M. Wappers, _tot M. Van Bree_.--Laat mij het kind eens
aanspreken.--Manneken, kom gij eens hier. (_Het jongsken gaat bij hem; hij
streelt het onder de kin. Fransken lacht hem dankbaar toe._) Zeg mij eens,
lief kind, welken stiel zoudt gij gaarne leeren?
Fransken; _er komt eene wonderlijke uitdrukking op zijn gelaat; uit zijne
zwarte oogen straalt een vurige blik_.--Schilderen, gelijk Rubbes[17],
Mijnheer!
M. Wappers.--Maar, kind, zeg mij eens: zie, dit manneken is uwe
grootmoeder, niet waar? Zoo is zij immers niet, met al dit haar rond het
hoofd?
Fransken, _met stille stem_.--Ja, maar als Meken 's avonds werkt, dan doet
zij hare muts af, en dan heeft zij zoo een haar wel.
M. Wappers, _tot M. Van Bree_.--Wij zullen het kind maar op de Academie
laten komen; het ziet er vinnig en verstandig uit.