Ik ben een vondeling.
Maar tot mijn achtste jaar geloofde ik, evenals alle andere kinderen,
ook eene moeder te hebben, want als ik weende, was er eene vrouw die
mij in hare armen nam en mij tegen haar boezem drukte totdat mijne
tranen ophielden te vloeien.
Nooit werd ik in mijn bedje gelegd of eene vrouw gaf mij een kus, en
als de Decemberwind de sneeuwvlokken tegen de bevroren ruiten joeg,
nam zij mijne voetjes in hare beide handen om ze te verwarmen en zij
zong dan een liedje, waarvan de wijs en ook eenige woorden nog niet
uit mijn geheugen zijn gewischt.
Als ik onze koe hoedde op het gras langs de wegen of onder de boomen
en door een stortregen overvallen werd, dan kwam ze mij tegemoet en
dwong me een schuilplaats op in haar wollen rok, dien zij optilde om
er mijn hoofd en schouders mede te bedekken.
Als ik twist had met een van mijn makkers, liet ze mij mijn hart
lucht geven en altijd wist ze mij te troosten en met een enkel woord
mij gelijk te geven.
Op grond van dit alles en om andere redenen, ook om de manier,
waarop zij met mij sprak en mij aankeek om hare liefkoozingen en om
de zachtheid, waarmede zij mij beknorde, geloofde ik dat zij mijne
moeder was.
Opeens echter kwam ik te weten dat zij slechts mijne min was. Zie
hier hoe.
Mijn dorp, of juister gezegd het dorp waar ik werd opgevoed--want van
_mijn_ dorp kan ik niet spreken: een geboorteplaats heb ik zoo min als
een vader of moeder--het dorp, waarin ik mijne eerste jeugd doorbracht,
heet Chavanon; 't is een van de armste uit het zuiden van Frankrijk.
Die armoede is niet het gevolg van de onverschilligheid of luiheid
der inwoners, maar van de onvruchtbaarheid der streek, waarin
het gelegen is. De bodem is slechts met eene dunne laag teelaarde
bedekt en om een goeden oogst te krijgen, zou men hem zwaar moeten
bemesten of verbeteringen aanbrengen, die het land niet oplevert. Men
vindt dan ook, of althans men vond in den tijd waarvan ik spreek,
slechts zeer weinig bebouwde akkers, maar overal groote heivlakten
met kreupelhout en braamstruiken. Waar de heidevelden eindigden,
begonnen de moerassen; en over die hooggelegen moerassen blaast
de snerpende wind en verschrompelt het loof van de boschjes uit
enkele boomen bestaande, die hunne knoestige en kromme takken her-
en derwaarts uitstrekken.
Om mooier boomen te vinden, moet men de hoogten verlaten en de
plekjes zoeken welke tegen den wind zijn beschut, aan den oever der
riviertjes, waar op smalle strooken weiland groote kastanjeboomen en
stevige eiken groeien.
Op een van die half verborgen plekjes, aan den zoom van een beek,
waarvan de snelvlietende golfjes zich verliezen in een der armen van
de Loire, lag het huis, waar ik mijne eerste levensjaren doorbracht.
Tot op mijn achtste jaar had ik nooit een man in dat huis gezien. Toch
was mijne moeder geen weduwe, maar haar man was steenhouwer en, zooals
de meeste andere werklieden uit deze streek, verdiende hij den kost
in Parijs en hij was niet teruggekomen sedert ik groot genoeg was om
te begrijpen wat ik hoorde en zag. Slechts nu en dan liet hij iets
van zich hooren, als een van zijn makkers in het dorp kwam.
--Vrouw Barberin, je man maakt het goed; hij heeft me verzocht
u te zeggen dat hij veel werk heeft en mij dit geld voor u
meegegeven. Wil-je het eens natellen.
Dat was alles. Vrouw Barberin stelde zich met die berichten tevreden;
haar man was gezond; het werk werd goed betaald; hij verdiende
den kost.
Al was Barberin zoolang te Parijs gebleven, daaruit moet men niet
opmaken, dat hij op geen goeden voet stond met zijn vrouw. Die
bestendige afwezigheid sproot volstrekt niet voort uit gemis aan
overeenstemming. Hij woonde te Parijs, omdat hij daar zijn werk had;
meer niet. Als hij op jaren zou zijn geworden, zou hij bij zijn
oude vrouw terugkeeren en met het geld, dat zij dan zouden hebben
overgelegd, zouden zij gevrijwaard zijn tegen armoede, als de tijd
gekomen was, waarin kracht en gezondheid hun hadden begeven.
Op een Novemberdag, toen het reeds avond begon te worden, hield er voor
ons hek een man stil, dien ik niet kende. Ik stond voor de deur van
ons huis een boterham te eten. Hij opende het hek niet, maar zijn hoofd
er boven stekende, vroeg hij me of hier niet vrouw Barberin woonde.
Ik verzocht hem binnen te komen. Hij opende het hek, dat op de hengsels
knarste en kwam op het huis af.
Nooit had ik iemand gezien, die zoo met slijk was bemorst. Gansche
plakkaten slijk, sommige nog nat, andere al opgedroogd, bedekten hem
van het hoofd tot de voeten, en daaruit moest men afleiden dat hij
zeer slechte wegen had gevolgd.
Toen zij zijne stem hoorde, kwam vrouw Barberin naar voren en op
het oogenblik, dat hij den drempel had bereikt, stond zij vlak
tegenover hem.
--Ik breng nieuws uit Parijs, zeide hij.
Die eenvoudige woorden had ik al dikwijls gehoord, maar de wijs
waarop zij werden uitgesproken, had niets van die, waarmede vroeger
de mededeeling gepaard ging.--"'t Gaat goed met je man; hij heeft
druk werk."
--Ach God! riep vrouw Barberin uit, hare handen wringende, dan is er
een ongeluk gebeurd met Jérôme.
--Welnu, ja, maar je hoeft niet te sterven van schrik. Hij is gekwetst,
dat is alles: maar hij is niet dood. Mogelijk evenwel zal hij verminkt
zijn. Op het oogenblik ligt hij in het ziekenhuis; mijn bed stond
naast het zijne en daar ik hierheen ging, verzocht hij mij u dit in
het voorbijgaan mede te deelen. Ik kan niet langer blijven, want ik
moet nog drie mijlen verder en de nacht begint al te vallen.
Vrouw Barberin, die er meer van wilde weten, drong er op aan, dat
hij het avondeten bij ons zou gebruiken, want de wegen waren slecht
en men zeide dat zich wolven in den omtrek hadden vertoond. Hij zou
den anderen morgen verder kunnen gaan.
Hij zette zich neder in een hoekje bij den haard, en al etende
vertelde hij ons hoe het ongeluk zich had toegedragen. Barberin was
half verpletterd door eene stelling die ingestort was, en daar men
bewezen had dat hij niet had behooren te zijn op de plek waar hij
gekwetst werd, weigerde de aannemer hem elke vergoeding.
--Hij boft niet, de arme Barberin, zeide hij; hij boft niet; anderen
zouden er een middel in gevonden hebben om levenslang een aardig
jaargeld te trekken, maar je man krijgt niets.
En terwijl hij de pijpen van zijn broek droogde die door de slijklaag
stijf en hard waren geworden, herhaalde hij: "hij boft niet." Uit de
manier waarop hij dit zeide, bleek genoeg, dat hij voor zich gaarne
verminkt zou zijn geworden in de hoop, dat hij dan een goed jaargeld
zou krijgen.
--Toch, zoo eindigde hij zijn verhaal, heb ik hem geraden den aannemer
een proces aan te doen.
--Een proces! dat kost veel geld.
--Ja, maar men kan het winnen.
Vrouw Barberin had naar Parijs willen gaan, maar dat was geen
kleinigheid, zoo'n lange kostbare reis.
Den anderen morgen gingen wij naar het dorp om den pastoor te
raadplegen. Deze wilde haar niet laten vertrekken vóór hij wist of zij
haar man van eenigen dienst kon zijn. Hij schreef naar den aalmoezenier
van het ziekenhuis, waarin Barberin was opgenomen en eenige dagen
later ontving hij ten antwoord, dat zijne vrouw de reis maar niet
moest ondernemen, maar hem liever eene zekere som moest zenden, daar
haar man den aannemer, voor wien hij werkte, een proces wilde aandoen.
Dagen en weken gingen voorbij en van tijd tot tijd kwamen er brieven,
waarin altijd wederom geld werd gevraagd. De laatste brief was de
meest dringende, en hield in dat, als er geen geld meer was, de koe
maar moest verkocht worden.
Slechts zij die op het land hebben gewoond, weten welk een ramp en
jammer liggen opgesloten in die drie woorden: "de koe verkoopen." Voor
den natuurkundige is de koe een herkauwend dier; voor den wandelaar
is het een beest, dat goed doet aan het landschap, wanneer het boven
het groen zijn zwarten met dauw bedekten snuit uitsteekt; voor de
stadsjeugd is het de bron van melk, room en kaas; maar voor den
landman is het nog geheel iets anders. Hoe arm hij wezen moge en hoe
talrijk zijn gezin ook zij, hij is zeker dat hij geen honger zal lijden
zoolang hij een koe op stal heeft. Met een touw of maar een eenvoudig
hennepzeel om de horens laat een kind eene koe weiden langs de met
gras omzoomde wegen, waarvan het weiderecht door niemand gepacht is
en des avonds heeft het gansche gezin boter voor zijn soep en melk
om er de aardappelen in te weeken: vader, moeder en al de kinderen,
de groote zoowel als de kleine, leven van de koe.
Wij leefden er zoo geheel-en-al van, vrouw Barberin en ik, dat ik op
dat oogenblik nooit vleesch had geproefd. Maar zij was niet slechts
onze voedster, maar ook onze gezellin en vriendin, want men moet niet
gelooven, dat de koe een dom dier is; integendeel ze is een verstandig
beest en zij heeft goede eigenschappen, die nog beter worden, wanneer
men ze heeft weten te leiden en te ontwikkelen. Wij liefkoosden de
onze, wij praatten tegen haar en zij begreep ons en, van hare zijde,
wist zij met hare groote bolle oogen, zoo goedig en zacht, zeer wel
te verstaan te geven wat zij wilde of gevoelde. Kortom wij hadden
haar lief en zij had ons lief. Dat is alles gezegd.
Maar wij moesten van haar scheiden; want alleen door het verkoopen
van de koe kon men Barberin tevredenstellen.
Er kwam een koopman en na Roussette van alle zijden bekeken en betast
te hebben en onvoldaan het hoofd te hebben geschud en honderdmaal
te hebben gezegd, dat hij ze eigenlijk niet hebben wou, dat ze een
koe was van arme menschen, en dat hij er niet af zou komen; dat zij
haast geen melk gaf en slechte boter, eindigde hij met te zeggen,
dat hij ze nemen zou, maar enkel en alleen uit medelijden en om vrouw
Barberin genoegen te doen, omdat ze een goed mensch was.
Alsof de arme Roussette begrepen had wat er met haar gebeurde, wilde
zij den stal niet verlaten en begon ze te loeien.
--Ga achter haar en jaag haar op, zeide de koopman, mij zijn zweep
opstekende.
--Neen, dát niet, zeide vrouw Barberin en zij nam zelve de lijn
en sprak het dier met zachte woorden toe, waarop het goedwillig
volgde. Buiten gekomen, werd het achter den wagen gebonden en was
het wel gedwongen het paard te volgen.
Toen wij in huis teruggekeerd waren, hoorden wij het loeien nog
langen tijd.
Geen melk, geen boter; des morgens een stuk brood, des avonds
aardappelen met wat zout.
De vastenavond kwam kort na het verkoopen van Roussette; het vorige
jaar had vrouw Barberin voor mij bij die gelegenheid appelbollen en
wafels gebakken; ik had er zóóveel van gegeten, zooveel, dat zij er
gelukkig onder was.
Maar toen hadden wij Roussette, die de melk gegeven had om het beslag
te maken en de boter om in den pot te doen. Nu wij haar misten,
was er geen melk en geen boter, en was het ook geen vastenavond,
dacht ik bij mij zelf.
Maar vrouw Barberin had mij eene kleine verrassing bereid; zij leende
in den regel niet, maar ditmaal toch had zij aan eene buurvrouw een
kopje melk gevraagd en aan eene andere een stukje boter en toen ik
des namiddags thuis kwam, vond ik haar bezig met het storten van meel
in een grooten aarden pot.
--Hé! meel, riep ik uit, naderbij komende.
--Ja, ja, antwoorde zij met een vriendelijken glimlach, dat is meel,
Rémi, en mooi tarwemeel ook; ruik maar eens hoe lekker het riekt.
Als ik gedurfd had, zou ik gevraagd hebben, waartoe dat meel moest
dienen, maar juist omdat ik het zoo graag weten wilde, durfde ik er
niet over praten. Van den anderen kant wilde ik er ook niet voor
uitkomen, dat ik wist, dat het vastenavond was, omdat dit vrouw
Barberin misschien verdriet zou doen.
--Wat maakt men van meel? vroeg zij, met een veelbeteekenenden blik
mij aanziende.
--Brood.
--En wat nog meer?
--Soep.
--En dan nog iets.
--Ik weet het heusch niet.
--O, je weet het wel; maar omdat je een lieve jongen bent, durf je het
niet zeggen. Je weet dat het vandaag vastenavond is, de avond van de
appelbollen en de wafels. Maar omdat ge ook weet, dat wij geen boter en
geen melk meer hebben, durft gij er niet over spreken. Is 't niet zoo?
--Och, moeder Barberin.....
--Nu ik heb gezorgd dat vastenavond toch niet al te kaal zou wezen. Zie
eens in de etenskist.
Ik lichtte het deksel op en stond verbaasd bij het zien van melk,
boter, eieren en drie appelen.
--Geef me de eieren, zeide ze en terwijl ik die kluts, moet gij de
appels schillen.
Ik schilde en sneed de appelen in schijfjes; zij brak de eieren en
stortte ze in het meel en begon toen te klutsen, nu en dan een lepel
melk er bijvoegende.
Toen het beslag klaar was, zette vrouw Barberin den pot op de heete
asch en nu behoefden wij maar den avond af te wachten; want wij zouden
de appelbollen en de wafels als avondeten gebruiken.
Openhartig gezegd duurde de dag mij zeer lang, en meer dan eens ging
ik naar den pot om den doek op te lichten, die er overhing.
--Je zult het beslag koud doen worden, zeide vrouw Barberin, en dan
zal het niet rijzen. Maar het rees wel en op verscheidene punten
zag men blaasjes opkomen, die barstten aan de oppervlakte. Uit het
rijzende deeg steeg er eene heerlijke lucht op van eieren en melk.
--Breek nog een takkenbos aan, zeide zij; wij moeten een helder vuur
hebben zonder rook.
Eindelijk werd de kaars aangestoken.
--Werp het hout op 't vuur, zeide zij.
Dit behoefde zij mij geen tweemaal te zeggen, want daar wachtte ik al
lang op. Weldra steeg een hooge vlam den schoorsteen in en verlichtte
de gansche keuken.
Toen haalde vrouw Barberin een groote koekepan van den muur en hield
dien boven de vlam.
--Geef me de boter eens aan.
Zij nam toen met de punt van een mes een stukje boter zoo groot als
een noot en legde dit in de pan, waarin het dadelijk sissend smolt.
Dat was een lekkere geur, die ons zooveel te aangenamer streelde,
daar wij hem sinds lang niet geroken hadden. En 't was ook eene
liefelijke muziek, die, welke voortgebracht werd door het sissen en
pruttelen van de boter. Maar hoe ik ook geheel-en-al gehoor was voor
dit aangename geluid, meende ik toch gerucht te vernemen op het plein
voor het huis. Wie zou zoo laat in den avond ons komen storen? Zeker
eene buurvrouw die wat vuur kwam vragen.
Maar ik dacht er niet langer aan, want vrouw Barberin had den lepel
in den pot gedompeld en liet een breeden stroom van het witte beslag
in de pan vloeien, en dit hield mij te veel bezig om op iets anders
te letten.
Er werd met een stok op de deur gebonsd en terstond daarop werd zij
met een ruk geopend.
--Wie is daar? vroeg vrouw Barberin zonder zich om te keeren.
Er was iemand binnengekomen en bij de vlammen, die hem ten volle
verlichtten, zag ik een man met een witten kiel en een dikken stok
in de hand.
--Zoo, vier je weer feest. Nu, ga je gang maar, sprak hij op ruwen
toon.
--Heer in den hemel, zijt gij daar! riep vrouw Barberin, terwijl zij
plotseling haar pot naast zich zette. Jérôme!
Toen nam zij mij bij den arm en duwde mij naar den man, die op den
drempel was blijven staan.
--Dat is uw vader.