechterhand
ruste en zijn elleboog op de eenigszins opgetrokken knie steunde.
Nog nooit had ik een levend wezen in zulk een kalme houding zien
zitten; hij geleek op een onzer uit hout gesneden heiligen in de kerk.
Naast hem lagen drie honden, doodstil en zoo dicht mogelijk bij
elkander om zich te verwarmen. Een witte poedel, een zwarte kardoes
en een grijs schoothondje met een goedig, listig snoetje; de poedel
had een oude soldatenmuts op den kop, die met een lederen bandje om
zijn kin was vastgebonden.
Terwijl ik den grijsaard met de grootste belangstelling zat aan
te kijken, spraken Barberin en de herbergier op fluisterenden toon
over mij.
Barberin vertelde hem, dat hij naar het dorp gegaan was om mij bij
den burgemeester te brengen en dezen te verzoeken aan het armbestuur
een jaargeld te vragen om mij bij zich te kunnen houden.
Zooveel had vrouw Barberin dus van haar man kunnen verkrijgen en ik
begreep terstond, dat zoo Barberin eenig voordeel er in zag om mij
bij zich te houden, ik dan niets te vreezen zou hebben.
De grijsaard, zonder daarvan den schijn te hebben, hoorde alles wat
er gesproken werd; eensklaps stak hij zijn rechterhand naar mij uit
en zich tot Barberin wendende, vroeg hij met vreemden tongval:
--Is dit het kind, dat u hindert?
--Ja dat is het kind.
--En gelooft gij dat het bestuur der armhuizen u het geld voor zijn
onderhoud terug zal geven?
--Wel, daar hij geen ouders heeft en mij tot last is, moet er toch
wel iemand voor hem betalen; dat is toch nog al billijk geloof ik.
--Ik geef u daarin geen ongelijk, maar gelooft gij, dat alles wat
billijk is gebeurt?
--Neen, dat geloof ik niet.
--Welnu, ik ben zeker dat gij zulk een jaargeld nooit krijgen zult.
--Dan breng ik hem naar het vondelingenhuis; er is geen wet, die hem
recht geven kan om in mijn huis te blijven, wanneer ik hem er niet
langer in houden wil.
--Vroeger hebt gij er in toegestemd hem bij u te nemen; dat was zoo
goed of gij voor altijd de zorg op u genomen hadt.
--Ik verzeker u thans, dat ik hem niet houd en al moest ik hem op
straat zetten, ik zou hem wegdoen.
--Misschien zou er wel een middel zijn, om u terstond van hem te
bevrijden, zeide de oude man, na een oogenblik te hebben nagedacht,
en voegde er bij: misschien zoudt gij er nog iets bij winnen ook.
--Als ge mij zoo'n middel aan de hand doet, dan schenk ik u van
ganscher harte een flesch.
--Bestel de flesch en uw zaak is in orde.
--Zeker?
--Zeker.
De oude man stond van zijn stoel op en ging tegenover Barberin
zitten. Toen hij zich oprichtte, werd de schapevacht door een
onwillekeurige beweging opgebeurd; en ik meende te bespeuren, dat
hij in zijn linkerarm nog een hond droeg.
Wat zou hij zeggen? Wat zou er gebeuren?
Ik had hem met smeekenden blik gevolgd.
--Uw wensch is, niet waar, dat het kind niet langer uw brood eet;
of, zoo hij dat blijft doen, dat gij er dan ook voor betaald wordt?
--Juist; omdat....
--O, welke reden gij daarvoor hebt, kan mij niet schelen; ik behoef
die niet te kennen; voor mij is het voldoende te weten, dat gij het
kind niet langer bij u wilt houden; als dat zoo is, geef hem mij dan
en ik zal verder voor hem zorgen.
--Hem aan u geven?
--Wilt gij hem niet wegdoen?
--Geeft men dan zoo'n kind weg, zoo'n mooi kind, want mooi is hij,
zie maar eens.
--Ik heb hem reeds gezien.
--Rémi, kom hier!
Ik ging bevende naar de tafel.
--Wees maar niet bang, ventje, zeide de gijsaard.
--Zie hem maar eens aan, vervolgde Barberin.
--Ik zeg niet dat hij leelijk is; want als hij leelijk was, zou ik
hem niet willen hebben; met monsters houd ik mij niet op.
--Kom, als hij een monster met twee hoofden of een dwerg was....
--Gij zoudt er dan niet over denken om hem naar het gesticht te
zenden. Gij weet dat een monster waarde heeft en men veel voordeel
daarvan trekken kan; dat men het verhuurt of het zelf voor het een
of ander gebruikt. Maar hij is geen dwerg en geen monster; hij is
geschapen zooals ieder ander en deugt nergens toe.
--Hij kan werken.
--Daartoe is hij te zwak.
--Hij zwak! kom, onzin en hij is zoo gezond en sterk als een groot
mensch; zie maar eens welke beenen hij heeft. Hebt gij ze ooit
rechter gezien?
Barberin stroopte mijn broekspijpen op.
--Die zijn erg dun, zeide de oude man.
--En zijn armen? vervolgde Barberin.
--De armen zijn evenals de beenen; zij kunnen er door, maar zij kunnen
aan vermoeienis en ontbering geen weerstand bieden.
--Hij niet! maar bevoel hem dan eens van alle kanten, bevoel hem eens.
De grijsaard streek met zijn magere hand over mijn beenen, schudde
met het hoofd en trok een bedenkelijk gezicht.
Ik had reeds een dergelijk tooneel bijgewoond, toen onze koe verkocht
werd. Ook die was van alle kanten bevoeld en betast geworden; de
kooper zou haar onmogelijk weer hebben kunnen verkoopen, en toch had
hij haar gekocht en ze medegenomen.
Zou die vreemde man mij koopen en medenemen? ach, moeder Barberin,
moeder Barberin! Ongelukkig genoeg was zij er niet om mij te
verdedigen.
Als ik maar gedurfd had, zou ik gezegd hebben, dat juist de oude
Barberin mij mijn zwakte en mijn magere armen en beenen verweten had;
maar ik begreep dat, al viel ik hem in de rede, mij dit niets dan
een geduchte berisping op den hals zou halen, en ik zweeg dus.
--Hij is een kind zooals er zoovelen zijn, zeide de grijsaard, dat is
waar, maar hij is een stadskind; het is dus zoo goed als zeker dat
hij nooit in staat zal wezen om op het land te werken; zet hem eens
aan den ploeg om de ossen aan te jagen, dan zult ge zien, of dat van
geen langen duur kan zijn.
--Tien jaar.
--Geen maand.
--Maar zie hem dan toch eens aan.
--Zie hem zelf maar eens aan.
Ik stond aan het einde van de tafel, tusschen Barberin en den
grijsaard; de een stootte mij van zich af, de ander wilde mij evenmin
hebben.
--Nu, zeide de oude man eindelijk, ik zal hem dan nemen zooals hij
is. Maar ge moet mij wel verstaan, ik koop hem niet van u; ik huur
hem slechts. Ik geef u twintig francs per jaar.
--Twintig francs!
--Dat is een goede som en ik betaal u zelfs vooruit; gij krijgt vier
klinkende achterwielen en ge zijt van het kind af.
--Maar als ik het houd, zal het armbestuur mij meer dan tien francs
per maand betalen.
--Zeg liever zeven of acht, ik ken de prijzen; maar gij moet hem ook
te eten geven.
--Hij zal werken.
--Als gij meendet, dat hij tot werken in staat was, zoudt gij hem
niet van de hand doen. Men neemt geen kinderen van het gesticht op om
hun jaargeld, maar alleen om hun werk; men maakt arbeiders van hen,
die betalen en niet betaald worden. Bovendien, zoudt ge hem wel bij
u houden, als hij u in eenig opzicht van dienst kon wezen.
--In ieder geval, zou ik dan de tien francs hebben.
--En zoo het bestuur hem, in plaats van aan u, aan een ander gaf dan
zoudt gij in het geheel niets hebben; wanneer ik hem neem, loopt gij
die kans niet: gij behoeft uw hand maar uit te steken.
Hij stak zijn hand in zijn zak en haalde een lederen beurs te
voorschijn, waaruit hij vier zilverstukken nam, die hij rinkelend op
tafel wierp.
--Vergeet niet, riep Barberin, dat het kind eenmaal ouders hebben zal.
--Wat doet er dat toe?
--Dat het stellig niet onvoordeelig zal zijn voor hen, die hem opgevoed
hebben; als ik daar ook niet op gerekend had, zou ik hem nooit tot
mij hebben genomen.
Die woorden van Barberin: "Als ik niet op zijn ouders gerekend had,
zou ik hem nooit tot mij genomen hebben," boezemden mij nog grooter
afkeer voor hem in. Wat een slechte man was hij toch!
--En omdat gij thans niet meer op de ouders rekent, hernam de
grijsaard, zet gij hem op straat. Tot wien zullen de ouders zich dan
wenden, wanneer zij komen opdagen? tot u, niet waar, en niet, tot mij,
dien zij niet kennen.
--En als gij ze terugvindt?
--Laten we dan afspreken, dat wanneer die ouders komen, wij de winst
samen zullen deelen; dan geef ik u dertig francs.
--Stel veertig.
--Neen, voor de weinige diensten, die hij mij bewijzen zal, kan ik
u dat niet geven.
--En welke diensten moet hij u bewijzen? wat zijn beenen betreft,
die zijn uitmuntend en zijn armen evenzoo, dus blijf ik bij hetgeen
ik gezegd heb. Maar waartoe acht gij hem dan in staat?
De oude man zag Barberin eenigszins spottend aan, terwijl hij zijn
glas met langzame teugen leegdronk.
--Om mij gezelschap te houden, zeide hij; ik word oud en 's avonds
na een vermoeienden dag, als het slecht weer is, ben ik dikwijls
zwaarmoedig; hij zal mij dan eenige afleiding bezorgen.
--Dat zullen zijn beenen stellig wel kunnen verdragen.
--Toch niet lang, want hij zal moeten dansen, springen en loopen en
wanneer hij geloopen heeft, zal hij weder moeten springen; kortom
hij zal deel uitmaken van het gezelschap van signor Vitalis.
--En waar is uw gezelschap?
--Ik ben signor Vitalis, zooals ge ongetwijfeld reeds geraden zult
hebben; ik zal u mijn gezelschap voorstellen, daar gij verlangt er
kennis mede te maken.
Terwijl hij dit zeide, maakte hij zijn schapevacht los en het vreemde
dier, dat hij onder zijn linkerarm bewaarde, kwam in zijn hand. Dat
dier had telkens zijn vacht in beweging gebracht, maar het was geen
hondje, zooals ik eerst gemeend had.
Wat voor soort dier kon dat wezen?
Was het wel een dier?
Ik wist niet welken naam ik geven moest aan dat zonderlinge schepsel,
dat ik voor de eerste maal zag. Met de grootste verbazing stond ik
het aan te staren.
Het droeg een rood rokje met goud-galon afgezet, maar zijn armen en
beenen waren naakt, want het waren armen en beenen en geen pooten,
zij waren echter met een zwarte en geen blanke of roode huid bedekt.
Evenzoo was zijn kop, zoo groot als een gebalde vuist, pikzwart;
zijn gelaat was breed en kort, een wipneus met wijd opengespalkte
neusgaten en gele lippen; maar wat mij het meest van alles trof,
waren de beide oogen, die zeer dicht bij elkander stonden, groote
levendigheid verrieden en glinsterden als een paar spiegeltjes.
--O, wat een leelijke aap! riep Barberin uit.
Dat woord deed mij van mijne verbazing bekomen, want al had ik nog
nooit een aap gezien, ik had er dikwijls over hooren spreken. Het
was dus geen zwart kind, dat voor mij stond; het was een aap.
--Dat is de hoofdpersoon van mijn troep, zeide Vitalis, dit is de
heer Joli-Coeur. Joli-Coeur, mijn jongen, maak voor het publiek
uw complement.
Joli-Coeur bracht zijn gesloten hand aan de lippen en gaf ons elk
een kushand.
--Nu een ander, vervolgde Vitalis, terwijl hij zijn hand naar den
poedel uitstak; signor Capi zal de eer hebben zijn vrienden aan het
geachte gezelschap voor te stellen.
Op dit bevel richtte de poedel, die tot nogtoe doodstil was gebleven,
zich plotseling op, zette zich op zijn achterste pooten, kruiste zijn
beide voorpooten over de borst en maakte toen zulk een diepe buiging
voor zijn meester, dat zijn muts bijna den grond raakte.
Toen deze plichtpleging volbracht was, keerde hij zich tot zijn makkers
en met den eenen poot, terwijl hij den anderen op zijn borst hield,
wenkte hij hen, naderbij te komen.
De beide honden, die de oogen niet van hem hadden afgewend, stonden
eensklaps op en reikten elkander een der voorpooten, evenals men in de
wereld elkander de hand drukt; daarop deden zij zes stappen voorwaarts,
toen drie achteruit en groetten het gezelschap.
--Hem, dien ik Capi noem, vervolgde Vitalis, of in het italiaansch
Capitano, is de chef der honden; hij brengt, daar hij de verstandigste
is, al mijn bevelen aan zijn makkers over.
Dat bevallige diertje daar ginds, met zijn zwarte haren, is signor
Zerbino, dat beteekent bevallig, een naam, dien hij in alle opzichten
waardig is. Deze met haar bescheiden voorkomen is signora Dolce,
een schoone Engelsche, wie haar lieve naam eerlijk toekomt. Met deze
merkwaardige personen en hun verschillende titels heb ik het genoegen
de wereld door te trekken en zoo goed en kwaad als 't kan den kost
te verdienen, al naar het lot mij gezind is, Capi.
De poedel kruiste zijne pooten.
--Capi, kom hier, vriendje, en wees nu eens vriendelijk, als je
blieft--het zijn beschaafde wezens, die ik altijd zoo beleefd mogelijk
toespreek--wees thans zoo goed, aan dat jonge mensch, die u met zulke
groote oogen aanstaart, te zeggen, hoe laat het is.
Capi naderde zijn meester, lichtte de schapevacht op, stak zijn poot
in diens vestzak en haalde een groot zilveren horloge te voorschijn,
keek op de wijzerplaat en kefte toen zeer duidelijk tot tweemaal toe;
daarna herhaalde hij nog drie keer dit keffen, maar veel zachter
en onduidelijker.
Het was werkelijk kwart vóór drieën.
--Goed zoo, zeide Vitalis; dank u signor Capi; wees thans zoo
vriendelijk signora Dolce te verzoeken, touwtje te springen.
Capi stak nu zijn poot in den zak van zijns meesters jas en trok daar
een koord uit. Hij wenkte Zerbino en deze plaatste zich snel tegenover
hem. Capi wierp hem toen een eind touw toe en beiden begonnen dit
met met den grootsten ernst te draaien.
Toen de beweging zeer gelijkmatig was, wierp Dolce zich in het koord en
sprong telkens even op, terwijl zij haar vriendelijke oogen aanhoudend
op haar meester gevestigd hield.
--Gij ziet, zeide deze, dat mijn leerlingen zeer verstandig zijn; maar
het verstand wordt dan eerst gewaardeerd, wanneer men het vergelijken
kan. Daarom wensch ik dezen knaap aan mijn gezelschap te verbinden;
hij zal de rol van een dier spelen en mijn leerlingen zullen des te
hooger gewaardeerd worden.
--Foei, om hem voor een beest te laten spelen! riep Barberin uit.
--Men moet een weinig geest hebben, vervolgde Vitalis, en ik geloof
dat het jonge mensch hiervan niet ontbloot zal zijn, wanneer hij
eenige lessen heeft gehad. Het overige komt vanzelf. Wij zullen
terstond de proef eens met hem nemen. Wanneer hij verstandig is,
dan zal hij begrijpen, dat men met signor Vitalis de kans heeft,
geheel Frankrijk en nog wel tien andere landen te doorkruisen,
een vrij leven te leiden, in plaats van achter de ossen te loopen,
en iederen dag op hetzelfde land van den morgen tot den avond te
moeten werken. Terwijl, wanneer hij onverstandig is en huilt en
schreeuwt.... signor Vitalis houdt niet van stoute kinderen en dan
neemt hij hem niet met zich mede. Dan gaat het ondeugende kind naar
het gesticht, waar hij hard werken moet en weinig te eten krijgt.
Ik was verstandig genoeg om den zin van deze woorden te vatten,
maar tusschen ze te begrijpen en een besluit te nemen was nog een
groot verschil.
De leerlingen van signor Vitalis waren zeer aardig en vermakelijk en
het moest ook wel aangenaam zijn om veel te wandelen; maar om hen te
volgen, moest ik vrouw Barberin verlaten.
't Is waar, zoo ik dit weigerde, zou ik misschien toch niet bij vrouw
Barberin blijven en zou men mij naar het gesticht zenden.
Toen ik daar als vastgenageld staan bleef en de tranen mij in de
oogen welden, streek Vitalis zachtkens met zijn hand over mijn wang.
--Komaan, zeide hij, het kereltje begrijpt mij, want hij huilt niet;
hij zal wel verstandig wezen en morgen....
--Ach mijnheer, riep ik, laat mij bij moeder Barberin als je blieft!
Maar vóór ik nog iets had kunnen zeggen, werd ik door een heftig
geblaf van Capi in de rede gevallen.
De hond sprong tegelijkertijd naar de tafel waarop Joli-Coeur was
blijven zitten. Deze had gebruik gemaakt van een oogenblik, dat
ieders oog op mij gericht was en het volle wijnglas van zijn meester
leeggedronken. Maar Capi, die goed de wacht hield, had deze apenstreek
gezien en als een trouw bewaker wilde hij dit verhinderen.
--Mijnheer Joli-Coeur, zeide Vitalis op strengen toon, gij zijt
een lekkerbek en een schelm; ga in den hoek staan met uw neus tegen
den muur, en gij Zerbino moet op hem passen; als hij zich beweegt,
geef hem dan maar een flinken klap. Wat u betreft, mijnheer Capi,
gij zijt een oppassende hond; laat mij u den poot drukken.
Terwijl de aap zacht kermend aan het bevel gehoorzaamde, reikte de
hond fier en gelukkig zijn poot aan zijn meester.
--Laten wij thans onze zaken verder behandelen, begon Vitalis. Ik
geef u dus dertig francs.
--Neen veertig.
Er volgde nu een zeer levendig gesprek; maar Vitalis brak dit eensklaps
af door te zeggen:
--De knaap moet zich hier vervelen, laat hij maar wat in den tuin
gaan spelen.
Hij gaf te gelijk aan Barberin een wenk.
--Ja, dat is goed, ga maar naar den tuin, maar kom niet terug vóór
ik u roep; anders word ik boos.
Ik kon niet anders dan gehoorzamen, wat ik dan ook deed.
Ik ging dus naar den tuin, maar tot spelen voelde ik volstrekt geen
lust. Ik ging op een stoel zitten en verviel in diep gepeins.
Mijn lot zou op dat oogenblik worden beslist. Wat zou het wezen? Ik
bibberde van koude en angst.
Het onderhoud tusschen Vitalis en Barberin duurde geruimen tijd,
want meer dan een uur verliep er vóór hij bij mij in den tuin kwam.
Eindelijk zag ik hem: hij was alleen. Kwam hij mij halen om mij aan
Vitalis te geven?
--Kom, ga mede naar huis, sprak hij.
Naar huis! Ik zou vrouw Barberin dus niet verlaten?
Ik had het hem gaarne willen vragen, maar ik durfde niet, want hij
scheen in een kwade luim.
Wij spraken onderweg geen woord. Maar even vóór wij de woning
bereikten, stond Barberin stil.
--Gij begrijpt, zeide hij, terwijl hij mij weder bij mijn oor greep,
dat als gij een woord vertelt van hetgeen gij vandaag gehoord hebt,
dit u duur te staan zal komen; dus opgepast!